Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200205990/1

Uitspraak 200205990/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AF5999
Datum uitspraak
19 maart 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een serre aan de achtergevel van zijn woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200205990/1.
Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's Gravenhage van 19 september 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een serre aan de achtergevel van zijn woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het ongedateerde advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2002, verzonden op 3 oktober 2002, heeft de rechtbank te 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 december 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C.G. Meeder, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Potter, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellant in hoger beroep komt neer op een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank die gronden terecht verworpen. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan. Dat sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op de privacy van appellant is ook in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Niet valt in te zien dat, nu de Afdeling bij uitspraak van 28 augustus 2002 in zaak no. 200104497/1 reeds heeft vastgesteld dat een bouwvergunning voor het terras in de tuin van vergunninghouder niet op grond van privacyoverwegingen kon worden geweigerd, de vrijstelling en bouwvergunning voor de serre wel op die grond hadden moeten worden geweigerd. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het feit dat het perceel is gelegen binnen het beschermd stadsgezicht door de welstandscommissie in haar advies is betrokken. Niet valt in te zien waarom het college zich niet conform het advies op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groenendijk
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

164-422.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon