Besluit benoemingsprocedure SER.
- Kenmerk
- W12.21.0068/III
- Datum aanhangig
- 10 maart 2021
- Datum vastgesteld
- 21 april 2021
- Datum advies
- 21 april 2021
- Datum publicatie
- 8 juni 2021
- Vindplaats
- Staatsblad 2021, nr. 265
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 10 maart 2021, no.2021000439, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels betreffende de benoemingsprocedure voor leden van de Sociaal-Economische Raad en de onverenigbaarheid van functies (Besluit benoemingsprocedure SER), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit heeft als doel actualisering en vereenvoudiging van de procedurebepalingen inzake de benoeming van de leden van de Sociaal-Economische Raad (SER) en van de bepalingen inzake de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de SER met andere functies en werkzaamheden.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de voorgestelde onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de SER met het lidmaatschap van de Raad van State en over de verhouding tussen de Wet op de Sociaal-Economische Raad en het ontwerpbesluit. In verband daarmee is aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk.
1. Onverenigbaarheid met het lidmaatschap van de Raad van State
De Afdeling maakt een opmerking over de voorgestelde incompatibiliteit van het lidmaatschap van de SER met het lidmaatschap van de Raad van State. (zie noot 1)
De herstructurering van de Raad van State in 2010 heeft geleid tot een scheiding tussen de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak. Sinds die tijd zijn er nog maximaal 10 personen lid van de Raad van State. (zie noot 2) De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide afdelingen. (zie noot 3) Naast de leden van de Raad van State kunnen er staatsraden worden benoemd. (zie noot 4)
Aangezien de SER in het voortraject regelmatig adviseert over wetsvoorstellen ligt het voor de hand om de vice-president en de staatsraden in de Afdeling advisering uit te sluiten van het lidmaatschap van de SER. Zij zouden in dat geval namelijk een ongewenste dubbele adviesrol kunnen krijgen.
Voor staatsraden in de Afdeling bestuursrechtspraak lijkt het probleem van de incompatibiliteit niet te gelden, aangezien de (enkele) besluiten die de SER nog neemt als publiekrechtelijk orgaan, vatbaar zijn voor beroep bij het College van beroep voor het bedrijfsleven (Cbb). Om die reden is in het ontwerpbesluit een functie bij het Cbb aangemerkt als incompatibiliteit, maar geldt dit niet voor functies bij andere rechterlijke instanties. (zie noot 5)
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling om in het ontwerpbesluit de vice-president en de staatsraden in de Afdeling advisering van de Raad van State uit te sluiten van benoeming als lid van de SER.
2. Verhouding Wet op de Sociaal-Economische Raad en ontwerpbesluit
Uit de toelichting blijkt onvoldoende hoe de Wet op de Sociaal-Economische Raad en het ontwerpbesluit zich tot elkaar verhouden. Zo vermeldt de toelichting niet dat de benoeming van de Kroonleden en de voorzitter in de wet wordt geregeld. (zie noot 6) Tevens dient nader te worden toegelicht waarom de incompatibiliteit met het lidmaatschap van de Staten-Generaal in de wet dient te worden geregeld en niet in onderhavig besluit. (zie noot 7) Het behoeft verduidelijking welke zaken in de wet en in het ontwerpbesluit worden geregeld.
Daarnaast wordt in het ontwerpbesluit de mogelijkheid genoemd dat de SER een andere organisatie aanwijst indien organisaties (van werkgevers of werknemers) geen gebruik maken van de bevoegdheid om een lid van de SER te benoemen. (zie noot 8) In de toelichting dient verduidelijkt te worden op welke wettelijke delegatiegrondslag deze mogelijkheid berust.
De Afdeling adviseert om in de toelichting nader in te gaan op de verhouding tussen de Wet op de Sociaal-Economische Raad en het onderhavige besluit.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 1 juni 2021
1. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is het voorstel aangepast. In artikel 5, onderdeel c – oorspronkelijk onderdeel b – is vastgelegd dat het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap van de Raad onverenigbaar zijn met de functies die deel uitmaken van de Afdeling advisering van de Raad van State. Uit artikel 16a, tweede lid, van de Wet op de Raad van State, volgt dat dit zijn de vice-president van de Raad van State, alsmede leden en staatsraden die in de Afdeling advisering van de Raad van State zijn benoemd. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 5 is aangegeven wat hiervoor de reden is.
2. In de algemene toelichting is nader ingegaan op de verhouding tussen de Wet op de Sociaal Economische Raad en het onderhavige besluit. Aangegeven is dat de incompatibiliteit met het lidmaatschap van de Staten-Generaal – zoals opgenomen in het oorspronkelijke ontwerpbesluit zoals dat in (internet-)consultatie is gegaan – dient te worden geregeld bij wet. Dat volgt uit artikel 57, vierde lid, van de Grondwet. De toelichting is hierop aangevuld.
Tot slot is de artikelsgewijze toelichting op de maatregel van artikel 7, derde lid, verduidelijkt. Het is niet zo dat de SER zelf de bevoegdheid toekomt een andere organisatie aan te wijzen. Dit geschiedt bij koninklijk besluit. De bedoelde maatregel, die ingeval van het uitblijven van een benoeming door betrokken organisatie(s) een alternatief geeft, heeft zijn basis in artikel 4, tweede en zesde lid, van de Wet op de Sociaal Economische Raad. De benoemingsprocedure kan immers nader worden gereguleerd bij algemene maatregel van bestuur en de Kroon is het orgaan dat de organisaties aanwijst die (een deel van de) leden en plaatsvervangende leden mogen benoemen.
Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Voetnoten
(1) Voorgesteld artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
(2) Stb. 2010, 175. Artikel 1, eerste lid, van de Wet op de Raad van State.
(3) Artikel 2, derde lid, van de Wet op de Raad van State.
(4) Artikel 8 van de Wet op de Raad van State.
(5) Voorgesteld artikel 5, eerste lid, onderdeel c.
(6) Artikel 4 en 11 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad.
(7) Vanwege artikel 57, vierde lid, van de Grondwet).
(8) Voorgesteld artikel 7, derde lid.