Uitspraak 200402873/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AR4250
- Datum uitspraak
- 30 augustus 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 november 2002 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200402873/1.
Datum uitspraak: 30 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2002 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 23 juli 2003 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 maart 2004, verzonden op 9 maart 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen een termijn van zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van de vreemdeling. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 april 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gelezen in samenhang met het eerste lid van dat artikel, niet volgt dat is afgeweken van de voorwaarde, dat de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf dient te hebben genoten om in aanmerking te komen voor de in dat artikel vermelde beperking in de afwijzingsgronden.
2.1.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000, voorzover thans van belang, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft genoten, als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, slechts worden afgewezen op één van de onder a tot en met f van dat artikel vermelde gronden.
Ingevolge het vierde lid van dat artikel wordt, voorzover thans van belang, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag alleen afgewezen op grond van het eerste lid, onder b en d, indien de vreemdeling in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is. In afwijking van het eerste lid behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn.
2.1.2. De grief slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat in artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 voor de toepasselijkheid van de daarin vermelde beperking in de afwijzingsgronden slechts in zoverre van het eerste lid is afgeweken, dat het tijdvak van ten minste vijf jaar waarover rechtmatig verblijf moet zijn genoten, niet aaneengesloten behoeft te zijn. Uit dat artikellid, gelezen in samenhang met het eerste lid van artikel 21 van de Vw 2000, volgt dat niet is afgeweken van de voorwaarde dat de vreemdeling direct voorafgaande aan het indienen van een aanvraag om een desbetreffende vergunning rechtmatig verblijf moet hebben. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit van 23 juli 2003 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000. Voorzover de minister in de grief betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de geschiedenis van totstandkoming van artikel 21 van de Vw 2000, behoeft dat betoog geen bespreking.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.
2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister heeft miskend dat artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) op de beoordeling van zijn aanvraag van toepassing is.
2.3.1. Ingevolge dat artikel kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000, worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die tussen het vierde en het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar.
2.3.2. Deze grond treft geen doel. Artikel 3.92, eerste lid, van het Vb 2000 regelt, mede blijkens de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 497, p. 166), een beperkte terugkeeroptie voor vreemdelingen die tijdens de minderjarigheid in Nederland hebben verbleven, naar het land van herkomst zijn teruggekeerd en inmiddels meerderjarig zijn geworden. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling sinds zijn vierde levensjaar voortdurend zijn hoofdverblijf in Nederland heeft, heeft de minister die bepaling reeds daarom terecht niet toegepast op de beoordeling van zijn aanvraag. Gelet hierop behoeft het betoog van de vreemdeling dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht geen bespreking.
2.4. Voorts is er geen grond voor het oordeel dat de minister zich bij het besluit van 23 juli 2003 niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen geen inmenging oplevert in het recht van de vreemdeling op respect voor zijn privé-leven of zijn familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), aangezien de weigering de vreemdeling verblijf voor onbepaalde tijd hier te lande toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen. De weigering de vreemdeling een vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen maakt het hem niet onmogelijk zijn privé-leven of zijn familie- of gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Of hij aanspraak kan maken op een verblijfstitel die dat mogelijk maakt, kan hij aan de orde stellen door indiening van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. In dat kader kan ook beoordeeld worden of sprake is van dusdanige bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor zijn privé-leven of zijn familie- of gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit hem hier te lande verblijf toe te staan. Hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, treft geen doel.
2.5. Het inleidende beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2004 in zaak nr. AWB 03/44201 BEPTDN;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Nollen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2004
313-440.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,