Uitspraak 200203480/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2002:AF1438
- Datum uitspraak
- 4 december 2002
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) appellant ongeschikt bevonden voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C.
- Hoger beroep
- Overige uitspraken (tot 2004)
Toon inhoud
200203480/1.
Datum uitspraak: 4 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 8 mei 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) appellant ongeschikt bevonden voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C.
Bij besluit van 17 juli 2001 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 mei 2002, verzonden op 14 mei 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 1 augustus 2002 heeft het CBR van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.J. Michielsen, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, juridisch medewerker bij het CBR, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek van appellant om afgifte van een verklaring van geschiktheid is afgewezen met toepassing van artikel 5.2.3, onder b, van de bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 behorende bijlage (hierna: de bijlage), omdat hij lijdt aan insulineafhankelijke diabetes en niet vrij is van de in artikel 5.2.1 van de bijlage vermelde complicatie aan de ogen.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn aandoening geen complicatie in de zin van artikel 5.2.3, onder b, van de bijlage is, aangezien het gaat om een rustige diabetische retinopathie. Hij stelt in dat verband dat de keurende internist en oogarts hem uit medisch oogpunt geschikt achten voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C.
2.3. Niet is in geschil dat appellant aan een diabetische retinopathie lijdt. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat dat lijden, ook al is de aandoening geruime tijd geleden behandeld, als een complicatie valt aan te merken, als bedoeld in artikel 5.2.1 van de bijlage. Het feit dat de aandoening, naar appellant stelt, “rustig” is, doet hieraan niet af. Het CBR heeft geen onjuiste toepassing aan artikel 5.2.3, onder b, van de bijlage gegeven door de retinopathie, waaraan appellant lijdt, aan te merken als een complicatie in de zin van dit voorschrift, nu niet in geschil is dat de aandoening het gevolg is van diabetes.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002
97-426.