Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200202919/1

Uitspraak 200202919/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:AF1134
Datum uitspraak
27 november 2002
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 8 augustus 2000 respectievelijk 31 juli 2001 hebben appellanten de bezwaren van [verzoeker sub 1] e.a. respectievelijk [verzoeker sub 2] tegen de fictieve weigering om met bestuursdwang op te treden tegen de door [vergunninghouder] zonder vergunning gerealiseerde overkapping van de achterplaats van het perceel [locatie] ongegrond verklaard. Deze besluiten en het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften van 2 juli 2001 zijn aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200202919/1.
Datum uitspraak: 27 november 2002.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 mei 2002 in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],
2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 8 augustus 2000 respectievelijk 31 juli 2001 hebben appellanten de bezwaren van [verzoeker sub 1] e.a. respectievelijk [verzoeker sub 2] tegen de fictieve weigering om met bestuursdwang op te treden tegen de door [vergunninghouder] zonder vergunning gerealiseerde overkapping van de achterplaats van het perceel [locatie] ongegrond verklaard. Deze besluiten en het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften van 2 juli 2001 zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 mei 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) de tegen deze besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 juli 2002 hebben [verzoeker sub 1] e.a. en [verzoeker sub 2] een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G. Goossens en drs. W. Hendriks, ambtenaren der gemeente, en [verzoeker sub 1] e.a. en [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, zijn verschenen. Tevens is daar [vergunninghoudster] vertegenwoordigd door [vergunninghouder], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat er vanuit, dat de overkapping is gebouwd zonder dat daarvoor de ingevolge artikel 40 van de Woningwet vereiste bouwvergunning is verleend. Appellanten waren derhalve bevoegd tot het aanzeggen van bestuursdwang over te gaan.

2.2. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen een illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien concreet zicht is op legalisatie.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het nemen van de beslissingen op bezwaar concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat ten tijde van de beslissingen op bezwaar geen voorbereidingsbesluit gold.

2.4. Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat er vanuit dat de in geding zijnde bouw in strijd is met het bestemmingsplan en dat uitsluitend met toepassing van artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning zou kunnen worden verleend.

2.4.1. Bij de stukken bevinden zich kopieën van twee voorbereidingsbesluiten; een voorbereidingsbesluit dat op 15 december 1999 in werking is getreden en dat dus van kracht was ten tijde van het besluit van 8 augustus 2000 en een voorbereidingsbesluit dat op 31 januari 2001 in werking is getreden en dat dus van kracht was ten tijde van het besluit van 31 juli 2001. De rechtbank heeft dit miskend.

Dat gelet hierop toepassing van artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot de mogelijkheden behoorde, leidt evenwel niet tot het oordeel dat sprake was van een voldoende concreet zicht op legalisatie. Daarbij is van belang dat de voorbereidingsbesluiten betrekking hadden op een aantal gebieden en niet waren genomen met de bedoeling de legalisatie van deze bouw mogelijk te maken. Ook was nog geen verzoek ingediend om met gebruikmaking van de anticipatieprocedure vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

In verband met het (ex tunc) karakter van de beoordeling van het hoger beroep door de Afdeling kan met nieuwe feiten en omstandigheden, zoals het inmiddels in procedure gebrachte bestemmingsplan en de mogelijke verplaatsing van het bedrijf, geen rekening worden gehouden.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht het beroep tegen de besluiten van 8 augustus 2000 en 31 juli 2001 gegrond heeft verklaard en deze besluiten terecht heeft vernietigd, zij het deels op onjuiste gronden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Bastein
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2002.

13.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon