Uitspraak 200406866/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AS2596
- Datum uitspraak
- 22 december 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft appellant (hierna: de minister) de aan [de vreemdeling] verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200406866/1.
Datum uitspraak: 22 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 juli 2004 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft appellant (hierna: de minister) de aan [de vreemdeling] verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 juli 2004, verzonden op 19 juli 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Op 29 juni 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de vreemdeling een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend. Deze vergunning heeft de minister bij besluit van 24 oktober 2002 ingetrokken op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
2.2. In grief 1 betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij voormelde vergunning tot verblijf zonder beperkingen niet kon intrekken op grond van artikel 35 van de Vw 2000, aangezien die vergunning niet een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. Volgens de rechtbank blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 dat de wetgever wat betreft de omzetting van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd uitdrukkelijk geen onderscheid heeft willen maken tussen een verblijfsvergunning regulier en een verblijfsvergunning asiel en dat zodanige vergunning tot verblijf hooguit kan worden aangemerkt als een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000.
2.2.1. Ingevolge artikel 115, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfstitel op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van die wet.
Ingevolge het vierde lid wordt een vergunning tot verblijf zonder beperkingen aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.2.2. Uit het eerste lid van artikel 115 van de Vw 2000 vloeit, naar bevestigd wordt in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 92), voort dat met het in dit artikel neergelegde overgangsrecht niet is beoogd zelfstandige, derhalve uitsluitend op het overgangsrecht gebaseerde, verblijfstitels te scheppen, doch om de onder oud recht verkregen verblijfstitels zo snel mogelijk om te zetten in verblijfsvergunningen op grond van de Vw 2000 op een zodanige wijze dat de materiële rechtspositie van betrokkenen in beginsel niet wijzigt. De in artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 neergelegde bepaling moet dan ook zo worden begrepen dat een vergunning tot verblijf zonder beperkingen wordt omgezet in een elders in de Vw 2000 voorziene en geregelde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en niet in een door die overgangsbepaling zelf in het leven geroepen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, waarop de bepalingen van afdeling 4.2 noch die van afdeling 3.2 van die wet van toepassing zijn.
2.2.3. De Vw 2000 onderscheidt twee verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd, de verblijfsvergunning regulier, als bedoeld in artikel 20, en de verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 33. Uit het voorgaande volgt dat een vergunning tot verblijf zonder beperkingen van rechtswege is omgezet in één van die verblijfsvergunningen. In artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 is echter, anders dan in het derde, vijfde en zevende lid van dat wetsartikel, geen verwijzing naar artikel 20 dan wel artikel 33 opgenomen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen aan de hand van de gronden waarop onder oud recht de titel is verleend, moet worden bezien in welke van de beide verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd die het nieuwe recht kent, de oude titel ingevolge artikel 115 van de Vw 2000 van rechtswege is omgezet. Indien een vergunning tot verblijf zonder beperkingen is verleend op asielgerelateerde gronden, wordt zij ingevolge artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000, en indien zij is verleend op reguliere gronden als een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 20 van die wet.
2.2.4. De staatssecretaris heeft de vreemdeling bij besluit van 29 juni 2000 een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend, nadat hij drie jaar in het bezit was geweest van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Derhalve heeft de staatssecretaris de vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend op asielgerelateerde gronden, hetgeen met zich brengt dat die vergunning na de inwerkingtreding van de Vw 2000 wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. De grief slaagt derhalve.
2.3. De grieven 2 en 3 missen zelfstandige betekenis.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 juli 2004 in zaak nr. AWB 02/86916 OVERIO H;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Zegveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004
43-457.