Uitspraak 200408015/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AS9909
- Datum uitspraak
- 1 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 maart 2004 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) een verzoek van appellanten om aan hen op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 opvang te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Opvang asielzoekers
Toon inhoud
200408015/1.
Datum uitspraak: 1 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede namens hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 september 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2004 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) een verzoek van appellanten om aan hen op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 opvang te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 oktober 2004 heeft het COA een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten klagen dat de rechtbank, door aan de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) geen rechtstreekse werking toe te kennen, miskent dat uit artikel 27 van het IVRK voor het COA de verplichting voortvloeit om passende maatregelen te nemen om ouders te helpen en te voorzien in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft huisvesting, zolang deze in Nederland verblijven.
2.1.1. Artikel 27 van het IVRK luidt als volgt:
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.
4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.
2.1.2. Die bepalingen bevatten, gelet op hun formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Uit deze bepalingen vloeit geen rechtstreekse verplichting voort van het COA om de primaire verantwoordelijkheid van ouders om voor hun kind te zorgen over te nemen. Evenmin kunnen minderjarigen, van wie de ouders ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 van verstrekkingen zijn uitgesloten, hieraan een rechtstreekse aanspraak op zodanige verstrekkingen ontlenen. De in het derde lid opgenomen bepaling bevat een instructienorm aan de Staat. De rechtbank heeft het desbetreffend betoog van appellanten dan ook terecht niet gevolgd. In zoverre faalt de grief.
2.2. Hetgeen voor het overige naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Zwinkels
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005
309-475.