Uitspraak 201202811/1/A4

Datum van uitspraak: dinsdag 20 maart 2012
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Friesland
Proceduresoort: Mondelinge uitspraak
Rechtsgebied: Natuurbescherming
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:3655

201202811/1/A4.
Datum uitspraak: 20 maart 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak ter zake van een ambtshalve ingesteld onderzoek naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 maart 2012 in zaak nr. 201202811/2/A4 getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

Vogelbescherming Nederland, gevestigd te Zeist, en andere (hierna tezamen in enkelvoud: Vogelbescherming),
verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.

Openbare zitting gehouden op 20 maart 2012 om 13.00 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.H. van Kreveld voorzitter

ambtenaar van staat: mr. R. van Heusden

Verschenen:
Vogelbescherming, vertegenwoordigd door [gemachtigden], werkzaam bij Bureau Waardenburg B.V.;
Het college, vertegenwoordigd door H. Denters, werkzaam bij de provincie.
Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond IJsselmeer u.a. (hierna: Vissersbond), vertegenwoordigd door [secretaris], en [gemachtigde], werkzaam bij Imares WageningenUR.

Ambtshalve ingesteld onderzoek naar de vraag of aanleiding bestaat de bij uitspraak van 18 maart 2012, in zaak nr. 201202811/1/A4, op verzoek van Vogelbescherming getroffen voorlopige voorziening te wijzigen of op te heffen. Bij deze voorlopige voorziening heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een besluit van 13 maart 2012, verzonden op 16 maart 2012, van het college met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht geschorst. Bij dat besluit is aan Vissersbond op haar op 1 maart 2012 ingediende aanvraag een vergunning ingevolge artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het vangen van maximaal 1.000 ton spiering uit het IJsselmeer.

De voorzitter
ziet geen aanleiding om de bij uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 maart 2012, in zaak nr. 201202811/2/A4, getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

Daartoe overweegt hij het volgende.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) heeft bij besluit van 23 december 2009 het IJsselmeer aangewezen als Natura 2000-gebied. Het IJsselmeer is aangewezen als beschermd leefgebied voor onder meer de visetende vogelsoorten visdief, nonnetje, dwergmeeuw, zwarte stern, fuut en grote zaagbek. Voor deze vogelsoorten zijn in het besluit van 23 december 2012 instandhoudingsdoelstellingen opgenomen.

Niet in geschil is dat spiering voor deze vogelsoorten een belangrijke voedselbron is.

De voorzitter stelt vast dat op grond van de bij besluit van 13 maart 2012 verleende vergunning een aanmerkelijke hoeveelheid spiering mag worden gevist.

Gezien de artikelen 19d en 19f van de Natuurbeschermingswet 1998, kan, zonder dat een passende beoordeling is gemaakt, voor de spieringvisserij vergunning worden verleend indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, deze activiteit significante verstorende effecten heeft op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Blijkens het Natura 2000 Doelendocument van juni 2006, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag ligt, is de belangrijkste oorzaak voor de verandering van de draagkracht van de leefgebieden voor de visetende watervogels gelegen in de afname van spiering in het IJsselmeer.

Het college heeft aan haar besluit het in opdracht van Vissersbond opgestelde rapport "MEMO: Effecten van spieringvisserij op instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied IJsselmeer" ten grondslag gelegd. In het rapport, dat Vissersbond bij haar aanvraag heeft gevoegd, staat vermeld dat de vraag naar mogelijke significante gevolgen van de spieringvisserij op de instandhoudingsdoelstelling voor visetende watervogels op het IJsselmeer complex is, onder meer om een modelmatige benadering vraagt die recht doet aan de complexiteit van het systeem en derhalve niet eenvoudig op korte termijn is te beantwoorden.

Dit rapport bevat gegeven de zeer korte termijn die voor het onderzoek beschikbaar was, zo staat daarin vermeld, de resultaten van een eerste, zeer globale, inventarisatie van de relaties tussen spieringvisserij, de spieringstand en de aantallen vogels op het IJsselmeer.

De Voorzitter is van oordeel dat het college uit het rapport niet heeft kunnen afleiden dat kan worden uitgesloten dat de toegestane spieringvisserij significante verstorende effecten voor genoemde vogelsoorten heeft.

Gelet op het vorenstaande, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat vergunning kon worden verleend zonder dat een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Natuurbeschermingswet 1998 was gemaakt. Het besluit tot vergunningverlening is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzitter ziet in de door Vissersbond gestelde economische belangen van de bij haar aangesloten vissers, bij afweging van de betrokken belangen, onvoldoende aanleiding de schorsing op te heffen of te wijzigen.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden
voorzitter ambtenaar van staat

163.