Uitspraak 201012096/1/H1

Datum van uitspraak: woensdag 27 juli 2011
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2011:BR3254

201012096/1/H1.
Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],
appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2010 in zaken nrs. 10/7786 en 10/8611 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college [appellant A] onder oplegging van bestuursdwang gelast de schuur op het perceel [locatie] te Maasland binnen acht weken na verzending van het besluit terug te brengen in de oude staat, dat wil zeggen in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning uit 1966.

Bij uitspraak van 9 december 2010, verzonden op 10 december 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. Kaiser, werkzaam bij de gemeente, en [persoon], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 februari 1966 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Maasland bouwvergunning verleend voor de als sorteerruimte te gebruiken schuur. Tijdens een controle op 27 september 2006 heeft het college geconstateerd dat in de schuur binnenmuren, sanitaire voorzieningen en een keuken zijn geplaatst. Voorts zijn centrale verwarming en een waterleiding aangelegd, is naast de schuur een olietank geplaatst en is een sceptic tank ingegraven.

2.2. Vast staat dat de voorzieningen zonder de daartoe vereiste bouwvergunning zijn aangebracht, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter, in navolging van het college, niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestaat, aangezien de wijzigingen die aan de schuur zijn aangebracht, niet omgevingsvergunningplichtig zijn als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Hiertoe voeren zij aan dat de wijzigingen voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in artikel 2.1, derde lid van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 2.3, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en artikel 3, aanhef en onder 7, van bijlage II bij het Bor, dat eveneens op 1 oktober 2010 in werking is getreden.

2.3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, voor zover thans van belang, blijft bij de toepassing van artikel 3 het aantal woningen gelijk.

2.3.2. Uit de omstandigheid dat door het aanbrengen van de voorzieningen aan de schuur deze thans in bouwkundige zin als een woning moet worden aangemerkt, volgt dat het aantal woningen met één is toegenomen en derhalve niet gelijk is gebleven. Reeds daarom dient te worden geoordeeld dat niet wordt voldaan aan artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, zodat niet staande kan worden gehouden dat voor het aanbrengen van de voorzieningen geen omgevingsvergunning is vereist. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat in zoverre geen concreet zicht op legalisering bestaat van de zonder de daartoe vereiste bouwvergunning aan de schuur aangebrachte voorzieningen.

Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellanten] dat ingevolge de overgangsrechtelijke bepalingen van het bestemmingsplan het bouwwerk gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd, doet niet af aan de omstandigheid dat de daaraan reeds aangebrachte voorzieningen zonder de daartoe vereiste bouwvergunning zijn gerealiseerd. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat handhavend optreden daartegen zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan had behoren af te zien. De voorzieningenrechter is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Dorst
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

457-357-619.