Uitspraak 201201863/1/R4

Datum van uitspraak: woensdag 31 oktober 2012
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Fryslân
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Geluid
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BY1716

201201863/1/R4.
Datum uitspraak: 31 oktober 2012

.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Donkerbroek, gemeente Ooststellingwerf,
2. [appellant sub 2], wonend te Wijnjewoude, gemeente Opsterland,
3. [appellant sub 3], wonend te Wijnjewoude, gemeente Opsterland,
4. [appellante sub 4], wonend te Wijnjewoude, gemeente Opsterland,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van de aanpassing van het tracé van de N381 voor het gedeelte van Drachten tot de grens met Drenthe.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellante sub 4] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2012, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.J. Hengst, advocaat te Joure, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, [appellante sub 4] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach en mr. M.A.A. Soppe, advocaten te Almelo, P.A. Kroeze, A. Meijer en D. Piquer, werkzaam bij de provincie, en M. ter Steege, zijn verschenen.

Overwegingen

Het besluit

2. Het inpassingsplan "N381 van de provincie Fryslân" voorziet in de aanpassing van de provinciale weg N381 tussen Drachten en de Drents-Friese grens.

Vanwege het geluid van de N381 heeft het college bij het bestreden besluit hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor in totaal 17 woningen aan de Bûtewei 50, [locatie 2] en 80, Opper Haudmare 2, Tjalling Harkeswei 100, 101, 102 en [locatie 1] en Weinterp 28 te Wijnjewoude, Balkweg 3, Moskoureed 12, ’t West 2, Tjabbekamp 6 en Vaart Westzijde 17 te Donkerbroek en Nanningaweg 48, 49 en 50 te Oosterwolde.

Ontvankelijkheid

3. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Ingevolge artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is, voor zover hier van belang, op de voorbereiding van een besluit waarbij hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting worden vastgesteld, de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

3.1. Het ontwerp voor het bestreden besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden is ter inzage gelegd tezamen met het ontwerp van het bestemmingsplan "N381 van de provincie Fryslân", ten behoeve waarvan de hogere waarden zijn vastgesteld.

Niet in geschil is dat [appellant sub 1] zijn zienswijze heeft ingediend buiten de termijn van zes weken. Niet gebleken is dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Voor het niet tijdig indienen van zienswijzen is geen rechtvaardiging gelegen in de door [appellant sub 1] aangevoerde omstandigheid dat het college bekend was met zijn positie als belanghebbende. Het lag op de weg van [appellant sub 1] zich op de hoogte te stellen van relevante ontwikkelingen, waaronder het ter inzage gelegde ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden. Nu [appellant sub 1] zulks heeft nagelaten, komen de gevolgen hiervan voor zijn rekening.

Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

3.2. [appellante sub 4] heeft schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht over het inpassingsplan "N381 van de provincie Fryslân". De in de zienswijzen naar voren gebrachte motivering ziet wat betreft het aspect geluid op de overschrijding van de grenswaarden ter plaatse van haar perceel. De motivering beperkt zich wat betreft het aspect geluid tot de gevolgen van de aanleg van de N381 voor het woon- en leefklimaat van [appellante sub 4]. Voorts is in de aanhef van de zienswijzen slechts verwezen naar het inpassingsplan. Ook overigens is in de zienswijzen niet gerefereerd aan het ontwerp van het besluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden. Gelet daarop houdt de Afdeling het ervoor dat [appellante sub 4] geen zienswijzen naar voren heeft gebracht over het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden.

Het beroep van [appellante sub 4] is niet-ontvankelijk.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh, voor zover hier van belang, heeft een weg een zone.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voor zover hier van belang, is, behoudens het in artikel 83 bepaalde, de voor de woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, voor zover hier van belang, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het derde lid kan, voor zover hier van belang, bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld. Voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft, mag deze waarde 58 dB niet te boven gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge het zevende lid, voor zover hier van belang, zijn, wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, benodigd is in verband met de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij een provincie, gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg is gelegen bevoegd tot vaststelling van de hogere waarde. Het tweede tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede en zesde lid in plaats van "burgemeester en wethouders" moet worden gelezen "gedeputeerde staten".

Akoestisch onderzoek

5. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in onder meer het rapport "Provinciaal Inpassingsplan N381, Akoestisch onderzoek wegverkeer" van Goudappel Coffeng van 19 april 2011 (hierna: akoestisch onderzoek).

6. Ingevolge artikel 110d van de Wgh, voor zover hier van belang, wordt ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg voor het bepalen van het equivalente geluidniveau bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid.

Hieraan is uitvoering gegeven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: het RMV 2006).

Ingevolge artikel 1.2 van het RMV 2006 worden de resultaten van het akoestisch onderzoek, ter bepaling van het equivalente geluidniveau, vastgelegd in een overeenkomstig hoofdstuk 1 van bijlage I ingericht akoestisch onderzoek.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, wordt het equivalente geluidniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

7. De Afdeling stelt voorop dat gezien artikel 110d van de Wgh gelezen in samenhang met het RMV 2006 slechts kan worden geconcludeerd dat de geluidbelasting onjuist is bepaald, wanneer deze niet overeenkomstig de in het RMV 2006 gestelde regels is vastgesteld.

In het akoestisch onderzoek staat dat het onderzoek overeenkomstig de in het RMV 2006 voorgeschreven Standaardrekenmethode II is uitgevoerd. Dat is in overeenstemming met artikel 3.3, eerste lid, van het RMV 2006.

8. [appellant sub 3] betoogt dat het besluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden in strijd is met artikel 5.4 van het Besluit geluidhinder (hierna: Bgh), nu de geluidonderzoeken geen voldoende weergave betreffen van de exacte referentiepunten en geluidaannames ter plaatse van zijn woning en het doelmatigheidsrapport slechts ziet op kostenaspecten.

8.1. Ingevolge artikel 110a, derde lid,van de Wgh kan de hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Bgh, voor zover hier van belang, bevatten het verzoek om een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de Wgh en het ontwerp van een verzoek om een hogere waarde, de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen, de resultaten van het akoestisch onderzoek en een verklaring dat maatregelen zullen worden getroffen indien de geluidbelasting vanwege de weg binnen de woning of andere geluidgevoelige gebouwen bij gesloten ramen meer bedraagt dan de waarde bedoeld in artikel 111 van de wet.

8.2. Artikel 5.4, eerste lid, van het Bgh heeft slechts betrekking op de situatie dat om een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de Wgh wordt verzocht. Dit is hier niet aan de orde, omdat het college op grond van artikel 110a, derde lid, van de Wgh hogere geluidgrenswaarden ambtshalve heeft vastgesteld.

Het betoog faalt reeds daarom.

9. [appellant sub 2] betoogt dat niet kan worden nagegaan of de geluidbelasting in het akoestisch onderzoek op de juiste wijze is bepaald, nu het digitale rekenmodel niet ter beschikking is gesteld. [appellant sub 2] voert in dit verband tevens aan dat niet kan worden nagegaan of in het akoestisch onderzoek van de exact juiste locatie van de weg ten opzichte van zijn woning aan [locatie 1] te Wijnjewoude is uitgegaan.

9.1. In paragraaf 3.1. van het akoestisch onderzoek staat dat de geluidmodellen zijn opgesteld met het programma GeoMilieu, versie 1.62. In bijlage 1 van het akoestisch onderzoek zijn de invoergegevens uit de rekenmodellen opgenomen. In paragraaf 3.3.1 van het akoestisch onderzoek staat dat voor de ruimtelijke opbouw van het onderzoek gebruik is gemaakt van TOP10-vector, van BAG-bestanden van de gemeenten Ooststellingwerf, Opsterland en Heerenveen, van GBKN-bestanden van die gemeenten en van het tracé-ontwerp N381, versie februari 2011. Het tracé-ontwerp is, zo heeft het college in het verweerschrift en DGMR in de door het college overgelegde reactie van 9 maart 2012 (hierna: reactie van DGMR) op het betoog van [appellant sub 2], toegelicht, vervat in een MX-model, waarin elk punt van de weg in een X-, Y- en Z-coördinaat is vastgelegd. Daarbij is ook rekening gehouden met de op- en afritten. Het betoog van [appellant sub 2] bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de validiteit van het model met de invoergegevens niet kan worden geverifieerd of dat anderszins in zoverre het akoestisch onderzoek niet overeenkomstig het RMV 2006 is verricht. [appellant sub 2] heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het college niet van de representativiteit van de berekeningen heeft mogen uitgaan.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] betoogt dat het akoestisch onderzoek een onjuiste berekening van de geluidbelasting bevat, nu daarbij ten onrechte niet het effect van meerdere reflecties ter plaatse van de tunnelbak bij de ongelijkvloerse kruising van de N381 met de Weinterp te Wijnjewoude nabij zijn woning aan [locatie 1] is betrokken. In dit verband brengt hij naar voren dat de tunnelwand als geluidafschermende voorziening moet worden beschouwd en aan de overzijde van de weg eveneens sprake is van een geluidafschermende voorziening.

10.1. Ingevolge artikel 1.5, tweede lid, aanhef en onder a, van het RMV 2006, voor zover hier van belang, wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau, afhankelijk van de situatie, rekening gehouden met de effecten op de geluidoverdracht, die het gevolg zijn van één of meer reflecties van het geluid.

Volgens paragraaf 2.3 van de Standaardrekenmethode II wordt het equivalente geluidniveau berekend rekening houdend met de bijdrage van reflecties. In de regel wordt gerekend met één reflectie. Als de situatie daartoe aanleiding geeft, kan met verschillende reflecties worden gerekend. Nader onderzoek naar de invloed van reflecties op het equivalente geluidniveau is volgens paragraaf 2.3 vereist onder meer indien het reflecterend object een geluidafschermende voorziening is en zich aan de overzijde van de weg eveneens een geluidafschermende voorziening bevindt.

10.2. Volgens de onder 9.1 vermelde reactie van DGMR zijn de wanden van het verlaagde talud ter plaatse van de Weinterp bedoeld om een ongelijkvloerse kruising mogelijk te maken en betreffen deze wanden geen geluidafschermende voorzieningen in de zin van paragraaf 2.3 van de Standaardrekenmethode II. Gelet daarop en op de ter zitting door het college gegeven toelichting ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 2] geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek in zoverre onjuist is uitgevoerd.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2] betoogt dat het effect van bodemgebieden ten gevolge van erfverhardingen ten onrechte niet bij het akoestisch onderzoek is betrokken.

11.1. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het RMV 2006, voor zover hier van belang, wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg rekening gehouden met de invloed van de bodem op de geluidoverdracht.

11.2. In paragraaf 3.3.1 van het akoestisch onderzoek staat dat oppervlakten zoals wegdekverharding, water en akoestische harde bodemgebieden in het model zijn ingevoerd als geluidreflecterend. Daarbij is uitgegaan van een worst case-situatie, waarin wegdekverhardingen overal breder zijn aangehouden dan het ontwerp, om niet specifiek ingevoerde vluchthavens en water (sloten) te compenseren. Volgens de reactie van DGMR wordt daarmee het ontbreken van een reflecterend bodemgebied ter plaatse van het erf van de woning van [appellant sub 2] aan [locatie 1] verrekend met het toepassen van extra bodemreflectie ter plaatse van de bron.

DGMR heeft niettemin een aanvullende berekening uitgevoerd, waarvan de resultaten in het rapport "Resultaten extra onderzoek [locatie 1]" van 21 december 2011 zijn neergelegd, waarbij is uitgegaan van een volledig reflecterend bodemgebied ter plaatse van het erf van [locatie 1]. Volgens dat rapport is ten opzichte van de eerder berekende situatie sprake van een toename van 0,30 dB, dat afgerond geen invloed heeft op de rekenresultaten en conclusies in het akoestisch onderzoek. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet op het akoestisch onderzoek heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 2] betoogt dat de geluidbelasting is onderschat, omdat in verband met het toepassen van de geluidmaatregel in de vorm van ZOAB geen rekening is gehouden met het geluid ten gevolge van windgeruis, motorisering en aandrijflijnen en evenmin met het tussen de tunnelbak bij de Weinterp en het viaduct over de Compagnonsfeart en de Tjalling Harkeswei te overbruggen hoogteverschil nabij zijn woning aan [locatie 1] te Wijnjewoude. Daarbij wijst hij erop dat sprake is van een bovengemiddelde hoeveelheid beroepsgoederenverkeer op de N381 en dat de herontwikkeling een aanzuigende werking zal hebben op vrachtverkeer.

12.1. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het RMV 2006 wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg, rekening gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën motorvoertuigen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d, wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg, rekening gehouden met de invloed van het wegdektype op de geluidemissie.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau, afhankelijk van de situatie, bovendien rekening gehouden met de effecten op de geluidemissie en geluidoverdracht, die het gevolg zijn van één of meer hellingen in het beschouwde weggedeelte.

Ingevolge artikel 3.4 wordt bij een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype, het effect van het afwijkende wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van bijlage III beschreven methode.

12.2. In het akoestisch onderzoek is wat betreft de berekende verkeersintensiteiten gebruik gemaakt van het rapport "Provinciaal Inpassingsplan N381, Rapportage verkeersgegevens" van 22 juli 2010 (hierna: verkeersrapport). De verkeersprognoses zijn opgesteld met behulp van een verkeersmodel. Met dit model zijn - teneinde de betrouwbaarheid van het model te bepalen - de verkeersintensiteiten berekend en vergeleken met de getelde intensiteiten. In het verkeersrapport staat dat de berekende intensiteiten tussen 1 en 8% verschillen van de getelde intensiteiten. Gelet op deze percentages ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het model niet representatief is voor de werkelijke verkeerssituatie. Voorts volgt uit het verkeersrapport dat in het onderzoek een onderscheid is gemaakt tussen personenverkeer en vrachtverkeer. Verder volgt uit hoofdstuk 2 van het verkeersrapport dat attractie een van de paramaters van het verkeersmodel is. Voor zover het betoog ertoe strekt dat geen rekening is gehouden met de aanzuigende werking op vrachtverkeer, mist het feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

12.3. Volgens paragraaf 2.4.3 van bijlage III van het RMV 2006 dient een hellingcorrectie CH in rekening te worden gebracht indien het stijgend gedeelte van het verkeer een helling van ten minste 3% moet overwinnen over een hoogteverschil van ten minste 6 m. Op het tracé is geen sprake van een in aanmerking te nemen hellingspercentage van ten minste 3%, zodat geen hellingcorrectie in rekening behoefde te worden gebracht.

Het betoog van [appellant sub 2] bevat voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de akoestische eigenschappen van het toe te passen stil asfalt in de vorm van ZOAB niet overeenkomstig het RMV 2006 en hoofdstuk 4 van bijlage III van het RMV 2006 in het geluidmodel zijn opgenomen. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de gegevens uit het verkeersrapport, waarin in tabel 6.10 het aandeel middelzwaar en zwaar vrachtverkeer overeenkomstig het RMV 2006 afzonderlijk in beschouwing is genomen. Wat betreft de overige factoren die volgens [appellant sub 2] de geluidbelasting kunnen beïnvloeden, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze factoren, voor zover de in hoofdstuk 2 van bijlage III van het RMV 2006 beschreven Standaardrekenmethode II daarvoor in parameters voorziet, niet op de juiste wijze in de uitgevoerde berekeningen zijn betrokken.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet op het akoestisch onderzoek heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

Cumulatie

13. [appellant sub 2] betoogt dat de cumulatieve geluidsbelasting op onjuiste wijze is bepaald. De in het akoestisch onderzoek gepresenteerde cumulatieve geluidbelastingen ter plaatse van zijn woning aan [locatie 1] te Wijnjewoude komen volgens [appellant sub 2] niet overeen met de gepresenteerde bijdragen van de afzonderlijke wegen. [appellant sub 2] wijst op een verschil van 0,7 dB. Bovendien is volgens [appellant sub 2] ten onrechte geen rekening gehouden met de bijdrage van vliegverkeer.

13.1. Ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh, kan, indien artikel 110f van toepassing is, het college een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting slechts vaststellen voor zover de gecumuleerde geluidbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110f, eerste lid, voor zover hier van belang, dient, indien de afdelingen 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing zijn op woningen, gelegen in twee of meer aanwezige geluidzones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidzones alsmede in een met het oog op de geluidbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, overeenkomstig de door de minister van Infrastructuur en Milieu gestelde regels, tevens onderzoek te worden gedaan naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, is het eerste lid uitsluitend van toepassing indien voor een woning:

a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en

b. voor dezelfde woning de geluidbelasting, vanwege ten minste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, wordt het eerste lid alleen toegepast ten aanzien van geluidbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de geluidbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.

13.2. De Wgh verplicht aldus alleen tot het verrichten van onderzoek naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidbronnen ter plaatse van woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld en die, voor zover hier van belang, tevens zijn gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidzones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108 van de Wet geluidhinder alsmede een beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart.

13.3. Geen sprake is van een op grond van hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart vastgesteld beperkingengebied. In zoverre was het college op grond van de Wgh niet gehouden om bij het onderzoek naar de effecten van samenloop rekening te houden met de geluidbelasting ten gevolge van vliegverkeer. Het daarop betrekking hebbende betoog faalt.

13.4. In het akoestisch onderzoek is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de N381 en omliggende wegen berekend. Een totaaloverzicht is opgenomen in bijlage 4 van het akoestisch onderzoek.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat alleen bij de woningen aan Nanningaweg 48 te Oosterwolde, 't West 2 te Donkerbroek en Weinterp 28 te Wijnjewoude de gecumuleerde geluidbelasting significant hoger is dan de ongecumuleerde geluidbelasting. De aanleg van de N381 draagt echter onbetwist niet of nauwelijks bij aan de gecumuleerde geluidbelasting. Gelet daarop heeft het college de cumulatieve geluidbelasting in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

Het betoog faalt.

Geluidmaatregelen

14. [appellant sub 3] betoogt dat geen juiste afweging is gemaakt wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen ten aanzien van zijn woning aan [locatie 2] te Wijnjewoude. Hij voert daartoe aan dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat met het toepassen van stil asfalt in de vorm van ZOAB de geluidbelasting kan worden teruggebracht en het afzien van deze maatregelen onvoldoende is afgewogen.

[appellant sub 2] betoogt dat ter plaatse van zijn woning aan [locatie 1] te Wijnjewoude geluidmaatregelen in de vorm van een geluidwal hadden behoren te worden getroffen.

14.1. Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh, voor zover hier van belang, kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

14.2. Het college heeft ten behoeve van de beoordeling van de doeltreffendheid van geluidbeperkende maatregelen in relatie tot de bezwaren van financiële aard onderzoek laten verrichten dat is neergelegd in de rapporten "N381 Drachten Drentse grens, Doelmatigheidsonderzoek geluidsbeperkende maatregelen" van DGMR van 28 april 2011 (hierna: doelmatigheidsonderzoek) en "Doelmatigheidsonderzoek geluidsmaatregelen N381 Drachten-Drentse grens, aanvullend schermonderzoek" van 8 september 2011 (hierna: aanvullend schermonderzoek). Deze onderzoeken zijn volgens paragraaf 1 van het doelmatigheidsonderzoek en volgens paragraaf 2 van het aanvullend schermonderzoek uitgevoerd overeenkomstig de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder.

In het doelmatigheidsonderzoek is de financiële doelmatigheid van de bronmaatregel in de vorm van een stil wegdek onderzocht. Uit het doelmatigheidsonderzoek volgt dat het toepassen van tweelaags ZOAB voor een groot gedeelte van het traject niet financieel doelmatig is. Uit het bestreden besluit volgt dat niettemin op het traject tweelaags ZOAB zal worden toegepast. Het op het niet toepassen van ZOAB betrekking hebbende betoog van [appellant sub 3] mist daarom feitelijke grondslag.

Uit het aanvullend schermonderzoek volgt dat aanvullende schermmaatregelen financieel niet doelmatig zijn. Het betoog van [appellant sub 2] bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet op dit onderzoek heeft mogen baseren. Het college heeft bovendien vanuit landschappelijk oogpunt afgezien van het toepassen van geluidschermen. De Afdeling ziet gezien het vorenstaande in hetgeen [appellant sub 2] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het naast ZOAB toepassen van aanvullende afschermende voorzieningen. Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

Binnenwaarde

15. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betwijfelen of bij hun woningen aan [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te Wijnjewoude vanwege de bouwkundige staat van die woningen met nog te treffen gevelmaatregelen kan worden voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB.

15.1. Ingevolge artikel 111, tweede lid, van de Wgh, dienen, voor zover hier van belang, indien met betrekking tot gevels van woningen een hogere geluidbelasting dan 48 dB vanwege een weg, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen te worden getroffen om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 33 dB bedraagt.

15.2. Voor de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn hogere geluidgrenswaarden vastgesteld van 50 dB onderscheidenlijk 56 dB.

Uit de systematiek van de Wgh volgt dat eerst na vaststelling van hogere geluidgrenswaarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. De vraag of deze verplichting bestaat, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden en is om die reden hier niet aan de orde.

De betogen falen.

Conclusie

16. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en R.A. [appellante sub 4]-van der Galien niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Duursma
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012

378