Uitspraak 200806833/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 23 juni 2010
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Groningen
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Groningen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2010:BM8833

200806833/1/R1.
Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Rotij Grondontwikkeling Oost B.V., gevestigd te Rijssen, Rotij Vastgoedontwikkeling B.V., gevestigd te Rijssen, [appellante sub 2 A], gevestigd te [plaats], WT Invest B.V., gevestigd te Rijssen en [appellante sub 2 B], gevestigd te [plaats], (hierna tezamen in enkelvoud: Rotij)
3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3])
4. [appellanten sub 4], beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4])
5. [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 5])
6. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recronde B.V., gevestigd te Anderen, Recreatiecentrum Grunostrand B.V., gevestigd te Harkstede en Meerstad Real Estate B.V., gevestigd te Groningen, (hierna tezamen in enkelvoud: Recronde)
7. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid MEGA Projecten B.V., thans haar rechtsopvolgster onder bijzondere titel, waar het betreft de eigendom van de gronden, kadastraal bekend gemeente Middelbert, sectie B, nummers 742, 1263, 1264, 2474, 75, 81, 232, 233, 236, 422, 423, 721, 722, 723, 732, 1238, 1325, 1326, 1328, 1680, Megahome.nl Grond B.V., gevestigd te Almelo, en Rotij Projecten B.V., gevestigd te Rijssen, (hierna tezamen in enkelvoud: Mega)
8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats]
9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats]
10. de werkgroep Natuur en Landschap Duurswold, gevestigd te Hellum, (hierna: Natuur en Landschap Duurswold)
11. [appellante sub 11], gevestigd te [plaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Groningen bij besluit van 19 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Meerstad-Midden" Voorts is bij dit besluit besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Slochteren bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Meerstad-Midden".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2008, Rotij bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2008, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2008, Recronde bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2008, Mega bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2008, [appellante sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2008, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2008, Natuur en Landschap Duurswold bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2008, en [appellante sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], Natuur en Landschap Duurswold, [appellante sub 8], [appellant sub 5], [appellant sub 4], Mega en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college heeft medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van twee adviezen van onafhankelijke adviesbureaus met betrekking tot een door de gemeente Groningen en de gemeente Slochteren gestelde borg alsmede van een presentatie en een memo met betrekking tot een ambtelijk overleg van de gemeente Groningen en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de Europese Commissie.
Bij brief van 5 februari 2009 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling beperking van de kennisneming van voormelde stukken gerechtvaardigd geoordeeld. Mega, Rotij, de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren en de GEM Meerstad B.V. zijn gevraagd om toestemming om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. Deze toestemming is verleend.

GEM Meerstad heeft medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van de samenwerkingsovereenkomst van 28 september 2005 en de grondexploitatie van midden 2008.
Bij brief van 18 december 2009 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling beperking van de kennisneming van voormelde stukken gerechtvaardigd geoordeeld. Mega, Rotij, de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren en het college zijn gevraagd om toestemming om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. Deze toestemming is verleend.

GEM Meerstad en Rotij hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant sub 9], [appellant sub 4], [appellant sub 5], Rotij, vertegenwoordigd door H.P. Bijl en mr. S.W. Knoop, advocaat te Zwolle, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J. Gepken, werkzaam bij Juristen Groep Gepken, Recronde, vertegenwoordigd door P. Swieter en mr. M. Bekooy, advocaat te Arnhem, Natuur en Landschap Duurswold, vertegenwoordigd door prof. dr. M.P. Gerkema en J. Glas, Mega, vertegenwoordigd door A.A.C.P. Neefjes en mr. drs. H. Witbreuk en mr. M.A.A. Soppe, beiden advocaat te Enschede, alsmede het college, vertegenwoordigd door A.H. Wiechertjes, zijn verschenen.
Verder zijn de raad van de gemeente Slochteren, vertegenwoordigd door J.J. Jullens, A. Westra en A.J. Meeuwissen, allen werkzaam bij de gemeente Slochteren, de raad van de gemeente Groningen, vertegenwoordigd door J.A. Klok en A. van Gelderen, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen, alsmede GEM Meerstad, vertegenwoordigd door mr. W.R. van de Velde, advocaat te Groningen, M. de Vries, werkzaam bij adviesbureau Pau, en A. de Vrieze, werkzaam bij ingenieursbureau Invraplus B.V., als partijen gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of de plannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat de plannen en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De plannen geven een juridisch planologische regeling voor de eerste fase van een project waarbij in totaal circa 10.000 woningen, 135 ha bedrijventerrein, 830 ha groen en natuur en 600 ha water zullen worden gerealiseerd in een gebied dat ligt tussen Groningen en Slochteren met thans in hoofdzaak een agrarische functie. De plannen hebben één gezamenlijke plankaart waarop het aldus te ontwikkelen gebied in zijn geheel is weergegeven. In verband met de omstandigheid dat niet alle op de plankaart aangegeven bestemmingen in zowel de gemeente Groningen als de gemeente Slochteren voorkomen, is er voor gekozen om aan beide plannen elk afzonderlijke planvoorschriften te verbinden.

Ontvankelijkheid

2.3. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door een belanghebbende die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4. Vast staat dat Mega in het noordwesten van het plangebied gronden in eigendom heeft. De plankaart kent aan een deel van de desbetreffende gronden de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Verkeersdoeleinden" toe. De Afdeling is van oordeel dat Mega niet alleen bij deze, maar ook bij de direct daaraan grenzende plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden" alsmede "Woongebied (uit te werken)" en de aanduidingen "deelgebied 1", "deelgebied 2" en "deelgebied 3" als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Tussen voormelde plandelen bestaat een zodanig verband dat deze niet goed van elkaar kunnen worden onderscheiden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in het noordwesten van het plangebied voorziet in een hoofdontsluitingsweg voor Meerstad-Midden en dat de direct daaraan grenzende plandelen met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en de aanduidingen "deelgebied 1" en "deelgebied 2" onder meer voorzien in buurt- en wijkontsluitingswegen. Laatstgenoemde wegen zullen blijkens de plankaart liggen in het verlengde van en aansluiten op de hoofdontsluitingsweg. De omstandigheid dat Mega zich heeft beroepen op rechtsregels die niet strekken tot bescherming van haar belang als projectontwikkelaar, zoals GEM Meerstad kennelijk heeft betoogd, brengt niet mee dat Mega niet als belanghebbende bij voormelde plandelen kan worden aangemerkt. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevat geen relativiteitsvereiste.

Andere plandelen dan de hiervoor vermelde liggen blijkens de plankaart op een afstand van circa 2 kilometer of meer van de gronden van Mega. Gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die zijn voorzien in de desbetreffende plandelen, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre te kunnen spreken van een objectief belang van Mega dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Het aanvoeren van beroepsgronden die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de plannen als geheel, zoals Mega heeft gedaan, is niet voldoende voor een ander oordeel.

Het beroep van Mega is niet-ontvankelijk voor zover het de in het dictum genoemde plandelen betreft.

2.5. Gebleken is dat Natuur en Landschap Duurswold geen bedenkingen heeft ingebracht tegen de vastgestelde plannen. Voor zover Natuur en Landschap Duurswold ter zitting heeft gesteld te zijn geadviseerd direct beroep in te stellen, overweegt de Afdeling het volgende. In de kennisgeving van de vastgestelde plannen staat vermeld dat degene die tijdig een zienswijze bij de raad van de gemeente Groningen en/of de raad van de gemeente Slochteren naar voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstig de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht, bij het college schriftelijk of mondeling bedenkingen kan inbrengen. Uit de kennisgeving van de vastgestelde plannen volgt derhalve niet dat geen bedenkingen behoefden te worden ingebracht. Verder is niet gebleken van een mededeling afkomstig van, of toe te rekenen aan, de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren of het college, dat Natuur en Landschap Duurswold geen bedenkingen behoefde in te brengen. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat Natuur en Landschap Duurswold redelijkheidwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht. Het beroep van Natuur en Landschap Duurswold is dan ook niet-ontvankelijk.

2.6. De melkveehouderij van [appellante sub 8] en de daarbij behorende agrarische bedrijfsgronden liggen buiten het plangebied. De afstand van de melkveehouderij en de agrarische bedrijfsgronden tot de plangrens bedraagt ongeveer 800 meter respectievelijk 300 meter. Het perceel van [appellant sub 9] ligt eveneens buiten het plangebied op een afstand van ten minste 330 meter van de plangrens. Gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die zijn voorzien bij de plandelen die het dichtst bij de gronden en het perceel van [appellante sub 8] respectievelijk [appellant sub 9] zijn gesitueerd, zijn voormelde afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre te kunnen spreken van een objectief belang dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. De beroepen van [appellante sub 8] en [appellant sub 9] zijn niet-ontvankelijk, aangezien zij niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt.

Terinzagelegging stukken

2.7. Mega voert aan dat een aantal stukken niet tezamen met het ontwerpplan dan wel het vastgestelde plan ter inzage is gelegd.

2.7.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Aalgemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:11, tweede lid, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

Ingevolge artikel 6:22 kan een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.7.2. De stukken die ter inzage zijn gelegd zijn aan de Afdeling ter beschikking gesteld. Op basis hiervan moet worden vastgesteld dat, met uitzondering van de hierna vermelde adviezen, alle stukken voor zover deze redelijkerwijs nodig kunnen worden geacht voor een beoordeling van het ontwerpplan dan wel het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd. De door Mega aangevoerde omstandigheid dat in een enkel geval per abuis een stuk niet op de inventarislijst stond vermeld, doet aan deze feitelijke terinzagelegging niet af.

Twee adviezen van onafhankelijke adviesbureaus met betrekking tot een door de gemeente Groningen en de gemeente Slochteren gestelde borg zijn niet ter inzage zijn gelegd. Dit is volgens het college gebeurd ter voorkoming van een onevenredige benadeling van de financiële belangen van de private partijen die bij Meerstad-Midden betrokken zijn. Voor zover Mega heeft aangevoerd dat van het niet ter inzage leggen van voormelde adviezen ten onrechte geen mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 3:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Afdeling aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22, nu is gebleken dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Milieu-effectrapport

2.8. Mega en Rotij voeren aan dat de commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: de commissie mer) te laat advies heeft uitgebracht.

Ingevolge artikel 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt de commissie mer tot uiterlijk vijf weken na het einde van de termijn voor het naar voren brengen van een zienswijze over het milieu-effectrapport in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

Vast staat dat de commissie mer in dit geval buiten de voormelde termijn van 5 weken advies heeft uitgebracht. Vanwege deze omstandigheid behoefde het college evenwel geen goedkeuring aan de plannen te onthouden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat uit artikel 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat de commissie mer na het verstrijken van de gestelde termijn voor het uitbrengen van een advies, geen advies meer mocht uitbrengen.

2.9. Mega en Rotij voeren aan dat de raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren in strijd met artikel 7.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer het milieu-effectrapport eerst bij de vaststelling van de plannen hebben aanvaard.

Ingevolge artikel 7.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer deelt het bevoegd gezag, indien het van oordeel is dat een aan hem overgelegd milieu-effectrapport, mede gelet op daarvoor overeenkomstig artikel 7.15 gegeven richtlijnen, niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 7.10 en 7.11 gestelde regels, dan wel onjuistheden bevat, dit onder opgave van redenen uiterlijk zes weken na de in artikel 7.17, tweede lid, bedoelde datum mede aan degene die het rapport heeft gemaakt.

De raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren hebben bij de vaststelling van de plannen medegedeeld het milieu-effectrapport te aanvaarden. Het milieu-effectrapport voldoet naar het oordeel van de raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren derhalve aan de daaraan te stellen eisen en bevat geen onjuistheden. Nu artikel 7.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer uitsluitend betrekking heeft op de tegenovergestelde situatie, namelijk de situatie dat het milieu-effectrapport naar het oordeel van het bevoegd gezag tekort schiet, hebben de raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren niet in strijd met dit artikel gehandeld.

2.10. Mega en Rotij stellen zich op het standpunt dat het milieu-effectrapport ontoereikend is. Zij voeren aan dat voor het gehele project Meerstad ten onrechte niet één milieu-effectrapport met eenzelfde detailniveau voor de verschillende onderdelen van dit project is gemaakt. Verder voeren Mega en Rotij aan dat de autonome ontwikkelingen in het milieu-effectrapport niet op een toereikende wijze in beeld zijn gebracht en dat in het milieu-effectrapport onvoldoende rekening is gehouden met de aanleg van 450 ligplaatsen voor pleziervaartuigen in het plangebied.

2.10.1. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevat een milieu-effectrapport ten minste:

(…)

b. indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op:

(…)

2˚ een besluit: een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;

(…)

d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;

e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;

(…)

2.10.2. Het opgestelde milieu-effectrapport bestaat uit een hoofdrapport gedateerd 1 februari 2006, bijlagen en een samenvatting voor het publiek. De voorgenomen activiteit kan volgens het hoofdrapport worden onderscheiden in de activiteit die betrekking heeft op het bestemmingsplangebied en de activiteit die betrekking heeft op het gebied zoals beschreven in het Masterplan van september 2005. Het voornemen bestaat om de voorgenomen activiteit die betrekking heeft op het bestemmingsplangebied binnen de planperiode van 10 jaar te realiseren. De voorgenomen activiteit die betrekking heeft op het Masterplangebied zal buiten deze periode worden gerealiseerd.

2.10.3. De Afdeling stelt vast dat in het milieu-effectrapport zowel de gevolgen van het bestemmingsplan als de gevolgen van het Masterplan worden beschreven. Dat het detailniveau van deze beschrijving lager is voor zover het de gevolgen van het Masterplan betreft, is onvermijdelijk. Immers, ten behoeve van de voorgenomen activiteit waarop het Masterplangebied betrekking heeft, zijn nog geen bestemmingsplannen vastgesteld en zijn alleen de hoofdlijnen van het Masterplan van september 2005 bekend.

Voor zover Mega en Rotij hebben betoogd dat bij de beschrijving van de gevolgen van het bestemmingsplangebied wat het detailniveau betreft ten onrechte onderscheid is gemaakt tussen plandelen met een eindbestemming en plandelen met een uit te werken bestemming, overweegt de Afdeling dat Mega en Rotij niet nader hebben aangegeven in welk gevallen dit verschil in detailniveau zich voordoet. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat bij de beschrijving van de gevolgen niet zou zijn uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de verschillende plandelen.

2.10.4. Het milieu-effectrapport bevat een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu alsmede van de te verwachten ontwikkeling van het milieu, indien de voorgenomen activiteit noch de alternatieven worden ondernomen. Mega en Rotij hebben geen begin van bewijs geleverd dat deze beschrijving niet juist zou zijn vanwege het gehanteerde verkeersmodel.

In het milieu-effectrapport wordt niet separaat ingegaan op de voorziene 450 ligplaatsen voor pleziervaartuigen in het plangebied. Wel wordt in het milieu-effectrapport ingegaan op het voorgestane recreatieve gebruik van het water. Mega en Rotij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beschrijving in het milieu-effectrapport op dit punt tekort schiet. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het plangebied, dat thans in hoofdzaak een agrarische functie heeft, slecht een beperkt aantal bestaande milieugevoelige objecten aanwezig is.

2.10.5. Gezien het voorgaande geeft hetgeen Mega en Rotij hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het gemaakte milieu-effectrapport niet voldoet aan artikel 7.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Uitvoerbaarheid

2.11. Mega voert aan dat de plannen niet binnen een periode van tien jaar kunnen worden verwezenlijkt. Rotij voert aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de behoefte aan nieuwe woningbouw.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, wordt een bestemmingsplan, onverminderd het bepaalde bij artikel 37, eerste en vierde lid, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien. Uit dit artikel volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat en dat het in beginsel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die pas na afloop van deze planperiode zullen worden verwezenlijkt.

Dat behoefte bestaat aan nieuwe woningbouw blijkt volgens de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren en het college uit de Regiovisie Groningen-Assen 2030. Ter zitting heeft de raad van de gemeente Groningen nader toegelicht dat in voormelde visie voor de regio Groningen een woningbouwopgave is opgenomen van 27.400 nieuwe woningen tot 2020. Hiervan zullen 17.000 nieuwe woningen als toevoeging aan de woningbouwvoorraad in met name gebieden zoals Meerstad moeten worden gerealiseerd, aldus de raad van de gemeente Groningen. De niet nader onderbouwde stelling van Rotij dat in de periferie van Nederland een afname van de bevolking is voorzien, is onvoldoende om aan de juistheid van voormelde gegevens te twijfelen. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren en het college zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een zodanige behoefte aan nieuwe woningbouw aanwezig is dat de plannen binnen de planperiode kunnen worden gerealiseerd.

2.12. Mega en Rotij bestrijden de financiële uitvoerbaarheid van de plannen. Zij wijzen er op dat de waarde van de gronden die aan GEM Meerstad zijn verkocht niet door een onafhankelijke taxateur is vastgesteld zoals de mededeling van de Commissie betreffende staatssteunmaatregelen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (PbEG 1997, C 209, p. 3) aanbeveelt. Verder wijzen zij er op dat wordt gewerkt met subsidies ter hoogte van circa € 50 miljoen en dat de gemeenten garant staan voor bepaalde risico's. Rotij stelt verder dat mogelijk sprake is van een overheidsopdracht in de zin van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, zodat voor de toekenning van de uitvoering van de plannen een aanbestedingsprocedure had moeten worden gevolgd. Mega stelt verder dat onvoldoende rekening is gehouden met de financiële risico's van bodemverontreiniging.

Voor de uitvoering van de plannen is een nadere regeling getroffen in de samenwerkingsovereenkomst van 28 september 2005. Rotij heeft de beweerdelijke onrechtmatigheid van deze samenwerkingsovereenkomst niet aan de orde gesteld in een naar Nederlands recht daartoe geëigende civielrechtelijke procedure. Reeds hierom, en nu ook overigens niet is gebleken van evidente gebreken, heeft het college bij de goedkeuring van de plannen mogen uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de samenwerkings-overeenkomst, daargelaten of een mogelijke verplichting tot aanbesteding van de uitvoering van de plannen in het algemeen op zichzelf in de weg staat aan de financiële uitvoerbaarheid van de plannen.

Volgens de raad van de gemeente Groningen, de raad van de gemeente Slochteren en het college volgt uit de grondexploitatie van midden 2008 dat de plannen financieel uitvoerbaar zijn. Hetgeen Mega en Rotij hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt hieraan te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat GEM Meerstad ter zitting heeft aangegeven dat de plannen zullen zelfs indien daarmee hogere kosten zouden zijn gemoeid in verband met een eventuele terugvordering van ongeoorloofde staatssteun zullen worden gerealiseerd. Daarbij heeft GEM Meerstad er ook op gewezen dat de plannen de ruimte bieden voor een versobering van de uitvoering van het project. Overigens heeft blijkens de stukken terzake in 2008 informeel overleg met de Europese Commissie over in het bijzonder mogelijke staatssteun plaatsgevonden hetgeen niet heeft geleid tot een formele aanmelding van (onderdelen) van het project bij de Commissie. De Afdeling betrekt bij haar oordeel verder dat ten behoeve van de vaststelling van de plannen onderzoek is verricht naar de in het plangebied voorkomende bodemverontreiniging. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat op basis van dit onderzoek niet valt te verwachten dat in het plangebied vervuilde grond aanwezig is, laat staan dat het verwijderen hiervan dusdanige kosten met zich mee zal brengen dat de financiële uitvoerbaarheid van de plannen in gevaar komt.

Flora en fauna

2.13. Mega en Rotij voeren aan dat het naar de flora en fauna verrichtte onderzoek is gebaseerd op verouderde gegevens en dat het onderzoeksgebied ten onrechte is beperkt tot het plangebied. Zij bestrijden dat de benodigde ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet kunnen worden verleend. Mega wijst in dit verband onder meer op de in het plangebied voorkomende vogels waaronder zogenoemde jaarrond beschermde vogelsoorten als de steenuil, de kerkuil en de buizerd.

[appellant sub 3] voert aan dat onvoldoende is gewaarborgd dat de nabij zijn woning aan [locatie 1] voorkomende flora en fauna niet zullen verdwijnen.

2.13.1. De vragen of voor de uitvoering van de plannen vrijstellingen gelden, dan wel ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet nodig zijn en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan de plannen had kunnen verlenen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg staat.

2.13.2. Vaststaat dat in 2004, 2006 en 2007 onderzoek is verricht naar de flora en fauna. Het onderzoeksgebied in deze onderzoeken is, anders dan Mega en Rotij hebben aangevoerd, ruimer dan alleen het plangebied en valt grotendeels samen met het Masterplangebied. Hetgeen Mega en Rotij hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de resultaten van het onderzoek verouderd zijn of dat daaraan anderszins gebreken kleven. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het onderzoek volledig moet worden geacht.

De uitvoering van de plannen zal blijkens het verweerschrift van het college buiten het broedseizoen plaatsvinden, zodat de vaste rust- en verblijfplaatsen van broedvogels niet zullen worden verstoord. Verder zijn bij besluiten van 21 december 2007 en 19 mei 2008 reeds ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet verleend ten behoeve van de uitvoering van deelplan 1 van Meerstad-Midden. Deelplan 1 omvat een groot deel van het westen van het plangebied. De ontheffingen - die inmiddels in rechte onaantastbaar zijn - gelden ten aanzien van de heikikker, de steenmarter en de kerkuil. Hetgeen Mega, Rotij en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat indien nodig, geen aanvullende ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet kunnen worden verleend. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de stukken naar voren komt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van steen- en kerkuil zich met name bevinden in de bestaande bebouwing langs de Hoofdweg. Een groot deel van deze bebouwing zal worden gehandhaafd, nu de plankaart aan de gronden langs de Hoofdweg in voorkomend geval de bestemming "Woondoeleinden" toekent. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat slechts één buizerdnest is aangetroffen in het uiterste noorden van plangebied langs het Eemskanaal. Hier mogen bij recht geen nieuwe gebouwen, standplaatsen, kampeerstandplaatsen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, nu de plankaart aan de desbetreffende gronden de dubbelbestemmingen "Hoogspanningsleiding" dan wel "Belemmeringszone vaarweg" toekent.

Gebiedsbescherming

2.14. Mega voert aan dat de plannen op grond van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 goedkeuring behoeven, aangezien deze gevolgen kunnen hebben voor het Zuidlaardermeer en het Leekstermeergebied.

Mega heeft niet aannemelijk gemaakt dat de plannen gevolgen kunnen hebben voor de natuurgebieden Zuidlaardermeer en Leekstermeergebied. De niet nader onderbouwde stelling van MEGA dat het verlies aan foerageergebied voor vogels in het plangebied gevolgen kan hebben, is in dit verband onvoldoende. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen het plangebied en beide natuurgebieden enkele kilometers bedraagt. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het deskundigenbericht in het plangebied geen voor beide natuurgebieden kwalificerende vogelsoorten voorkomen. Nu vaststaat dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet kunnen verslechteren en dat evenmin een verstorend effect kan optreden op de soorten waarvoor voormelde gebieden zijn aangewezen, heeft het college zich terecht niet bevoegd geacht om op grond van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 te beslissen over de goedkeuring van de plannen.

2.15. Voor zover Mega heeft aangevoerd dat moet worden gevreesd voor een aantasting van het beschermde natuurmonument Oeverlanden Schildmeer, overweegt de Afdeling dat dit gebied op circa 5 kilometer afstand ten oosten van het plangebied ligt. Het college heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat er geen directe relatie bestaat tussen het plangebied en de vogelpopulaties van voormeld beschermd natuurmonument. Hetgeen Mega heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt om aan de juistheid van dit standpunt van het college te twijfelen.

Ecologische hoofdstructuur (EHS)

2.16. Volgens Mega wordt niet voldaan aan het beleid terzake van de EHS.

2.16.1. Blijkens de zienswijze van het college op het deskundigenbericht is bij het nemen van het bestreden besluit impliciet toepassing gegeven aan de zogenoemde EHS-saldobenadering van de spelregels EHS (TK 2006-2007, 30 825, nr. 6). Deze benadering houdt kort samengevat in dat een ruimtelijke ingreep in de EHS is toegestaan wanneer de desbetreffende combinatie van plannen, projecten of handelingen:

- de kwaliteit en/of kwantiteit van de EHS op gebiedsniveau per saldo verbeteren;

- de plannen, projecten of handelingen samenhangen in een ruimtelijke visie;

- de natuurwinst geborgd is.

2.16.2. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het beroep van Mega in zoverre behoeft voormelde beroepsgrond uitsluitend bespreking voor zij betrekking heeft op het gebied Harksteder Broeklanden.

Harksteder Broeklanden betreft blijkens het deskundigenbericht een gebied dat deel uitmaakt van de EHS en waar bos wordt gecombineerd met weilanden. Vast staat dat Harksteder Broeklanden niet kan worden gehandhaafd, nu de plankaart aan de desbetreffende gronden de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en de aanduiding "deelgebied 1" dan wel de bestemming "Water" toekent. Dit is volgens het college toegestaan op grond van de EHS-saldobenadering. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat weliswaar 56 hectare natuur van Harksteder Broeklanden zal verdwijnen, maar dat daar tegenover staat, zoals ook uit het Masterplan Meerstad van september 2005 blijkt, dat een ecologische verbindingszone zal worden gerealiseerd tussen Midden-Groningen en het Zuidlaardermeer. In dit verband zal binnen het plangebied volgens het college reeds meer dan 56 hectare nieuwe EHS worden gerealiseerd. Deze natuurwinst is volgens het college onder meer in de samenwerkingsovereenkomst van 28 september 2005 geborgd.

Voor zover Mega heeft aangevoerd dat ten onrechte geen compensatie in de plannen is verankerd, overweegt de Afdeling dat het compensatie-beginsel volgens de spelregels EHS aan de orde is wanneer toepassing wordt gegeven aan het zogenoemde ‘Nee, tenzij’-regime. In dit geval is evenwel niet aan het ‘Nee, tenzij’-regime, maar aan de EHS-saldobenadering toepassing gegeven. Mega heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij heeft aangevoerd, de Boswet in de weg kan staan aan de plannen. Gezien het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorziene ruimtelijke ingreep in Harksteder Broeklanden op basis van de EHS-saldobenadering is toegestaan.

Archeologie

2.17. Mega en Rotij zijn van mening dat onvoldoende bescherming wordt geboden aan de archeologische waarden in het plangebied. Daartoe voeren zij aan dat aan gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde ten onrechte niet de dubbelbestemming "Archeologische beschermingszone" is toegekend en dat de planvoorschriften voor deze dubbelbestemming ontoereikend zijn.

2.17.1. De plankaart kent aan een aantal gronden in het plangebied tevens de dubbelbestemming "Archeologische beschermingszone" toe.

Ingevolge de artikelen 13.1.1 en 21.1.1 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen respectievelijk de gemeente Slochteren zijn de op de plankaart voor "Archeologische beschermingszone" aangewezen gronden, naast voor de voor die gronden aangewezen (basis)bestemming(en), en voor eventuele dubbelbestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden met de daarbij behorende additionele voorzieningen.

Ingevolge de artikelen 13.2.1 en 21.2.1 mogen in afwijking van het bepaalde bij de andere voor deze gronden aangewezen bestemming(en) slechts de volgende gebouwen en bouwwerken worden gebouwd:

a. verbouw en/of vervanging van bestaande gebouwen en bouwwerken voor zover zij het voorheen bestaande grondvlak niet overschrijden;

b. de uitbreiding van bestaande gebouwen en bouwwerken met ten hoogste 100 m2;

c. de bouw van nieuwe bouwwerken en gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2.

In de artikelen 13.4.1 en 22.4.1 en verder is een aanlegvergun-ningenstelsel opgenomen.

2.17.2. Ten behoeve van de vaststelling van de plannen heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden onder begeleiding van een commissie van deskundigen. Een aantal van deze deskundigen was verbonden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (voorheen: Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten). In eerste instantie is voor het gehele plangebied een quick scan uitgevoerd om vast te kunnen stellen of de veronderstelde lage archeologische verwachtingswaarde gerechtvaardigd was. Vervolgens is besloten om een gebiedsdekkend inventariserend veldonderzoek te verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn in voorkomend geval gewaardeerd volgens de zogenoemde kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1. Uit het gebiedsdekkend inventariserend veldonderzoek is naar voren gekomen dat in het merendeel van het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht. Voor een aantal verspreid liggende kleinere delen van het plangebied is gebleken dat nader archeologisch onderzoek aangewezen is. Voor zover op deze gronden bodemverstorende ontwikkelingen zijn voorzien, is op deze gronden de dubbelbestemming "Archeologische beschermingszone" gelegd. Mega en Rotij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de archeologische verwachtingswaarde van de gronden waaraan niet de dubbelbestemming "Archeologische beschermingszone" is toegekend, zodanig is dat ook deze bescherming tegen bodemverstorende ontwikkelingen behoeven. De niet nader onderbouwde stelling van Mega dat in de desbetreffende gebieden archeologische vondsten zijn gedaan, is in dit verband onvoldoende.

2.17.3. Naar aanleiding van de bedenkingen van Mega en Rotij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de artikelen 13.2.1 en 21.2.1 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen respectievelijk Slochteren ten onrechte een oppervlakte van meer dan 100 m2 aan nieuwe gebouwen en bouwwerken toestaan. Het college heeft daarom goedkeuring onthouden aan sub c van de artikelen 13.2.1 en 21.2.1. Ter zitting heeft Mega nader toegelicht dat dit onvoldoende is en dat op basis van artikel 41a van de Monumentenwet 1988 ook de maximale oppervlakte van 100 m2 voor de uitbreiding van bestaande gebouwen en bouwwerken in sub b van de artikelen 13.2.1 en 21.2.1, had moeten worden teruggebracht tot een geringere maximale oppervlakte. Dit betoog geeft evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college er niet in redelijkheid mee heeft kunnen instemmen dat de raad van gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren geen gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid die in dit verband in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 is opgenomen. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het verrichtte archeologische onderzoek naar voren is gekomen dat in het merendeel van het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht.

Waterkwaliteit

2.18. Rotij voert aan dat een goede waterkwaliteit onvoldoende is gegarandeerd. Volgens Rotij bestaat te weinig inzicht in de mogelijke risico’s en moet worden gevreesd voor een te hoge fosfaatbelasting.

2.18.1. Het college heeft er op gewezen dat de op de realisering van een watersysteem van toepassing zijnde wetenschappelijke inzichten in ontwikkeling zijn. In zijn verweerschrift heeft het college uiteengezet dat ook op basis van recente inzichten de verwachte fosfaatbelasting valt binnen de grenzen voor het ontwikkelen en behouden van een helder watersysteem. Door de aanleg van zogenoemde kwaliteitsduikers en een zuiveringsmoeras kan volgens het college verder worden voorkomen dat water stilstaat en onwenselijke algengroei optreedt. Rotij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de plannen niet de ruimte bieden om deze en andere maatregelen te treffen, zodat een toereikende waterkwaliteit in het plangebied kan worden gerealiseerd. De verwijzing van Rotij naar kanttekeningen van de commissie mer over de waterhuishouding en -kwaliteit is in dit verband onvoldoende. Daarbij betrekt de Afdeling dat GEM Meerstad bij brief van 18 december 2006 gemotiveerd op voormelde kanttekeningen heeft gereageerd en dat een expertmeeting op 5 februari 2007 heeft geleid tot nieuwe inzichten aangaande de aanvaardbaarheid van de fosfaatbelasting. Evenmin heeft Rotij aannemelijk gemaakt dat, indien voor de voorziene ingrepen in de waterhuishouding van het plangebied een ontheffing van de Keur van het waterschap Hunze en Aa's is vereist, deze niet kan worden verleend. Overigens is blijkens het verweerschrift van het college reeds een ontheffing van de Keur verleend voor de grondwerkzaamheden in deelplan 1.

Luchtkwaliteit

2.19. Mega stelt zich op het standpunt dat de rapportage Luchtkwaliteit Bestemmingsplan Meerstad van Grontmij van 14 mei 2008 ontoereikend is. Zij voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de mogelijke overschrijding van de grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Verder voert Mega aan dat buiten de wegen overschrijdingen van grenswaarden kunnen plaatsvinden en dat onduidelijk is van welke fasering in voormeld rapport is uitgegaan.

[appellant sub 4] voert aan dat de luchtkwaliteit zal verslechteren als gevolg van de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen.

2.19.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken. Ingevolge artikel V, voor zover thans aan de orde, van deze wet zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 vastgesteld besluit. De plannen zijn vastgesteld na 15 november 2007 en derhalve is titel 5.2 en de daarbij behorende regelgeving van toepassing.

2.19.2. In paragraaf 2.3 van het rapport van 14 mei 2008 staan de grenswaarden vermeld waarnaar onderzoek is verricht. Één van deze grenswaarden betreft de grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Volgens het college volgt uit de bijlagen 18 tot en met 27 van het rapport van 14 mei 2008 dat in alle situaties voormelde grenswaarde nul maal per kalenderjaar wordt overschreden. Nu ook de andere in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden blijkens het rapport van 14 mei 2008 niet worden overschreden, staat artikel 5.16 van de Wet milieubeheer volgens het college niet aan de plannen in de weg. Hetgeen Mega en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt om aan de juistheid van dit standpunt van het college te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het rapport van 14 mei 2008, voor zover hier van belang, de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege het wegverkeer op de bestaande hoofdwegen en nieuw aan te leggen hoofdontsluitingswegen in het plangebied zijn berekend en dat Mega niet aannemelijk heeft gemaakt dat een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit kan optreden vanwege het wegverkeer op andere wegen in het plangebied. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat in het rapport van 14 mei 2008 voor wat betreft de omvang van het optredende wegverkeer niet is uitgegaan van een gefaseerde ontwikkeling van Meerstad-Midden. Voor zover het betoog van Mega betrekking heeft op de omvang van het (tijdelijke) bouwverkeer, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat in het rapport van 14 mei 2008 niet is uitgegaan van een zodanige toedeling van dit verkeer dat sprake is van een worstcasebenadering.

2.20. Voor zover Mega aanvoert dat de rapportage Luchtkwaliteit Meerstad van Grontmij van 11 april 2008 ontoereikend is, overweegt de Afdeling dat het college zich reeds op basis van het rapport van 14 mei 2008 terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 5.16 van de Wet milieubeheer niet aan de plannen in de weg staat. De bezwaren van Mega ten aanzien van voormelde rapportage van 11 april 2008 behoeven daarom geen bespreking.

Geluid

2.21. Mega betoogt dat een noodzaak voor het vaststellen van hogere waarden ontbreekt.

Dit bezwaar richt zich tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Slochteren dan wel het college van burgemeester en wethouders Groningen waarbij hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het wegverkeer dan wel vanwege de inrichting van de Nederlandse Aardolie Maatschappij zijn vastgesteld. Deze besluiten, waartegen zelfstandig rechtsmiddelen konden worden aangewend, staan in de onderhavige bestemmingsplanprocedure als zodanig niet ter beoordeling.
2.22. Mega en Rotij voeren aan dat onvoldoende is gegarandeerd dat geluidsreducerende maatregelen zullen worden getroffen.

De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus dat Mega en Rotij vrezen dat onvoldoende is gegarandeerd dat bij het in gebruik nemen van nieuwe wegen geluidsreducerende maatregelen zullen worden getroffen ten gunste van de bestaande woningen in het plangebied. In de artikelen 4.5.2 en 4.6.2 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen respectievelijk Slochteren is echter een verbod neergelegd op het in gebruik nemen van nieuwe wegen als openbaar toegankelijk weg voordat die geluidsreducerende maatregelen zijn getroffen die noodzakelijk zijn om te bereiken dat de geluidsbelasting vanwege de nieuwe weg op enig bestaand geluidgevoelig object niet meer bedraagt dan 48 dB, dan wel een voor dat object vastgestelde hogere waarde. Gelet hierop is de vrees van Mega en Rotij niet gerechtvaardigd.

2.23. Mega voert aan dat is verzuimd onderzoek te verrichten naar de mogelijke optredende cumulatieve geluidsbelasting. Zij wijst in dit verband op de omstandigheid dat aan een perceel aan de Harkstederweg de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" is toegekend.
Op het desbetreffende perceel aan de Harkstederweg is blijkens het deskundigenbericht thans een aannemersbedrijf gevestigd. Het bedrijf ligt tussen bestaande als zodanig bestemde woonbebouwing in. Dat in deze bestaande situatie onaanvaardbare cumulatieve geluidsbelasting kan optreden, heeft Mega niet aannemelijk gemaakt.

2.24. [appellante sub 11] vreest voor een toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Hamweg.

Vast staat dat voor een aantal woningen aan de Hamweg hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het wegverkeer is vastgesteld. Uit het bij de stukken gevoegde akoestische onderzoek volgt dat deze hogere waarden kunnen worden nageleefd. Gelet hierop is de vrees van [appellante sub 11] voor een onaanvaardbare toename van geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Hamweg, niet gerechtvaardigd.

2.25. [appellant sub 4] vreest geluidsoverlast vanwege watersportrecreanten. Hij is van mening dat watersportrecreatie in de plannen had moeten worden verboden.

De woning van [appellant sub 4] aan de [locatie 2] te [plaats] ligt blijkens de plankaart op ten minste 300 meter afstand van het plandeel met de bestemming "Water". Dat niettemin onaanvaardbare geluidsoverlast vanwege watersportrecreanten kan optreden, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt.

Uitwerkingsregels

2.26. Mega betoogt dat de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)" ten onrechte niet voorzien in een milieuzonering als bedoeld in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

Na uitwerking van de bestemming "Woongebied (uit te werken)" kunnen bedrijven worden toegestaan als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij de planvoorschriften gevoegde lijst van bedrijven. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het daarbij gaat om bedrijfsactiviteiten die over het algemeen aanvaardbaar kunnen worden geacht in een woonomgeving. Hetgeen Mega heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.27. Mega betoogt dat de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)" rechtsonzeker zijn en dat deze onvoldoende inzicht bieden in de toekomstige ontwikkeling van het gebied.

2.27.1. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 geeft een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt op zodanige wijze de doelstelling voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied.

2.27.2. Voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van een bepaald gebied, is onder meer van belang op welke wijze het desbetreffende gebied is ingericht. Naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid meer gedetailleerd inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat gebied te worden geboden. Een uit te werken plan dat betrekking heeft op een verstedelijkt gebied zal in het algemeen aldus aan meer stringente uitwerkingsbepalingen moeten voldoen dan een uit te werken plan dat betrekking heeft op een open nieuw in te richten buitengebied.

In de planvoorschriften van de gemeente Groningen en Slochteren is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woongebied (uit te werken)" uitwerken met inachtneming van een aantal uitwerkingsregels. In deze uitwerkingsregels is per deelgebied aangegeven binnen welke bandbreedtes woningen en andere functies waarop de bestemming "Woongebied (uit te werken)" betrekking heeft, mogen worden gerealiseerd en welke nadere bebouwingskarakteristieken daarvoor gelden. In voorkomend geval zijn aanduidingen op de plankaart opgenomen waarmee bij de uitwerking rekening dient te worden gehouden, zoals bijvoorbeeld de aanduiding "land en water". De Afdeling is van oordeel dat, hoewel de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)" globaal zijn en het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking veel flexibiliteit bieden, de aan het college van burgemeester en wethouders gegeven ruimte niet zodanig is dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitwerkingsregels niet in strijd met artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de uitwerkingsregels betrekking hebben op een open buitengebied dat geheel zal worden heringericht voor de realisatie voor Meerstad-Midden. Hetgeen Mega heeft aangevoerd, geeft evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)" niet rechtsonzeker zijn.

2.28. Mega betoogt verder dat de bouwmogelijkheden die het voorheen geldende planologische regiem bood ten onrechte blijven gelden zolang de bestemming "Woongebied (uit te werken)" nog niet is uitgewerkt.

2.28.1. Ingevolge de artikelen 4.3.1, onder a, en 4.5.1, onder a, van de planvoorschriften van de gemeente Groningen respectievelijk Slochteren is het verboden op gronden met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" gebouwen en bouwwerken te bouwen zolang en voor zover voor de gronden geen uitwerkingsplan in werking is getreden.

Ingevolge de artikelen 4.3.1, onder b, en 4.5.1, onder b, mogen in afwijking van het bouwverbod

1. tot de terinzagelegging van een op de plaats van het bouwwerk betrekking hebben ontwerp-uitwerkingsplan en,

2. onverminderd de gebruiksvoorschriften bij deze bestemming; en

3. voor zover zij waren toegestaan ingevolge de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan dat gold tot de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan:

worden gebouwd:

4. woonhuizen en dienstwoningen; en

5. bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overige bouwwerken bij woonhuizen en dienstwoonhuizen,

voor zover strekkend tot vergroting van het woongenot.

2.28.2. Met de artikelen 4.3.1, onder b, en 4.5.1, onder b, is beoogd de bouwmogelijkheden te handhaven voor bestaande woningen waarop de bestemming "Woongebied (uit te werken)" van toepassing is geworden. Het college heeft in zijn zienswijze op het deskundigenbericht uiteengezet dat de regeling concreet is ingegeven door de vraag of gelijkvloerse slaapgelegenheid voor minder validen of vergroting vanwege gezinsuitbreiding nog wel gerealiseerd zouden kunnen worden. Om daarover alle twijfel weg te nemen, is volgens het college een specifieke regeling getroffen. Vastgesteld moet echter worden dat de artikelen 4.3.1, onder b, en 4.5.1, onder b, er niet aan in de weg staan dat nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd, indien het voorheen geldende planologische regiem dit toestond. De bouwmogelijkheden die voormelde artikelen toestaan, zijn in zoverre ruimer dan beoogd. Voor zover het college heeft betoogd dat duidelijk is op welke bestaande woningen de regeling van toepassing is, overweegt de Afdeling dat eerder elf verschillende planologische regiems van toepassing waren. Gelet hierop kan de werkingssfeer van voormelde artikelen naar het oordeel van de Afdeling niet met de vereiste rechtszekerheid worden vastgesteld. Reeds vanwege het voorgaande zijn de artikelen 4.3.1, onder b, en 4.5.1, onder b, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel en dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoogspanningsleiding

2.29. Mega stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen verplaatsing van de hoogspanningsleiding in het plangebied niet op een adequate wijze in de plannen is geregeld. Daartoe voert zij aan dat onduidelijk is of buiten het plangebied een vervolgtracé kan worden gerealiseerd dat aansluit op het tracé van de hoogspanningsleiding na verplaatsing.

Het tracé van de hoogspanningsleiding na verplaatsing, voor zover dit binnen het plangebied is gelegen, zal evenwijdig aan het Eemskanaal over het grondgebied van zowel de gemeente Groningen als het grondgebied van de gemeente Slochteren lopen. Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende vast staat dat buiten het plangebied een hoogspanningsleiding kan worden gerealiseerd met een aansluitend vervolgtracé. Het college wijst in dit verband op de onderzoeken die zijn uitgevoerd voor deze leiding. De Afdeling ziet in de door Mega aangevoerde omstandigheid dat nog niet alle benodigde planologische besluiten voor het tracé van de hoogspanningsleiding buiten het plangebied zijn genomen, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op voormeld standpunt heeft kunnen stellen.

2.30. Mega voert verder aan dat in artikel 4.6.2 van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren ten onrechte wordt verwezen naar de op de plankaart aangeduide bestaande hoogspanningsleiding.

Het tracé van de bestaande hoogspanningsleiding, voor zover dit binnen het plangebied is gelegen, loopt over het grondgebied van de gemeente Slochteren. Bij de vaststelling van het plan is de aanduiding voor de bestaande hoogspanningsleiding van de plankaart verwijderd. Verder zijn de planvoorschriften van de gemeente Slochteren zodanig aangepast dat daarin niet meer wordt verwezen naar de aanduiding op de plankaart voor de bestaande hoogspanningsleiding. De woorden "als zodanig op de kaart aangeduide" in artikel 4.6.2, onder h, van de planvoorschriften zijn bij die gelegenheid abusievelijk niet geschrapt. Dit artikel is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.31. Mega voert verder aan dat onvoldoende is gewaarborgd dat geen langdurig verblijf kan plaatsvinden binnen de magneetveldzone van zowel de bestaande hoogspanningsleiding als de hoogspanningsleiding na verplaatsing. Zij stelt dat voorafgaand aan de vaststelling van de plannen ten onrechte geen wetenschappelijk onderzoek is verricht naar het risico dat een langdurig verblijf binnen de magneetveldzone met zich kan brengen. Toepassing van de planvoorschriften kan er volgens Mega verder toe leiden dat erven bij woningen in de magneetveldzone van de nieuwe verplaatste hoogspanningsleiding worden gesitueerd, terwijl niet is uitgesloten dat deze door bijvoorbeeld spelende kinderen worden gebruikt.

2.31.1. Bij brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) van 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118, nadien bevestigd en verduidelijkt in een brief van de minister van VROM van 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664 (www.vrom.nl), is een advies aan gemeenten en provincies gezonden met betrekking tot de aanwezigheid van hoogspanningslijnen in de nabijheid van onder meer woningen in verband met gezondheidsrisico's. Het advies houdt in dat bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Volgens de brief is de reden hiervan dat mogelijk een statistisch significante associatie aanwezig is tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen. In de bijlage van de brief van 4 november 2008 wordt het begrip "gevoelige bestemming" als woning, school, crèche en kinderopvangplaats gedefinieerd. De grens van een gevoelige bestemming omvat blijkens de bijlage zowel het gebouw als het erbij behorende stuk grond.

2.31.2. Om te voorkomen dat langdurig verblijf kan plaatsvinden binnen de magneetveldzone van de bestaande hoogspanningsleiding, wanneer deze nog niet buiten gebruik is gesteld, is onder meer artikel 4.3.9 aan de planvoorschriften van de gemeente Slochteren verbonden. Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, mogen bij de uitwerking van de bestemming "Woongebied (uit te werken)" door het college van burgemeester en wethouders geen nieuwe magneetveldgevoelige en magneetveldbeoordelingsplichtige objecten mogelijk worden gemaakt binnen 42 meter van de as van de bestaande 110 kV-hoogspanningsleiding, zolang deze leiding niet definitief buiten gebruik is gesteld.

Het plandeel met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding" staat de hoogspanningsleiding na verplaatsing toe. Op de gronden met deze dubbelbestemming mogen ingevolge artikel 11.2.1 en 18.2.1 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen respectievelijk de gemeente Slochteren geen nieuwe gebouwen, standplaatsen, kampeerstandplaatsen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Hiervan kan ingevolge de artikelen 11.3.1 en 18.2.3 vrijstelling worden verleend voor het bouwen van magneetveldongevoelige gebouwen en bouwwerken, voor het bouwen van magneetveldgevoelige en magneetveldbeoordelingsplichtige gebouwen en bouwwerken buiten de magneetveldzone alsmede voor het bouwen van magneetveldbeoordelingsplichtige gebouwen en bouwwerken binnen de magneetveldzone.

In de artikelen 11.5.1 en 18.5.1 is een verbod neergelegd om de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding". Van dit gebruiksverbod kan ingevolge artikelen 11.5.4 en 18.5.4 vrijstelling worden verleend voor het gebruik van onder meer magneetveldbeoordelingsplichtige objecten in de magneetveldzone wanneer het magneetveldbeoordelingsplichtige object een erf bij een (dienst)woning betreft.

2.31.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat nader wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidsrisico's vanwege de te verplaatsen hoogspanningsleiding achterwege kon worden gelaten, nu in de planvoorschriften van de gemeente Groningen en de gemeente Slochteren een strenger beschermingsregiem is opgenomen dan voortvloeit uit het voormelde advies. Hetgeen Mega heeft aangevoerd geeft - behalve voor zover het de in rechtsoverweging 2.31.4 vermelde vrijstellingsbevoegdheden betreft - geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Gevoelige bestemmingen, te weten woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen, worden in artikel 1 van de planvoorschriften als magneetveldgevoelige objecten gedefinieerd. Nu geen magneetveldgevoelige objecten binnen 42 meter van de as van de bestaande hoogspanningsleiding mogelijk mogen worden gemaakt en geen vrijstellingsbevoegdheid is opgenomen om magneetveldgevoelige objecten te realiseren in de magneetveldzone van de hoogspanningsleiding na verplaatsing, verhinderen de planvoorschriften dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in de magneetveldzone van de hoogspanningsleiding. In dit verband is van belang dat Mega niet aannemelijk heeft gemaakt dat de magneetveldzone van de bestaande hoogspanningsleiding breder is dan 42 meter vanaf de as van deze leiding. In de planvoorschriften is echter niet alleen een regeling voor magneetveldgevoelige, maar ook voor magneetveldbeoordelingsplichtige objecten opgenomen. Onder de laatstgenoemde categorie objecten worden blijkens artikel 1 van de planvoorschriften geen gevoelige bestemmingen, maar bijvoorbeeld kerkgebouwen, ziekenhuizen alsmede buurt- en clubhuizen begrepen. Dergelijke objecten behoeven op basis van voormeld advies geen bescherming.

2.31.4. Op basis van de artikelen 11.5.4, onder 2, en 18.5.4, onder 2, kan vrijstelling worden verleend voor het gebruik van erven bij woningen in de magneetveldzone van de hoogspanningsleiding. Uit de bijlage van de brief van 4 november 2008 blijkt dat erven bij woningen moeten worden beschouwd als gevoelige bestemmingen, zodat ook hier de situatie moet worden vermeden dat langdurig verblijf plaatsvindt binnen een magneetveldzone van een hoogspanningsleiding. In de planvoorschriften is in zoverre een minder streng beschermingsregiem opgenomen dan voortvloeit uit voormeld advies. De artikelen 11.5.4, onder 2, en 18.5.4, onder 2, zijn in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ontsluitingswegen

2.32. Rotij voert aan dat onvoldoende is verzekerd dat een ontsluitingsweg bij Harkstede zal worden gerealiseerd.

De aanleg van een ontsluitingsweg bij Harkstede is blijkens de zienswijze van het college op het deskundigenbericht pas nodig aan het eind van de planperiode wanneer Meerstad-Midden is verwezenlijkt en een begin zal worden gemaakt met de ontwikkeling van andere delen van Meerstad. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met het ontbreken in de plannen van een regeling voor een ontsluitingsweg bij Harkstede.

2.33. Mega voert aan dat de ligging van het tracé van de noordelijke ontsluitingsweg onvoldoende is gemotiveerd.

Vast staat dat het tracé van de voorziene noordelijke ontsluitingsweg de agrarische gronden van Mega doorsnijdt. In navolging van de raad van Groningen heeft het college de ligging van dit tracé gemotiveerd door te wijzen op de uitgangspunten van het Masterplan van september 2005 waarin de hoofdlijnen van de ontwikkeling van Meerstad zijn vastgelegd. Hetgeen Mega heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze motivering niet toereikend kan worden geacht. Voor zover Mega heeft aangevoerd dat in de planvoorschriften van de gemeente Groningen is verzuimd aan te geven dat de noordelijke ontsluitingsweg niet in afwijking van het op de plankaart aangegeven dwarsprofiel mag worden aangelegd, overweegt de Afdeling het volgende. Uit artikel 8.4.1 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen, voor zover hier van belang, volgt dat het verboden is de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming. Een redelijke uitleg van dit planvoorschrift brengt naar het oordeel van de Afdeling mee dat het verboden moet worden geacht de desbetreffende gronden in te richten in afwijking van het op de plankaart aangegeven dwarsprofiel voor de noordelijke ontsluitingsweg.

2.34. [appellant sub 5] betoogt dat de zuidelijke ontsluitingsweg niet noodzakelijk is en ten onrechte op korte afstand van zijn woning aan de [locatie 3] is voorzien.

De zuidelijke ontsluitingsweg, die Meerstad-Midden aansluit op een parallelweg van de A7, is volgens het college nodig om het bestaande wegennet niet alleen van het bouwverkeer, maar ook van een toenemende stroom regulier bewonersverkeer te ontlasten. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de zuidelijke ontsluitingsweg is zodanig op de plankaart ingetekend dat deze ontsluitingsweg op een afstand van 40 meter van de woning van [appellant sub 5] kan worden gerealiseerd. Blijkens het deskundigenbericht was het tracé van de zuidelijke ontsluitingsweg in het Masterplan van september 2005 circa 450 meter oostelijker geprojecteerd. De raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren hebben deze verschuiving van de ligging van het tracé uitsluitend gemotiveerd door er op te wijzen dat de gronden op een afstand van 40 meter van de woning van [appellant sub 5] direct beschikbaar zijn. De zuidelijke ontsluitingsweg kan hierdoor snel worden gerealiseerd hetgeen volgens hen wenselijk is. De stukken en het verhandelde ter zitting geven er geen blijk van dat de raad van de gemeente Groningen en de raad van de gemeente Slochteren uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een belangenafweging hebben gemaakt, waarbij ook andere belangen zijn betrokken dan een spoedige realisatie van de zuidelijke ontsluitingsweg, bijvoorbeeld het belang van [appellant sub 5] dat is gediend met het in stand houden van een optimaal woon- en leefklimaat. Gezien het voorgaande heeft het college zich in het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de zuidelijke ontsluitingsweg niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Woning [appellant sub 1]

2.35. [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte onduidelijk blijft of zijn woning aan de [locatie 4] in de toekomst kan worden gehandhaafd.

De woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 4] is gelegen direct aan de zuidoever van het Eemskanaal in het noordwesten van het plangebied. De plankaart, voor zover hier van belang, kent aan het gehele perceel [locatie 4] de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en aan een gedeelte van dit perceel tevens de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding" toe.

In de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)", voor zover hier van belang, is bepaald dat bij de uitwerking rekening dient te worden gehouden met de op de plankaart aangegeven dubbelbestemmingen en de daarbij behorende voorschriften. De in het plangebied gelegen hoogspanningsleiding zal worden verplaatst naar het plandeel met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding". Het college heeft in zijn verweerschrift nader uiteengezet dat de exacte ligging van het tracé van de hoogspanningsleiding na verplaatsing en de diepteligging daarvan in de grond nog niet zijn bepaald en dat dientengevolge de omvang van de magneetveldzone nabij de woning van [appellant sub 1] nog ongewis is. Gelet hierop bestaat volgens het college nog onduidelijkheid over de vraag of de woning van [appellant sub 1] op termijn kan worden gehandhaafd. Eerst bij de uitwerking van de bestemming "Woongebied (uit te werken)" zal volgens het college worden beslist op welke wijze het gebied ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] uiteindelijk wordt ingericht. In dat kader zal volgens het college worden beoordeeld of, en zo ja, op welke wijze de woning van [appellant sub 1] kan worden ingepast. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan [appellant sub 1] heeft aangevoerd, het perceel van [appellant sub 1] deel uitmaakt van het gebied dat in zijn geheel zal worden heringericht ten behoeve van de realisatie van Meerstad-Midden. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat zo nodig (een gedeelte van) het perceel van [appellant sub 1] zal worden onteigend, indien dit in verband met de magneetveldzone van de hoogspanningsleiding noodzakelijk is.

2.36. De plankaart kent aan een gedeelte van het perceel van [appellant sub 1] tevens de dubbelbestemming "Belemmeringszone vaarweg" toe. Het college heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat er bij nadere beschouwing van de betrokken feiten en omstandigheden geen noodzaak bestaat deze dubbelbestemming aan het perceel van [appellant sub 1] toe te kennen. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Belemmeringszone vaarweg" voor het perceel van [appellant sub 1] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit dient op dit onderdeel te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Woning [appellant sub 3]

2.37. [appellant sub 3] betoogt dat zijn woning aan [locatie 1] moet worden gehandhaafd.

2.37.1. De woning van [appellant sub 3] is gelegen nabij de Ruischerbrug, ten zuiden van het Slochterdiep. De plankaart kent aan het desbetreffende perceel de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en de aanduiding "land en water" toe. De plankaart kent aan de gronden direct ten oosten en ten zuiden van het perceel [locatie 1] de bestemming "Water" toe. De plankaart kent aan de gronden ten noordwesten van het perceel de dubbelbestemming "Leidingzone" toe.

2.37.2. In de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied (uit te werken)", voor zover hier van belang, is bepaald dat binnen de op de plankaart met de aanduiding "land en water" aangeduide gronden de oppervlakte van de doeleinden water 20-55% en de oppervlakte van de overige doeleinden gezamenlijk 45-80% mag bedragen. Ook dient bij de uitwerking rekening te worden gehouden met de op plankaart aangegeven dubbelbestemmingen en de daarbij behorende voorschriften. Het college heeft nader uiteengezet dat het perceel van [appellant sub 3] is gelegen op een knooppunt van verschillende waterpeilen. Het waterpeil van het Slochterdiep bedraagt volgens het college 1,12 meter minus N.A.P. en van het perceel van [appellant sub 3] 3,05 tot 3,55 meter minus N.A.P in de huidige situatie. Het waterpeil van het voorziene meer, waarop de bestemming "Water" direct ten oosten en ten zuiden van het perceel betrekking heeft, bedraagt volgens het college 2,30 meter minus N.A.P. In het gebied ligt volgens het college een complexe uitwerkingsopgave, te meer nu de nabijgelegen rioolwaterpersleiding, waarop de dubbelbestemming "Leidingzone" betrekking heeft, niet extra mag worden belast.

Zowel bij de vaststelling als de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" voor het perceel [locatie 1] hebben de raad van de gemeente Slochteren respectievelijk het college aangegeven dat het niet reëel is dat de woning van [appellant sub 3] kan worden gehandhaafd. Dit negatieve uitsluitsel over de mogelijkheid de woning van [appellant sub 3] te handhaven is niet in het plan neergelegd, aangezien de op de plankaart voor "Woongebied (uit te werken)" aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor wonen. Nu volgens de raad van de gemeente Slochteren en het college op voorhand vast staat dat deze doeleindenomschrijving voor het perceel [locatie 1] niet uitvoerbaar is, moet worden geconcludeerd dat zij zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het door [appellant sub 3] bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Grunopark

2.38. Recronde stelt zich op het standpunt dat de roeibaan nabij het door haar geëxploiteerde Grunopark aan de Hoofdweg 163 ten onrechte niet in zijn geheel als zodanig is bestemd. Daartoe voert zij aan dat de bestemming "Woongebied (uit te werken)" die aan de betrokken gronden is toegekend niet kan worden gerealiseerd vanwege een afgesloten erfpachtovereenkomst.

Privaatrechtelijke verhoudingen zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis. Slechts indien deze van een zodanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. Blijkens het verweerschrift van het college zal tot onteigening worden overgegaan, indien over de beëindiging van de erfpachtovereenkomst geen overeenstemming met Recronde kan worden bereikt. Het college heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de verwezenlijking van het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" voor een gedeelte van de roeibaan voldoende is verzekerd.

2.39. Wat betreft de gronden voor het Grunopark betoogt Recronde primair dat daarop nieuwe woningbouw had moeten worden toegestaan.

Nu de plankaart aan de desbetreffende gronden de bestemming "Recreatieve doeleinden, categorie R(d) en R(v)" toekent, staat vast dat geen nieuwe woningbouw is toegestaan, maar dat het Grunopark als zodanig is bestemd. Dit als zodanig bestemmen is blijkens de stukken in overeenstemming met het Masterplan van september 2005. Anders dan Recronde heeft aangevoerd, is niet gebleken dat de raad van de gemeente Slochteren daarbij gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de gronden niet in eigendom zijn van degenen die bij de ontwikkeling van Meerstad-Midden zijn betrokken. Gezien het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met het als zodanig bestemmen van het Grunopark.

2.40. Subsidiair betoogt Recronde dat de bedrijfsvoering van het Grunopark te veel wordt belemmerd vanwege de nieuwe woningbouw die in de directe nabijheid daarvan is voorzien

2.40.1. De plankaart kent aan de gronden ten westen en ten oosten van het Grunopark de bestemming "Woongebied (uit te werken)" toe. Ingevolge artikel 4.1, sub a en b, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren zijn deze gronden bestemd voor wonen en woon-werkcombinaties. De bedrijfsvoering van het Grunopark zal volgens raad van de gemeente Slochteren en het college echter niet worden belemmerd, aangezien een afstand van 50 meter tot de hinderveroorzakende activiteiten van het Grunopark wordt aangehouden. Zij wijzen in dit verband onder meer op de dubbelbestemming "Hinderzone" die de plankaart zowel aan een strook grond ten oosten als aan een strook grond ten westen van het Grunopark toekent. Volgens de raad van de gemeente Slochteren en het college wordt aldus voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 50 meter voor kampeerterreinen, vakantiecentra en dergelijke met SBI-code 552.

2.40.2. Op het terrein van het Grunopark zijn onder meer een camping, een sporthotel, een waterskibaan, drie skischansen en een golfbaan met bijbehorende sanitaire voorzieningen en horeca aanwezig. De bedrijfsactiviteiten bestaan onder meer uit het organiseren van buitensportactiviteiten zoals waterskiën, paintballen, kanovaren en skischansspringen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat niet alle bedrijfsactiviteiten van het Grunopark onder SBI-code 552 van de VNG-brochure vallen. Anderzijds voert het volgens het deskundigenbericht te ver om de bedrijfsactiviteiten van het Grunopark onder de door Recronde in haar beroepschrift genoemde SBI-code 9233 voor recreatiecentra, vaste kermissen en dergelijke te laten vallen. Voor laatstgenoemde bedrijfsactiviteiten is in de VNG-brochure een richtafstand van 300 meter opgenomen. Gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat de raad van de gemeente Slochteren en het college zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een aan te houden afstand van 50 meter tot woningen toereikend kan worden geacht in het geval van het Grunopark. Daarbij komt dat de plandelen met de dubbelbestemming "Hinderzone", die verhinderen dat in de nabijheid van het Grunopark nieuwe hindergevoelige objecten kunnen worden gebouwd, geen breedte hebben van 50, maar van circa 30 en 40 meter voor de west- respectievelijk de oostzijde van het Grunopark. Voor zover de raad van de gemeente Slochteren en het college erop hebben gewezen dat de bouwvoorschriften voor de bestemming "Recreatieve doeleinden, categorie R(d) en R(v)" verhinderen dat direct op grens van deze bestemming nieuwe kampeerstandplaatsen, horeca en overige gebouwen en bouwwerken worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat daarmee niet is uitgesloten dat het terrein ter plaatse voor buitensportactiviteiten wordt gebruikt. Voor zover de raad van de gemeente Slochteren en het college hebben gewezen op de verleende milieuvergunning overweegt de Afdeling dat deze vergunning niet van belang is voor de vraag of bouwvergunningen kunnen worden verleend voor nieuwe woningen in de directe nabijheid van het Grunopark.

Gezien het voorgaande is artikel 4.1, sub a en b, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden binnen een afstand van 300 meter van de bestemmingsgrenzen voor het Grunopark, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Agrarisch bedrijf [appellante sub 11]

2.41. [appellante sub 11] vreest dat de gebruiksmogelijkheden van zijn agrarische gronden worden beperkt.

2.41.1. [appellante sub 11] heeft een agrarisch bedrijf aan de Hamweg 100. De plankaart kent aan zijn gronden aan de westzijde van de Hamweg de bestemming "Agrarische doeleinden" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 2" toe.

Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 10.8.1, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders voor zover de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 2" de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming "Natuur (uit te werken)", mits:

1. de grondeigenaar met de wijziging instemt;

2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en bouwwerken.

2.41.2. Blijkens paragraaf 13.5.10.5 van de plantoelichting, voor zover hier van belang, is het (nog) niet gelukt om een aantal percelen te verwerven die in het Masterplan een natuurfunctie is toegeschreven. Nu daardoor niet vaststaat dat binnen de planperiode van 10 jaar de gewenste natuurbestemming kan worden gerealiseerd, hebben deze percelen hun agrarische bestemming behouden. De bestemming is daarbij volgens de plantoelichting zodanig ingericht dat de bestaande agrarische bedrijven zoveel als mogelijk in de huidige omvang kunnen voortbestaan. Wel is volgens de plantoelichting een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het geval zich de mogelijkheid voordoet om de gronden toe te voegen aan het te ontwikkelen natuurgebied. Volgens de plantoelichting staat voorop dat dit gebeurt op basis van vrijwilligheid van de betrokken agrariërs.

Vast staat dat het agrarisch bedrijf van [appellante sub 11] als zodanig is bestemd. Weliswaar is aan de gronden een wijzigingsbevoegdheid toegekend voor het geval zich de mogelijkheid voordoet om de gronden toe te voegen aan het te ontwikkelen natuurgebied, maar hiervan kan gelet op het bepaalde in artikel 10.8.1 alleen gebruik worden gemaakt wanneer [appellante sub 11] daarmee instemt. Als zodanig brengt het plan derhalve geen beperking met zich van de gebruiksmogelijkheden van de agrarische gronden van [appellante sub 11]. Dat, zoals [appellante sub 11] heeft aangevoerd, in het verleden is geprobeerd zijn gronden te verwerven, is in dit verband niet van belang. Gezien het voorgaande is de vrees van [appellante sub 11] ongerechtvaardigd.

IJsbaanlocatie en haventje Lageland

2.42. [appellant sub 4] voert aan dat op de zogenoemde ijsbaanlocatie ten onrechte meer woningen mogen worden gerealiseerd dan het aantal dat men voornemens is te realiseren. Verder voert hij aan dat aan een deel van de ijsbaanlocatie ten onrechte geen natuurbestemming is toegekend.

De ijsbaanlocatie betreft het meest noordelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en de aanduiding "deelgebied 7". Gebleken is dat voor het bouwrijp maken, het bebouwen alsmede het inrichten van een natuurgebied ter plaatse reeds een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is genomen. De bezwaren van [appellant sub 4] komen er in wezen op neer dat de inrichting van de ijsbaanlocatie in het plan minder gedetailleerd is geregeld dan in het vrijstellingsbesluit. Niet gebleken is echter dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds duidelijkheid bestond over de concrete inrichting van de ijsbaanlocatie. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" voor het desbetreffende gebied.

2.43. [appellant sub 4] voert verder aan dat te hoog mag worden gebouwd bij het zogenoemde haventje Lageland.

Het gebied bij het haventje Lageland betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" en de aanduiding "deelgebied 6". De bezwaren van [appellant sub 4] richten zich tegen de voor dit plandeel in artikel 4.3.3, onder g, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren opgenomen uitwerkingsregel. Ingevolge dit artikel mogen in deelgebied 6:

1. gebouwen mogelijk worden gemaakt tot een hoogte respectievelijk goothoogte van maximaal 14 respectievelijk 17,5 meter, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 10% van de onder 4.3.2, onder a, voor deelgebied 6 opgenomen rode functies;

2. maximaal 2 gebouwen of bouwwerken mogelijk worden gemaakt met een hoogte van 22,5 meter en een gezamenlijk oppervlak van niet meer dan 100 m2.

Het college heeft blijkens het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan sub 1 van het voormelde artikel, aangezien hierin per abuis de maximale goothoogte met de maximale bouwhoogte is verwisseld. In zoverre is tegemoetgekomen aan de bezwaren van [appellant sub 4]. Voor zover deze bezwaren zich richten tegen sub 2 van het voormelde artikel overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de plantoelichting is voor deelgebied 6 een verbijzonderde bebouwingsregeling in de uitwerkingsregels opgenomen in verband met de wens om stedenbouwkundige accenten mogelijk te maken. In het verweerschrift heeft het college nader toegelicht dat is beoogd een focuspunt mogelijk te maken waardoor duidelijk wordt dat de overzijde van het meer bij Meerstad hoort alsmede ter markering van het punt waar meer, Slochterdiep en verschillende routes over land samenkomen. De Afdeling is van oordeel dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanknopingspunt geeft voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met artikel 4.3.3, onder g, sub 2, heeft kunnen instemmen.

Overige beroepsgronden

2.44. Mega en Rotij voeren aan dat ten onrechte geen faseringsregeling in de plannen is opgenomen.

Anders dan Mega veronderstelt, heeft de raad van de gemeente Groningen noch de raad van de gemeente Slochteren heeft beoogd een faseringsregeling te treffen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om een faseringsregeling in de plannen op te nemen. De zorgvuldigheid eist dit in dit geval evenmin. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met het ontbreken van een faseringsregeling in de plannen.

2.45. Mega maakt bezwaar tegen de in artikel 27.1.17 van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren vervatte vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van evenementen.

Ingevolge voormeld artikel kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling van de bepalingen van het plan verlenen voor het houden van terugkerende strijdige evenementen, onder de volgende voorwaarden:

a. een evenement mag per keer niet langer duren dan 2 weken;

b. een evenement mag niet vaker plaatsvinden dan 6 maal per kalenderjaar;

c. een evenement dat vaker in een jaar plaatsvindt, mag in totaal niet langer dan 30 dagen bestaan;

d. de opbouw en afbraak van eventuele tijdelijke bouwwerken ten behoeve van een evenement moet plaatsvinden in een periode van niet meer dan 30 dagen;

e. het evenement mag niet tot gevolg hebben dat de gronden en/of opstallen na afloop van het evenement ongeschikt zijn voor gebruik conform de geldende bestemming.

Op basis van artikel 27.1.17 kan alleen vrijstelling voor evenementen worden verleend, indien deze voldoen aan de in dit artikel gestelde voorwaarden. Mega heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van dergelijke evenementen op voorhand onaanvaardbaar moeten worden geacht. Er is daarom geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met de in de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid heeft kunnen instemmen.

2.46. Mega voert aan dat het voorziene meer ten onrechte niet voor noodwaterberging mag worden gebruikt.

In artikel 15 van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren is bepaald dat gronden met de bestemming "Water" niet mogen worden gebruikt voor noodwaterberging. Blijkens paragraaf 8.5.5 van de plantoelichting dient het voorziene meer de eerste tien jaren na het gereedkomen en het vullen met water, niet als calamiteitenberging ingezet te worden. Het systeem is dan volgens de plantoelichting nog niet robuust genoeg om een dergelijke aanslag te verwerken. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van het meer als noodwaterberging thans niet aan de orde is.

2.47. Ook hetgeen Mega overigens heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met de plannen, voor zover bestreden, heeft kunnen instemmen.

Conclusie

2.48. De beroepen van Natuur en Landschap Duurswold, [appellante sub 8] en [appellant sub 9] zijn niet-ontvankelijk.

2.49. De beroepen van [appellant sub 1], Recronde en Mega, voor zover ontvankelijk, zijn gedeeltelijk gegrond. De beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 3] zijn geheel gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de zuidelijke ontsluitingsweg, het plandeel met de dubbelbestemming "Belemmeringszone vaarweg" voor het perceel van [appellant sub 1], het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" voor het perceel van [appellant sub 3], artikel 4.1, sub a en b, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden binnen een afstand van 300 meter van de bestemmingsgrenzen voor het Grunopark, artikel 4.5.1, onder b, de woorden "als zodanig op de kaart aangeduide" in artikel 4.6.2, onder h, artikel 18.5.4, onder 2, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren alsmede artikel 4.3.1, onder b, artikel 11.5.4, onder 2, van de planvoorschriften van de gemeente Groningen. De Afdeling ziet aanleiding in zoverre zelf voorziend goedkeuring aan het plan te onthouden. Daarbij betrekt de Afdeling dat aannemelijk is geworden dat de tijdelijke afwikkeling van het verkeer via de noordelijke ontsluitingsweg in het begin van de ontwikkeling van Meerstad-Midden niet op onoverkomelijke bezwaren stuit. De raad van de gemeente Slochteren kan bij de vaststelling van een nieuw plan overigens woningbouw binnen een afstand van 300 meter van de bestemmingsgrenzen voor het Grunopark mogelijk kan maken voor zover dit nader bezien niet in strijd komt met goede ruimtelijke ordening.

2.50. De beroepen van [appellant sub 1], Recronde en Mega zijn voor het overige ongegrond. De beroepen van Rotij, [appellante sub 11] en [appellant sub 4] zijn geheel ongegrond.

2.51. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], Mega, [appellant sub 5], [appellant sub 3] en Recronde te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van Natuur en Landschap Duurswold, [appellante sub 8], [appellant sub 9], Rotij, [appellante sub 11] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de werkgroep Natuur en Landschap Duurswold, [appellante sub 8] en [appellant sub 9] geheel en het beroep van MEGA Projecten B.V. en andere voor zover het betreft:

- het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in het zuiden van het plangebied

- het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken) en de aanduidingen "deelgebied 4", "deelgebied 5", "deelgebied 6", "deelgebied 7" en"deelgebied 8"

- het plandeel met de bestemming "Natuur (uit te werken)"

- de plandelen met de bestemmingen "Horecadoeleinden", "Woondoeleinden" en "Water" in het noordoosten van het plangebied" niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], Recronde B.V. en andere alsmede MEGA Projecten B.V. en andere gedeeltelijk en de beroepen van [appellanten sub 3] alsmede [appellanten sub 5] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van 31 juli 2008 voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de zuidelijke ontsluitingsweg

- het plandeel met de dubbelbestemming "Belemmeringszone vaarweg" voor het perceel [locatie 4] te [plaats]

- het plandeel met de bestemming "Woongebied (uit te werken)" voor het perceel [locatie 1] te [plaats]

- artikel 4.1, sub a en b, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren, voor zover dit artikel betrekking heeft op gronden binnen een afstand van 300 meter van de grenzen van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden, categorie R(d) en R(v)" voor het Grunopark

- artikel 4.5.1, onder b, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren

- de woorden "als zodanig op de kaart aangeduide" in artikel 4.6.2, onder h, van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren

- artikel 18.5.4, onder 2 van de planvoorschriften van de gemeente Slochteren

- artikel 4.3.1, onder b, van de planvoorschriften van de gemeente Groningen

- artikel 11.5.4, onder 2 van de planvoorschriften van de gemeente Groningen;

IV. onthoudt aan de onder III. vermelde vernietigde planonderdelen goedkeuring;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder III. vermelde vernietigde planonderdelen van het besluit van 31 juli 2008;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], Recronde B.V. en andere alsmede MEGA Projecten B.V. en andere voor het overige en de beroepen van Rotij Grondontwikkeling Oost B.V., [appellante sub 11] alsmede [appellanten sub 4] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen in verband met de behandeling van onderstaande beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

- € 483,00 (vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1]

- € 644,00 (zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan Recronde B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere

- € 692,65 (zegge: zeshonderdtweeënnegentig euro en vijfenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellanten sub 3], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander

- € 805,00 (achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan MEGA Projecten B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere

- € 48,65 (achtenveertig euro en vijfenzestig cent) aan [appellanten sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan onderstaande appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 1]

- € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 3], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander

- € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander

- € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor MEGA Projecten B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere

- € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor Recronde B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Jansen
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

399.