Uitspraak 200201701/1

Datum van uitspraak: woensdag 5 maart 2003
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen (voorheen Den Ham, thans Twenterand)
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Overige uitspraken (tot 2004)
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2003:AF5150

200201701/1.
Datum uitspraak: 5 maart 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 13 februari 2002 in het geding tussen:

de regionaal inspecteur van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regio Oost, gevestigd te Arnhem

en

het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen (voorheen Den Ham, thans Twenterand).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Ham (hierna: het college) in antwoord op het verzoek van de regionaal inspecteur van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regio oost, (hierna: de inspecteur) geweigerd appellant aan te schrijven de uitbreiding van zijn bedrijf aan de [locatie 1] te [plaats] ongedaan te maken.

Bij besluit van 5 juni 2001 heeft het college het daartegen door de inspecteur gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door de inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het bezwaarschrift van appellant beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 26 maart 2002 en 22 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 9 april 2002 heeft het college het door de inspecteur tegen het besluit van 20 december 2000 ingediende bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen deze tweede beslissing op bezwaar heeft de inspecteur bij brief van 22 mei 2002, als faxbericht bij de rechtbank ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De rechtbank heeft dit beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door drs. E. Nijhuis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de inspecteur, vertegenwoordigd door mr. M.I. Kruizinga-van Beekum.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 13 november 2000 heeft de inspecteur aan het college gevraagd handhavend op te treden tegen de uitbreiding van het bedrijf van appellant. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat deze uitbreiding bestaat uit een verharding van het gehele terrein aan de [locatie 1], een halfopen overkapping op een gedeelte van dit terrein en een opslag van banden op deze verharding. Tevens is een schuur op het perceel [locatie 2] in gebruik voor de opslag van banden. Bij brief van 20 december 2000 heeft het college de inspecteur geantwoord dat de uitbreiding zal worden gedoogd omdat het volgens hem mogelijk is deze uitbreiding te legaliseren. Deze brief is aangemerkt als een weigering tot de gevraagde handhaving over te gaan.

2.2. Appellant betoogt thans dat de rechtbank heeft miskend dat de bouw van de overkapping en het door de inspecteur gewraakte gebruik van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is toegestaan op grond van het van het ter plaatse geldende bestemmingsplan deel uitmakende overgangsrecht. Hij betoogt voorts dat de uitbreiding van zijn bedrijf binnen afzienbare tijd kan worden gelegaliseerd. Appellant doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat van provincie- en gemeentezijde de verwachting is gewekt dat aan meergenoemde uitbreiding medewerking zou worden verleend.

2.3. Op de gronden waarop de hiervoor bedoelde verharding is verwezenlijkt en de banden worden opgeslagen rust ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” de bestemming “Agrarisch gebied”. Deze bestemming rust ook op het perceel [locatie 2]. Ingevolge artikel 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan is het verboden gronden met de bestemming ‘Agrarisch gebied’ te verharden en in gebruik te nemen als opslagplaats voor banden.

2.4. Ingevolge artikel 40 van de planvoorschriften mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd of kan worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Ingevolge artikel 41 mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het pan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de halfopen overkapping op het perceel [locatie 1] eind 1999/begin 2000 is geplaatst en dat hiervoor geen bouwvergunning is verleend. De overkapping is na de hierna bedoelde peildatum geplaatst, zodat aan het overgangsrecht geen rechten kunnen worden ontleend. Het college was in zoverre bevoegd handhavingsmaatregelen toe te passen.

2.6. Het geldende bestemmingsplan is op 10 augustus 1999 in werking getreden. Deze datum dient als peildatum voor het overgangsrecht voor gebruik te worden gehanteerd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant de schuur op het perceel [locatie 2] met ingang van 1 januari 1998, derhalve vóór de peildatum, heeft gehuurd en deze vanaf dat moment gebruikt voor de opslag van autobanden. Ook de verharding van het terrein en de opslag van banden daarop is vóór 10 augustus 1999 verwezenlijkt. De aanleg van de verharding en de opslag zijn vóór de peildatum niet door het college gewraakt. Niet aannemelijk is dat het college niet van de aanwezigheid van de verharding en de opslag op de hoogte was dan wel niet op de hoogte behoefde te zijn. Hieruit volgt dat deze activiteiten worden beschermd door overgangsrecht, zodat het college in zoverre niet bevoegd was handhavingsmaatregelen te treffen. De rechtbank heeft dit miskend, zodat het betoog van appellant in zoverre slaagt.

2.7. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen illegale situaties. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

2.8. Bij besluit van 21 januari 1999 heeft het college van gedeputeerde staten goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan “Buitengebied, partiële herziening 1997-2 [appellant], [locatie 1])”, voorzover het betrekking had op het gedeelte van het perceel van appellant waarop onder meer de halfopen overkapping is geplaatst. Dit plan diende de uitbreiding van het bedrijf van appellant mogelijk te maken. Het college van gedeputeerde staten heeft overwogen dat het reeds in 1992 bij een eerdere uitbreiding van het bedrijf van appellant heeft aangegeven dat aan een volgende uitbreiding geen medewerking zou worden verleend. Dat het college van gedeputeerde staten in een bij voornoemd besluit gevoegde brief van dezelfde datum aan het college heeft meegedeeld dat het bereid is om in het kader van de lopende herziening van het streekplan te bezien op welke wijze de aanduiding “bedrijvigheid in het buitengebied” nadere invulling kan worden gegeven, doet hieraan niet af, nu uit deze brief tevens valt af te leiden dat dit niet betekent dat de thans aan de orde zijnde uitbreiding in overeenstemming zal worden gebracht met het streekplan. Het college van gedeputeerde staten heeft voorts overwogen dat de uitbreiding in strijd is met de in het streekplan Twente vervatte essentiële beslissing om uitbreiding van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden gebruiksvormen tegen te gaan. Het is van mening dat het bedrijf van appellant thuishoort op een bedrijventerrein.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat er geen concreet zicht bestond op legalisering van de uitbreiding van het bedrijf van appellant, waar de halfopen overkapping deel van uitmaakt en terecht geoordeeld dat het college met betrekking tot bedoelde overkapping in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen de toepassing van handhavingsmiddelen achterwege te laten. Daarbij overweegt de Afdeling dat, voorzover appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, dit beroep niet slaagt nu op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat door het college en door het college van gedeputeerde staten de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat aan appellant de voor de uitbreiding vereiste bouwvergunning zou worden verleend. Dat de gemeenteraad een herziening van het bestemmingsplan heeft vastgesteld om die uitbreiding mogelijk te maken, maakt dit niet anders. Overigens kan het wekken van dergelijke verwachtingen niet leiden tot het verlenen van een vergunning in strijd met de wet.

2.9. Het hoger beroep van appellant is gegrond voorzover het betrekking heeft op de aangebrachte verharding op zijn terrein en op de opslag van autobanden op deze verharding en in de schuur op het perceel [locatie 2]. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd en het beroep van de inspecteur tegen het besluit van 5 juni 2001 dient in zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond en de aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.10. Het beroep van de inspecteur tegen het besluit van 9 april 2002 is gelet op het hiervoor overwogene gegrond voorzover het betrekking heeft op de op het perceel [locatie 1] geplaatste halfopen overkapping, nu aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het vernietigde besluit van 5 juni 2001. Het besluit van het college van 9 april 2002 dient in zoverre te worden vernietigd en het college zal opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen. Het beroep van de inspecteur is voor het overige ongegrond.

2.11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, voorzover dit betrekking heeft op de aangebrachte verharding op zijn terrein en op de opslag van autobanden op deze verharding en in de schuur op het perceel [locatie 2];

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 13 februari 2002, kenmerk 01 / 432 GEMWT V1 A en 01 / 516 GEMWT V1 A, in zoverre;

III. verklaart het beroep van de inspecteur tegen het besluit van 5 juni 2001 in zoverre alsnog ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. verklaart het beroep van de inspecteur tegen het besluit van 9 april 2002 gegrond voorzover het betrekking heeft op de op het perceel [locatie 1] geplaatste halfopen overkapping;

VI. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen van 9 april 2002 in zoverre;

VII. verklaart het beroep van de inspecteur tegen het laatstgenoemde besluit voor het overige ongegrond;

VIII. draagt de gemeente Twenterand op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van de inspecteur en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Twenterand in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Twenterand te worden betaald aan appellant;

X. gelast dat de gemeente Twenterand aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Groenendijk
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003

164.