Uitspraak 201801874/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 9 januari 2019
Tegen: de burgemeester van Hellevoetsluis
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Huisverbod
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2019:44

201801874/1/A3.
Datum uitspraak: 9 januari 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2018 in zaak nr. C/10/542511/FA RK 18/164 en nr. C/10/542514/KG ZA 18/27 en de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2018 in zaak nr. C/10/542958/FA RK 18/370 en nr. C/10/542959/KG ZA 18/58 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Hellevoetsluis.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod voor een periode van tien dagen opgelegd.

Bij mondelinge uitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 12 januari 2018 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen.

Bij mondelinge uitspraak van 19 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.T. Wernsen, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L.J. Bel, mr. S. Yavuzyigitoglu en J. Willemse, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.      Op 4 januari 2018 te 17:15 uur heeft de echtgenote van [appellant] melding gedaan bij de politie van een incident waarbij geweld heeft plaatsgevonden tussen haar en [appellant] in het bijzijn van hun zoon. De burgemeester heeft vervolgens krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen tot 15 januari 2018 te 11:12 uur. Op 12 januari 2018 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen tot 2 februari 2018 te 11:12 uur. Ten tijde van de indiening van het hoger beroep woonde [appellant] samen met zijn echtgenote en hun zoon.

Oplegging van het huisverbod

2.        [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn aanwezigheid in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid tot oplegging van het huisverbod heeft kunnen overgaan. Daartoe voert hij aan dat het vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn echtgenote en hun zoon alleen steunt op de verklaringen van zijn echtgenote en dat dit niet voldoende is om aan hem een huisverbod op te leggen. Bovendien zijn deze verklaringen ongeloofwaardig. Verder heeft het Openbaar Ministerie de zaak met betrekking tot de verdenking van mishandeling en bedreiging geseponeerd en heeft zijn aanhouding buiten heterdaad zonder bevel daartoe plaatsgevonden. De rechtbank is daarnaast ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de stellingen dat hij tijdens een telefoongesprek heeft gedreigd zijn zoon iets aan te gaan doen en dat hij weigerde om gehoor te geven aan een stopteken van de politie. Er was geen ander bewijs van ernstig en onmiddellijk gevaar waardoor het huisverbod en de verlenging daarvan ten onrechte zijn opgelegd nu de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd heeft plaatsgevonden. Voorts waren het huisverbod en de verlenging daarvan geen effectieve middelen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het huisverbod aan hem opgelegd moest worden en tot slot miskend dat de burgemeester de belangen van [appellant] en zijn zoon onvoldoende heeft meegewogen bij de oplegging van het huisverbod, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat."

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3052), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond, waarna de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend wordt getoetst. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1408), strekt het huisverbod blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth ertoe in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2).

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] een relatie heeft met zijn echtgenote die veel spanningen kent in de vorm van lichamelijk en verbaal geweld. Dit laatste blijkt uit verschillende uitingen van beiden die voorkomen in hun WhatsApp-conversaties opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2010003759-7. De confrontaties vinden ook plaats in het bijzijn van hun minderjarige zoon. De directe aanleiding van het huisverbod is gelegen in het incident dat plaatsvond op 4 januari 2018 bij het werk van de echtgenote. [appellant] nam zijn zoon mee en zocht toen de confrontatie met haar, omdat hij ervan overtuigd was dat zij was vreemdgegaan. Na lichamelijk en verbaal geweld over en weer in het bijzijn van hun zoon heeft de echtgenote aangifte gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak met betrekking tot de verdenking van mishandeling en bedreiging geseponeerd, maar onderzoeken door de politie, het crisisinterventieteam en de hulpofficier van justitie wijzen erop dat de spanningen binnen de relatie zodanig hoog waren opgelopen dat de veiligheid van de echtgenote en hun zoon in het geding was.

2.3.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de burgemeester het oordeel dat zijn aanwezigheid in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde niet alleen gebaseerd op de verklaringen van de echtgenote, maar ook op de door de politie, het crisisinterventieteam en de hulpofficier van justitie ingevulde risicotaxatieformulieren, het advies van laatstgenoemde om tot de oplegging van het huisverbod over te gaan en de screening van het crisisinterventieteam. Bovendien is het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2384), gelet op de aard van een huisverbod dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit van 5 januari 2018 genoemde personen opleveren. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid gemotiveerd dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om niet tot vervolging over te gaan niet betekent dat de grond voor het huisverbod automatisch is komen te vervallen. De wetgever heeft bepaald dat het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich (nog) geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar er situaties zijn ontstaan waarbij er acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30657, nr. 3, p. 2). De burgemeester heeft zich op grond van de onder 2.2 weergegeven feiten en omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth of dat een ernstig vermoeden van zulk gevaar bestond. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is uitgegaan van de juistheid van de stellingen dat hij had gedreigd zijn kind iets aan te doen en weigerde gehoor te geven aan een stopteken van de politie, doet hier niet aan af omdat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet onomstotelijk vast hoefde te staan.

2.4.    Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid van de bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod gebruik heeft kunnen maken. Daaraan heeft de burgemeester in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen dat een afkoelingsperiode nodig was om de hulpverlening te starten en om de echtgenote en hun zoon rust te bieden en te beschermen tegen lichamelijk of verbaal geweld. De argumenten van [appellant] ter onderbouwing van de standpunten dat zijn belang en het belang van de minderjarige niet of onvoldoende zijn meegewogen, geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester zich op grond van de onder 2.2 weergegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het juist in het belang van hun zoon was om de rust te laten terugkeren in de woning. Het feit dat [appellant] hun zoon meenam toen hij de confrontatie zocht met zijn echtgenote op haar werk, hun zoon getuige is geweest van zowel lichamelijk als verbaal geweld en [appellant] zijn telefoon in het bijzijn van hun zoon heeft stukgegooid acht de Afdeling daarbij van belang. Ook heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat het belang van de echtgenote om niet te maken te krijgen met fysieke en geestelijke mishandeling prevaleerde boven het belang van [appellant] om in de woning te mogen verblijven.

    Het betoog van [appellant] dat de oplegging van het huisverbod geen effectief middel was, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Nu is vastgesteld dat de burgemeester bevoegd was om een huisverbod aan [appellant] op te leggen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, hoeft niet te worden nagegaan of het huisverbod achteraf effectief is gebleken.

2.5    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod aan [appellant] op te leggen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het betoog faalt.

Verlenging van het huisverbod

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de dreiging van het gevaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wth zich voortzette ten tijde van de verlenging van het huisverbod en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid tot verlenging van het huisverbod heeft kunnen overgaan.

3.1.    Artikel 9, eerste lid, van de Wth bepaalt dat de burgemeester een huisverbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3052), is bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

3.2.    [appellant] voert enkel gronden aan ter onderbouwing van het standpunt dat de burgemeester niet bevoegd was tot oplegging en verlenging van het huisverbod omdat er nooit dreiging was van gevaar voor zijn echtgenote of hun zoon. Geen van de gronden ziet op de afzonderlijke vraag of de verlenging van het huisverbod in het bijzonder niet mocht plaatsvinden omdat hij ten tijde van het besluit tot verlenging een reële aanvang met de hulpverlening had gemaakt. Overigens is ook de verlenging van het huisverbod blijkens de motivering van het besluit van 12 januari 2018, anders dan [appellant] betoogt, niet alleen gebaseerd op de verklaringen van de echtgenote maar ook op het moeizame en gespannen verloop van het systeemgesprek en het dringende advies tot verlenging van de zorgcoördinator. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om de rechtbank niet te volgen in het oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dreiging van het gevaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wth zich voortzette ten tijde van het besluit tot verlenging. Het betoog van [appellant] dat de belangen van hem en zijn zoon niet of onvoldoende zijn meegewogen, geeft geen aanleiding tot het oordeel dat de burgemeester in redelijkheid niet tot verlenging van het huisverbod heeft kunnen overgaan. Gezien het feit dat hij ten tijde van de verlenging van het huisverbod geen reële aanvang met de hulpverlening had gemaakt, het moeizame verloop van het systeemgesprek en het advies van de zorgcoördinator, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid tot verlenging van het huisverbod heeft kunnen overgaan. Het betoog faalt.

Opheffing van het huisverbod

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak van 19 januari 2018 ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het huisverbod op te heffen, nu er een behandelplan met een diagnose was met behulp waarvan hij zijn gedrag kon aanpassen teneinde de rust in zijn huishouden te laten terugkeren en te behouden. Uit de diagnose kan bovendien niet zonder meer geconcludeerd worden dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en hun zoon, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren ten tijde van de uitspraak die ertoe leidden dat de verlenging van het huisverbod niet in stand kon blijven. Er was wel een start gemaakt met de hulpverlening, maar er was nog geen concrete aanvang gemaakt nu er nog geen behandelplan was opgesteld. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien voor opheffing van het huisverbod.

4.2.    Uit artikel 6, tweede lid, van de Wth volgt dat de rechter, als het huisverbod nog geldt op de dag waarop hij uitspraak doet, dient te bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren.

4.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer haar uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2384), is ook in dit kader bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken. Uit de enkele stelling van [appellant] dat een diagnose is opgesteld met behulp waarvan hij zijn gedrag kon aanpassen, kan niet worden geconcludeerd dat dit het geval is. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het huisverbod niet langer mocht voortduren. Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding is ter zitting ingetrokken en behoeft derhalve geen bespreking.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019

176-898.