Uitspraak 201800486/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 9 januari 2019
Tegen: de bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2019:39

201800486/1/A3.
Datum uitspraak: 9 januari 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de bewaarder van het kadaster en de openbare registers,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 december 2017 in zaak nr. 17/2993 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de bewaarder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft de bewaarder de verschuldigdheid van een dwangsom aan [wederpartij] afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2017 heeft de bewaarder het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2017 vernietigd, het besluit van 17 mei 2017 herroepen en bepaald dat de bewaarder een dwangsom van € 160,00 aan [wederpartij] dient te voldoen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de bewaarder hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend, door hem aangeduid als voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

De bewaarder heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2018, waar de bewaarder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [wederpartij] heeft met zijn echtgenote op 31 oktober 2016 en 2 november 2016 een perceel geleverd en een perceel geleverd gekregen. Door de akten van levering in te schrijven heeft de bewaarder de Basisregistratie Kadaster (hierna: BRK) bijgewerkt. Van deze bijwerking heeft de bewaarder kennisgevingen verzonden aan zowel [wederpartij] als zijn echtgenote. Bij brief van 29 januari 2017 heeft [wederpartij] de bewaarder verzocht om hem de kennisgevingen van de bijwerking van de BRK toe te zenden, omdat hij geen kennisgevingen had ontvangen. Bij brief van 26 maart 2017 heeft hij dit verzoek herhaald en heeft [wederpartij] de bewaarder een termijn van twee weken gegeven. Uit onderzoek van de bewaarder is gebleken dat de kennisgevingen gericht aan [wederpartij] naar een onjuist adres waren verzonden. Daarom heeft de bewaarder op 13 april 2017 de kennisgevingen opnieuw toegezonden aan [wederpartij]. Vervolgens heeft [wederpartij] bij brief van 18 april 2017 de bewaarder verzocht hem een dwangsom te voldoen van € 160,00 omdat de bewaarder de kennisgevingen vier dagen te laat heeft verzonden. De bewaarder heeft de verschuldigdheid van de dwangsom afgewezen omdat de kennisgeving van de bijwerking van de BRK volgens hem geen besluit is.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de bijwerking van de BRK een besluit is. Het verzoek om de kennisgevingen van de bijwerkingen van de BRK toe te zenden is een verzoek om bekendmaking van het besluit. Omdat de kennisgevingen bepalend zijn voor de dag waarop de bezwaartermijn aanvangt, zijn de kennisgevingen aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Omdat de bewaarder vier dagen te laat heeft besloten op het verzoek van [wederpartij], is hij een dwangsom van € 160,00 verschuldigd, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

4.     De bewaarder betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kennisgeving van een bijwerking van de BRK een besluit is zodat hij, ook al zou hij te laat hebben besloten op het verzoek van [wederpartij], geen dwangsom verschuldigd is. De bijwerking van de BRK is op zichzelf een besluit, zo volgt ook uit artikel 56b, eerste lid, van de Kadasterwet. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 9 april 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:2301) echter overwogen dat met de kennisgeving uitsluitend het resultaat van de bijhouding van de kadastrale registratie bekend wordt gemaakt en dat de kennisgeving geen besluit is. De Afdeling heeft bij uitspraak van 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:752) de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd, aldus de bewaarder. De kennisgeving is volgens de bewaarder enkel van belang voor de dag waarop de bezwaartermijn aanvangt. De wet dwangsom is dus in dit geval niet van toepassing, omdat een dwangsom alleen kan worden toegekend indien te laat wordt besloten op een aanvraag tot het nemen van een beschikking.

Beoordeling hoger beroep

5.    Indien een akte van levering wordt ingeschreven in de registers, moet de bewaarder op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kadasterwet, de BRK bijhouden. Die bijhouding heeft te gelden als een besluit op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zo volgt ook uit artikel 56a, eerste lid, van de Kadasterwet. Omdat op grond van dit artikel artikel 3:40 van de Awb niet van toepassing is op besluiten inzake de bijwerking, treden de rechtsgevolgen van de bijwerking onmiddellijk daarna in. De bewaarder dient vervolgens op grond van artikel 58, eerste lid, van de Kadasterwet het resultaat van die bijhouding aan belanghebbenden bekend te maken. De bekendmaking van het resultaat van de bijhouding door middel van een kennisgeving is een feitelijke mededeling dat de bewaarder de BRK heeft bijgehouden. De kennisgeving is alleen van belang om de dag te bepalen waarop de termijn om bezwaar te maken tegen de bijhouding aanvangt. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de kennisgeving van een bijwerking van de BRK een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

    Omdat de verzoeken van [wederpartij] om hem alsnog kennisgevingen toe te zenden geen aanvragen zijn om een beschikking te nemen, is de bewaarder, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen dwangsom verschuldigd op grond van artikel 4:17 van de Awb.

    Het betoog slaagt.

5.1.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Het door [wederpartij] als incidenteel hoger beroep aangeduide stuk

6.    In het door [wederpartij] ingediende nadere stuk van 19 februari 2018, dat hij aanduidt als incidenteel hogerberoepschrift, betoogt hij dat hij door de bewaarder in de bezwaarfase gehoord had moeten worden. [wederpartij] verzoekt de Afdeling daarom de bewaarder wegens schending van de hoorplicht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep en tot vergoeding van het door de rechtbank geheven griffierecht.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:681, is voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, niet beslissend dat uitdrukkelijk gesteld is dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Aldus wordt de processuele positie van de verwerende partij in hoger beroep versterkt, in die zin dat deze een tegenaanvalswapen in handen krijgt, en is het instellen van principaal hoger beroep niet meer zonder risico, nu de appellerende partij er door de tegenaanval van de wederpartij ook op achteruit kan gaan. Met het instellen van incidenteel hoger beroep beoogt de incidenteel appellant te bewerkstelligen dat hij in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij na de uitspraak van de rechtbank verkeerde.

    De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 8 juni 2017 vernietigd, het besluit van 17 mei 2017 herroepen en bepaald dat de bewaarder een dwangsom van € 160,00 aan [wederpartij] dient te voldoen. Hierdoor is het niet mogelijk dat [wederpartij] door het instellen van incidenteel hoger beroep in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het stuk van 19 februari 2018 geen incidenteel hogerberoepschrift is als bedoeld in artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. Omdat het hoger beroep van de bewaarder gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dienen echter nog wel de beroepsgronden van [wederpartij] te worden beoordeeld, voor zover die nog bespreking behoeven.

Beroep

7.    [wederpartij] betoogt dat de bewaarder ten onrechte ervoor heeft gekozen hem niet te horen. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure, zo volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 1996 (JB 1996/190). De aanvraag om een kennisgeving toe te sturen is zijns inziens een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Omdat de bewaarder te laat heeft besloten op zijn aanvraag, is hij een dwangsom verschuldigd. Doordat de bewaarder hem niet heeft gehoord, is hem de mogelijkheid ontnomen om die stelling nader toe te lichten, aldus [wederpartij].

7.1.    In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De bewaarder heeft bij zijn besluit van 8 juni 2017 het standpunt ingenomen dat het karakter van de kennisgeving slechts feitelijk van aard is, zodat geen dwangsom verschuldigd was. De Afdeling komt tot hetzelfde oordeel. Uit de wet vloeit voort dat geen ander oordeel mogelijk was. De bewaarder heeft daarom ervan mogen afzien [wederpartij] te horen. Het bezwaarschrift is terecht kennelijk ongegrond verklaard.

    Het betoog faalt.

7.2.    De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 8 juni 2017 van de bewaarder alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 december 2017 in zaak nr. 17/2993;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Klein
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019

176-857.


BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[…]

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

[…]

Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

[…]

Artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

[…]

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

[…]

Kadasterwet

Artikel 53

Bijwerking vindt plaats als bijhouding dan wel als vernieuwing.

Artikel 54

1. Bijhouding vindt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op grond van:

a. veranderingen blijkens in de openbare registers ingeschreven stukken, voorzover die betrekking hebben op onroerende zaken en rechten waaraan die zaken zijn onderworpen;

[…]

Artikel 56a

1. Op beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens hoofdstuk 4 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

[…]

Artikel 56b

1. Tenzij het betreft een beschikking als bedoeld in artikel 71, 72 of 78, eerste lid, kan een belanghebbende bezwaar maken tegen een beschikking inzake de bijwerking, vastgesteld krachtens hoofdstuk 4, nadat die bijwerking is voltooid.

[…]

Artikel 58

1. Ingeval de bijhouding waartoe een ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een gehandhaafd perceel dan wel een nieuw gevormd perceel is voltooid en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in de basisregistratie kadaster vermeld staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale aanduiding dan wel de grootte van de onroerende zaak waarop het ingeschreven feit betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding aan belanghebbenden door toezending of uitreiking bekendgemaakt.

[…]