Uitspraak 201710136/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 9 januari 2019
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2019:38

201710136/1/A1.
Datum uitspraak: 9 januari 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Rederij Lovers B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: Lovers),
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2017 in zaak nr. 16/6185 in het geding tussen:

Lovers

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 21 december 2015 heeft het college geweigerd aan Lovers omgevingsvergunningen te verlenen voor de bouw van twee portakabins en overige bouwwerken ter hoogte van het perceel Prins Hendrikkade 20B te Amsterdam en voor de bouw van de werkboot "Koningin Juliana" gelegen in het Open Havenfront aan de Prins Hendrikkade nabij brug 387 te Amsterdam.

Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft het college de door Lovers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het door Lovers daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2016 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, met uitzondering van het gedeelte van dat besluit dat ziet op een brochurehouder. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Lovers hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 4 april 2018 heeft het college opnieuw geweigerd aan Lovers omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van de brochurehouder.

Lovers en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2018, waar Lovers, vertegenwoordigd door mr. L.W. Tellegen en mr. A.I. Tsheichvili, beiden advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. van der Keur, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Lovers exploiteert een rederij in rondvaartboten die is gevestigd aan het Open Havenfront ter hoogte van de Prins Hendrikkade 20B te Amsterdam. Op de Prins Hendrikkade staan ten behoeve van de rederij enkele bouwwerken, die zonder daartoe strekkende omgevingsvergunning zijn gebouwd. Aan de kade ligt een werkboot waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend. Lovers heeft op 21 augustus 2015 twee aanvragen om omgevingsvergunning gedaan voor bouwen. Een aanvraag heeft betrekking op het bouwen van de werkboot door deze permanent afgemeerd te hebben, de andere aanvraag heeft betrekking op de bouwwerken op de kade.

    Het college heeft beide vergunningen geweigerd. Het college meent dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan en met redelijke eisen van welstand.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag voor de bouwwerken gesplitst diende te worden en de verschillende bouwwerken individueel moesten worden beoordeeld, en heeft om die reden het besluit op het bezwaar vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van die vernietiging grotendeels in stand gelaten, omdat het college de aanvragen wel terecht heeft afgewezen. Het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op een brochurehouder moest volgens de rechtbank door het college opnieuw worden beoordeeld.

    Het college heeft hierna de omgevingsvergunning voor de brochurehouder opnieuw geweigerd vanwege strijd met het bestemmingplan en de redelijke eisen van welstand.

3.    Thans is nog in geschil of voor twee portakabins, een aantal roestvaststalen hekken, opslagkasten en vlaggenmasten, de werkboot, en de brochurehouder vergunning moet worden verleend.

Wijziging van de aanvraag?

4.    Lovers heeft ter gelegenheid van de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften te kennen gegeven dat zij de aanvraag zodanig wenste te wijzigen, dat die niet langer betrekking zou hebben op het bouwen van het gehele hekwerk, maar alleen op het bouwen van de palen, exclusief de horizontale delen.

    De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het college wat betreft het hek de aanvraag van 21 augustus 2015 diende te beoordelen, waarin het hele hek was opgenomen. Lovers betoogt dat de rechtbank hiermee miskent dat het weglaten van een deel van het bouwwerk in de aanvraag een wijziging van ondergeschikte aard is zodat bij het besluit op bezwaar had moeten worden beoordeeld of voor het bouwen van alleen de palen van het hek een vergunning kon worden verleend.

4.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. In dit geval is de wijziging dat niet. Door de horizontale delen van het hek weg te nemen, blijft slechts een rij verticale palen over. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft een rij palen een andere ruimtelijke uitstraling dan het oorspronkelijk aangevraagde hekwerk met horizontale verbindingsdelen. Een rij palen zonder horizontale verbindingsdelen is geen hekwerk meer te noemen. Lovers kon daarom het bouwplan niet wijzigen zonder een nieuwe aanvraag te doen.

    Het college en de rechtbank zijn wat het hek betreft dan ook terecht uitgegaan van de oorspronkelijke aanvraag van 21 augustus 2015, en niet van de door Lovers gewenste wijziging.

    Het betoog faalt.

Welstand: portakabins, vlaggenmasten en werkboot

5.    Het college heeft de aanvragen om vergunning afgewezen onder verwijzing naar adviezen van de welstandscommissie van 21 oktober 2015, die inhouden dat een aantal van de bouwwerken die in de aanvraag zijn opgenomen niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. In de bezwaarprocedure zijn nadere welstandsadviezen uitgebracht over de werkboot, de portakabins en de vlaggenmasten. In deze adviezen is eveneens geconcludeerd dat met deze bouwwerken niet aan redelijke eisen van welstand wordt voldaan.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het college zich niet op deze welstandsadviezen heeft kunnen baseren.

5.1.    Lovers betoogt dat de rechtbank eraan voorbijgaat dat de adviezen niet voldoende onderbouwd zijn, omdat niet duidelijk is waarom de bouwwerken niet zouden voldoen aan redelijke eisen van welstand en omdat in de adviezen wordt verwezen naar een voorgenomen stedelijke ontwikkeling, terwijl daarvoor volgens Lovers geen ruimte is in het kader van de welstandsbeoordeling. Lovers stelt zich op het standpunt dat de bouwwerken op de kade passen in de omgeving en, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, dat het welstandsadvies een ongerechtvaardigde belemmering van de bouwmogelijkheden oplevert.

    Wat betreft de werkboot voert Lovers aan dat het college bij het verlenen van de ligplaatsvergunning voor deze boot al positief heeft geoordeeld over de welstand. Zij stelt dat zij aan deze beoordeling het vertrouwen mocht ontlenen dat bij de omgevingsvergunning niet anders zou worden geoordeeld.

5.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952) mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

5.3.    Lovers heeft geen advies van een deskundige overgelegd en niet gemotiveerd aangevoerd dat de welstandsadviezen in strijd zijn met de criteria zoals die zijn genoemd in de welstandsnota. De enkele stelling dat zij het met de beoordeling van de bouwwerken zoals opgenomen in de adviezen oneens is, is niet voldoende voor het oordeel dat de adviezen ondeugdelijk zijn.

    Voor zover Lovers betoogt dat de adviezen zodanige gebreken vertonen dat het college de adviezen niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen, overweegt de Afdeling het volgende. In de twee nadere welstandsadviezen van 16 maart 2016 staat dat de aangevraagde bouwwerken niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze conclusie is onderbouwd aan de hand van de in hoofdstuk 3 van de welstandsnota "De Schoonheid van Amsterdam 2013" genoemde "algemene criteria", waarin onder meer staat dat de bouwwerken een positieve bijdrage aan de omgeving zouden moeten leveren, bijvoorbeeld door het materiaalgebruik en de kleur. In datzelfde hoofdstuk van de welstandsnota staat dat de bouwwerken in de toekomstige ontwikkeling van het gebied moeten passen. Anders dan Lovers betoogt, mag aan dit laatste criterium worden getoetst op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet.

    De portakabins, vlaggenmasten en de werkboot leveren volgens de adviezen geen positieve bijdrage aan de omgeving en passen niet in de toekomstige ontwikkeling van het gebied. Niet valt in te zien dat uit de welstandsadviezen niet duidelijk wordt waarom de bouwwerken niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

    Wat betreft het standpunt van Lovers dat het welstandsadvies in de weg staat aan de bouwmogelijkheden aan de Prins Hendrikkade, overweegt de Afdeling dat haar uitspraak van 19 april 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW2245), waarnaar Lovers verwijst, een welstandsadvies betrof waarin een negatief oordeel werd gegeven over door het bestemmingsplan uitdrukkelijk toegestane aspecten van bouwwerken. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Er is ook geen aanwijzing dat de welstandsbeoordeling elke vorm van bouwen aan de Prins Hendrikkade onmogelijk zou maken.

5.4.    Voor zover tot slot wordt aangevoerd dat het college de welstand van de werkboot al heeft beoordeeld bij verlening van de ligplaatsvergunning, overweegt de Afdeling het volgende. In het besluit van 18 december 2015 om de ligplaatsvergunning te verlenen wordt niets gezegd over een toets aan redelijke eisen van welstand. Dit besluit bevat dan ook geen concrete informatie waaraan Lovers enig vertrouwen kon ontlenen dat de welstandstoets bij de omgevingsvergunning positief zou uitvallen, nog daargelaten de vraag of aan een expliciete positieve beoordeling van de welstand in het kader van een ligplaatsvergunning gerechtvaardigd vertrouwen op een gelijkluidende beoordeling in het kader van een omgevingsvergunning kan worden ontleend.

5.5.    Gelet op het voorgaande mocht het college de welstandsadviezen zonder meer overnemen in zijn besluit van 15 augustus 2016. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de aanvragen voor de portakabins, vlaggenmasten en de werkboot op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo mocht afwijzen omdat deze bouwwerken in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

    Het betoog faalt.

6.    Reeds gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college de omgevingsvergunningen voor de portakabins, vlaggenmasten en de werkboot kon weigeren op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. Daarom kan in het midden blijven of die vergunningen ook om andere redenen, zoals strijd met het bestemmingsplan, kunnen worden geweigerd.

Bestemmingsplan: opslagkasten en hekwerk

7.    Het college heeft de aanvragen van Lovers om omgevingsvergunning voor opslagkasten, een hekwerk op de kade en hekken op de entreeplanken, in eerste instantie afgewezen vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies zag echter niet op de opslagkasten en hekken. Bij het besluit op bezwaar van 15 augustus 2016 heeft het college aan zijn weigering ten grondslag gelegd dat de opslagkasten en hekken in strijd zijn met het op dat moment geldende bestemmingsplan. De rechtbank heeft geoordeeld dat dat juist is.

7.1.    Lovers wijst erop dat het bestemmingsplan "Prins Hendrikkade tussen Droogbak en Oudezijds Kolk" op 6 maart 2016 van kracht is geworden. Op het moment dat Lovers de aanvragen om omgevingsvergunning deed gold ter plaatse geen bestemmingsplan. Om die reden konden de aangevraagde bouwwerken op het moment van aanvraag volgens Lovers niet in strijd zijn met enig bestemmingsplan en mocht de aanvraag daarom ook bij het besluit op bezwaar van 15 augustus 2016 niet worden getoetst aan het inmiddels van kracht geworden bestemmingsplan.

Hierbij is volgens Lovers, zo begrijpt de Afdeling het betoog, van belang dat de verplichting om de vergunningaanvragen aan te houden omdat de locatie was aangewezen als beschermd stadsgezicht niet meer gold, gelet op de sinds deze aanwijzing verstreken termijn en omdat het nadien vastgestelde bestemmingsplan niet een bescherming van het stadsgezicht inhoudt.

7.2.    Bij de heroverweging in bezwaar geldt als hoofdregel dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om een uitzondering op dit uitgangspunt te maken. In dit geval bestaat daarvoor geen aanleiding. Aangezien het gebied binnen de Singelgracht van Amsterdam in 1999 is aangemerkt als beschermd stadsgezicht had het college, indien geen weigeringsgrond van toepassing was, op grond van artikel 3.3, vierde lid, van de Wabo de aanvraag moeten aanhouden totdat het nieuwe bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde lid in werking was getreden. De aanvraag zou vervolgens aan dat nieuwe bestemmingsplan moeten worden getoetst.

    In de Wabo is niet geregeld dat deze aanhoudingsplicht als gevolg van de aanwijzing als beschermd stadsgezicht vervalt door tijdsverloop. Ook voor het overige ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, zoals Lovers betoogt, de aanhoudingsplicht is vervallen. In dit verband merkt de Afdeling op dat, anders dan Lovers stelt, het nadien vastgestelde bestemmingsplan "Prins Hendrikkade tussen Droogbak en Oudezijds Kolk" dient ter bescherming van het beschermde stadsgezicht, reeds nu in het bestemmingsplan een aanduiding "Waarde - Cultuurhistorie" is opgenomen. Ingevolge artikel 10, onder 10.1, van het bestemmingsplan zijn gronden met deze aanduiding bestemd voor het behoud, herstel en versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden. Deze bestemming rust ook op de locatie van Lovers.

    Gezien het voorgaande zou het college bij de primaire besluiten, indien het niet had besloten tot een weigering vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand, de beslissing op de aanvragen moeten aanhouden totdat het inmiddels geldende bestemmingsplan in werking was getreden. Ook in die fase zou uiteindelijk zijn uitgekomen op een toetsing aan het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan.

    Gelet daarop is er geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om bij het besluit op bezwaar niet aan het op dat moment in werking getreden bestemmingsplan te toetsen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

8.    Lovers stelt zich op het standpunt dat de bouwwerken vergund kunnen worden, gezien de regels van en toelichting bij het bestemmingsplan.

9.    Lovers betoogt dat uit het bestemmingsplan volgt dat het college een omgevingsvergunning dient te verlenen voor het bouwen van de bouwwerken. Daartoe wijst zij ten eerste op de plantoelichting, waarin volgens haar staat dat de feitelijk bestaande situatie geheel wordt bevestigd en dus toegestaan. Ten tweede stelt Lovers dat de bouwwerken worden beschermd door het in de planregels opgenomen overgangsrecht.

9.1.    Dit betoog treft geen doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682) zijn de op de plankaart aangeduide bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een project in strijd is met het bestemmingsplan. De toelichting bij het bestemmingsplan is niet bindend, maar kan wel inzicht geven over de bedoeling van de planwetgever indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften onduidelijk zijn. In de plankaart en de planregels van het bestemmingsplan "Prins Hendrikkade tussen Droogbak en Oudezijds Kolk" wordt niet bepaald dat de feitelijk bestaande situatie in haar volledigheid wordt overgenomen, ook voor zover dit zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken betreft. Bij gebrek aan een dergelijke bepaling in de planregels kan een zodanige regeling niet door de plantoelichting in het leven worden geroepen.

    Het overgangsrecht, dat wel in de planregels is opgenomen, biedt evenmin de door Lovers gewenste bescherming. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen ziet artikel 19, lid 19.1 van de regels bij het bestemmingsplan slechts op een gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken en op een gehele vernieuwing of verandering na calamiteiten. De door Lovers gedane aanvraag betreft een eerste bouwactiviteit, niet een vernieuwing of verandering.

    Het betoog faalt.

10.    Lovers betoogt dat de aanvraag voor omgevingsvergunning voor de opslagkasten op de kade ten onrechte is afgewezen vanwege strijd met het bestemmingsplan. Op de kade rust de bestemming "Verkeer-1", waar op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels onder meer zijn toegestaan "ondergrondse verkeersruimten en ondergrondse ruimten voor opslag en andere ondersteunende voorzieningen voor de recreatieve bedrijfsvaart, inclusief boven- en ondergrondse in-, uit- en verbindingsgangen". De opslagkasten, die onder meer worden gebruikt voor opslag van bedrijfsafval, zijn volgens Lovers ondersteunende voorzieningen die ten dienste van de recreatieve bedrijfsvaart staan.

10.1.    Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, berust het betoog van Lovers op een onjuiste lezing van de planregels. De zinsnede "ondergrondse ruimten voor opslag en andere ondersteunende voorzieningen" in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels, dient zo te worden begrepen dat gronden met de bestemming "Verkeer-1" onder meer zijn bestemd voor ondergrondse ruimten die zijn bedoeld zowel voor opslag als voor andere ondersteunende voorzieningen. Aangezien de opslagkasten (en andere voorzieningen) waarvoor Lovers omgevingsvergunning heeft aangevraagd niet ondergronds zijn, maar op de kade staan, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat deze opslagkasten in strijd zijn met de bestemming.

    Het betoog faalt.

11.    Verder betoogt Lovers dat het door haar gewenste hek op de kade niet in strijd is met de bestemming "Verkeer-1". Volgens Lovers dient dit hek ter bescherming van de voetgangers, waaronder begrepen de passagiers, die zich op de kade ophouden. Het hek moet daarom volgens haar worden gezien als een "overige voorziening" ten behoeve van de bestemming, die op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder m, van de planregels op de kade is toegestaan.

11.1.    Hoewel een hekwerk in beginsel ten dienste van een verkeersbestemming zou kunnen staan, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat dit hier niet het geval is. Zoals Lovers ter zitting heeft toegelicht staat het hek op zodanige afstand van de waterkant, dat voetgangers ongehinderd tussen het hek en de waterkant kunnen lopen. Gezien die omstandigheid valt niet in te zien dat het hekwerk is bedoeld om voetgangers tegen een val in het water te beschermen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het hekwerk louter is geplaatst ter regulering van de wachtrij voor de rondvaartboten. Dit gebruik is op gronden met de bestemming "Verkeer-1" niet toegestaan, zodat het college terecht heeft geoordeeld dat de aanvraag voor dit hek in strijd is met het bestemmingsplan.

     Het betoog faalt.

12.    Lovers betoogt dat haar aanvraag voor omgevingsvergunning voor de hekken op de met de kade verbonden entreeplanken niet had mogen worden geweigerd op grond van strijd met het bestemmingsplan. Ter plaatse van de entreeplanken is de bestemming "Water", waar op grond van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels in samenhang met lid 6.2, aanhef en onder c, een op- en afstapvoorziening toegestaan, met maximaal 25 afmeerpalen en 10 entreeplanken van maximaal 1.75 m². De planregels sluiten volgens Lovers niet uit dat deze entreeplanken worden voorzien van een hekwerk.

12.1.    De Afdeling overweegt als volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de planregels nauwkeurig bepalen wat onder een op- en afstapvoorziening, waaronder de daarbij behorende entreeplanken, wordt verstaan. Een hekwerk valt daar volgens de rechtbank niet onder.

    De planregels bepalen het maximaal toegestane aantal en de maximaal toegestane afmetingen van de entreeplanken, maar bieden geen uitputtende omschrijving van het uiterlijk en overige kernmerken van de entreeplanken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat veiligheidsvoorzieningen die gewenst en bovendien gangbaar zijn bij de ter plaatse toegestane op- en afstapvoorziening, zoals een hek, door omissie daarvan in de begripsomschrijving in de planregels zijn uitgesloten of, los van de begripsomschrijving, niet ten dienste zouden staan van de bestemming. De rechtbank heeft niet onderkend dat het hekwerk op de entreeplanken niet in strijd is met de bestemming "Water".

    Het betoog slaagt.

13.    Gezien het voorgaande kan de uitspraak van de rechtbank geen stand houden wat betreft het hekwerk op de entreeplanken.

Brochurehouder

14.    Bij besluit van 4 april 2018 heeft het college, beslissend op de bezwaren van Lovers, opnieuw geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een brochurehouder. Daarbij verwijst het college naar een advies van de welstandscommissie, als weergegeven in het besluit. In dat advies is geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

14.1.    Lovers betoogt dat het college ten onrechte weigert om de omgevingsvergunning voor de brochurehouder te verlenen onder verwijzing naar het advies van de welstandscommissie. Hiertoe voert zij aan dat in dat welstandsadvies niet voldoende is onderbouwd in welk opzicht de brochurehouder niet voldoet aan de criteria die zijn genoemd in de welstandsnota. Ook wordt in dit advies weer gerefereerd aan de voorgenomen ontwikkelingen van het gebied, terwijl die ontwikkelingen volgens Lovers niet in beschouwing mogen worden genomen.

14.2.    De Afdeling constateert dat het genoemde welstandsadvies met betrekking tot de brochurehouder onder verwijzing naar de welstandsnota "De Schoonheid van Amsterdam 2013" onderbouwd concludeert dat de brochurehouder een laagwaardige uitstraling heeft en geen positieve bijdrage levert aan de omgeving. Zoals eerder over vergelijkbare gronden van Lovers is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college het welstandsadvies ten grondslag mocht leggen aan zijn besluit van 4 april 2018 en vanwege de in dat advies geconstateerde strijd met redelijke eisen van welstand de omgevingsvergunning voor de brochurehouder mocht weigeren op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.

    Het betoog faalt.

Conclusie

15.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van 9 november 2017 dient te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 15 augustus 2016 in stand zijn gelaten, zij het slechts voor zover die rechtsgevolgen zien op het hekwerk op de entreeplanken. Dit betekent dat het college opnieuw zal moeten besluiten op het bezwaar van Lovers met betrekking tot het hekwerk op de entreeplanken.

16.    Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 23 maart 2018 is ongegrond. Dat besluit blijft in stand.

17.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2017 in zaak nr. 16/6185, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 augustus 2016 in stand zijn gelaten, voor zover die rechtsgevolgen zien op de aanvraag om omgevingsvergunning voor hekwerk op de entreeplanken;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2018 ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Rederij Lovers B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Rederij Lovers B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van der Zijpp
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019

262-860.