Uitspraak 201707909/1/A3

Datum van uitspraak: donderdag 27 december 2018
Tegen: de burgemeester van Hilvarenbeek
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:4279

201707909/1/A3.
Datum uitspraak: 27 december 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en anderen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 augustus 2017 in zaken nrs. 17/2246 en 17/2247 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

de burgemeester van Hilvarenbeek.

Procesverloop

Bij besluiten van 9 augustus 2017 heeft de burgemeester aan B2S B.V. een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van Decibel Outdoor.

Bij mondelinge uitspraak van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en Beekse Bergen Exploitatie B.V. hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2018, waar [appellant A] en de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek, beide vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Beekse Bergen Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Maas-Cooymans, advocaat te Rotterdam, en B2S B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.L. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het festival Decibel Outdoor vindt jaarlijks in augustus plaats op het terrein van de Beekse Bergen en duurt van vrijdag tot en met zondag. Hierbij worden in de buitenlucht door middel van geluidversterkende apparatuur hardcore en aanverwante muziekstijlen gedraaid. De burgemeester heeft een evenementenvergunning verleend voor het organiseren en houden van het festival Decibel Outdoor en voor het organiseren en houden van een weekendarrangement voor campinggasten, waarbij het geluidsniveau niet meer mag bedragen dan 75 db(A) en 95 db(C) op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gevels in de omgeving.

2.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij hinder van enige betekenis ondervinden en daardoor geen belanghebbenden zijn. Tijdens de editie in 2016 is een geluidsonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten in een meetverslag staan. [appellant A] en anderen voeren aan dat hieruit blijkt dat ter plaatse van de Stille Wille, waaraan [appellant A] woont, het geluid goed te horen is. Het geluid veroorzaakt hinder van enige betekenis. De andere appellanten wonen dichter bij het festivalterrein en het geluidsniveau is bij hen hoger, aldus [appellant A] en anderen.

2.1.    Artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

2.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3126), geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dient als correctie op dit uitgangspunt. Als gevolgen van enige betekenis ontbreken, wordt geen belanghebbendheid aangenomen. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

2.3.    [appellant A] woont op een afstand van ongeveer 7 km van het festivalterrein. De andere personen namens wie [appellant A] hoger beroep heeft ingesteld, zijn [appellant B], [appellant C] en [appellant D]. Zij wonen allen op een afstand van ongeveer 1,6 km van het festivalterrein.

    Bij [appellant A] is in 2016 op de zaterdag van het festival rond tien uur in de avond een geluidsmeting uitgevoerd. Uit het meetverslag blijkt dat toen een geluidsniveau is gemeten van 49 db(A) en 73,5 db(C) en hierbij de opmerking is genoteerd "muziek goed hoorbaar, dreun ook".

    In de buurt van de woning van [appellant C] en [appellant D] was een meetstation geplaatst waarmee gedurende het festival in 2016 het geluidsniveau werd gemeten. De muziek werd afgespeeld tot half twee in de nacht van vrijdag op zaterdag, tot drie uur in de nacht van zaterdag op zondag en tot half twaalf op zondag. In het besluit van 9 augustus 2017 zijn dezelfde eindtijden vergund. Uit de meetresultaten blijkt dat het gemeten geluidsniveau gemiddeld rond de 50 db(A) en 70 db(C) lag met enkele uitschieters naar de  60 db(A) en 80 db(C), ook gedurende de avond en nacht. In de buurt van de woning van [appellant B] is geen geluidsmeting uitgevoerd, maar omdat zij net zo ver van het festivalterrein woont, is aannemelijk dat het geluidsniveau bij haar vergelijkbaar is.

2.4.    Ter zitting heeft B2S B.V. betoogd dat het geluid van het festival bij [appellant C] en [appellant D] niet of nauwelijks boven het omgevingsgeluid uitkomt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft B2S B.V. gewezen op de kwaliteitsindicatie van het omgevingsgeluid zoals dat is vermeld op de website van het RIVM (www.geluid.rivm.nl). Hier staat dat het omgevingsgeluid ter hoogte van de woning van [appellant C] en [appellant D] 56-60 db(A) is. B2S B.V. heeft er op gewezen dat het achtergrondgeluid met name het gevolg zal zijn van de auto’s op de provinciale weg die in de buurt van de woning ligt. Zoals [appellant A] heeft aangevoerd, kan in redelijkheid worden aangenomen dat het geluid van de auto’s in de avonduren en in de weekenden, wanneer het festival plaatsvindt, aanmerkelijk minder zal zijn. Niet duidelijk is hoe dit is meegewogen in de kwaliteitsindicatie van het omgevingsgeluid. Op de website staat daarnaast dat de kwaliteitsindicatie niet kan worden gebruikt in het kader van normtoetsing en er geen rechten aan kunnen worden ontleend. B2S B.V. heeft geen andere gegevens overgelegd die haar betoog ondersteunen. Dit betoog kan daarom niet worden gevolgd.

2.5.    Gelet op de hoogte van het geluidsniveau en de tijden waarop de muziek wordt afgespeeld, is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat [appellant A] en anderen als gevolg van het festival gevolgen van enige betekenis ondervinden. Zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De rechtbank heeft het door

[appellant A] en anderen ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op grond van artikel 8:115 van de Awb de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld, omdat de rechtbank de zaak nog niet inhoudelijk heeft behandeld en er geen bezwaarprocedure heeft plaatsgevonden.

4.    De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep te worden veroordeeld. [appellant A] heeft verzocht om verletkosten ter hoogte van € 330,00. De Afdeling overweegt dat hij zijn verletkosten niet heeft onderbouwd met gegevens of bescheiden. De enkele stelling dat hij een halve dag niet aan andere opdrachten heeft kunnen werken en de vermelding van zijn uurloon is onvoldoende om de verletkosten aannemelijk te maken. De Afdeling stelt de verletkosten daarom vast tegen het minimumtarief van € 7,00 per uur voor een forfaitair aantal van zes uur.

    [appellant A] heeft ook verzocht om een reiskostenvergoeding. Hij heeft niet voldoende gemotiveerd dat gebruikmaking van het openbaar vervoer in het geheel niet mogelijk was. Vanwege de afstand van zijn woonadres naar het dichtstbijzijnde station zal de Afdeling voor deze reis de reiskosten vaststellen tegen een bedrag van € 0,28 per kilometer voor een afstand van 25 kilometer. Daarnaast krijgt hij een vergoeding voor een NS-retour, tweede klas, van station Oisterwijk naar station Den Haag Centraal. De Afdeling stelt deze vergoeding vast op € 35.

5.    Met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb, zal de Afdeling bepalen dat het in hoger beroep door [appellant A] en anderen betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State wordt terugbetaald. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 15 augustus 2017 in zaken nrs. 17/2246 en 17/2247;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de burgemeester van Hilvarenbeek tot vergoeding van bij [appellant A] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 84 (zegge: vierentachtig euro), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Klein
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018

176-851.