Uitspraak 201605532/2/V1

Datum van uitspraak: donderdag 27 december 2018
Tegen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Regulier
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:4275

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201605532/2/V1.
Datum uitspraak: 27 december 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[vreemdeling A] en [vreemdeling B],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 juni 2016 in zaak nr. 15/21524 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij verwijzingsuitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de gestelde vragen over de uitleg van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71). De Afdeling heeft bij deze uitspraak de behandeling van het hoger beroep geschorst tot het Hof uitspraak zal hebben gedaan en elke verdere behandeling aangehouden.

Voor het eerdere procesverloop wordt naar de verwijzingsuitspraak verwezen.

Bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:877 (hierna: het arrest), heeft het Hof voormelde vragen beantwoord.

De vreemdelingen en de staatssecretaris hebben ieder een schriftelijke zienswijze gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdelingen zijn, naar gesteld, de echtgenote en een minderjarige dochter, geboren op [geboortedatum], van referent. Referent is sinds 23 september 2014 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Hij heeft op 22 januari 2015 een aanvraag ingediend om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen.

    De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat deze niet is ingediend binnen de in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000 vermelde termijn van drie maanden (hierna: de driemaandentermijn).

    Het verzuim is volgens de vreemdelingen veroorzaakt doordat referent aanvankelijk, als gevolg van miscommunicatie, uit een gesprek met VluchtelingenWerk Nederland (hierna: VWN) had begrepen dat het geen zin had een aanvraag in te dienen en pas later heeft begrepen dat dit wel zin had. Volgens de staatssecretaris komt het voor risico van referent dat hij zich niet eerder nader heeft laten informeren over de mogelijkheden om een aanvraag in te dienen. Het verzuim is dan ook niet verschoonbaar, aldus de staatssecretaris.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Volgens de rechtbank had referent, die heeft verklaard dat hij wist dat hij de aanvraag binnen de driemaandentermijn moest indienen, zich vóór het verstrijken van de driemaandentermijn nader moeten laten informeren. Dat referent de hulp van VWN heeft ingeschakeld, ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich te laten informeren, zelf actie te ondernemen en tijdig een aanvraag in te dienen, aldus de rechtbank. Dat de staatssecretaris heeft aangekondigd de driemaandentermijn te willen verlengen naar zes maanden, maakt dit volgens de rechtbank niet anders omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft.

    Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, zelfs als de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is, de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de lidstaten als vereiste kunnen stellen dat een verzoek binnen de in artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn vermelde termijn van drie maanden is ingediend en dat de vreemdelingen een reguliere aanvraag om een mvv met het oog op gezinshereniging kunnen indienen om te laten beoordelen of zij voldoen aan de vereisten die in de standaardbepalingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn zijn gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 7 van het EU Handvest, omdat in de reguliere procedure een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM zal plaatsvinden.

    Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Grieven

3.    In de grieven bestrijden de vreemdelingen de onder 2. vermelde overwegingen van de rechtbank. Zij voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beoordeling van de verschoonbaarheid moet plaatsvinden in het kader van het doel en de ratio van de driemaandentermijn. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat referent wist dat hij de aanvraag binnen de driemaandentermijn moest indienen en zich binnen de driemaandentermijn nader had moeten laten inlichten. Hij had immers van VWN begrepen dat het geen zin had een aanvraag in te dienen, aldus de vreemdelingen.

    Voorts voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn vermelde termijn niet mag worden gehanteerd als uitsluitingsmiddel, dat de staatssecretaris het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel bij zijn beoordeling moet betrekken en dat hij, gelet op de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 7 van het Handvest, ook de belangen van het kind bij zijn beoordeling moet betrekken. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verwijzen naar de reguliere procedure voor het aanvragen van een mvv met het oog op gezinshereniging afbreuk doet aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn en aan het nuttig effect daarvan.

    Ten slotte voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is.

4.    De Gezinsherenigingsrichtlijn is van overeenkomstige toepassing op referent omdat zijn verblijfsvergunning hem subsidiaire bescherming biedt (zie de verwijzingsuitspraak, onder 13).

5.    Het Hof heeft, voor zover thans van belang, in het arrest overwogen:

    "46    Uit artikel 12, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2003/86 blijkt […] dat de wetgever van de Unie de lidstaten heeft toegestaan dat zij wat de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/86 betreft de gewone regeling toepassen in plaats van de voorkeursregeling die normaliter op vluchtelingen van toepassing is, wanneer het verzoek om gezinshereniging na het verstrijken van een bepaalde termijn na de toekenning van de vluchtelingenstatus is ingediend.

    47    Het staat de lidstaten dus vrij om, wanneer zij dit opportuun achten, de door vluchtelingen ingediende verzoeken om gezinshereniging niet op grond van de voorkeursregeling van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2003/86 te behandelen, maar op grond van de gewone regeling die op verzoeken om gezinshereniging van toepassing is, wanneer die verzoeken na het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 12,

        lid 1, derde alinea, van deze richtlijn zijn ingediend.

    48    Artikel 12, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2003/86 kan niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten op grond daarvan verplicht moeten oordelen dat de termijnoverschrijding, zonder dat daarvoor een geldige reden bestaat, bij de indiening van het verzoek om gezinshereniging op grond van de voorkeursregeling in artikel 12, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn slechts een factor is die naast andere in de totaalbeoordeling van de gegrondheid van dit verzoek moet worden betrokken en waarvoor andere overwegingen een tegenwicht kunnen vormen.

    49    Indien namelijk van die uitlegging zou worden uitgegaan, waarvoor geen steun is te vinden in de tekst van artikel 12 van genoemde richtlijn, zouden de doeltreffendheid en de duidelijkheid worden ontnomen aan de regel voor de afbakening van de respectieve werkingssferen van de regelingen voor door vluchtelingen ingediende verzoeken om gezinshereniging die de lidstaten op basis van de termijn in artikel 12, lid 1, derde alinea, van diezelfde richtlijn mogen invoeren.

    50    Daarnaast heeft de overschrijding van de termijn voor de indiening van een verzoek om gezinshereniging als bedoeld in artikel 12, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2003/86 geen directe gevolgen voor de toestemming tot binnenkomst of verblijf van de gezinsleden van de gezinshereniger, maar wordt op basis daarvan alleen het kader bepaald waarbinnen dat verzoek moet worden beoordeeld. Aangezien de beoordeling van de gegrondheid van een dergelijk verzoek in de praktijk alleen kan plaatsvinden nadat is bepaald welke regeling daarop van toepassing is, kunnen overwegingen betreffende de gegrondheid van dit verzoek geen tegenwicht vormen voor de overschrijding van die termijn.

    51    Artikel 5, lid 5, en artikel 17 van richtlijn 2003/86 kunnen geen reden tot een andere oplossing zijn.

    52    De beslissing van een lidstaat waarbij wordt geëist dat aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van die richtlijn wordt voldaan, belet niet dat vervolgens de gegrondheid van de gevraagde gezinshereniging zodanig wordt onderzocht dat overeenkomstig  artikel 5, lid 5, en artikel 17 van genoemde richtlijn terdege rekening wordt gehouden met het belang van het minderjarige kind, met de aard en de hechtheid van de gezinsbanden van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat alsmede met het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

    53    In die context zal de betrokken lidstaat kunnen voldoen aan het vereiste van een individuele behandeling van het verzoek om gezinshereniging dat uit artikel 17 van richtlijn 2003/86 voortvloeit (zie in die zin arrest van 9 juli 2015, K en A, C-153/14, EU:C:2015:453, punt 60), dat onder meer voorschrijft dat rekening worden gehouden met de specifieke aspecten van het feit dat de gezinshereniger een vluchteling is. Zoals in herinnering is gebracht in overweging 8 van deze richtlijn, vraagt de situatie van vluchtelingen daarom bijzondere aandacht, aangezien zij in hun land van herkomst geen normaal gezinsleven tegemoet kunnen zien, zij mogelijkerwijs gedurende lange tijd van hun gezin waren gescheiden voordat hun de vluchtelingenstatus werd toegekend en het voor hen moeilijker kan zijn om aan de inhoudelijke eisen van artikel 7, lid 1, van genoemde richtlijn te voldoen dan voor andere derdelanders.

    54    Uit een en ander volgt dat de uitlegging van artikel 12, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2003/86 die in punt 48 van het onderhavige arrest is uiteengezet, niet belet dat vóór de definitieve beslissing over de gevraagde gezinshereniging rekening wordt gehouden met alle factoren die in artikel 5, lid 5, en artikel 17 van deze richtlijn zijn genoemd.

    55    Dit in aanmerking nemend, heeft de wetgever van de Unie de lidstaten weliswaar toegestaan dat zij de naleving van de voorwaarden in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn eisen in het geval bedoeld in artikel 12, lid 1, derde alinea, maar heeft hij daarom nog niet bepaald hoe een te laat ingediend verzoek op grond van de voorkeursregeling in artikel 12, lid 1, eerste alinea, van genoemde richtlijn procedureel moet worden behandeld.

    56    Wanneer Unievoorschriften ter zake ontbreken, is het vaste rechtspraak van het Hof dat het op grond van het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten is om deze procedurevoorschriften vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die voorschriften niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 22 februari 2018, INEOS Köln, C 572/16, EU:C:2018:100, punt 42  en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    57    Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, zijn er geen aanwijzingen in het aan het Hof voorgelegde dossier en is in het kader van de onderhavige procedure ook geenszins gesteld dat soortgelijke binnenlandse situaties naar Nederlands recht anders worden behandeld.

    58    Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat bij het onderzoek van elk geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening moet worden gehouden met de plaats van dat voorschrift in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties, alsook met het verloop en de bijzonderheden van deze procedure (zie in die zin arrest van 22 februari 2018, INEOS Köln, C-572/16, EU:C:2018:100, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    59    In de onderhavige zaak is een nationale regeling op grond waarvan een ten behoeve van een gezinslid van een vluchteling ingediend verzoek om in aanmerking te komen voor gezinshereniging op basis van de gunstiger bepalingen van hoofdstuk V van richtlijn 2003/86, kan worden afgewezen op grond dat dit verzoek meer dan drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus aan de gezinshereniger is ingediend, waarbij tegelijk wel de mogelijkheid             wordt geboden een nieuw verzoek in te dienen in het kader van een andere regeling, niet als zodanig van dien aard dat de uitoefening van het door richtlijn 2003/86 verleende recht op gezinshereniging in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.

    60    De afwijzing van het verzoek om gezinshereniging dat is ingediend in het kader van een nationale regeling die is ingevoerd om uitvoering te geven aan artikel 12, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn, houdt immers niet in dat het recht op gezinshereniging niet gewaarborgd kan worden, aangezien de gezinshereniging in het kader van een andere regeling kan worden toegestaan, na de indiening van een daartoe strekkend verzoek.

    61    Hoewel de vertraging en de administratieve lasten die met de indiening van een nieuw verzoek samenhangen een zeker ongemak voor de betrokkene kunnen vormen, neemt dat niet weg dat dit ongemak niet van die omvang is dat dit in alle gevallen kan worden geacht in de praktijk te beletten dat hij zijn recht op gezinshereniging doeltreffend kan doen gelden.

    62    Dat zou echter anders zijn indien, om te beginnen, het eerste verzoek om gezinshereniging zou kunnen worden afgewezen in situaties waarin de te late indiening van dit verzoek op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

    63    Wanneer, vervolgens, een nationale regeling vluchtelingen ertoe verplicht hun rechten snel na de toekenning van de vluchtelingenstatus te doen gelden, op een moment waarop hun kennis van de taal en de procedures van de lidstaat mogelijkerwijs nog niet groot is, dienen de betrokkenen volledig te worden geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot afwijzing van hun eerste verzoek en de maatregelen die zij dienen te nemen om hun recht op gezinshereniging doeltreffend te kunnen doen gelden.

    64    Tot slot moet worden benadrukt dat artikel 12, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2003/86 het de lidstaten alleen toestaat om van artikel 12, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn af te wijken door van de vluchteling te eisen dat hij aan de voorwaarden van artikel 7,

        lid 1, van genoemde richtlijn voldoet.

    65    Op een vluchteling die zijn verzoek om gezinshereniging meer dan drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus heeft ingediend, dienen derhalve niettemin de op vluchtelingen toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 of artikel 12, lid 2, van diezelfde richtlijn te worden toegepast.

    66    Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2003/86 niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een ten behoeve van een gezinslid van een vluchteling ingediend verzoek om in aanmerking te komen voor gezinshereniging op basis van de gunstiger bepalingen van hoofdstuk V van deze richtlijn, kan worden afgewezen op grond dat dit verzoek meer dan drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus aan de gezinshereniger is ingediend, waarbij tegelijk wel de mogelijkheid wordt geboden een nieuw verzoek in te dienen in het kader van een andere regeling, op voorwaarde dat deze regeling:

        - erin voorziet dat een dergelijke weigeringsgrond niet kan worden gehanteerd in situaties waarin de te late indiening van het eerste verzoek op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is;

        - erin voorziet dat de betrokkenen volledig worden geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot afwijzing van hun eerste verzoek en de maatregelen die zij dienen te nemen om hun recht op gezinshereniging doeltreffend te doen gelden, en

        - waarborgt dat de als vluchteling erkende gezinsherenigers in aanmerking blijven komen voor de op vluchtelingen toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 of artikel 12, lid 2, van genoemde richtlijn."

Beoordeling grieven

6.    Uit de punten 55 tot en met 61 van het arrest volgt dat de procedurevoorschriften die gelden voor de behandeling van een te laat ingediende nareisaanvraag niet in strijd mogen zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

7.    De Afdeling heeft in de verwijzingsuitspraak (onder 2) toegelicht hoe naar Nederlands recht wordt beoordeeld of een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij heeft toegelicht dat de beoordeling van de verschoonbaarheid geen belangenafweging is maar inhoudt dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid kan worden toegerekend aan de betrokkene. In nareiszaken is dat de desbetreffende gezinshereniger of zijn gezinslid. Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen.    

    Deze manier van beoordelen van de verschoonbaarheid geldt ook voor andere termijnoverschrijdingen zoals de overschrijding van de termijn om bezwaar te maken tegen een weigering om een bouwvergunning te verlenen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8122, en overschrijding van de termijn om bezwaar te maken tegen de verlening van een vrijstelling en van een bouwvergunning (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2298). Omdat de wijze waarop wordt beoordeeld of een overschrijding van de driemaandentermijn verschoonbaar is, niet ongunstiger is dan de wijze waarop wordt beoordeeld of een overschrijding van een termijn in soortgelijke binnenlandse situaties verschoonbaar is, is voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel.

8.    Uit de punten 58 tot en met 61 van het arrest volgt dat de staatssecretaris de uitoefening van het recht op gezinshereniging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt door een aanvraag af te wijzen wegens onverschoonbare overschrijding van de driemaandentermijn.  Het is immers mogelijk een reguliere aanvraag in te dienen. Het indienen van zo'n nieuwe aanvraag leidt weliswaar tot vertraging en administratieve lasten maar dit ongemak is niet zo groot dat het in de praktijk in alle gevallen het recht op gezinshereniging in de weg staat. Hiermee is voldaan aan het doeltreffendheidsbeginsel.

9.    Verder volgt uit het arrest dat de staatssecretaris niet in strijd met de artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn handelt als hij een na de driemaandentermijn ingediende eerste aanvraag afwijst zonder een inhoudelijke beoordeling te maken, mits de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is en hij de desbetreffende vreemdelingen volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van zijn besluit en de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging. Een onverschoonbare overschrijding van de driemaandentermijn is niet slechts één van de factoren die de staatssecretaris bij zijn beoordeling moet betrekken maar de doorslaggevende factor voor de vraag welke regeling van toepassing is (punten 47 tot en met 50 en 62 en 63 van het arrest).

10.    Het arrest geeft geen aanleiding voor een andere conclusie over de verschoonbaarheid dan de conclusie die de Afdeling in de verwijzingsuitspraak (onder 21) al heeft getrokken op basis van het in die uitspraak (onder 2) geschetste toetsingskader.

    Zoals de Afdeling in de verwijzingsuitspraak heeft overwogen, is van belang dat referent als gevolg van miscommunicatie uit een gesprek met VWN had begrepen dat het geen zin had een aanvraag in te dienen en zich pas na het verstrijken van de driemaandentermijn nader heeft laten informeren over de mogelijkheden om een aanvraag te doen. De overschrijding van de driemaandentermijn is niet verschoonbaar omdat de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid kan worden toegerekend aan referent. Verder faalt het betoog van de vreemdelingen dat de beoordeling van de verschoonbaarheid moet plaatsvinden in het kader van het doel en de ratio van de driemaandentermijn omdat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid geen belangenafweging plaatsvindt.

11.    Gelet op de punten 62 en 63 van het arrest, moet de staatssecretaris de desbetreffende vreemdelingen volledig informeren over de gevolgen van zijn afwijzende besluit en de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging. Volgens de brief van 22 april 2013 van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 33 293, nr. 21) informeert de staatssecretaris vreemdelingen bij het verlenen van een verblijfsvergunning asiel over het nareisbeleid en is hiervoor een folder over het beleid beschikbaar, geschreven in de meest gangbare talen die asielzoekers spreken. Dit volstaat echter niet. De staatssecretaris moet volgens het Hof immers informatie geven over de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag en de na die afwijzing te nemen stappen. Dit betekent dat de staatssecretaris deze informatie uiterlijk moet geven op het moment dat hij de afwijzing in een besluit op bezwaar handhaaft. De staatssecretaris heeft in het besluit van 20 april 2015, waarin hij de aanvraag heeft afgewezen, en in het besluit van 8 november 2015, waarin hij de afwijzing heeft gehandhaafd, niets vermeld over de mogelijkheid om een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier aan te vragen.

    De Afdeling ziet echter aanleiding om dit gebrek krachtens artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de vreemdelingen niet zijn benadeeld doordat de staatssecretaris hen in het besluit van 8 november 2015 niet heeft gewezen op de mogelijkheid om een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De vreemdelingen waren ten tijde van het besluit van 8 november 2015 al op de hoogte van deze mogelijkheid. Zij hebben in bezwaar immers aangevoerd dat de gevolgen van het tegenwerpen van de driemaandentermijn voor hen onevenredig zijn omdat zij langdurig niet zullen kunnen voldoen aan de vereisten die in een reguliere procedure gelden.

12.    Volgens de punten 51 tot en met 54 van het arrest is de staatssecretaris bij een onverschoonbare termijnoverschrijding van een eerste aanvraag niet gehouden om rekening te houden met het belang van het minderjarige kind, de aard en de hechtheid van de gezinsbanden van de betrokken persoon en de duur van zijn verblijf in de lidstaat en met het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst. De staatssecretaris kan namelijk overeenkomstig artikel 5, vijfde lid, en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn hiermee rekening houden bij de beoordeling van de door de desbetreffende vreemdelingen in te dienen reguliere aanvraag, aldus het Hof.

    Gelet hierop, faalt het betoog dat de staatssecretaris, kort gezegd, in strijd heeft gehandeld met het Unierecht door de aanvraag af te wijzen wegens overschrijding van de driemaandentermijn en te verwijzen naar de reguliere procedure zonder een inhoudelijke beoordeling te maken en zonder rekening te houden met de belangen van het kind en de duur van zijn verblijf in de lidstaat alsmede met het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

13.    Uit punt 64 van het arrest volgt dat artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn toestaat dat de staatssecretaris eist dat een referent, van wie hij de eerste aanvraag wegens onverschoonbare termijnoverschrijding heeft afgewezen, in de reguliere procedure voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, gestelde vereisten. Volgens punt 65 van het arrest moet de staatssecretaris ervoor zorgen dat die referent in aanmerking blijft komen voor de op hem toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 of artikel 12, tweede lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

    Dit betekent dat de staatssecretaris, als de vreemdelingen een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier aanvragen, in de reguliere procedure invulling moet geven aan de artikelen 10 en 11 en artikel 12, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Of en hoe de staatssecretaris dit doet, staat echter niet ter beoordeling in deze nareisprocedure maar in de reguliere procedure. Met het oog hierop wijst de Afdeling erop dat staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht dat hij bij de behandeling van een reguliere aanvraag beoordeelt of hij de desbetreffende referent moet vrijstellen van de verplichting om stabiele en regelmatige inkomsten te hebben en de verplichting om leges te betalen (zie de verwijzingsuitspraak, onder 12 en 19).  

14.    Ten slotte faalt het betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van besluit van 20 april 2015 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan. De staatssecretaris heeft in dat besluit namelijk erop gewezen dat de driemaandentermijn onverschoonbaar is overschreden. De vreemdelingen hebben in bezwaar aangevoerd dat de staatssecretaris hun de termijnoverschrijding ten onrechte heeft toegerekend en dat hij, gelet op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling had moeten betrekken.

    De grieven falen.     

15.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

16.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.008,00 (zegge: vierduizend acht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. De Keizer
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018

716.