Uitspraak 201709433/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 5 december 2018
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3989

201709433/1/A1.
Datum uitspraak: 5 december 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,
2.    BPD Ontwikkeling B.V., gevestigd te Amersfoort,
3.    de Winkeliersvereniging Anklaar en anderen (bijlage 1), wonend en gevestigd te Apeldoorn,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 oktober 2017 in zaak nr. 16/7779 in het geding tussen:

     de Winkeliersvereniging Anklaar en anderen

en

     het college.
 
Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2016, gewijzigd bij besluit van 30 augustus 2016, heeft het college aan BPD Ontwikkeling B.V. (hierna: BPD) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een winkelcentrum met woningen en een ondergrondse parkeergarage (hierna: het project) op het perceel plaatselijk bekend als winkelcentrum Anklaar, hoek Sluisoordlaan/Laan van Zevenhuizen te Apeldoorn.

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college de door Winkeliersvereniging Anklaar en anderen (hierna: de Winkeliersvereniging en anderen) tegen de besluiten van 14 juni 2016 en 30 augustus 2016 gemaakte bezwaren voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard en die besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 20 oktober 2017 heeft de rechtbank het door de Winkeliersvereniging en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank tevens het bezwaar, voor zover ingediend door Blokker Holding B.V., niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak hebben het college en BPD hoger beroep ingesteld.

De Winkeliersvereniging en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven, alsmede incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en BPD hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en de Winkeliersvereniging en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 30 juni 2018 heeft het college opnieuw op de bezwaren van de Winkeliersvereniging en anderen besloten en het besluit van 14 juni 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 30 augustus 2016, opnieuw in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij brief van 24 juli 2018 hebben de Winkeliersvereniging en anderen daartegen beroep ingesteld.

Bij brief van 17 augustus 2018 heeft het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.M. van de Zedde, S. Martijn en ir. A.E.M. van de Reijt, BPD, vertegenwoordigd door mr. H.E. Ellerman, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigde], en de Winkeliersvereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Leijh en mr. D. Kist, advocaten te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De gemeente Apeldoorn is, in samenwerking met onder meer BPD, bezig met de herinrichting van een gebied in de wijk Anklaar, dat wordt omsloten door de Sluisoordlaan, de Laan van Zevenhuizen en de Aïdastraat. De herinrichting bestaat onder meer uit de vervanging van het voormalige winkelcentrum door een aantal gebouwen met winkelruimtes, woningen en een ondergrondse parkeergarage. Het totale project is opgedeeld in drie fasen. De omgevingsvergunningen voor de deelfasen 1 en 2 zijn inmiddels in rechte onaantastbaar.

    In de deelfasen 1 en 2 is volgens de gedingstukken voorzien in realisering van 38 woningen, 89 zorgwoningen, een gezondheidscentrum van 520,3 m² en een bijeenkomstruimte van 369 m². In deelfase 3 worden 60 appartementen en een ondergrondse parkeergarage gebouwd. De fasen 1, 2 en 3 tezamen omvatten voorts 14.100 m² aan nieuwe winkelruimte en horeca.

2.    In de thans aan de orde zijnde hoger beroepen ligt het besluit van 20 december 2016 ter beoordeling voor. Met de bij dit besluit gehandhaafde omgevingsvergunning wordt alleen realisering van deelfase 3 van het project mogelijk gemaakt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de omgevingsvergunning voor deelfase 3 in overeenstemming is met de eis dat in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van

20 december 2016 in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Apeldoorn (hierna: de bouwverordening). Zij heeft overwogen dat het college bij de beoordeling van de vraag of een bouwplan voldoet aan de eis in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, de Parkeernota 2004 en de daarin neergelegde kengetallen hanteert. Het bouwplan voldoet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet, omdat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte ten behoeve van het project het bestaande parkeertekort ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. De omstandigheid dat het project een totale herinrichting van het gebied inhoudt, staat aan deze verrekening in de weg, aldus de rechtbank.    

De hoger beroepen van het college en BPD

4.    Het college en BPD betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden, door te oordelen dat met het besluit moet worden voorzien in de parkeerbehoefte voor het totale project, zoals dat is opgedeeld in de deelfasen 1, 2 en 3. Dit besluit dient volgens het college en BPD alleen te voorzien in de parkeerbehoefte die samenhangt met realisering van de gebouwen die deel uitmaken van deelfase 3, te weten uitsluitend de deelfase die bij dit besluit is vergund.

    Verder heeft de rechtbank volgens het college en BPD ten onrechte geoordeeld dat bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein het bestaande tekort aan parkeerplaatsen niet buiten beschouwing mocht worden gelaten. De rechtbank heeft daarbij miskend dat het project niet voorziet in een totale herinrichting van het gebied, maar slechts in vervangende nieuwbouw. Daarom mocht volgens hen het bestaande tekort buiten beschouwing worden gelaten en is met de parkeergarage die onderdeel uitmaakt van deelfase 3 en die ruimte biedt aan 535 parkeerplaatsen, voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

4.1.    De rechtbank heeft de ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse terecht aangemerkt als een totale herinrichting van het gebied, en niet als vervangende nieuwbouw van het verouderde winkelcentrum ter plaatse. Daarbij is van belang dat de totale herontwikkeling is gericht op het ontstaan van een geheel nieuw centrumgebied voor het stadsdeel Anklaar, waarbij een groot deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt en er in plaats daarvan een nieuw, substantieel groter winkelcentrum en eerder niet aanwezige (zorg)woningen worden gecreëerd. Daarnaast is onder meer in een centraal marktplein voorzien dat in de plaats komt van een bestaand parkeerterrein, wordt in ieder geval een bestaande straat aangepast en is verder onder meer voorzien in een multifunctioneel wijkcentrum.

    Het college en BPD betogen dat de rechtbank bij de beoordeling of al dan niet sprake is van vervangende nieuwbouw, slechts de realisering van deelfase 3 in aanmerking had mogen nemen, waarbij het winkelcentrum niet groter wordt dan het bestaande. De Afdeling volgt hen daarin niet. Het onderverdelen van het totale, samenhangende herinrichtingsproject in deelfasen, laat onverlet dat sprake is van een totale herinrichting van het gebied. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze omstandigheid eraan in de weg staat dat een bestaand tekort aan parkeerplaatsen in het gebied, wat daarvan zij, wordt verrekend met het te realiseren aantal parkeerplaatsen dat volgens de relevante regelgeving voor het project benodigd is.

    Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van de aanvraag die thans aan de orde is alleen dient te worden gerekend met de parkeerbehoefte als gevolg van de bebouwing in deelfase 3, slaagt gelet op het voorgaande evenmin. Daarbij is verder van belang dat, zoals uit de gedingstukken blijkt, er bij de realisering van de deelfasen 1 en 2, ook door het college zelf reeds rekening mee is gehouden dat in de benodigde parkeerbehoefte voor die deelfasen, in ieder geval voor het vloeroppervlak van de winkels, bij de omgevingsvergunning voor deelfase 3 zou worden voorzien. Dit is vermeld in het rapport "Verkeer- en parkeersituatie winkelcentrum Anklaar" van Royal Haskoning van 28 oktober 2016, alsmede in het rapport "Winkelcentrum Anklaar, Analyse Parkeerbalans" van Sweco Nederland B.V. van 13 september 2016. De berekeningen van het college in de parkeerbalansen behorend bij het besluit van 14 juni 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 30 augustus 2016, zijn daarmee in overeenstemming, zoals het college ook zelf in het hoger beroepschrift vermeldt. Ook in het besluit van 20 december 2016 is uitgangspunt dat in deelfase 3 de parkeerbehoefte ten behoeve van het totale winkelvloeroppervlak van de deelfasen 1, 2 en 3 tezamen, dient te worden gerealiseerd.

    De rechtbank is er dus terecht vanuit gegaan dat niet slechts met de parkeerbehoefte voortvloeiend uit deelfase 3 moet worden gerekend. De rechtbank is met dit oordeel ook niet buiten de omvang van het geding getreden, reeds omdat de beroepsgronden met betrekking tot de parkeerproblematiek de kern van dit geschil vormen. Zij heeft daarom terecht beoordeeld of het besluit op dit punt rechtmatig is en heeft daarbij alle daarvoor relevante informatie die zich in het dossier bevindt kunnen betrekken.

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van de hoger beroepen van het college en BPD    

5.    De hoger beroepen zijn ongegrond.

Het incidenteel hoger beroep van de Winkeliersvereniging en anderen

Ontvankelijkheid in bezwaar

6.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bezwaren van de Federatie Apeldoornse Ondernemers (hierna: FAO) en [appellant sub 3A] terecht, en die van [appellant sub 3B], [appellant sub 3C] en [appellant sub 3D], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de eerstgenoemden niet, en de laatstgenoemden wel als belanghebbenden bij de primaire besluiten kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college het bezwaar van Blokker Holding B.V. ten onrechte ontvankelijk heeft geacht omdat Blokker Holding B.V. geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit. Zij heeft daarom in zoverre zelf voorzien in de zaak en het bezwaar voor zover ingediend door Blokker Holding B.V. niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat buiten twijfel is dat de belangen van de overige eisers in beroep rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken, zodat het college hun bezwaren terecht ontvankelijk heeft geacht.

    Blijkens het incidenteel hoger beroepschrift van de Winkeliersvereniging en anderen, behoren de FAO, [appellant sub 3A] en Blokker Holding B.V. tot de partijen die incidenteel hoger beroep hebben ingesteld. In het hoger beroepschrift worden echter geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de niet-ontvankelijkheid van hun bezwaren. Het hoger beroep voor zover ingesteld door de FAO, [appellant sub 3A] en Blokker Holding B.V. is reeds daarom ongegrond. Voor zover hierna over de Winkeliersvereniging en anderen wordt gesproken, betreft dit de Winkeliersvereniging en anderen, zoals deze volgens de brief van 13 februari 2018 incidenteel hoger beroep hebben ingesteld en zoals vermeld op bijlage 1 bij deze uitspraak, met uitzondering van de FAO, [appellant sub 3A] en Blokker Holding B.V..

De gronden van het incidenteel hoger beroep

7.    De Winkeliersvereniging en anderen betogen dat de rechtbank in rechtsoverweging 12.2 van de aangevallen uitspraak, bij het aantal van minimaal 673 parkeerplaatsen dat daar wordt genoemd, ten onrechte zonder motivering aansluiting heeft gezocht bij de door het college in het geding gebrachte parkeerbalans. Zij wijzen erop dat zij gedurende de procedure verschillende rapporten van Royal Haskoning DHV in het geding hebben gebracht in reactie op de genoemde parkeerbalans. De rechtbank heeft er volgens hen ten onrechte geen blijk van gegeven dat zij op enige wijze rekening heeft gehouden met deze stukken.

    Daarnaast kunnen de Winkeliersvereniging en anderen zich evenmin verenigen met rechtsoverweging 14.4 van de aangevallen uitspraak, voor zover deze in die zin moet worden gelezen dat ruimte wordt gelaten om bij het nieuwe besluit op bezwaar te komen tot een benodigd aantal parkeerplaatsen van minder dan 673.

7.1.    Hetgeen de Winkeliersvereniging en anderen aanvoeren tegen rechtsoverweging 12.2 van de aangevallen uitspraak faalt, omdat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat volgens de eigen parkeerbalans van het college minimaal 673 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn op het perceel en dat aan die eis hoe dan ook niet is voldaan. Anders dan de Winkeliersvereniging en anderen betogen, kon de rechtbank daarmee volstaan ter motivering van haar oordeel dat het besluit van 20 december 2016 in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

    Het betoog gericht tegen overweging 14.4 van de aangevallen uitspraak faalt eveneens, omdat het feitelijke grondslag mist. Omdat rechtsoverweging 12.2 het woord "minimaal" bevat, kan overweging 14.4, niet aldus worden gelezen dat ruimte bestaat voor een benodigd aantal parkeerplaatsen van minder dan 673.

Conclusie ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van de Winkeliersvereniging en anderen    

8.    Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het besluit van 30 juni 2018

9.    Bij het besluit van 30 juni 2018 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar van de Winkeliersvereniging en anderen beslist. Bij dit besluit is het bezwaar opnieuw voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard en is het besluit onder aanvulling van de motivering ervan in stand gelaten.     

10.    Blijkens het besluit van 30 juni 2018 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw de relevante parkeerbehoefte ten behoeve van het project onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met de te realiseren winkelruimte van 14.100 m² bedrijfsvloeroppervlakte in de deelfasen 1, 2 en 3, met de realisering van 60 appartementen in deelfase 3 en met een aantal bestaande en blijvende voorzieningen in deelfase 3, te weten 33 zorgappartementen in het gebouw Scala, een Chinees restaurant van 425 m² bedrijfsvloeroppervlak, afhaal- en bezorgrestaurant Domino’s en met de onderkeldering van het voormalige ABN Amro pand.

    Uitgaande van het voorgaande en met toepassing van de geldende parkeernormen volgens de Parkeernota 2004, is het college daarbij tot de conclusie gekomen dat op het zogenoemde piekmoment, de zaterdagmiddag, de totale parkeerbehoefte 698 parkeerplaatsen bedraagt. Nu de te realiseren parkeergarage in deelfase 3 voorziet in 537 parkeerplaatsen en daarnaast 39 parkeerplaatsen op maaiveld worden gerealiseerd, resteert volgens het college op het piekmoment een tekort van 122 parkeerplaatsen op eigen terrein. In verband met dit tekort heeft het bij het besluit van 30 juni 2018 de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening verleend. Volgens het college kan afwijking van de parkeereis in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening worden toegestaan, omdat op andere wijze in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien. Het zogenoemde overloopparkeren op het piekmoment kan in voldoende mate in de openbare ruimte worden opgevangen, aldus het college. De parkeerdruk loopt daarmee niet op tot boven 85% en is daarmee niet zodanig dat het goede woon- en leefklimaat in de omgeving wordt aangetast. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op de rapporten "Parkeerbalans Winkelcentrum Anklaar" van verkeerskundig bureau Goudappel Coffeng van 27 juni 2018 (hierna: de Parkeerbalans) en "Parkeeronderzoek Winkelcentrum Anklaar" van Goudappel Coffeng van dezelfde datum (hierna: het Parkeeronderzoek).

Volgens de Parkeerbalans is de conclusie dat "in de praktijk mogelijk tijdens de piekmomenten (1 à 2 uur op een reguliere zaterdag) de parkeerbehoefte van het winkelcentrum groter kan zijn dan het beschikbare parkeeraanbod in de parkeergarage en op maaiveld. In de directe omgeving van het winkelcentrum zijn op dat moment nog ruim voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om deze overloop op te vangen, zonder dat dit tot een te hoge parkeerdruk leidt. (…)".

    Het besluit van 30 juni 2018 maakt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, onderdeel uit van dit geding. Tegen dit besluit is van rechtswege beroep ontstaan van de Winkeliersvereniging en anderen. Bij brief van 24 juli 2018 hebben zij gronden van beroep tegen het besluit aangevoerd.

Ontvankelijkheid

11.    Het college heeft in het besluit van 30 juni 2018 de bezwaren voor zover ingediend door de FAO, Blokker Holding B.V. en [appellant sub 3A] opnieuw niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank. Nu in het beroep geen gronden zijn aangevoerd tegen hetniet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaren, is het beroep voor zover ingesteld door de FAO, [appellant sub 3A] en Blokker Holding B.V., reeds daarom ongegrond. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen.

    De Winkeliersvereniging en anderen hebben het beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 3E] en [appellant sub 3F], ter zitting ingetrokken.

    Voor zover hierna over de Winkeliersvereniging en anderen wordt gesproken, betreft dit de Winkeliersvereniging en anderen, zoals deze volgens de brief van 24 juli 2018 beroep hebben ingesteld en zoals vermeld op bijlage 2 bij deze uitspraak, met uitzondering van de FAO, [appellant sub 3A], Blokker Holding B.V., [appellant sub 3E] en [appellant sub 3F].

De gronden van beroep tegen het besluit van 30 juni 2018

12.    De Winkeliersvereniging en anderen betogen dat de afwijkingsmogelijkheid in artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening ten onrechte is toegepast. Zij voeren daartoe aan dat de deskundigenrapporten van Goudappel Coffeng die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd, ondeugdelijk zijn. In de Parkeerbalans is volgens hen de totale parkeerbehoefte van 698 benodigde parkeerplaatsen onjuist berekend, omdat op verschillende onderdelen van het project te lage parkeernormen zijn toegepast. Daartoe verwijzen zij naar de door hen in het geding gebrachte verkeerskundige reactie van Royal Haskoning DHV van 23 juli 2018 op het Parkeeronderzoek en de Parkeerbalans. Uit die reactie blijkt dat de totale parkeerbehoefte 742 parkeerplaatsen bedraagt, hetgeen het tekort nog aanzienlijk groter maakt dan 122 plaatsen. Verder is volgens de Winkeliersvereniging en anderen de beschikbare parkeercapaciteit in de openbare ruimte in het omliggende gebied niet juist vastgesteld.  

12.1.    Over de betwiste gehanteerde parkeernormen voor de verschillende functies in het winkelcentrum overweegt de Afdeling het volgende.

    Anders dan de Winkeliersvereniging en anderen betogen, heeft het college conform de geldende Parkeernota 2004 voor 33 seniorenwoningen in het gebouw Scala een parkeernorm van 1,2 per woning mogen hanteren. Dat het hierbij niet gaat om seniorenwoningen maar om ‘gewone’ appartementen waarvoor een hogere parkeernorm geldt is niet aannemelijk.

    Wat betreft de ter discussie gestelde gehanteerde parkeernorm voor het Chinees restaurant en het afhaal- en bezorgrestaurant Domino’s, is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Parkeernota 2004 voor de genoemde horeca in het winkelcentrum geen norm bevat. Het college heeft daarbij, anders dan de Winkeliersvereniging en anderen betogen, de norm voor ‘horeca in een woonbuurt’ van 10 parkeerplaatsen per 100 m² niet van toepassing hoeven achten. Deze norm ziet volgens het college op solitaire restaurants in een woonbuurt en niet op de in dit geval aan de orde zijnde situatie. Dat standpunt is naar het oordeel van de Afdeling niet onjuist. Het college heeft daarom, mede op grond van de Parkeerbalans, analoog aan de wel in de Parkeernota 2004 opgenomen norm voor horeca in een stadscentrum van 3,3 parkeerplaats per 100 m² bvo, welke norm gelijk is aan die voor winkels in het stadscentrum, voor de hier aan de orde zijnde horeca kunnen aansluiten bij de in de Parkeernota 2004 opgenomen norm voor winkels in een wijkcentrum. Deze bedraagt voor de zaterdag of de koopavond 4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.

    Over het in de reactie van Royal Haskoning DHV gesignaleerde verschil tussen de oppervlakte van het voormalige ABN Amro kantoor waarmee in de Parkeerbalans rekening is gehouden, ten opzichte van de oppervlakte waarmee eerder door het college rekening werd gehouden, heeft Goudappel Coffeng in haar reactie van 17 augustus 2018 opgemerkt dat de ontwikkelaar door een wijziging in de plannen een andere omvang van de functie voor dit voormalige kantoor heeft doorgegeven. Door deze gewijzigde omvang is de parkeerbehoefte volgens Goudappel Coffeng 8,8 parkeerplaatsen lager dan eerder berekend. Het college heeft daarop ter zitting nog toegelicht dat de oppervlakte van het voormalige ABN Amro kantoor reeds is begrepen in het totaal van 14.100 m² aan bedrijfsvloeroppervlakte voor winkels, maar dat alleen de kelder van 64 m² daarin niet is meegenomen en deze daarom apart is opgenomen in de Parkeerbalans. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

    De Winkeliersvereniging en anderen hebben er voorts op gewezen dat de totale parkeerbehoefte volgens hen tevens niet juist is berekend, omdat nog niet duidelijk is hoeveel horecabedrijven zich daadwerkelijk in het winkelcentrum zullen vestigen. Zij wijzen er daarbij op dat nog niet alle ruimten zijn verhuurd en dat de vergunning ruimte laat voor zowel vestiging van winkels als horeca. De Afdeling constateert dat de Winkeliersvereniging en anderen daarmee ook het voor het piekmoment van het winkelcentrum berekende aantal van 564 benodigde parkeerplaatsen ten behoeve van de te realiseren winkelruimte van 14.100 m² bestrijden. Over voormelde oppervlakte bestaat in de stukken van Goudappel Coffeng en Royal Haskoning DHV overeenstemming. De Afdeling overweegt dat zoals blijkt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de parkeerbehoefte ten behoeve van het Chinees restaurant en Domino’s, er in de onderhavige situatie met de daar genoemde parkeernorm van 4 parkeerplaatsen per 100 m² kan worden gerekend. Overigens betreft dit een onzekere omstandigheid die, anders dan de Winkeliersvereniging en anderen betogen, niet reeds bij voorbaat tot het oordeel leidt dat de berekening op dit punt in zowel de Parkeerbalans, als in de reactie van Royal Haskoning DHV van 23 juli 2018 niet juist is.

    Over de stelling dat Goudappel Coffeng de gemeentelijke parkeernormen en de CROW richtlijnen selectief en door elkaar gebruikt, nu ten onrechte in de berekeningen de aanbevolen aanwezigheidspercentages van het CROW zijn gebruikt en niet de gemeentelijke normen, heeft Goudappel Coffeng in haar reactie van 17 augustus 2018 nadrukkelijk vermeld dat in de Parkeerbalans de gemeentelijke normen zijn toegepast en dat niet is gerekend met aanwezigheidspercentages volgens de CROW richtlijnen. Hetgeen Royal Haskoning DHV hiertegen heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat dit niet juist is, nu Royal Haskoning DHV ter onderbouwing van dit standpunt heeft verwezen naar berekeningen van Goudappel Coffeng in het rapport van 20 maart 2018, dat niet aan het besluit ten grondslag ligt. Dat in de Parkeerbalans niet met de juiste aanwezigheidspercentages is gerekend is daarmee derhalve niet aannemelijk gemaakt.   

12.2.     In de Parkeerbalans is over het opvangen van het parkeertekort in de piekmomenten van het winkelcentrum geconcludeerd dat daartoe in de directe omgeving (binnen tweehonderd meter loopafstand tot het begin van het winkelcentrum) ruim voldoende parkeerplaatsen in het openbaar gebied beschikbaar zijn. De parkeerdruk in verband daarmee loopt in dit gebied volgens de Parkeerbalans op tot maximaal 78% op de koopavond en 75% op de zaterdag, hetgeen volgens de Parkeerbalans ruim onder de grens voor een acceptabele parkeersituatie van 85% blijft.

    Ook hetgeen hiertegen door Royal Haskoning DHV in de verkeerskundige reactie naar voren is gebracht leidt niet tot het oordeel dat aan deze conclusie moet worden getwijfeld. Dat onduidelijk is waarop het in de Parkeerbalans genoemde aantal van 653 beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte is gebaseerd, wordt niet gevolgd. In paragraaf 3.2 van de Parkeerbalans is toegelicht dat bij de parkeertelling die is uitgevoerd ter bepaling van de daadwerkelijke restcapaciteit op het piekmoment van het winkelcentrum is uitgegaan van 553 openbare parkeerplaatsen. De 100 op eigen terrein gelegen parkeerplaatsen zijn, omdat zij niet openbaar zijn, niet bij die telling betrokken. Voorts is in het Parkeeronderzoek, alsmede in de schriftelijke reactie van Goudappel Coffeng van 17 augustus 2018 het in tabel 3.1 (de theoretische parkeerbalans) van de Parkeerbalans genoemde aantal van 653 parkeerplaatsen toegelicht. Anders dan gesteld in de reactie van Royal Haskoning DHV is evenmin onduidelijk waaruit het verschil voortkomt tussen de aantallen van 101, respectievelijk 112 beschikbare parkeerplaatsen in de omgeving, zoals vermeld in het rapport van Goudappel Coffeng van 20 maart 2018 enerzijds en de in de Parkeerbalans genoemde aantallen van 244, respectievelijk 264 anderzijds. In haar reactie van 17 augustus 2018 heeft Goudappel Coffeng ook dit verschil verklaard. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat deze uitleg niet kan worden gevolgd.

    Er bestaat, anders dan de Winkeliersvereniging en anderen onder verwijzing naar de reactie van Royal Haskoning DHV betogen, dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet van de door Goudappel Coffeng berekende in de openbare ruimte beschikbare parkeercapaciteit mocht uitgaan. Daarbij mochten voorts mede invalidenparkeerplaatsen worden betrokken, omdat het college zich terecht op het standpunt stelt dat ook deze parkeerplaatsen, evenals reguliere parkeerplaatsen een rol spelen in de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen.

    De conclusie is dat het aangevoerde geen grond vormt voor het oordeel dat het Parkeeronderzoek en de Parkeerbalans ondeugdelijk zijn en niet aan het besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

    Het betoog faalt.

13.    De Winkeliersvereniging en anderen betogen eveneens tevergeefs dat de afwijkingsmogelijkheid niet had mogen worden toegepast, omdat het college heeft verzuimd te motiveren waarom niet op het eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.

    Het college heeft te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Omdat in dit geval op het piekmoment van het winkelcentrum, de zaterdagmiddag, de parkeerbehoefte het beschikbare parkeeraanbod in de parkeergarage en op het maaiveld mogelijk overtreft, heeft het college terecht beoordeeld of dit overschot dan in de openbare ruimte kan worden opgevangen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet aldus heeft mogen handelen, maar had moeten eisen dat de parkeergarage ten behoeve van het project groter wordt uitgevoerd, zoals de Winkeliersvereniging en anderen wensen.

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van de Winkeliersvereniging en anderen    

14.    Het beroep tegen het besluit van het college van 30 juni 2018 is ongegrond.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 30 juni 2018, kenmerk VR/RAV/WZ DOS-2016-045833 en DOS-2016-065664, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Polak    w.g. Bolleboom
Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2018

641.


BIJLAGE 1

Winkeliersvereniging Anklaar en [25] anderen in het incidenteel hoger beroep

BIJLAGE 2

Winkeliersvereniging Anklaar en [25] anderen in het beroep tegen het besluit van 30 juni 2018

BIJLAGE 3

Wettelijk kader

Bouwverordening

Artikel 2.5.30:

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. (…).

2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1.80 m bij 5.00 m en ten hoogste 3.25 m bij 6.00 m bedragen;

b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3.50 m bij 5.00 m bedragen.

3. (…),

4.  Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.