Uitspraak 201704018/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 5 december 2018
Tegen: de raad van de gemeente Gemert-Bakel
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3980

201704018/1/R2.
Datum uitspraak: 5 december 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2016 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, [locatie] te De Mortel" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C. van den Biggelaar en mr. drs. F.T.H. Branten, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], vertegenwoordigd door mr. drs. F.K. van de Akker, advocaat te Eindhoven, [belanghebbende B] en anderen, het bewonerscollectief Rooije-Hoefsedijk en Diepertseweg, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] exploiteert een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te De Mortel. Hij wil op zijn gronden een nieuwe vleeskuikenstal realiseren ten behoeve van het ontwikkelen van een innovatief bedrijfsconcept met behoud van de bestaande stallen. Dit voornemen past niet in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, herziening april 2011" omdat het aan de gronden toegekende agrarisch bouwvlak daar te klein is. Daarom heeft [appellant] een verzoek ingediend voor het vergroten van het bouwvlak teneinde de nieuwe vleeskuikenstal mogelijk te maken. Op 10 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel het ontwerpbestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, [locatie] De Mortel" ter inzage gelegd waarin het agrarisch bouwvlak is vergroot naar 2,35 hectare teneinde de nieuwe stal mogelijk te maken. Het college heeft op 19 april 2016 de raad voorgesteld het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, [locatie] De Mortel" gewijzigd vast te stellen en daarbij af te wijken van de gemeentelijke geurnormen voor de achtergrondbelasting van bedrijven in het buitengebied uit de "Beleidsregel Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gemert-Bakel 2013". De raad heeft besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen. [appellant] kan zich niet verenigen met de weigering van de raad omdat hij nu de nieuwe vleeskuikenstal niet kan realiseren die voor het ontwikkelen van het innovatieve bedrijfsconcept nodig is.

Toetsingskader

2.    Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht.

Omvang bouwvlak

3.    De raad heeft besloten niet mee te werken aan het vaststellen van het bestemmingsplan omdat hiermee het bestaande agrarisch bouwvlak wordt uitgebreid tot een oppervlakte van 2,35 hectare. De raad stelt dat deze uitbreiding op gespannen voet staat met het uitgangspunt dat vanwege zuinig ruimtegebruik terughoudend moet worden omgegaan met het toestaan van een agrarisch bouwvlak dat groter is dan 1,5 hectare. Dit sluit ook aan bij artikel 7.3, eerste lid, onder b, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 (hierna: de Verordening 2014) waarin is opgenomen dat een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van een veehouderij mits het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt.

     De raad wenst in dit geval niet mee te werken aan de mogelijkheid om op grond van artikel 7.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2014 af te wijken van artikel 7.3, eerste lid, onder b, van de Verordening 2014. Volgens de raad dienen vanuit het principe van zuinig ruimtegebruik eerst de mogelijkheden van hergebruik en herschikking van bestaand gebruik binnen het bestaande bouwvlak te worden overwogen alvorens over te gaan tot uitbreiding van het ruimtebeslag. De raad stelt dat binnen het bestaande bouwvlak voldoende mogelijkheden zijn. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat uit de motivering van de uitbreiding van het bouwvlak is gebleken dat de intentie van [appellant] is om na een testfase in de nieuwe stal in een later stadium het innovatieve bedrijfsconcept ook in de oude stallen door te voeren. Daarmee is volgens de raad gemotiveerd dat het mogelijk is het innovatieve bedrijfsconcept uit te voeren binnen het bestaande bouwvlak door aanpassing van de oude stallen dan wel vervanging van de oude stallen. Daarbij kunnen de stallen energieneutraal worden gemaakt, geschikt worden gemaakt voor de beoogde educatieve doeleinden en zo worden ingericht dat het beoogde dierenwelzijn en de dierengezondheid wordt bevorderd.

     Voorts heeft de raad in aanmerking genomen dat onvoldoende zekerheid is geboden dat het innovatieve plan gaat werken omdat het eerst moet worden getest zodat uitbreiding van het ruimtebeslag niet voor de hand ligt. Tevens stelt de raad dat niet verzekerd is dat het gehele bouwvlak uiteindelijk voor het innovatieve bedrijfsconcept zal worden gebruikt zodat het onzeker is of uiteindelijk positieve milieugevolgen zullen optreden omdat daarvoor het hele bedrijf moet omschakelen. Ten slotte heeft de raad in aanmerking genomen dat het uitvoeren van het bestemmingsplan niet leidt tot een afname van de achtergrondbelasting voor geur in het buitengebied. Daarmee wordt niet voldaan aan de opgave dat de achtergrondbelasting in het buitengebied naar beneden moet ook door de bijdrage van de individuele bedrijven.

     Vanwege het besluit om niet mee te werken aan het verzoek tot uitbreiding van het bouwvlak is het, aldus de raad, niet meer noodzakelijk om mee te werken aan het verzoek om af te wijken van de gemeentelijke geurnormen voor de achtergrondbelasting uit de "Beleidsregels ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente gemert-Bakel 2013".

3.1.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft geweigerd mee te werken aan zijn verzoek om het bouwvlak uit te breiden omdat zo stelt hij wel is voldaan aan artikel 7.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2014. Hij stelt dat dit blijkt uit het in het kader van het ontwerpbestemmingsplan uitgebrachte positieve advies van een Agrarische adviescommissie, de instemming van een panel van provinciale deskundigen en dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant geen zienswijzen naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpbestemmingsplan. Hij betoogt dat de raad dit ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen in zijn besluit.

    [appellant] betoogt dat de nieuwe stal niet binnen het huidige bouwvlak kan worden opgericht. Voorts is het innovatieve bedrijfsconcept met meer leefruimte voor het bestaande aantal dieren niet mogelijk in de bestaande stallen. Hij voert aan dat vervanging van de bestaande stallen grote kosten meebrengt ook omdat in geval van vervanging de productie tijdelijk wordt stilgelegd.

     [appellant] betoogt dat een onzorgvuldige en onevenredige belangenafweging aan het besluit ten grondslag ligt omdat hij veel tijd en moeite heeft gestoken in het ontwikkelen van het innovatieve bedrijfsconcept dat voldoet aan de provinciale zorgvuldige veehouderij en de voorwaarden die in de Verordening 2014 zijn opgenomen en dat de raad zonder goede redenen heeft geweigerd hieraan mee te werken.

3.2.    Op de kaart behorende bij de Verordening 2014 zijn de gronden binnen het plangebied aangemerkt als "Gemengd landelijk gebied".

    Artikel 7.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2014 luidt als volgt:

"Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied voorziet in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt."

    Artikel 7.4, eerste lid, van de Verordening 2014 luidt als volgt:

"In afwijking van artikel 7.3, eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 hectare mogelijk maken indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:

a. (…)

b. (…)

c. dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, mits:

I. de noodzaak daartoe blijkt een advies van door Gedeputeerde Staten benoemde deskundigen;

II. het bestemmingsplan borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij."

    Artikel 1.102 luidt:

    "In de Verordening 2014 wordt verstaan onder zorgvuldige veehouderij een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving."

3.3.    Op 10 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel het ontwerpbestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, [locatie] De Mortel" ter inzage gelegd. Aan de gronden zijn de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" toegekend. Aan de gronden ter plaatse van de nieuwe stal is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-innovatief bedrijfsconcept" toegekend en aan de gronden ter plaatste van de bestaande stallen de aanduiding "intensieve veehouderij".

     Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt:

"Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-innovatief bedrijfsconcept" is de realisatie van een stal mogelijk waarin het innovatieve bedrijfsconcept wordt uitgewerkt conform de "Notitie innovatief bedrijfsconcept" zoals opgenomen in Bijlage 1. Deze stal mag alleen worden gebruikt voor de uitwerking van het innovatieve bedrijfsconcept. Ingevolge artikel 4, lid 4.7.6, van de planregels zijn burgemeester en wethouders bevoegd middels een wijzigingsbevoegdheid de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch-innovatief bedrijfsconcept" te verwijderen, indien onder meer het innovatieve bedrijfsconcept geen realiteitswaarde heeft en geen doorgang meer vindt."

    Artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels luidt als volgt:

"Bij welslagen van het innovatieve bedrijfsconcept in de nieuwe stal is het toegestaan binnen de functieaanduiding "intensieve veehouderij" op het agrarisch bouwvlak het concept, zoals beschreven in de "Notitie innovatief bedrijfsconcept" zoals opgenomen in Bijlage 1 toe te passen binnen alle bestaande bedrijfsgebouwen waar dieren worden gehouden."

3.4.    In het verzoek van [appellant] om te komen tot een vergroting van het bouwvlak teneinde de nieuwe vleeskuikenstal mogelijk te maken is aangegeven dat [appellant] voornemens is door middel van een pilotproject een zorgvuldige veehouderij met een innovatief bedrijfsconcept te realiseren binnen zijn bedrijf. Dit bedrijfsconcept is gericht op meer leefoppervlakte voor de vleeskuikens. Tevens is het concept innovatief omdat een nieuw broedsysteem zal worden toegepast waarin de vleeskuikens in de stal uit het ei komen. Voorts zal de nieuwe stal milieuneutraal worden uitgevoerd en zullen in de nieuwe stal nieuwe technieken worden toegepast waaronder een warmtewisselaar en zonnepanelen. Ook wil [appellant] zich maatschappelijk verbinden met de burgers door in de nieuwe stal een bezoekersruimte te realiseren die ook als educatieruimte fungeert. Een verbinding vanuit de stal naar de omgeving wordt gerealiseerd door het aanbrengen van een glazen kijkwand. In de nieuwe vleeskuikenstal wordt het innovatieve bedrijfsconcept uitgewerkt. De modificaties op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid zullen allereerst onder optimale omstandigheden in deze nieuwe stal getest gaan worden. In een latere fase van dit traject worden deze innovaties verder toegepast in het gehele bedrijf. Hiervoor dienen dan de bedrijfsgebouwen aangepast te worden. Na een testperiode van de integraal duurzame stal wil de ondernemer de overige stallen op de locatie op een vergelijkbare wijze gaan uitvoeren, aldus het verzoek.

3.5.    De Afdeling stelt voorop dat anders dan [appellant] betoogt artikel 7.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2014 geen verplichting inhoudt om mee te werken aan de mogelijkheid om op grond van artikel 7.4, eerste lid, aanhef en onder c, af te wijken van artikel 7.3, eerste lid, onder b, van de Verordening 2014 indien aan de in dat artikel vermelde voorwaarden is voldaan. Uit de stukken blijkt dat de belangen van [appellant] door de raad zijn betrokken bij de afweging. De raad heeft erkend dat het innovatieve bedrijfsconcept op zichzelf beschouwd een wenselijke ontwikkeling is vanuit de ontwikkeling van een duurzame en zorgvuldige veehouderij. De raad heeft, verwijzend naar het belang van zuinig ruimtegebruik overwogen dat binnen het bestaande bouwvlak voldoende mogelijkheden zijn om het innovatieve bedrijfsconcept uit te voeren door aanpassing dan wel vervanging van de oude stallen en dat de stallen geschikt kunnen worden gemaakt voor de innovaties op het gebied van energiegebruik, dierenwelzijn, dierengezondheid en de educatieve doeleinden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het belang van zuinig ruimtegebruik, niet in redelijkheid zwaarwegender heeft kunnen achten dan het belang van [appellant]. De raad heeft verder overwogen dat het niet zeker is dat het innovatieve concept uiteindelijk zal werken en dat dit concept uiteindelijk in het gehele bedrijf en bouwvlak zal worden gebruikt. De onzekerheid of uiteindelijk een vermindering van de milieugevolgen zal optreden ten gevolge van innovaties, is reden te meer vast te houden aan het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik, aldus de raad. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de motivering het bestreden besluit niet kan dragen. Het betoog faalt.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Ouwehand
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2018

224.