Uitspraak 201800117/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 3 oktober 2018
Tegen: de raad van de gemeente Geldermalsen
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied: RO - Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3194

201800117/1/R1.
Datum uitspraak: 3 oktober 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en [appellant], beiden wonend dan wel gevestigd te Geldermalsen, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])
appellanten,

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Geldermalsen, woongebied 2011, 1e herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2018, waar [appellant], bijgestaan door A. Menhart, rechtsbijstandverlener te Beesd, en de raad, vertegenwoordigd door P.E.A. Broekmans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [huurder] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] in Geldermalsen. In één bedrijfsgebouw op dat perceel exploiteert [appellant] een aannemersbedrijf. Het andere bedrijfsgebouw verhuurt hij aan [huurder] die daarin een reclamestudio exploiteert. In dat bedrijfsgebouw was voorheen een installatiebedrijf gevestigd.

    Volgens [appellant] heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met zijn financieel-economische belangen, omdat de reclamestudio van [huurder] niet als zodanig is bestemd en een gedeelte van de buitenopslag opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Hij is van mening dat het gemeentebestuur ten onrechte probeert de activiteiten op zijn perceel zoveel mogelijk te beperken.

2.    [appellant] heeft eerder beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan "Geldermalsen, woongebied 2011". De Afdeling heeft bij uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2447, dat beroep gegrond verklaard en het plandeel voor het perceel [locatie] vernietigd. Ook heeft de Afdeling de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen. De raad heeft ter uitvoering van die opdracht het plan vastgesteld. Daarbij heeft hij aan het gehele perceel de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf" toegekend.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Reclamestudio

4.    [appellant] betoogt dat de raad heeft miskend dat de reclamestudio bestaand legaal gebruik is dat als zodanig had moet worden bestemd. Volgens [appellant] is sprake van bestaand legaal gebruik, omdat de reclamestudio was toegestaan onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Het Rot 1991" en de reclamestudio sinds begin september 2017 werkzaamheden verricht op het perceel. In het voorheen geldende plan waren chemigrafische bedrijven op het perceel toegestaan en volgens [appellant] kan de reclamestudio als een chemigrafisch bedrijf worden aangemerkt.

4.1.    Volgens de raad is de reclamestudio geen bestaand legaal gebruik, omdat de reclamestudio niet was toegestaan onder het voorheen geldende plan.

4.2.    In het voorheen geldende plan waren onder meer chemigrafische bedrijven toegestaan op het perceel. In de voorschriften van dat plan was niet omschreven wat onder chemigrafische bedrijven moest worden verstaan.

4.3.    De Afdeling is van oordeel dat de reclamestudio niet als bestaand legaal gebruik kan worden aangemerkt. De reclamestudio was niet toegestaan onder het voorheen geldende plan, omdat deze niet als chemigrafisch bedrijf kan worden aangemerkt. Een chemigrafisch bedrijf is een bedrijf waarin drukplaten met chemische procedés worden gemaakt, zoals zinkplaten, of met dergelijke drukplaten wordt gewerkt. In de vijftiende editie van het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal is chemigrafie namelijk omschreven als het maken van drukplaten met chemische procedés, met name zinkografie. In de reclamestudio worden geen drukplaten met chemische procedés gemaakt en wordt ook niet met dergelijke drukplaten gewerkt.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte niet heeft afgewogen of hij de reclamestudio wil toestaan op het perceel, terwijl sprake was van een concreet initiatief dat tijdig kenbaar is gemaakt bij het gemeentebestuur.

5.1.    Volgens de raad hoefde hij bij de vaststelling van het plan niet af te wegen of hij de reclamestudio wil toestaan op het perceel, omdat [appellant] in zijn zienswijze niet heeft verzocht een reclamestudio toe te staan op het perceel. Aan nieuwe bedrijvigheid kan volgens de raad uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming alleen medewerking worden verleend via toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels. De raad wijst er daarbij op dat omwonenden niet konden reageren op het verzoek om een reclamestudio toe te staan op het perceel, omdat het gemeentebestuur pas in de zienswijzefase op de hoogte werd gesteld van dit verzoek. Ook was er volgens de raad onvoldoende informatie beschikbaar om de ruimtelijke gevolgen van de reclamestudio te kunnen beoordelen.

5.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan had moeten afwegen of hij de reclamestudio wil toestaan op het perceel, omdat sprake is van een concreet initiatief dat tijdig kenbaar is gemaakt bij het gemeentebestuur. [huurder] heeft op 20 oktober 2016, tijdens de op 7 oktober 2016 begonnen zienswijzefase, een aanvraag ingediend voor een reclamestudio in het bedrijfsgebouw waarin voorheen een installatiebedrijf was gevestigd. Vervolgens heeft [appellant] in zijn zienswijze van 8 november 2016 verzocht om verruiming van de mogelijkheden en gewezen op een mogelijke nieuwe kandidaat voor het genoemde bedrijfsgebouw. Bij besluit van 31 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college overwogen dat het vooruitlopend op de vaststelling van het plan geen omgevingsvergunning wil verlenen, omdat de raad bij de vaststelling van het plan een standpunt moet innemen over de ingediende zienswijzen

    Gelet op het voorgaande, mede gezien het tijdsverloop, kon de raad voor dit concrete en tijdig kenbaar gemaakte initiatief niet volstaan met een verwijzing naar de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan namelijk het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Het had juist op de weg van de raad gelegen om een afweging te maken over het initiatief van [appellant], in het licht van de bij de raad bekende belangen van omwonenden zoals blijkt uit de toelichting op het plan. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten.

    Het betoog slaagt.

Buitenopslag

6.    [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de buitenopslag op het perceel, omdat een gedeelte van deze opslag onder het overgangsrecht is gebracht. Op een gedeelte van het perceel is buitenopslag toegestaan, maar sinds lange tijd is er ook opslag buiten dat gedeelte.

6.1.    Volgens de raad heeft hij voldoende rekening gehouden met buitenopslag op het perceel en is er geen buitenopslag onder het overgangsrecht gebracht. Uit het controlerapport van 18 november 2016 van de Omgevingsdienst Rivierenland volgt namelijk dat er geen buitenopslag meer plaatsvindt op het perceel.

6.2.    De Afdeling was in haar uitspraak van 18 december 2013 van oordeel dat de buitenopslag op het perceel ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht was gebracht.

6.3.    De Afdeling is van oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de buitenopslag op het perceel. Anders dan de raad aanvoert, is een gedeelte van deze buitenopslag namelijk opnieuw onder het overgangsrecht gebracht in het plan. Op de zitting heeft [appellant] verklaard dat buiten het gedeelte waarop buitenopslag als zodanig is bestemd, betonbakken staan waarin sinds lange tijd puinafval en zand worden opgeslagen. De raad heeft deze verklaring niet betwist. Deze verklaring komt ook overeen met het controlerapport. Daarin is een foto opgenomen waarop zichtbaar is dat in bakken zand of puinafval ligt. Voor zover de raad deze buitenopslag onder het overgangsrecht wil brengen, merkt de Afdeling op dat gebruik alleen opnieuw onder het overgangsrecht kan worden gebracht als de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. [appellant] heeft in dit verband te kennen gegeven dat hij niet het voornemen heeft het gebruik van de betonbakken voor opslag te beëindigen.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

7.    De conclusie is dat de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Het beroep van [appellant] is gegrond. Het plan dient vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie].

8.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

9.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Geldermalsen van 26 september 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Geldermalsen, woongebied 2011, 1e herziening" wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie];

III.    draagt de raad van de gemeente Geldermalsen op om binnen 52 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Geldermalsen tot vergoeding van bij [appellante] en [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.037,97 (zegge: duizendzevenendertig euro en zevenennegentig cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Geldermalsen aan [appellante] en [appellant] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van Heijningen    w.g. Van Driel Kluit
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018

703.