Uitspraak 201700801/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 5 september 2018
Tegen: de raad van de gemeente Veghel
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:2889

201700801/1/R6.
Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en anderen (hierna: [appellant sub 1] en anderen), allen wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
2.    [appellant sub 2], wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
4.    [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
5.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna: [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]), beiden wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
6.    [appellant 6], wonend te Veghel, gemeente Meierijstad,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Veghel (thans Meierijstad),
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Veghel-West, deelgebied Rembrandtlaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2], [appellant sub 4] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. I.C.M. Janssen, advocaat te Veghel, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. D. Heuker of Hoek, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], bijgestaan door mr. H. Martens, rechtsbijstandverlener te Assen, [appellant sub 4], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Pogosian, mr. A.L.M. van den Boogaart, M.J.L. van de Graaf-van Leeuwen, ir. K. Mensinga en drs. ing. D. Walraven, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting Heijmans Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Buiten bezwaren van partijen heeft de raad nog stukken in het geding gebracht.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek heropend.

De Afdeling heeft de StAB verzocht een nader deskundigenbericht uit te brengen. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gereageerd op het concept-verzoek.
De StAB heeft op 6 maart 2018 verslag uitgebracht (hierna: het aanvullende deskundigenbericht).

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de raad een zienswijze op het verslag naar voren gebracht.

Partijen hebben, na te zijn gewezen op het recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. [appellant sub 3A] en IJzerdoorn hebben nog een nader stuk ingediend. Daarna heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Met het plan wil de raad het gebied van de Corridor, de Rembrandtlaan en aangrenzende gronden herinrichten. Het plan voorziet in de bouw van 224 woningen en de reconstructie van de Corridor en Rembrandtlaan.

    De Corridor was in het verleden onderdeel van de doorgaande weg (N265) tussen Eindhoven en Nijmegen. Na de aanleg van rijksweg A50 ten westen van Veghel is de verkeersfunctie van deze weg sterk verminderd. De Rembrandtlaan is in de huidige situatie een aan- en afvoerweg voor vrachtverkeer vanaf de N279 (provinciale weg ’s-Hertogenbosch - Veghel - Helmond - Asten) naar de industrieterreinen Doornhoek en De Dubbelen aan de zuidwestkant van de Zuid-Willemsvaart. Het vrachtverkeer dat afkomstig is van de N279 rijdt daartoe via een zogeheten "lange haak" met op- en afritten bij de Sluisweg/De Leest de verhoogd liggende Corridor op, om daarna ongelijkvloers de N279 te kruisen en via de Maxwell Taylor brug de Zuid-Willemsvaart over te steken.

    De raad beoogt met het plan een rechtstreekse aansluiting van de Rembrandtlaan op de Corridor mogelijk te maken ter hoogte van de woning Rembrandtlaan 16. In plaats van de "lange haak" ontstaat dan een "korte haak". De op- en afritten naar de Corridor bij de Sluisweg/De Leest zullen verdwijnen. De kruising met De Leest zal gelijkvloers worden aangelegd. In verband daarmee zal de helling van de Corridor tussen de kruising met De Leest, de nieuwe aansluiting en de Maxwell Taylorbrug steiler worden. In het gebied tussen de "korte haak" en De Leest wil de raad de bouw van een deel van de woningen mogelijk maken.

2.    [appellant sub 1] en anderen wonen aan de [locaties 1] en [locatie 2] te Veghel. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 3]. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] wonen aan de [locatie 4]. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 5]. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] wonen aan respectievelijk de [locatie 6]. [appellant sub 6] woont aan de [locatie 7].

    Zij kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij betogen dat met de gekozen variant voor de aanpassing van de Rembrandtlaan - de "korte haak" die is opengesteld voor personen- en vrachtverkeer - de voor hen vanuit een oogpunt van woon- en leefklimaat meest ongunstige variant is gekozen. De variant leidt er volgens hen toe dat doorgaand zwaar vrachtverkeer nog meer dan in de huidige situatie door hun woongebied wordt geleid. Zij vrezen dat dit leidt tot een verslechtering van de leefbaarheid van het gebied, door met name verkeers-, geluid-, trilling- en fijnstofoverlast. Volgens hen is ten onrechte geen serieus onderzoek gedaan naar alternatieve wijzen van ontsluiting, waaronder varianten die de bewoners hebben aangedragen.

Ingetrokken beroepsgrond

3.    [appellant sub 1] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond inzake de behoefte aan de voorziene woningen ingetrokken.

Woningbehoefte

4.    [appellant sub 4] betwist dat er behoefte bestaat aan de voorziene woningen. De raad gaat er volgens hem ten onrechte van uit dat in de kern Veghel een behoefte bestaat aan 2.610 woningen. Hiertoe voert hij aan dat in de Regionale Agenda Wonen Deel A van het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noord-Oost Brabant van 3 december 2015 (hierna: de Regionale Agenda Wonen) voor de periode 2015-2025 de afspraak is vastgelegd dat in de regio Uden-Veghel en omstreken in totaal 7.030 woningen worden toegevoegd. Daarvan zijn er 2.320 in de gemeente Veghel (thans Meierijstad) overeengekomen en geen 2.610, zoals de raad in de plantoelichting stelt. De raad neemt in het aantal van 2.610 woningen ten onrechte een aantal van 290 geprognosticeerde sloopwoningen mee, nu hiervoor al een rechtstreekse bouwtitel bestaat. Verder ontbreekt volgens hem in de stukken een onderbouwing van het aantal van 2.320 woningen in de periode 2015-2025.

    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] vragen zich af of er wel behoefte bestaat aan de hoeveelheid grondgebonden woningen die het plan mogelijk maakt. Het plan is volgens hen onvoldoende toegelicht, nu het onderbouwende rapport niet ter inzage is gelegd.

4.1.    De raad stelt dat in tabel 3, op p. 13, van de Regionale Agenda Wonen een overzicht is weergegeven van het aantal woningen in plannen ten opzichte van de benodigde plancapaciteit voor de periode 2015 tot en met 2024. De benodigde plancapaciteit voor de voormalige gemeente Veghel is vastgesteld op 2.610 woningen. Dit aantal is inclusief de verwachte sloop van 290 woningen.

    Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:144, stelt de raad dat bij nader inzien het aantal van 290 te slopen woningen buiten beschouwing dient te blijven, voor zover althans concrete sloopplannen ontbreken. Er is geen sprake van omvangrijke sloopplannen. De raad gaat daarom alsnog uit van een woningbehoefte van 2.320 woningen. Deze correctie impliceert volgens de raad echter niet dat het bestemmingsplan onjuist is vastgesteld, aangezien hij met de vaststelling van het bestemmingsplan nog steeds binnen de toegestane grens van 2.320 woningen blijft.

    De totale harde plancapaciteit bedroeg volgens het Woningbouwprogramma Veghel van voorjaar 2016 (hierna: het Woningbouwprogramma Veghel) 1.746 woningen en de zachte plancapaciteit voor inbreidingslocaties 550 woningen per 1 januari 2015. Bij elkaar opgeteld is dit 2.296 woningen per 1 januari 2015. Dit aantal is inclusief de toevoeging van 224 woningen van het bestreden bestemmingsplan. Verder bevat het Woningbouwprogramma Veghel geactualiseerde gegevens per 1 januari 2016. Daaruit kan worden afgeleid dat als gevolg van in 2015 opgeleverde woningen de totale harde plancapaciteit is gedaald naar 1.601 woningen.

    De raad ziet in het betoog dan ook geen reden waarom hij niet zou hebben kunnen overgaan tot vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2.    Op basis van de - als openbaar stuk beschikbare - Regionale Agenda Wonen mag er, zoals de raad thans ook doet, van worden uitgegaan dat in Veghel ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit een behoefte bestond aan 2.320 woningen. Volgens het Woningbouwprogramma Veghel, dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd, bedroeg per 1 januari 2015 de harde plancapaciteit 1.746 woningen en was er daarnaast een capaciteit aan mogelijke inbreidingslocaties voor 550 woningen binnen bestaand stedelijk gebied, waarin de 224 woningen waarin het plan voorziet waren meegerekend (als "Ontwikkeling Rembrandtboulevard"). Volgens het Woningbouwprogramma Veghel bedroeg per 1 januari 2016 de harde plancapaciteit 1.601 woningen, waren voor 552 woningen plannen in procedure, waaronder de 224 woningen waarin het plan voorziet, en waren er voor mogelijk167 woningen inbreidingslocaties voorhanden. Daargelaten of de inbreidingsmogelijkheden en de plannen die in procedure zijn dienen te worden gerekend tot het bestaande aanbod, overweegt de Afdeling dat ook indien deze - inclusief de 224 woningen waarin het plan voorziet − tot het bestaande aanbod worden gerekend per 1 januari 2015 nog een behoefte aan 24 woningen overbleef en per 1 januari 2016 aan 0 woningen, zodat de raad zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat behoefte bestaat aan de voorziene woningen.

    De betogen falen.

Ontwikkelingen N279

5.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat zij al tijdens inspraakavonden hebben verzocht te kijken naar de verbreding van de N279 naar 2 x 2 wegstroken tussen Veghel en Asten. Verbreding van het traject Veghel - Asten is concreet in onderzoek en op korte termijn te voorzien. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] heeft de raad hier ten onrechte geen rekening mee gehouden bij de planvorming.

5.1.    De raad stelt dat de plannen voor eventuele aanpassingen aan de provinciale weg N279 ter hoogte van Veghel richting het zuiden zich nog in de onderzoeksfase bevinden. De provincie werkt de voorstellen daarvoor uit waarbij het gemeentebestuur uiteraard wel betrokken is. De provincie is op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent dit bestemmingsplan, zodat de integraliteit van de aparte projecten gewaarborgd wordt. Over bedoeld project heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden, aldus de raad. Zowel het Rijk als de provincie Noord-Brabant hebben geen bezwaren kenbaar gemaakt die aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg zouden staan. Gelet hierop acht de raad het vaststellen van het bestemmingsplan, zonder te wachten op de besluitvorming en realisatie van mogelijke regionale infrastructurele plannen waarvan de status nog onzeker is, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

5.2.    In het deskundigenbericht staat dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen besluitvorming inzake de eventuele opwaardering van genoemd weggedeelte had plaatsgevonden. Op dat moment vond overleg plaats in de zogenoemde stuurgroep, waarin vertegenwoordigers van de provincie en belanghebbende gemeenten zijn vertegenwoordigd. In het aanvullende deskundigenbericht bevestigt de StAB deze bevindingen.

5.3.    De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanwijzingen dat de plannen voor aanpassingen aan het bedoelde traject van de N279 ten tijde van de vaststelling van het plan al zodanig zeker waren dat daarmee bij de vaststelling van het plan rekening moest worden gehouden.

    De betogen falen.

Telgegevens regionaal verkeersmodel

6.    [appellant sub 2] betoogt dat in het rapport "Verkeers- en omgevingsonderzoek Rembrandtlaan Veghel; Op weg naar realisatie!" van Goudappel Coffeng van 7 december 2016 (hierna: het verkeersrapport), ten behoeve van de keuze voor de "lange haak" of de "korte haak", een uitgangssituatie is gebruikt die is gebaseerd op verkeerstellingen uit 2010. Het is volgens hem volstrekt onaannemelijk dat deze verouderde tellingen de actuele verkeerssituatie tonen. De zorgvuldigheid die geboden is bij het vaststellen van een bestemmingsplan vereist volgens hem recente, althans recentere, verkeerstellingen.

    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betwijfelen of de uitkomsten van het verkeersrapport juist zijn. In dit verband voeren zij aan dat in de Nota van Zienswijzen staat dat bij de opstelling van dit rapport gebruik is gemaakt van het meest recente Regionale verkeersmodel GGA Noord-Oost Brabant v1.0, waarbij wordt verwezen naar een Brabant Brede Model Aanpak (BBMA), en van Brabant brede verkeerstellingen. Omdat deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan de juistheid van het verkeersrapport niet worden gecontroleerd.

    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het plan door middel van het verkeersrapport onvoldoende is onderbouwd. De raad verwijst voor de verkeerscijfers naar het regionaal verkeersmodel, maar de betrokken gegevens zijn niet kenbaar.

6.1.    De raad stelt dat bij de effectbeoordeling voor het aspect verkeer het verkeersmodel een centrale rol speelt. Hierbij is gebruik gemaakt van het regionale verkeersmodel van de GGA-regio Noord-Oost Brabant v1.0. Dit verkeersmodel is bestuurlijk vastgesteld en bevat de meest recente inzichten ten aanzien van de toekomstige ruimtelijke, economische en infrastructurele ontwikkelingen in de regio. Het verkeersmodel is tot stand gekomen op basis van de richtlijnen die in de Brabant Brede Modelaanpak (BBMA) zijn opgesteld. Dit is een computermodel van de werkelijkheid met een blik op de toekomst. Bij het opstellen van een verkeersmodel wordt de "huidige situatie" als uitgangspunt genomen, waarvoor het jaar 2010 als basisjaar geldt. Daaraan worden alle nu voorzienbare toekomstige ontwikkelingen toegevoegd. Voorts wordt het model geactualiseerd op basis van de laatste sociaaleconomische gegevens. Bedoelde "huidige situatie" is een situatie in 2010 waar alle informatie van bekend was (wegenstructuur, arbeidsplaatsen, woningen, verkeerstellingen, enzovoort). Dit basisjaar is enkel bedoeld om een goede prognose voor 2030 te kunnen opstellen en dus niet om de situatie in 2016 te beschrijven.

6.2.    Zoals is vermeld in het deskundigenbericht van de StAB, p. 20, is voor het verkeersonderzoek gebruik gemaakt van het regionale verkeersmodel Gebiedsgerichte Aanpak (GGA) Noord-Oost Brabant 2014. Het verkeersmodel is tot stand gekomen op basis van uitgangspunten die in het rapport "Technisch document regionaal model GGA-regio Noord-Oost Brabant" van Goudappel Coffeng van 2 juni 2015 (hierna: het Technisch document) worden genoemd en overeenkomen met de zogenoemde BBMA. Daarbij is als basisjaar 2010 genomen. Dit is de zogenoemde "huidige situatie". Op basis van de bekende gegevens uit 2010 is met modelberekeningen een verkeersprognose gemaakt voor het jaar 2030 (autonome of referentiesituatie) en 2030 (situatie met korte haak).

6.3.    In het deskundigenbericht wordt over de betrouwbaarheid van verkeersmodellen vermeld dat de met een verkeersmodel berekende waarden gewoonlijk worden gekalibreerd − afgestemd op de feitelijke situatie − teneinde het verkeersmodel aldus te optimaliseren. Dit geschiedt veelal door het model softwarematig voor een basisjaar berekeningen te laten uitvoeren voor delen van het wegennet waarvoor feitelijke verkeersgegevens beschikbaar zijn. Op basis van een vergelijking van de feitelijke gegevens met de aan de hand van het model uitgevoerde berekeningen wordt beoordeeld in hoeverre de uitkomsten van het verkeersmodel met de feitelijke gegevens overeenkomen. Zo nodig wordt het model verder verfijnd.

6.4.    Volgens het deskundigenbericht blijkt uit de beschrijving van de modelberekeningen in paragraaf 5.6 van het Technisch document dat de tellingen voor personenauto's en vrachtauto's waarop het verkeersmodel is gekalibreerd enerzijds afkomstig zijn uit de zogenoemde BBMA database en anderzijds zijn aangevuld indien bleek dat tellingen in de database niet juist konden zijn door inconsistentie, onbetrouwbare "scheve" verhoudingen en dergelijke. In hoofdstuk 6 van het Technisch document zijn de berekende modelwaarden met de telwaarden vergeleken. Volgens het deskundigenbericht is in het Technisch document op zichzelf gebruik gemaakt van een gangbare en algemeen geaccepteerde methode van kalibratie. Om de via het verkeersmodel verkregen modelwaarden te kunnen toetsen, is volgens het deskundigenbericht tevens de kwaliteit van de telgegevens van belang.

6.5.    In de notitie "Teladvies per gemeente; Analysedocument telprogramma Noord-Oost Brabant" van Goudappel Coffeng van 2 juni 2015 (bijlage 12 bij het Technisch document) is per gemeente een korte beschrijving (in tabelvorm) gegeven van de kwaliteit van het telprogramma op dat moment. Vervolgens is een advies beschreven waarmee de kwaliteit van de tellingen voor de bouw van het verkeersmodel in de toekomst kan worden verbeterd. In paragraaf 5 wordt over de (toenmalige) gemeente Veghel vermeld: "In de gemeente Veghel is van 2005 tot en met 2011, met uitzondering van 2007, incidenteel geteld door middel van telslangen. Er is dus behoorlijke spreiding van telgegevens waarvan het overgrote deel van vóór het basisjaar van het verkeersmodel is. Er is onderscheid gemaakt in richting, dagdelen en voertuigcategorieën. Onbekend is of er een monitoringsprogramma aanwezig is en of het jaarlijkse tellingen betreft."

6.6.    In het deskundigenbericht wordt vermeld dat, om de berekeningen in het gebruikte verkeersmodel op juistheid te kunnen controleren, voor de beschouwing van het basisjaar 2010 de telgegevens moeten overeenkomen met gemiddelde waarden in dat jaar. In hoeverre dat het geval is bij de gebruikte telgegevens voor de relevante wegvakken in het verkeersonderzoek, is volgens de StAB onduidelijk. Omdat telgegevens en ook een monitoring van de verkeerssituatie in de periode tussen 2011 en eind 2016 ontbreken, is volgens de StAB onduidelijk of van betrouwbare telgegevens voor het basisjaar is uitgegaan. Nu het ontbreekt aan voldoende telgegevens, zijn de uitkomsten van de verkeersprognoses op basis van het verkeersmodel in zoverre onzeker, aldus de StAB.

6.7.    In zijn aanvullend verweerschrift stelt de raad dat in het kader van de BBMA alle benodigde gegevens, waaronder tellingen voor het basisjaar 2010, zijn verzameld bij alle gemeenten en zijn geordend in de BBMA database. Voor Veghel zijn alle aanwezige tellingen verzameld, te weten tellingen uit de periode 2005-2011. Deze zijn gecontroleerd op inconsistentie, onbetrouwbaar scheve verhoudingen en dergelijke. Alleen de "goede", en niet de "foute", tellingen zijn vervolgens meegenomen bij de bouw van het model. Aan de tellingen is ook een kwaliteitswaardering gegeven, op basis van meetjaar, meetmethode, richting en frequentie. In Veghel hebben de tellingen een waardering van 0 t/m 5 (op een schaal van −16 t/m +10). In het kalibratieproces van het basisjaar zijn de tellingen in Veghel met de laagste kwaliteitswaardering niet of beperkt meegenomen. De tellingen met de hoogste waardering zijn zwaarder meegenomen. In het kalibratieproces wordt volgens de raad namelijk rekening gehouden met deze kwaliteitswaardering door de tellingen in een bepaalde volgorde aan te bieden. De tellingen met de hoogste kwaliteit komen later in het kalibratieproces aan de beurt. Des te later een telling in het kalibratieproces aan de beurt komt des te zwaarder wordt deze telling meegenomen.

    De kwaliteit van het verkeersmodel is volgens de raad niet per definitie gebaseerd op het aantal tellingen, maar vooral op de kwaliteit van de tellingen en de beschrijvende waarde van het verkeersmodel voordat er gekalibreerd is. Het kalibratieproces is volgens de raad een middel om de resultaten van het verkeersmodel beter te laten aansluiten bij de tellingen. Maar hoe minder er gecorrigeerd hoeft te worden in het kalibratieproces, des te beter is de beschrijvende waarde van het verkeersmodel. Daarom wordt volgens de raad voorafgaand aan de kalibratie het aantal verplaatsingen getoetst aan het Onderzoek Verplaatsingsgedrag in Nederland van het CBS. Volgens de raad voldoet het BBMA aan deze toetsing.

6.8.    De Afdeling heeft het onderzoek heropend en de StAB verzocht nader verslag uit te brengen. De Afdeling heeft aan de StAB onder meer de volgende vraag voorgelegd: "In het deskundigenbericht is ten aanzien van het verkeersmodel vermeld dat onduidelijk is of van betrouwbare telgegevens voor het basisjaar 2010 is uitgegaan. Hoewel een gangbare en algemeen geaccepteerde kalibratiemethode is gebruikt, ontbreekt het volgens het deskundigenbericht aan voldoende telgegevens. Leiden de nadere stukken tot een andere conclusie?"

6.9.    In het aanvullende deskundigenbericht wordt vermeld dat ook met de nadere reactie van de raad geen nieuwe telgegevens beschikbaar zijn gekomen. Daarnaast heeft geen nader onderzoek plaatsgevonden. Op geen enkele wijze wordt inzage gegeven in de gebruikte "goede" tellingen, naar meetmoment, meetomstandigheden, meetrichting en meetfrequentie. Het ontbreekt volgens de StAB aan voldoende telgegevens op relevante wegvakken, met onder andere gegevens over locatie, telmomenten, frequentie van tellingen gedurende het jaar, omstandigheden en meetmethode. In de overgelegde stukken wordt alleen gesproken over "incidentele" tellingen. Verder stelt de StAB vast dat in de jaren na 2010 geen gebruik is gemaakt van eventueel beschikbare telgegevens om de oudere telgegevens op betrouwbaarheid te controleren (monitoring). Dat sinds 2010 verschillende infrastructurele en ruimtelijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en een vergelijking niet mogelijk zou zijn, laat volgens de StAB onverlet dat de nieuwe infrastructurele en ruimtelijke werken hadden kunnen worden geïnventariseerd en van een verkeersgeneratie hadden kunnen worden voorzien. Omdat onvoldoende telgegevens uit de periode tot 2010 en daarna beschikbaar zijn, is bij de opbouw van het verkeersmodel uitgegaan van de wel beschikbare en gebruikte (valide) telgegevens. Juist daarom moeten de resultaten van de berekeningen sterk indicatief genoemd worden. Meer dan in het algemeen al het geval is, moet er rekening mee worden gehouden dat de prognoses met marges moeten worden beoordeeld. De nadere stukken leiden daarom volgens de StAB niet tot een andere conclusie.

6.10.    Naar aanleiding van het aanvullende deskundigenbericht heeft de raad de notitie "Rembrandtlaan procedure RvS; Verkeerskundige reactie aanvullend advies StAB" van Goudappel Coffeng van 28 maart 2018 ingediend. Hierin wordt gesteld dat bij de kalibratie van het regionale verkeersmodel van de GGA-regio Noord-Oost Brabant, zoals gehanteerd bij de verkeersberekeningen, 1.158 tellingen voor gemotoriseerd verkeer zijn gebruikt voor specifiek deze regio. Voor openbaar vervoer is in deze regio op 186 tellingen gekalibreerd, waarvan 100 NS-tellingen en 86 tellingen voor de bus. Daarbij is de kwaliteit van het model niet afhankelijk van het aantal telgegevens, maar van de kwaliteit en de locatie van de ingevoerde telgegevens. Daarnaast is ook de beschrijvende waarde van het verkeersmodel van belang voordat er überhaupt gekalibreerd is. Het kalibratieproces is een middel om de resultaten van het verkeersmodel beter aan te laten sluiten bij de tellingen. Maar hoe minder er gecorrigeerd behoeft te worden in het kalibratieproces des te beter is de beschrijvende waarde van het verkeersmodel. Om die reden worden voorafgaand aan de kalibratie het aantal verplaatsingen dat wordt gegenereerd en met welke vervoerswijze, getoetst aan gegevens uit het Onderzoek Verplaatsingsgedrag in Nederland. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het CBS. Uit de toetsing blijkt dat de BBMA aan de gestelde voorwaarden voor deze toetsing voldoet.

6.11.    De Afdeling begrijpt het betoog van de raad aldus dat de betrouwbaarheid van het verkeersmodel niet zozeer afhankelijk is van het aantal telgegevens, als wel van de kwaliteit en de locatie van de ingevoerde telgegevens.

    In paragraaf 2.3 van het Technisch document staat dat binnen het studie- en invloedsgebied alle beschikbare tellingen uit de (BBMA-) database zijn overgenomen naar het modelsysteem voor de regio Noord-Oost Brabant. Als gemeenten over aanvullende tellingen beschikten, zijn deze daar waar mogelijk meegenomen. In paragraaf 5.6.1 van het Technisch document staat dat in totaal voor auto en vracht op 1.158 tellingen is gekalibreerd. In paragraaf 5.6.2 staat dat in totaal voor het OV op 186 tellingen is gekalibreerd (86 NS tellingen en 100 tellingen voor de bus). Deze aantallen hebben betrekking op de regio Noord-Oost Brabant als geheel.

    Volgens de notitie Teladvies is in de gemeente Veghel van 2005 tot en met 2011, met uitzondering van 2007, incidenteel geteld door middel van telslangen. Volgens de raad zijn deze tellingen gecontroleerd op inconsistentie, onbetrouwbaar scheve verhoudingen en dergelijke. Alleen de "goede" tellingen zijn vervolgens meegenomen bij de bouw van het regionale model. Volgens de raad hebben de "goede" tellingen in Veghel een waardering van 0 t/m 5 (op een schaal van −16 t/m +10). Onder verwijzing naar het rapport "Bouw Brabantbrede database" van Goudappel Coffeng van 13 augustus 2014 en het rapport "Bouw Brabantbreed verkeersmodel Modelbasis" van Goudappel Coffeng van 3 september 2014 stelt de raad dat op gemeentelijke wegen in het BBMA-gebied geen enkele telling hoger scoort dan 8, met uitzondering van de regio Eindhoven.

    Zoals in het aanvullende deskundigenbericht staat, heeft de raad echter geen inzage verschaft in de gebruikte "goede" tellingen, naar meetmoment, meetomstandigheden, meetrichting en meetfrequentie. Gelet hierop kan niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van de bij het opstellen van het regionale verkeersmodel gebruikte telgegevens voor de in dit geval relevante wegvakken niet worden vastgesteld, waardoor de resultaten uit de berekeningen sterk indicatief moeten worden genoemd.

    Verder is, zoals ook uit het aanvullende deskundigenbericht volgt, niet gebleken dat de betrouwbaarheid van de telgegevens in de periode tot en met 2010 is gecontroleerd aan de hand van gegenereerde telgegevens die betrekking hebben op de periode na 2010.

    Dat - zoals de raad stelt - de BBMA voldoet aan het Onderzoek Verplaatsingsgedrag in Nederland van het CBS, brengt nog niet mee dat op de met het verkeersmodel - voor de kalibratie ervan - berekende waarden (verkeerscijfers), hetgeen hiervoor is overwogen over de tellingen niet van betekenende invloed zou kunnen zijn.

    Nu de raad zich bij de vaststelling van het plan, voor de beoordeling van het verkeer op de betrokken wegvakken, heeft gebaseerd op het verkeersrapport, waarin gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel GGA Noord-Oost Brabant 2014, is het bestreden besluit dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

    De betogen slagen.

7.    Gelet op het vorenstaande behoeven de beroepsgronden over de terinzagelegging dan wel toezending van gegevens betreffende het verkeersmodel en van stukken betreffende het verkeersonderzoek, geen bespreking. Ook aan hetgeen overigens ten aanzien van het aspect verkeer is aangevoerd, waaronder de betogen over alternatieve varianten voor de ontsluiting, komt de Afdeling gezien bovenstaand oordeel niet toe. Nu de verkeersgegevens in de onderzoeken inzake geluid, trillingen en luchtkwaliteit hun oorsprong vinden in het verkeersmodel, komt de Afdeling aan de daarop betrekking hebbende gronden evenmin toe. Dit laatste geldt, ten slotte, tevens voor enkele andere gronden die niet het hoofdonderwerp van deze zaak vormen.

Conclusie

8.    De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] zijn gegrond. Aangezien de beroepen van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 6] mede betrekking hebben op het verkeersaspect, zijn deze beroepen wegens samenhang met het verkeersmodel eveneens gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

    De Afdeling zal de raad opdragen om binnen de hierna vermelde termijn een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Verzoek raad om zelf te voorzien

9.    In het verweerschrift heeft de raad vermeld dat hij een tweetal gehonoreerde zienswijzen van de minister van Infrastructuur en Milieu niet juist heeft verwerkt in de planregels en de verbeelding. De raad heeft de Afdeling verzocht deze omissies zelf voorziend te herstellen. De betrokken aspecten houden geen verband met de ingestelde beroepen. Zelf voorzien zou dan ook het kader van de ingestelde beroepen te buiten gaan. Bovendien wordt het besluit geheel vernietigd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om in zoverre zelf in de zaak te voorzien.

Proceskosten

10.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Hierbij betrekt de Afdeling, wat [appellant sub 4] betreft, dat de zaak en zaak ECLI:NL:RVS:2018:2888, tezamen zijn aan te merken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, welke zaken gelijktijdig ter zitting zijn behandeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veghel (thans: Meierijstad) van 30 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Veghel-West, deelgebied Rembrandtlaan";

III.    draagt de raad van de gemeente Meierijstad op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.548,51 (zegge: vijftienhonderdachtenveertig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 1.503,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 733,75 (zegge: zevenhonderddrieëndertig euro en vijfenzeventig cent), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant 5A] en [appellant sub 5B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Meierijstad tot vergoeding van bij [appellant 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Meierijstad aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2], € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant 5A] en [appellant sub 5B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant 6].

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Kranenburg
voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

271.