Uitspraak 201706941/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 11 juli 2018
Tegen: G.C.H. van de Goor, P.W.H.M. van Summeren, H.P.M. van de Goor en J.P.H. van de Goor
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:2260

201706941/1/A1.
Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,
2.    [appellant sub 2], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,
3.    [appellant sub 3A], [appellant sub 3B] en [appellant sub 3C], allen wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas (hierna: [appellant sub 3A] en anderen),
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 juli 2017 in zaken nrs. 15/3704, 15/3756 en 15/3813 in het geding tussen:

[appellant sub 2],
[appellant sub 3A] en anderen,
[partij] wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas

en

het college.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 juli 2015 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] onder oplegging van een dwangsom gelast op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Sevenum alle voorzieningen (paaltjes) die zijn aangebracht op het perceel met de agrarische bestemming te (laten) verwijderen, ervoor te zorgen dat ter plaatse van de bestemming "Agrarisch" geen sport- en spelactiviteiten meer worden georganiseerd die niet verbonden zijn aan de groepsaccommodatie en die niet vallen onder 'extensief recreatief medegebruik' en ervoor te zorgen dat de aanwezige gebouwen niet anders worden gebruikt dan voor groepsaccommodatie, de daarbij behorende sport- en spelactiviteiten en ondergeschikte horeca of camping en daarbij behorende ondergeschikte (horeca-)activiteiten.

Bij afzonderlijke besluiten van 10 november 2015 heeft het college de door [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en anderen en [partij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 30 juli 2015, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 21 juli 2017 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en anderen en [partij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 10 november 2015 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven, behalve voor zover deze betrekking hebben op de in- en uitritten en het college opdragen om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [appellant sub 2] en [partij] betreffende de in- en uitritten met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college, [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2], [appellant sub 3A] en anderen en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van het college gegeven. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen gegeven.

[appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Philipsen en mr. A.J.M. Flinsenberg, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, [appellant sub 3A] en anderen, bijgestaan door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, en [belanghebbende A].

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende A] is eigenaar van het perceel en heeft daar een sport- en vakantiecentrum, genaamd "[bedrijf A]" geëxploiteerd. Ten behoeve hiervan staan op het perceel een bedrijfswoning, een café/keuken/opslagruimte en een hoofdgebouw. Vanaf medio december 2014 huurt [belanghebbende B] het perceel. Hij heeft het hoofdgebouw, dat werd gebruikt als groepsaccommodatie, ten behoeve van zijn onderneming '[bedrijf B]' omgebouwd naar een accommodatie met zogeheten 'Escaperooms'. Op het perceel worden door zijn bedrijf verschillende sport- en spelactiviteiten georganiseerd.

2.    [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en anderen en [partij] hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik dat van het perceel wordt gemaakt, omdat dit gebruik hun woon- en leefklimaat aantast.

    Volgens het college valt het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie onder het overgangsrecht. Het heeft handhavend opgetreden tegen, kort gezegd, het gebruik van de gronden en de gebouwen voor activiteiten, die niet met de groepsaccommodatie verbonden zijn.

    [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en anderen en [partij] zijn tegen het handhavingsbesluit opgekomen en willen dat het college een verderstrekkende last oplegt door ook handhavend op te treden tegen het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie. Daarnaast moet het college volgens hen handhavend optreden tegen het gebruik dat [belanghebbende A] van de bedrijfswoning maakt en tegen de door [belanghebbende B] aangelegde een inrit.

3.    Op een deel van het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Sevenum", vastgesteld in 2009 (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied 2009") de bestemming "Recreatie" met de nadere aanduiding "camping". Op dit deel van het perceel zijn de hiervoor vermelde gebouwen gerealiseerd. Op het andere deel van het perceel rust de bestemming "Agrarisch" met de nadere aanduiding "ontwikkelingszone groen".

Beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen

4.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ook had moeten optreden tegen het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie, nu dat gebruik niet onder het overgangsrecht valt.

    Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Sevenum 1998" (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied 1998") was toegestaan en dat dat gebruik op grond van het gebruiksovergangsrecht van artikel 23.2 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" mocht worden voortgezet. Volgens hen blijkt uit het dictum van het besluit van 20 oktober 1998 van het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg dat goedkeuring aan de recreatieve bestemming en de nadere aanduiding "R4" is onthouden en de groepsaccommodatie dus onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" niet was toegestaan. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte belang gehecht aan het feit dat het college van gedeputeerde staten heeft verzuimd dit dictum op de plankaart over te nemen. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen was het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie niet onder het voorheen geldende bestemmingsplan toegestaan en valt het gebruik daarom niet onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009".

    Zij voeren verder aan dat voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht aannemelijk moet worden gemaakt dat het gebruik reeds bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan Sevenum". Het college is daarin volgens hen niet geslaagd.

4.1.    Artikel 23.2.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" luidt:

"Het gebruik van de grond en/of opstallen, dat strijdig is met het plan op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, mag worden voortgezet; dit is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan."

    Artikel 23.2.2 luidt:

    "Van voortzetting als bedoeld in 23.2.1. is geen sprake indien het gebruik gedurende een termijn van ten minste 1 jaar wordt onderbroken".

    Artikel 22 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" luidt:

" […]

2. Indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, mag dit strijdige gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan en niet krachtens de overgangsbepaling van dat plan was toegestaan en niet langer dan twee jaar onafgebroken heeft voortgeduurd."

3. Indien het in lid 2 bedoelde gebruik gedurende een onafgebroken tijdvak van twee jaar gestaakt is geweest, is het verboden dit gebruik te hervatten tenzij de belangen van eigenaren en andere rechthebbenden op onevenredige wijze geschaad worden.

[…]".

    Artikel 45 lid B van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan Sevenum" luidt:

"Indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in plan voorgeschreven gebruik, mag dit strijdige gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet."

4.2.    De Afdeling stelt vast dat het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie in het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2009" niet is toegestaan. De gronden hebben een recreatieve bestemming met een nadere aanduiding "Camping". De groepsaccommodatie kan niet als zodanig worden aangemerkt. Dit is ook tussen partijen niet in geschil.

    De Afdeling zal eerst beoordelen of, zoals de rechtbank heeft overwogen, het gebruik van de groepsaccommodatie op grond van het gebruiksovergangsrecht in artikel 23.2 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" is toegestaan. In dat kader dient te worden beoordeeld of het gebruik in strijd was met het voorheen geldende plan. Bij de beantwoording van die vraag is van belang welke bestemming ter plaatse gold.

4.2.1.    Voordat het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" in werking trad, gold het bestemmingsplan "Buitengebied 1998".

    Bij besluit van 20 oktober 1998 heeft het college van gedeputeerde staten beslist over de goedkeuring van het plan "Buitengebied 1998". In het dictum van het besluit van dat college is vermeld dat is besloten het plan goed te keuren met uitzondering van, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch gebied" -A- met de differentiatie "visuele bufferzone" en de bestemming "Recreatieve doeleinden" -R- met de aanduiding RV zoals nader met een rode omlijning aangegeven op de bestemmingsplankaart 1 "hoofd en medebestemmingen" en voorts aan de zinsnede "R4: groepskampeerverblijf/terrein" op plankaart 1.

    Niet in geschil is dat de bestemming "Recreatieve doeleinden" op de plankaart bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" niet met een rode omlijning is aangegeven. De Afdeling is echter van oordeel dat het college van gedeputeerde staten in zijn besluit wel goedkeuring aan deze bestemming heeft onthouden. In het dictum van het besluit is immers niet volstaan met een verwijzing naar een rood omlijnde bestemming, maar is deze bestemming nadrukkelijk vermeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat op plankaart 1 maar één perceel stond dat een recreatieve bestemming had. Uit het besluit van het college van gedeputeerde staten blijkt aldus duidelijk waar dat college goedkeuring aan heeft onthouden. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6678, waar een zelfde oordeel is gegeven over een ander deel van het perceel van [bedrijf A] dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" een recreatieve bestemming had gekregen.

    Door het onthouden van goedkeuring aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" opgenomen recreatieve bestemming, moet voor de bestemming van het perceel worden teruggevallen op de agrarische bestemming die het perceel had ingevolge het daarvoor geldende bestemmingsplan uit 1984. Het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie was daarmee in strijd. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het gebruik op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was toegestaan, dit gebruik op grond van het overgangsrecht uit artikel 23.2 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" mocht worden voortgezet.

4.3.    De Afdeling zal voorts beoordelen of het gebruik van de groepsaccommodatie om andere redenen onder het overgangsrecht valt.

4.3.1.    De voor het overgangsrecht relevante peildatum is, gelet op artikel 23.2 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009", artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" en artikel 45, lid B, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan Sevenum", de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan Sevenum", te weten 15 augustus 1984.

    Het is aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het met het plan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet.

4.3.2.    Ter onderbouwing van het beroep op het overgangsrecht heeft het college bij brieven van 19 oktober 2016 en 23 november 2016 zeven verhuurovereenkomsten uit de periode 1981 tot en met 1984 overgelegd, besluiten van 15 december 1986 en 31 augustus 1992, waarbij aan [belanghebbende C] een vergunning voor de exploitatie van een kampeercentrum is verleend, een besluit van 16 juni 2003, waarbij een gebruiksvergunning voor het in gebruik nemen van [bedrijf A] is verleend, kampovernachtingsregisters over de periode 1987 tot en met 2015, een handhavingsbesluit van 12 augustus 2011 en toeristenbelasting-aangiftes uit de periode 2007 tot en met 2014.

4.3.3.    Uit de door het college overgelegde verhuurovereenkomsten blijkt dat de groepsaccommodatie in 1984 in ieder geval was verhuurd van 7 juli 1984 tot en met 14 juli 1984 en van 12 september 1984 tot en met 14 september 1984. In het besluit van 15 december 1986 is vermeld dat op de gronden een agrarische bestemming rust, maar dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan Sevenum" de bedrijfsgebouwen reeds als kamphuis in gebruik waren en dat het met bestemmingsplan strijdige gebruik krachtens de gebruiksvoorschriften van de van het plan deel uitmakende overgangsbepalingen mag worden voortgezet. Hoewel, zoals [appellant sub 2] betoogt, het college slechts een beperkt aantal relevante verhuurovereenkomsten heeft overgelegd, stelt de Afdeling op grond van het besluit van 15 december 1986 vast dat het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie in ieder geval bestond op de peildatum en tot het moment van het nemen van het besluit op 15 december 1986 was voortgezet. Voorts blijkt uit de overgelegde kampovernachtingsregisters dat de groepsaccommodatie op 22 mei 1987 weer was verhuurd en dat deze tot 16 november 2014 gedurende verschillende periodes per jaar werd verhuurd, hetgeen voor de jaren 2007 tot en met 2014 wordt ondersteund door de overgelegde toeristenbelasting-aangiftes. Hoewel, zoals [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen betogen, uit de door het college overgelegde besluiten van 31 augustus 1992 en 16 juni 2003 niet blijkt dat de groepsaccommodatie ook daadwerkelijk voor verblijfsrecreatie werd gebruikt, ondersteunen deze besluiten naar het oordeel van de Afdeling wel de overige door het college overgelegde stukken. Tot slot blijkt uit de kampovernachtingsregisters dat de groepsaccommodatie, nadat deze vanaf medio december 2014 aan [belanghebbende B] was verhuurd, op 17 oktober 2015 weer is verhuurd voor verblijfsrecreatie.

    De Afdeling is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie op de peildatum bestond en dat dit gebruik nadien nagenoeg onderbroken, dat wil zeggen zonder voor het overgangsrecht relevante onderbreking, is voortgezet. De stelling van [appellant sub 3A] en anderen, dat het gebruik jarenlang onderbroken is geweest, waarbij zij verwijzen naar het verblijf van buitenlandse werknemers op het perceel, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals zij zelf stellen, verbleven die werknemers in op het perceel geplaatste chalets en niet in de groepsaccommodatie. [belanghebbende A] heeft ter zitting van de Afdeling voorts verklaard dat de groepsaccommodatie in die periode voor verblijfsrecreatie werd gebruikt. Hun verwijzing naar een e-mail van 8 mei 2006 van een gemeenteambtenaar en een notitie van een gemeenteambtenaar leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat, anders dan zij stellen, daarin niet is vermeld dat het gebruik meermaals over een langere tijd was gestaakt.

4.4.    Het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen over het oordeel van de rechtbank dat het gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" is, gelet op het onder 4.2.1 overwogene, terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3.3 niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is terecht, zij het op onjuiste gronden, tot het oordeel gekomen dat het gebruik van de groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie op grond van het gebruiksovergangsrecht mocht worden voortgezet.

5.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de last wat betreft de op het perceel toegestane sport- en spelactiviteiten onvoldoende duidelijk is.

    [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat op de gronden slechts extensief recreatief gebruik is toegestaan dat past in de agrarische bestemming. Het college had in de last duidelijk moeten omschrijven dat de sport- en spelactiviteiten zich moeten beperken tot natuur en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsten. Andere sport- en spelactiviteiten zijn daarmee niet te rijmen.

    [appellant sub 3A] en anderen voeren aan dat [belanghebbende B] op het perceel activiteiten organiseerde die, gelet op de aard, duur en intensiteit, niet konden worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik, omdat deze activiteiten niet zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Het college heeft miskend dat deze activiteiten, ook indien ze wel verband zouden houden met de groepsaccommodatie, strijdig zijn met de bestemming. Alleen activiteiten die zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving zijn toegestaan.

5.1.    Artikel 3.1.1 van de planvoorschriften luidt:

De als Agrarisch op plankaart 1 aangegeven gronden zijn bestemd voor

[…];

- extensief recreatief medegebruik;

[…].

    Artikel 1.29 van de planvoorschriften luidt:

"In deze voorschriften wordt verstaan onder extensief recreatief medegebruik: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen."

5.2.    Het college heeft Van [belanghebbende B] en [belanghebbende A] gelast ervoor te zorgen dat ter plaatse van de bestemming "Agrarisch" geen sport- en spelactiviteiten meer worden georganiseerd die niet verbonden zijn aan de groepsaccommodatie en die niet vallen onder "extensief recreatief medegebruik". In het besluit is in dit verband vermeld dat onder extensief recreatief medegebruik ook het gebruik voor sport en spel ten behoeve van de groepsaccommodatie wordt verstaan. Het huidige gebruik richt zich echter volledig op sport- en spelactiviteiten waarbij de groepsaccommodatie niet als zodanig wordt gebruikt. Daarmee wordt de ondersteunende activiteit een hoofdactiviteit, hetgeen niet past in het bestemmingsplan, aldus het college. Legalisering van de zelfstandige sport- en spelactiviteiten behoort niet tot de mogelijkheden, aldus het besluit.

5.3.    In de eerder vermelde uitspraak van 5 oktober 2011 heeft de Afdeling overwogen dat het terrein onder meer bestemd is voor extensief recreatief medegebruik, waaronder volgens artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen. De Afdeling heeft verder overwogen dat een redelijke uitleg van het begrip "extensief recreatief medegebruik" zich, mede gelet op het gebruikte woord zoals, niet tegen het gebruik van het terrein voor sport en spel ten behoeve van de groepsaccommodatie verzet.

5.4.    Uit de uitspraak van 5 oktober 2011 volgt dat sport- en spelactiviteiten die worden verricht ten behoeve van de groepsaccommodatie niet in strijd zijn met de bestemming. Dit betekent dat de personen die in de groepsaccommodatie verblijven en overnachten, de gronden waarop de agrarische bestemming rust, mogen gebruiken voor sport- en spelactiviteiten. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Het college heeft [belanghebbende B] en [belanghebbende A] daarom terecht gelast ervoor te zorgen dat ter plaatse van de bestemming "Agrarisch" geen sport- en spelactiviteiten worden georganiseerd die niet verbonden zijn aan de groepsaccommodatie en die niet vallen onder "extensief recreatief medegebruik". Voor het oordeel dat de last onduidelijk is, heeft de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, terecht geen grond gevonden.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de woning op het perceel niet als bedrijfswoning, maar als burgerwoning in gebruik is. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank het college had moeten opdragen meer onderzoek te doen naar het gebruik van de woning en niet zonder meer had mogen uitgaan van de verklaring van [belanghebbende A] ter zitting. Volgens hem wordt de woning als burgerwoning gebruikt en had het college daartegen moeten optreden.

6.1.    Het college heeft zich in het besluit, gericht aan [belanghebbende A], op het standpunt gesteld dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat de woning als bedrijfswoning in gebruik is en het daarom niet handhavend optreedt. Het heeft daarbij van belang geacht dat [belanghebbende A] heeft verklaard [bedrijf A] te exploiteren en het onderhoud en bewaking van het terrein te verzorgen. De groepsaccommodatie wordt door [bedrijf A], in overleg met [bedrijf B], verhuurd. [bedrijf A] verzorgt ook (mede) het verwelkomen van gasten en de begeleiding van gasten.

6.2.    De rechtbank heeft overwogen dat zij met het college van oordeel is dat de woning nog steeds de functie van bedrijfswoning heeft. Zij heeft daarbij van belang geacht dat [belanghebbende A] ter zitting heeft verklaard dat zij in de woning woont en nog steeds binding met de recreatieve activiteiten heeft. Zij heeft verklaard dat zij met [belanghebbende B], toen deze de accommodatie van haar is gaan huren, is overeengekomen dat zij na de overdracht van de exploitatie het feitelijk beheer over het terrein zou blijven voeren en dat zij het onderhoud en de bewaking van het perceel verzorgt. De overnachtingen in de groepsaccommodatie worden in samenspraak met [belanghebbende B] vastgelegd. Zij verzorgt ook de aankomst en de begeleiding van de gasten van de camping en de groepsaccommodatie. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet om aan de juistheid van die feitenbeschrijving te twijfelen.

    De Afdeling ziet geen reden om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De enkele betwisting van deze feiten door [appellant sub 2] acht de Afdeling in dit verband onvoldoende. Het betoog faalt.

Beoordeling van het hoger beroep van het college

7.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Horst aan de Maas (hierna: de APV) wordt overtreden. Het voert in dit verband ten eerste aan dat voor de door [belanghebbende B] aangelegde inrit een melding als bedoeld in de APV is geaccepteerd en dat daarom geen sprake is van een overtreding. Het voert verder aan dat geen sprake is van strijd met de APV, zodat het ook om die reden niet bevoegd is handhavend op te treden.

7.1.    Artikel 2:12, eerste lid, van de APV luidt:

"Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:

a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet 6 weken van tevoren melding heeft gedaan aan het college;

b. indien het college het maken of veranderen van een uitweg heeft verboden."

    Het vierde luidt:

"Het college verbiedt het maken van een uitweg bij een bedrijf:

[…]

e. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door twee andere uitwegen wordt ontsloten.

[…]."

7.2.    Tijdens een controle op het perceel hebben toezichthouders geconstateerd dat [belanghebbende B] een inrit heeft aangelegd. In de afzonderlijke voornemens is [belanghebbende B] en [belanghebbende A] onder meer gelast die inrit te verwijderen. In de afzonderlijke besluiten van 30 juli 2015 heeft het college concreet zicht op legalisering van de inrit aangenomen en van handhavend optreden tegen die inrit afgezien.

7.3.    Bij brief van 18 augustus 2015 heeft [bedrijf B] een melding gedaan voor het aanleggen van twee inritten op het perceel, waaronder de inrit die door [belanghebbende B] is aangelegd en waarop de handhavingsprocedure betrekking heeft. Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het college deze melding geaccepteerd. Reeds hierom was het college ten tijde van belang niet langer bevoegd om handhavend op te treden tegen de door [belanghebbende B] aangelegde inrit. Het college heeft derhalve terecht van handhavend optreden afgezien.

    Het betoog slaagt. Hetgeen het college voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Conclusie

8.    Het hoger beroep van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en anderen is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit voor zover het betrekking heeft op de in- en uitritten niet in stand heeft gelaten.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 juli 2017 in zaken nrs. 15/3704, 15/3756 en 15/3813, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit voor zover het betrekking heeft op de in- en uitritten niet in stand heeft gelaten;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Pieters
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

473.