Uitspraak 201410222/7/R6

Datum van uitspraak: woensdag 13 juni 2018
Tegen: provinciale staten van Noord-Brabant
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Inpassingsplan
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:1966

201410222/7/R6.
Datum uitspraak: 13 juni 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen, gevestigd te Valkenswaard, en anderen (hierna: Oplossing N69 en anderen),
2.    Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg (hierna: de Brabantse Milieufederatie),
3.    Buurtvereniging Braambos, gevestigd te Westerhoven, gemeente Bergeijk,
4.    [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te [woonplaats],
appellanten,

en

provinciale staten van Noord-Brabant,
verweerders.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1306, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling provinciale staten opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 9 september 2016 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 22 september 2017 (hierna: het herstelbesluit) hebben provinciale staten ter uitvoering van de tussenuitspraak het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Daarnaast hebben Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij besluit van 22 september 2017 (hierna: het herzieningsbesluit) hebben provinciale staten het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 - 1e herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben verweerschriften ingediend.

Oplossing N69 en anderen en [appellant sub 4] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 10 april 2018, waar Oplossing N69 en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, de Brabantse Milieufederatie, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], Buurtvereniging Braambos, vertegenwoordigd door [gemachtigde D], [appellant sub 4] en anderen, bij monde van [appellant sub 4], en provinciale staten, vertegenwoordigd door M. Koobs, J. Oosterkamp, E. Brouwer en J.A.L. van Zandvoort, bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 31 oktober 2014 hebben provinciale staten voor het eerst het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69" vastgesteld. Het inpassingsplan maakt de aanleg mogelijk van een nieuwe wegverbinding tussen de bestaande N69 ten zuiden van Valkenswaard en de Locht te Veldhoven, de zogenoemde Nieuwe Verbinding.

2.    De Afdeling heeft provinciale staten bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072, opgedragen een aantal gebreken in het besluit van 31 oktober 2014 te herstellen. Daarnaast heeft de Afdeling in die uitspraak de beroepen van een aantal appellanten tegen het besluit van 31 oktober 2014 ongegrond verklaard en één beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.

    Vervolgens heeft de Afdeling in de uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 17 mei 2017 een aantal gebreken geconstateerd in het herstelbesluit van 9 september 2016. In overweging 45.1 van die uitspraak heeft de Afdeling provinciale staten opgedragen deze gebreken te herstellen. Daarnaast heeft de Afdeling in die uitspraak onder meer het beroep van Buurtvereniging Braambos tegen het besluit van 31 oktober 2014 en de beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen tegen het herstelbesluit van 9 september 2016 ongegrond verklaard.

3.    Met het herstelbesluit van 22 september 2017 hebben provinciale staten beoogd de gebreken in het herstelbesluit van 9 september 2016 te herstellen. Met het herzieningsbesluit van dezelfde datum hebben provinciale staten een aantal ondergeschikte technische aanpassingen aan het wegontwerp in het inpassingsplan verwerkt.

4.    De Afdeling zal hierna eerst ingaan op het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69", zoals dat bij het herstelbesluit opnieuw gewijzigd is vastgesteld. Daarbij zullen zowel de zienswijzen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie als de beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen tegen het herstelbesluit worden behandeld. Vervolgens zal de Afdeling ingaan op het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 - 1e herziening", zoals dat bij het herzieningsbesluit is vastgesteld.

INPASSINGSPLAN "NIEUWE VERBINDING GRENSCORRIDOR N69"

De beroepen tegen het besluit van 9 september 2016

5.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het besluit van 9 september 2016 in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

    De beroepen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van 9 september 2016 zijn gegrond. Het besluit van 9 september 2016 dient te worden vernietigd.

Het herstelbesluit van 22 september 2017 en de beroepen tegen het herstelbesluit

6.    Provinciale staten hebben naar aanleiding van de tussenuitspraak bij het herstelbesluit van 22 september 2017 het inpassingsplan opnieuw gewijzigd vastgesteld. Provinciale staten hebben de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan de opdrachten uit de tussenuitspraak beschreven in het document "Provinciaal inpassingsplan ‘Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69’. Verantwoording reparatie naar aanleiding van de tussenuitspraak d.d. 17 mei 2017", dat als bijlage 28 bij de plantoelichting van het gewijzigde inpassingsplan is gevoegd. Uit het document blijkt dat nader onderzoek is verricht, de motivering is aangevuld en de planregels op enkele punten zijn gewijzigd.

7.    In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het volgende bepaald: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

8.    De Afdeling stelt vast dat met het herstelbesluit van 22 september 2017 niet geheel tegemoet is gekomen aan de beroepen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moeten deze beroepen daarom worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

9.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen tegen het herstelbesluit van 9 september 2016 ongegrond verklaard. Zij hebben opnieuw beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 22 september 2017.

Ingekomen zienswijzen en beroepen

10.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben zienswijzen over het herstelbesluit naar voren gebracht. In deze uitspraak zal de Afdeling aan de hand van de zienswijzen beoordelen of provinciale staten de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 9 september 2016 hebben hersteld. Daarnaast zal de Afdeling aan de hand van de beroepschriften van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen beoordelen of het herstelbesluit in stand kan blijven.

Toetsingskader

11.    Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

12.    Bij de beoordeling van de zienswijzen over het herstelbesluit is verder van belang dat de Afdeling behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraken gegeven oordeel.

    Daarnaast kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit of tegen het herstelbesluit van 9 september 2016 naar voren hadden kunnen worden gebracht. De Afdeling zal dergelijke beroepsgronden daarom buiten inhoudelijke bespreking laten. Voor appellanten die in hun beroep tegen het oorspronkelijke besluit geen gronden hebben aangevoerd over het onderwerp van een in de tussenuitspraak gegeven opdracht, geldt daarbij dat zij in hun zienswijze over het herstelbesluit de beroepsgronden niet kunnen uitbreiden met gronden over de manier waarop in dat besluit uitvoering is gegeven aan de opdracht. Dit is alleen anders als zij door het herstelbesluit in een nadeliger positie zijn komen te verkeren.

    Het voorgaande geldt ook voor de beoordeling van de beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen, die na de ongegrondverklaring van hun beroepen tegen het besluit van 9 september 2016 in de tussenuitspraak nu opnieuw beroep hebben ingesteld tegen het herstelbesluit van 22 september 2017.

Natura 2000

Tussenuitspraak

13.    In hun zienswijze over het herstelbesluit van 9 september 2016 hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betoogd dat dit besluit niet de zekerheid biedt dat de vernatting van de Keersopperbeemden - een mitigerende maatregel in verband met stikstofdepositie - geen significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" zal veroorzaken.

    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 21.1 overwogen dat het besluit van 9 september 2016 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Daaraan heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat provinciale staten ter zitting hebben erkend dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels niet in het plan had moeten worden opgenomen, omdat een afsluiting van de Nieuwe Verbinding op zichzelf geen oplossing is bij eutrofiëring als neveneffect van de vernatting van de Keersopperbeemden.

    Verder heeft de Afdeling in overweging 21.4 van de tussenuitspraak overwogen dat het rapport "Inschatting van de mogelijke effecten van hydrologische ingrepen op een alluviaal bos in de Keersopperbeemden" van B-WARE Research Centre van 12 januari 2017 (hierna: het rapport van B-WARE van 12 januari 2017) geen aanleiding geeft voor een gedeeltelijke vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen. De Afdeling heeft daarover overwogen dat de in het rapport voorgestelde maatregel, namelijk het schonen en onderhouden van de afvoergreppel die water vanuit de laagte met alluviaal bos kan afvoeren naar de Keersop en het plaatsen van een stuw in deze greppel, niet in de planregels is vastgelegd en ook niet anderszins publiekrechtelijk is verzekerd. De Afdeling heeft daarnaast overwogen dat nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de manier waarop de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop moet worden ingezet om in geval van eutrofiëring significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" te voorkomen en dat niet vaststaat dat de voorgestelde maatregel afdoende is voor het voorkomen van dergelijke gevolgen.

13.1.    De Afdeling heeft provinciale staten in de tussenuitspraak onder 45.1, sub a, opgedragen om met inachtneming van overweging 21.4 van die uitspraak in aanvulling op het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 nader onderzoek te verrichten naar de manier waarop de in dat rapport bedoelde stuw in de afvoergreppel naar de Keersop moet worden ingezet om in geval van eutrofiëring significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" te voorkomen. Indien provinciale staten op grond van dit onderzoek tot het oordeel komen dat dit een afdoende maatregel is ter voorkoming van significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden door eutrofiëring, dienen zij alsnog in het plan vast te leggen dat een stuw in de afvoergreppel naar de Keersop wordt aangebracht en onder welke omstandigheden en op welke wijze deze stuw moet worden toegepast om eutrofiëring als gevolg van de vernatting van de Keersopperbeemden te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een hiertoe strekkende voorwaardelijke verplichting in de planregels voor de bestemming "Verkeer - 1" of door de aanleg en het gebruik van de stuw op de hiervoor bedoelde wijze anderszins publiekrechtelijk te verzekeren. Indien provinciale staten op grond van het nadere onderzoek tot de conclusie komen dat het aanbrengen en toepassen van de stuw geen afdoende maatregel is ter voorkoming van significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden door eutrofiëring, dienen zij een ander passend besluit te nemen, aldus de Afdeling in de tussenuitspraak.

Herstelbesluit

14.    Om aan de tussenuitspraak te voldoen, hebben provinciale staten nader onderzoek laten uitvoeren naar de inrichtingsmaatregelen die nodig zijn om negatieve bijwerkingen van vernatting van de Keersopperbeemden effectief tegen te gaan, ook bij een extreme mate van vernatting. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in het rapport "Inrichtings- en monitoringsplan alluviaal bos Keersopperbeemden" van B-WARE van 6 juli 2017 (hierna: het rapport van B-WARE van 6 juli 2017). In het rapport wordt de aanleg van een oppervlakkige afwatering voorgesteld, die gereguleerd wordt door een stuw. De stuw maakt het mogelijk om het waterpeil te reguleren tussen 21,80 en 22,20 m boven NAP. De stuw dient ertoe om water af te voeren vanuit de kom met alluviaal bos als er schadelijke neveneffecten dreigen op te treden door de vernatting. In de eerste twee jaar na herinrichting moet een intensieve monitoring plaatsvinden die moet leiden tot de juiste afstelling van het stuwpeil.

    Volgens provinciale staten zijn de maatregelen die in het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 zijn voorgesteld afdoende om significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden te voorkomen. Om de maatregelen en de monitoring te borgen, hebben provinciale staten bij het herstelbesluit artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels gewijzigd.

15.    In artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels, is voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Het is niet toegestaan het doeleind 'wegen' als bedoeld in lid 6.1 in gebruik te nemen of te hebben indien:

[…]

2. geen uitvoering is of wordt gegeven aan het treffen van de maatregelen die zijn beschreven in de Aanvulling op de passende beoordeling die als bijlage 2 deel uitmaakt van deze regels;

3. geen uitvoering is gegeven aan het treffen van de maatregelen die zijn beschreven in het rapport ‘Inrichtings- en monitoringsplan alluviaal bos Keersopbeemden’, dat als bijlage 3 deel uitmaakt van deze regels, welke maatregelen nader zijn te duiden als de herinrichtingsvoorstellen volgens de hoofdstukken 2 en 3 en de monitoringsmethode volgens hoofdstuk 4;

[…]"

    Deze bepaling is van toepassing op de gronden met de bestemming "Verkeer -1 ".

Zienswijzen Oplossing N69 en anderen en Brabantse Milieufederatie

16.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie stellen zich op het standpunt dat het gebrek in het besluit van 9 september 2016 niet is hersteld.

17.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen in de eerste plaats dat de planregels uitsluitend de uitvoering van methode C, zoals voorgesteld in het rapport van B-WARE van 12 januari 2017, mogelijk moeten maken. Methode C houdt volgens hen in dat de greppels langs de Keersopperdreef en watergang KS70 worden gedempt en dat een greppel met stuw wordt geplaatst tussen het alluviale bos en de Keersop. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie stellen dat alleen die methode volgens het rapport van 12 januari 2017 significante negatieve gevolgen voor het alluviale bos in de Keersopperbeemden kan voorkomen. In het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 wordt de demping van KS70 - die een onderdeel vormt van methode C - volgens hen niet meer noodzakelijk geacht. De ontwaterende werking van KS70 kan volgens dat rapport ook door verleming worden opgeheven. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat provinciale staten hiermee de uitgangspunten van het rapport van 12 januari 2017 zonder deugdelijke motivering hebben verlaten.

17.1.    Provinciale staten bestrijden dat in het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 de toepassing van methode C is voorgeschreven en dat die methode met het rapport van 6 juli 2017 is verlaten. Zij stellen dat het rapport van 12 januari 2017 slechts een verkennende studie is en geen concrete herstelmaatregelen bevat. Het rapport bevat volgens hen dan ook geen methode C. Wel bevat het rapport een figuur 5C. Daarin is de grondwaterstroom ter hoogte van het alluviale bos in de Keersopperbeemden schematisch weergegeven. Er is een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie (5A), de situatie met maximale vernatting (5B) en vernatting met handhaving van de grondwaterafvoer richting de beek (5C).

    In het rapport van 6 juli 2017 is nader onderzoek gedaan naar de benodigde inzet van de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop. Dat rapport toont volgens provinciale staten aan dat de stuw zelfs in de meest extreme variant van vernatting vernattingsschade als gevolg van de uitvoering van de mitigerende maatregelen kan voorkomen met behoud van de positieve effecten van vernatting. De manier waarop de drainerende werking van watergang KS70 wordt verminderd, is volgens provinciale staten geen onderdeel van de rapporten van B-WARE. De wijze waarop dit gebeurt, heeft volgens hen namelijk geen relevantie voor het alluviale bos. Wel zijn in paragraaf 3.1 van het rapport van 6 juli 2017 concrete inrichtingsmaatregelen beschreven voor een gecontroleerde waterafvoer via de stuw en de greppel, aldus provinciale staten.

17.2.    In paragraaf 4.1 van het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 staat de aanbeveling om de grondwatertoevoer en de afvoer van oppervlaktewater naar de beek te herstellen en daartoe de afvoergreppel naar de Keersop te schonen en te onderhouden en daarin een stuw te plaatsen. Anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen, was de manier waarop de ontwaterende werking van KS70 wordt opgeheven niet dwingend vastgelegd in dat rapport. Het rapport van 12 januari 2017 maakte dus niet alleen demping van KS70 mogelijk, maar ook verleming. Demping van watergang KS70 vormt dan ook geen vast onderdeel van de maatregel die in het rapport van 12 januari 2017 is beschreven en die door de Afdeling in de tussenuitspraak onder 21.4 is beoordeeld. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten ten onrechte zijn afgeweken van de uitgangspunten van het rapport van 12 januari 2017. De Afdeling neemt hierbij bovendien in aanmerking dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat verleming een oplossing kan bieden voor ongewenste drainerende werking van de watergang en tegelijk juist gunstig is voor onder meer de kwaliteit van de watergang als habitat voor de beekprik.

17.3.        De opdracht in de tussenuitspraak gaat over de manier waarop de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop moet worden ingezet om in geval van eutrofiëring significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" te voorkomen alsmede over het vastleggen van de plaatsing en de toepassing van de stuw in het inpassingsplan. De manier waarop de ontwaterende werking van KS70 wordt opgeheven, maakt geen deel uit van de opdracht die de Afdeling in de tussenuitspraak heeft gegeven. Daarbij is van belang dat verleming van een deel van KS70 al sinds het eerste besluit van 31 oktober 2014 als mitigerende maatregel in het inpassingsplan was opgenomen en door de Afdeling in de tussenuitspraken in stand is gelaten. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat door de keuze voor verleming in plaats van demping niet is voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak.

    Het betoog faalt.

18.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat de rapportages waarnaar in artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 2 en sub 3, van de planregels wordt verwezen onderling tegenstrijdig zijn. Ter zitting heeft de Brabantse Milieufederatie toegelicht dat in de aanvulling op de passende beoordeling gedeeltelijke verleming van watergang KS70 wordt voorgeschreven, terwijl in paragraaf 2.3 van het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 staat dat KS70 gedempt wordt. Hierdoor is niet duidelijk welke maatregelen worden verlangd.

18.1.    Uit artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels volgt dat uitvoering moet worden gegeven aan zowel de aanvulling op de passende beoordeling als het rapport van B-WARE van 6 juli 2017. Niet in geschil is dat de aanvulling op de passende beoordeling verleming van een deel van KS70 voorschrijft. In paragraaf 2.2 van het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 staat dat de ontwaterende werking van KS70 ter hoogte van het vochtige alluviale bos conform de passende beoordeling wordt opgeheven. In paragraaf 2.3 staat dat verschillende scenario’s zijn doorgerekend. Het rapport vermeldt hierover het volgende:

    "Een extreme variant is het dempen van alle watergangen in dit deel van het dal van de Keersop; de watergangen langs de Keersopperdreef (helemaal links in figuur 3), de KS70 en alle kleinere greppels die met de Keersop of de genoemde watergangen in verbinding staan. Alleen de Keersop is in dit scenario ongewijzigd. Dit scenario wordt hier toegelicht, omdat dit de maximaal te verwachten vernatting is. Middels de stuw moet ook bij dit extreme scenario vernattingsschade kunnen worden voorkomen; er ontstaat dan het scenario C dat in het onderzoek als voorkeurssituatie is aangegeven (…). Aan de westkant treedt maximale vernatting op, omdat hier de KS70 in dit scenario gedempt wordt (…)"

    Naar het oordeel van de Afdeling moet de bovenstaande passage worden begrepen als uitleg van de modellering waarop het rapport van 6 juli 2017 is gebaseerd. De modellering betreft de scenario’s voor vernatting van het gebied. In dat licht kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat waar in paragraaf 2.3 wordt gesproken van demping van een watergang, het opheffen van de ontwaterende werking van die watergang als scenario, dat wil zeggen als gemodelleerde extreme variant, wordt bedoeld en niet de fysieke demping van de watergang. Een extra aanwijzing daarvoor vormt paragraaf 2.2 van het rapport, nu daarin uitdrukkelijk is vermeld dat de ontwaterende werking van KS70 conform de passende beoordeling wordt opgeheven. Zoals hiervoor al is vermeld, gaat de aanvulling op de passende beoordeling juist uit van verleming van een deel van KS70.

    Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat paragraaf 2.3 van het rapport van 6 juli 2017 geen fysieke demping van watergang KS70 voorschrijft. De onderdelen 2 en 3 van artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels zijn daarom niet onderling tegenstrijdig.

    Het betoog faalt.

19.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat het herstelbesluit verder strekt dan de opdracht die de Afdeling in de tussenuitspraak heeft gegeven. Zij stellen dat de Afdeling provinciale staten alleen heeft opgedragen onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop moet worden ingezet om in geval van eutrofiëring significante negatieve effecten voor de Keersopperbeemden te voorkomen. Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben provinciale staten niet volstaan met onderzoek naar de inzet van de stuw, maar zijn ten opzichte van het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 essentiële veranderingen in de beheermaatregelen voor de Keersopperbeemden aangebracht, of wordt in ieder geval de mogelijkheid daartoe opengehouden.

19.1.    De Afdeling stelt voorop dat de Wro en de Awb er op zichzelf niet aan in de weg staan dat provinciale staten meer of verdergaande wijzigingen aanbrengen in het inpassingsplan dan waartoe de opdracht in de tussenuitspraak verplicht.

    De opdracht in overweging 45.1, onder a, van de tussenuitspraak was primair gericht op het doen van nader onderzoek naar de manier waarop de stuw moet worden ingezet om significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" te voorkomen en op het vastleggen van deze maatregel in het inpassingsplan, met vermelding van de manier waarop en de omstandigheden waaronder de stuw moet worden toegepast. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak door de maatregelen uit het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 voor te schrijven. Deze maatregelen wijken niet wezenlijk af van de maatregel uit het rapport van 12 januari 2017 die de Afdeling in de tussenuitspraak onder 21.4 heeft beoordeeld. Zoals onder 17.2 is overwogen, maakt demping van watergang KS70 namelijk, anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben betoogd, geen onderdeel uit van de maatregel uit het rapport van 12 januari 2017. Het betoog mist daarom feitelijke grondslag.

20.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie stellen dat uit artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels volgt dat de Nieuwe Verbinding op zijn vroegst na afloop van de monitoringsperiode van twee jaar in gebruik mag worden genomen. Zij vermoeden dat provinciale staten dit niet hebben beoogd. Als provinciale staten van mening zijn dat de Nieuwe Verbinding ook tijdens de periode van monitoring in gebruik mag zijn, zijn significante negatieve effecten op de Keersopperbeemden volgens hen niet uitgesloten.

20.1.    Volgens provinciale staten is artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels wel degelijk zo bedoeld, dat de Nieuwe Verbinding pas in gebruik mag worden genomen nadat de herinrichting volgens de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 is uitgevoerd en de effecten daarvan gedurende twee jaar zijn gemonitord op de manier die in hoofdstuk 4 van dat rapport is beschreven. Provinciale staten stellen dat de monitoring kan worden uitgevoerd tijdens de aanbesteding en de aanleg van de Nieuwe Verbinding. Ter zitting hebben zij bevestigd dat de Nieuwe Verbinding pas na twee jaar monitoring in gebruik mag worden genomen, ook als de aanbesteding en aanleg van de weg minder dan twee jaar in beslag nemen.

    Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels anders is vastgesteld dan provinciale staten hebben beoogd. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat significante negatieve effecten op het vochtige alluviale bos niet zijn uitgesloten doordat de Nieuwe Verbinding al tijdens de monitoringsperiode in gebruik mag worden genomen. Artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 3, van de planregels staat dat namelijk niet toe.

    Het betoog faalt.

21.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat met de voorgestelde maatregelen niet is verzekerd dat zich geen significante negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" zullen voordoen. Volgens hen geldt dit zowel bij verleming als bij demping van watergang KS70.

22.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat bij demping van KS70 significante negatieve effecten op het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden niet zijn uitgesloten. Zij betogen onder meer dat er te veel onduidelijkheden zijn over de vraag hoe significante negatieve effecten kunnen worden voorkomen, dat zich significante negatieve effecten kunnen voordoen bij extreem natte of extreem droge weersomstandigheden en dat demping van KS70 schadelijk is voor de beekprik, die een paaiplaats heeft in deze watergang.

22.1.    Het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 maakt in beginsel zowel verleming als demping van KS70 mogelijk. Op grond van artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 2, van de planregels moeten echter ook de mitigerende maatregelen uit de aanvulling op de passende beoordeling worden uitgevoerd. De verleming van KS70 over een lengte van 300 m is een van die maatregelen. Dit betekent dat bij de uitvoering van het plan alleen voor verleming kan worden gekozen en niet voor demping van KS70. Nu het inpassingsplan demping van KS70 feitelijk niet mogelijk maakt, hoeft niet te worden ingegaan op de bezwaren van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie tegen die maatregel.

23.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie vinden verleming van watergang KS70 onwenselijk. Zij betogen dat met het herstelbesluit nog altijd niet vaststaat dat er bij verleming van KS70 met toepassing van een stuw geen significante negatieve gevolgen zullen zijn voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden. Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie is het plan in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming, omdat uit de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie verwijzen in de eerste plaats naar hetgeen zij in een eerder stadium over de verleming van KS70 hebben aangevoerd. Daarnaast betogen zij dat verleming van KS70 de habitat van de beekprik aantast.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen daarnaast dat verleming van KS70 in strijd is met de afspraken die met waterschap De Dommel en Staatsbosbeheer zijn gemaakt en die zijn beschreven in de brieven van de provincie aan deze instanties van 6 februari 2017.

    Verder wijzen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie op p. 13 van het rapport van B-WARE van 6 juli 2017, waar de grenswaarden en ontwikkelingen worden genoemd die indicatief zijn voor een verslechterende waterkwaliteit. Zij stellen dat er bij deze aspecten te veel onduidelijkheden zijn over de vraag hoe significante negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Daarnaast wijzen zij erop dat peilverlaging noodzakelijk is als uit vegetatieontwikkeling ontwikkelingen blijken die duiden op een verslechterende waterkwaliteit, maar dat bij peilverlaging de stikstofdepositie niet meer gemitigeerd wordt en daardoor ook weer significante negatieve effecten optreden.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen daarnaast dat na vernatting meer schade aan het gebied zal ontstaan bij extreem natte weersomstandigheden. Bij langdurige droogte zal ook schade ontstaan. In de rapporten van B-WARE is dit onvoldoende onderzocht, aldus Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie. Verder blijkt uit het rapport dat er onzekerheden zijn in het grondwatermodel. Daarnaast betogen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie dat de zekerheid over het optreden van significante negatieve gevolgen pas na afloop van de monitoringsperiode van twee jaar kan worden verkregen. Vooraf staat dus niet vast dat deze gevolgen zich niet zullen voordoen. Bovendien is de verleming volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet of zeer moeilijk terug te draaien als blijkt dat de vernatting tot aantasting van het gebied leidt.

23.1.    In artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het volgende bepaald:

"Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid."

    In artikel 2.8, eerste en derde lid, is het volgende bepaald:

"1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

2. […]

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten."

23.2.    De vernatting van de Keersopperbeemden door verleming van KS70 over een lengte van 300 m was al als mitigerende maatregel in verband met stikstofdepositie opgenomen in de aanvulling op de passende beoordeling van 22 augustus 2014. Deze maatregel maakte daarmee al deel uit van de eerste versie van het inpassingsplan die bij het besluit van 31 oktober 2014 is vastgesteld. De Afdeling heeft in de tussenuitspraken over de vernatting van de Keersopperbeemden geoordeeld en deze maatregel in stand gelaten. Daarbij zijn in de tussenuitspraak van 20 april 2016 onder meer de gevolgen van de verleming van KS70 voor de beekprik beoordeeld. De Afdeling ziet in hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie over de gevolgen voor de beekprik hebben aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op het oordeel dat in de tussenuitspraak van 20 april 2016 is gegeven.

23.3.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben verwezen naar afspraken met het waterschap en Staatsbosbeheer die zijn beschreven in de brieven van 6 februari 2017. De Afdeling stelt vast dat deze brieven achterhaald zijn door de tussenuitspraak van 17 mei 2017 en het rapport van B-WARE van 6 juli 2017. Naar het oordeel van de Afdeling hoefden provinciale staten dan ook niet vast te houden aan de afspraken zoals die in de brieven van 6 februari 2017 zijn neergelegd. In latere brieven van 26 juli 2017 en 14 augustus 2017 zijn de afspraken met het waterschap en Staatsbosbeheer gewijzigd onder verwijzing naar het rapport van B-WARE van 6 juli 2017. De gewijzigde afspraken houden in dat de beheerders de maatregelen uit dat rapport zullen uitvoeren. De uitvoering van de maatregelen is ook in het inpassingsplan voorgeschreven.

23.4.    Met de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop kan het waterpeil in de Keersopperbeemden worden verlaagd. Dat betekent echter niet dat de vernatting van de Keersopperbeemden - die in de tussenuitspraak van 20 april 2016 als noodzakelijke mitigerende maatregel vanwege stikstofdepositie is aangemerkt - geheel ongedaan wordt gemaakt. Provinciale staten hebben hierover naar voren gebracht dat er zelfs bij verlaging van het waterpeil met de stuw nog steeds een veel grotere grondwateraanvoer is dan in de huidige situatie, zodat nog steeds sprake is van vernatting. Het gebied wordt daardoor volgens provinciale staten vooral in de zomer veel minder droog dan nu. Hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie naar voren hebben gebracht, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de stelling van provinciale staten te twijfelen. Gelet hierop bestaat geen grond voor de verwachting dat een peilverlaging door het gebruik van de stuw ertoe leidt dat de nadelige gevolgen van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" niet meer voldoende worden gemitigeerd.

23.5.    Volgens het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 kan vernattingsschade optreden in de Keersopperbeemden. Daarbij is uitgegaan van het meest extreme scenario van vernatting. Om negatieve gevolgen door de vernatting te voorkomen, moet er een mogelijkheid zijn om een overschot aan water af te voeren uit de kom met het alluviaal bos. De stuw in de afvoergreppel naar de Keersop, die het waterpeil kan reguleren tussen 21,80 en 22,20 m boven NAP, voorziet daarin.

    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de in het rapport van 6 juli 2017 omschreven maatregelen afdoende zijn om ongewenste neveneffecten van de vernatting van de Keersopperbeemden door eutrofiëring te voorkomen. Volgens provinciale staten is altijd een instelling van de stuw mogelijk waarbij geen significante negatieve gevolgen optreden voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden. De monitoring gedurende twee jaar is er dan ook niet op gericht om na te gaan of zich geen significante nadelige gevolgen voordoen, maar is alleen gericht op het bepalen van de gewenste vaste stuwhoogte. Volgens provinciale staten is dus zeker dat de stuw het beoogde effect heeft; alleen de precieze afstelling van de stuw moet nog nader worden bepaald. Het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 voegt hieraan toe dat het wel raadzaam is om het gebied in extreem natte perioden in de gaten te houden; het kan dan gunstig zijn om de afvoer over de stuw tijdelijk te vergroten.

23.5.1.    Naar het oordeel van de Afdeling geeft hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stelling dat de maatregelen uit het rapport van 6 juli 2017 toereikend zijn om significante nadelige gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden te voorkomen. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

23.5.2.    Ten aanzien van de onzekerheden in het grondwatermodel dient allereerst te worden vastgesteld dat ieder model een bepaalde onzekerheidsmarge heeft. Ter zitting heeft deskundige E. Brouwer namens provinciale staten toegelicht dat zeker is dat het grondwater door de beoogde maatregelen zal stijgen, maar dat er enige onzekerheid is over het aantal centimeters waarmee het grondwaterpeil stijgt. In hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat de onzekerheidsmarges in het grondwatermodel zo groot zijn, dat provinciale staten zich niet hadden mogen baseren op de conclusies van het rapport van 6 juli 2017, waaraan dat model ten grondslag is gelegd.

23.5.3.    Over de parameters en grenswaarden voor de monitoring wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor is vermeld, dient de monitoring er niet toe om na te gaan of zich significante nadelige gevolgen voordoen, maar alleen om de precieze afstelling van de stuw in de afvoergreppel te bepalen. Naar het oordeel van de Afdeling is in hoofdstuk 4 van het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 duidelijk genoeg weergegeven met welke aspecten daarbij rekening moet worden gehouden. Nu de monitoring niet gericht is op het constateren van significante nadelige gevolgen voor het vochtige alluviale bos, is het stellen van concrete grenswaarden voor de verschillende parameters naar het oordeel van de Afdeling niet nodig. Daarbij komt dat Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hun kritiek op de voorgeschreven wijze van monitoring niet hebben onderbouwd met een deskundige tegenrapportage. Bovendien hebben provinciale staten toegelicht dat niet voor alle parameters een concrete waarde kan worden aangegeven. Voor de zuurgraad (pH) geldt volgens provinciale staten bijvoorbeeld dat de zuurgraad in de nieuwe situatie nog niet bekend is, er grote dagelijkse fluctuaties in de zuurgraad zijn en de zuurgraad per locatie sterk kan verschillen.

23.5.4.    Over de invloed van extreme weersomstandigheden overweegt de Afdeling het volgende. Voor zover de gestelde schade ontstaat door de vernatting zelf, betreft dit een aspect dat in deze procedure niet meer ter beoordeling staat. De vernatting van de Keersopperbeemden als mitigerende maatregel is in de tussenuitspraken immers al beoordeeld en in stand gelaten.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen tegen de nadelige neveneffecten van de vernatting, waaronder het gebruik van de stuw, bij ernstige droogte tot extra schade leiden. De stuw is alleen bedoeld om een eventueel overschot aan water af te voeren als de vernatting van de Keersopperbeemden nadelige gevolgen voor het alluviale bos dreigt te veroorzaken. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat de stuw leidt tot extra verdroging bij extreem droge weersomstandigheden.

    Provinciale staten hebben ter zitting gesteld dat bij extreem natte weersomstandigheden het gebied onder water komt te staan. Zij hebben toegelicht dat in dat geval het water in de Keersop hoog staat en de stuw vanaf die kant overstroomt. Zonder de stuw zou het water in die situatie ook het gebied instromen. De stuw heeft volgens provinciale staten dus geen invloed op de situatie bij extreme regenval. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat de maatregelen tegen de nadelige neveneffecten van vernatting geen extra schade veroorzaken bij extreem natte weersomstandigheden.

23.5.5.    Naar het oordeel van de Afdeling mochten provinciale staten ervan uitgaan dat het inpassingsplan, met de via een voorwaardelijke verplichting voorgeschreven maatregelen uit het rapport van B-WARE van 6 juli 2017, de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Het inpassingsplan is daarom niet in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Dat de precieze stuwhoogte nog nader moet worden bepaald op basis van de resultaten van de monitoring doet daar niet aan af, nu op grond van het voorgaande kan worden aangenomen dat altijd een stuwpeil mogelijk is waarbij zich geen significante nadelige gevolgen voordoen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden.

23.6.    Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de beroepsgrond dat de verleming van KS70 niet of moeilijk is terug te draaien als zich toch significante nadelige gevolgen door de vernatting van de Keersopperbeemden blijken voor te doen.

23.7.    De betogen falen.

24.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 niet in maatregelen voorziet, indien na de intensieve monitoringsperiode van twee jaar blijkt dat zich ondanks de voorgestane maatregelen significante nadelige gevolgen voordoen. In paragraaf 4.2 van het rapport wordt alleen voorgesteld de ervaringen van de monitoring te verwerken in de bestaande beheer- en monitoringsplannen. Om significante negatieve effecten uit te sluiten, moet volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie het gebruiksgebod van toepassing zijn als de maatregelen niet afdoende blijken te zijn. Artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels voorziet daar echter niet in.

24.1.    Provinciale staten mochten ervan uitgaan dat de maatregelen uit het rapport van B-WARE van 6 juli 2017 toereikend zijn om ongewenste neveneffecten van de vernatting van de Keersopperbeemden door eutrofiëring te voorkomen. Meer in het bijzonder mochten zij ervan uitgaan dat een stuwhoogte is in te stellen die voorkomt dat de vernatting van de Keersopperbeemden significante negatieve gevolgen voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" veroorzaakt. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen onder 23.5.5 is overwogen. De uitvoering van de maatregelen uit het rapport van 6 juli 2017 is verzekerd met een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

    Gelet hierop hoefden provinciale staten geen gebruiksverbod of een andere regeling in de planregels op te nemen voor het geval dat uit de monitoring blijkt dat zich toch significante negatieve effecten voordoen.

    Het betoog faalt.

25.    Gelet op het voorgaande geven de zienswijzen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de opdracht uit overweging 45.1, sub a, van de tussenuitspraak.

Beroepsgronden [appellant sub 4] en anderen

26.    [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat de vernatting van de Keersopperbeemden nadelige gevolgen heeft voor hun eigendommen en hun agrarische bedrijfsvoering en voor de natuur in de omgeving. Zij stellen dat de stuw die door B-WARE is voorgesteld die effecten verergert.

    [appellant sub 4] en anderen betogen in dit verband ook dat de gewijzigde maatregelen die in het herstelbesluit zijn voorgesteld de herstelmaatregelen in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) teniet kunnen doen of kunnen tegenwerken. [appellant sub 4] en anderen wijzen hierbij op het document "PAS-analyse herstelmaatregelen voor 136 Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" van 15 februari 2017. Daarin is in het kader van het PAS als herstelmaatregel vermeld het functioneel herstel van de hydrologie in de Keersop en kavelsloten om de drainerende werking te verminderen en de kwelflux te vergroten.

26.1.    Zoals onder 23.2 is weergegeven, maakte de vernatting van de Keersopperbeemden als mitigerende maatregel al deel uit van het inpassingsplan zoals dat voor het eerst bij het besluit van 31 oktober 2014 is vastgesteld. De maatregel is bij het herstelbesluit op zichzelf niet gewijzigd.

    [appellant sub 4] en anderen hebben in hun beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 31 oktober 2014 geen gronden aangevoerd over de vernatting van de Keersopperbeemden. Gelet op wat onder 12 is overwogen, kunnen [appellant sub 4] en anderen in deze procedure geen nieuwe beroepsgronden aanvoeren over de vernatting van de Keersopperbeemden. Dat is alleen anders voor zover de beroepsgronden specifiek gaan over de aanvullende maatregelen uit het herstelbesluit, in het bijzonder de plaatsing van de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop.

    Het gebied waar de vernatting wordt uitgevoerd en de stuw wordt geplaatst, ligt op de westelijke oever van de Keersop. De gronden van [appellant sub 4] en anderen liggen ten oosten van de Keersop. [appellant sub 4] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen uit het herstelbesluit, met name de plaatsing van de stuw, zullen leiden tot verslechtering van de waterhuishouding van hun gronden in vergelijking met de situatie van vernatting zonder stuw, die al eerder door de Afdeling is beoordeeld. De Afdeling betrekt daarbij dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat de effecten van de vernatting zich beperken tot enkele tientallen meters rond het alluviale bos in de Keersopperbeemden en dat daaromheen, ook ter plaatse van de aan de oostzijde gelegen gronden van [appellant sub 4] en anderen, de ontwaterende werking van watergang KS70 behouden blijft. De stuw wordt ingezet om te grote vernatting te voorkomen of ongedaan te maken. [appellant sub 4] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden.

26.2.    Het document "PAS-analyse herstelmaatregelen voor 136 Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" dateert van na het vorige herstelbesluit van 9 september 2016. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 4] en anderen over de PAS-herstelmaatregelen hebben aangevoerd echter geen aanleiding om terug te komen op het oordeel dat in de tussenuitspraken is gegeven over de vernatting van de Keersopperbeemden, alleen al omdat zij niet hebben geconcretiseerd waarom de vernatting van de Keersopperbeemden of de plaatsing van een stuw in de afvoergreppel naar de Keersop de PAS-herstelmaatregelen voor het gebied zouden doorkruisen.

    Het betoog faalt.

27.    [appellant sub 4] en anderen betogen daarnaast dat provinciale staten te weinig rekening hebben gehouden met de verspreiding van bodemverontreiniging vanaf de voormalige afvalstortplaats aan de Victoriedijk via het grondwater. Hierdoor kan volgens hen verontreiniging in de Keersopperbeemden terechtkomen. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de vernatting van de Keersopperbeemden en de trillingen van het wegverkeer op de Nieuwe Verbinding het risico op verspreiding van de verontreiniging naar de Keersopperbeemden vergroten. Provinciale staten hadden hier volgens [appellant sub 4] en anderen meer onderzoek naar moeten verrichten.

27.1.    In de tussenuitspraak van 17 mei 2017 heeft de Afdeling onder 23.1 overwogen dat de gevolgen van de vernatting van de Keersopperbeemden voor de verspreiding van verontreiniging via kwelwater niet meer inhoudelijk konden worden beoordeeld, omdat [appellant sub 4] en anderen hierover in hun oorspronkelijke beroep geen beroepsgronden hadden aangevoerd. In de tussenuitspraak van 20 april 2016 heeft de Afdeling onder 96 de beroepsgronden over de verspreiding van de verontreiniging door trillingen van het wegverkeer op de Nieuwe Verbinding buiten beschouwing gelaten, omdat deze beroepsgronden te laat waren aangevoerd.

    Gelet op wat onder 12 is overwogen, kan de mogelijke verspreiding van verontreiniging vanaf de voormalige afvalstortplaats in deze procedure alleen nog aan de orde komen, voor zover het specifiek gaat om de gevolgen die de nieuwe maatregelen uit het herstelbesluit, in het bijzonder de plaatsing van de stuw, hiervoor kunnen hebben.

    De stuw in de afvoergreppel naar de Keersop heeft geen invloed op de ligging van de Nieuwe Verbinding of op de hoeveelheid of soort verkeer op de weg. Daarnaast hebben [appellant sub 4] en anderen niet geconcretiseerd hoe de stuw de situatie van het kwelwater verslechtert ten opzichte van de situatie met vernatting van de Keersopperbeemden, maar zonder stuw. [appellant sub 4] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de plaatsing van de stuw het risico van verspreiding van verontreiniging vanaf de voormalige stortplaats via het grondwater vergroot. Daarbij is ook van belang dat de afstand tussen de voormalige stortplaats en de stuw ongeveer 2 km bedraagt.

    Het betoog faalt.

28.    [appellant sub 4] en anderen hebben daarnaast stukken overgelegd over onder meer de aanvraag van een subsidie, de vaststelling van het bestemmingsplan "De Weitens", het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" en een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur. Deze stukken hebben geen betrekking op het herstelbesluit van provinciale staten dat in deze procedure ter beoordeling staat. De Afdeling laat deze stukken daarom in deze uitspraak buiten inhoudelijke beschouwing.

Beroepsgronden Buurtvereniging Braambos

29.    Buurtvereniging Braambos voert aan dat geen sprake kan zijn van de voorgestelde mitigerende maatregel in het natuurgebied Goorbroek voor de negatieve effecten door stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux", omdat al in een eerder stadium is besloten tot vernatting van het beoogde gebied. Verder vreest Buurtvereniging Braambos dat door de vernatting van de Keersopperbeemden wateroverlast zal ontstaan in het gebied Braambos, ten westen van de Keersopperdreef. Provinciale staten hebben hier volgens haar te weinig aandacht aan geschonken.

    Daarnaast wijst Buurtvereniging Braambos op de herstelmaatregelen voor het gebied in het kader van het PAS, in het bijzonder het functioneel herstel van de hydrologie in de Keersop en kavelsloten om de drainerende werking te verminderen en de kwelflux te vergroten. Buurtvereniging Braambos betoogt dat onzeker is of deze herstelmaatregelen en de voorstellen uit het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 met elkaar in overeenstemming zijn.

29.1.    Zoals onder 26.1 is overwogen, was de vernatting van de Keersopperbeemden al als mitigerende maatregel in het besluit van 31 oktober 2014 opgenomen en is deze maatregel met het herstelbesluit op zichzelf niet gewijzigd. Met het herstelbesluit hebben provinciale staten alleen de nadelige neveneffecten van de vernatting willen tegengaan door eisen te stellen aan de plaatsing en het gebruik van een stuw in de afvoergreppel naar de Keersop. Nu Buurtvereniging Braambos in haar beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 31 oktober 2014 geen beroepsgronden over de vernatting van de Keersopperbeemden heeft aangevoerd, kan zij hierover niet alsnog in het kader van het herstelbesluit beroepsgronden aanvoeren. De Afdeling laat het betoog dat al eerder een vernatting van de Keersopperbeemden heeft plaatsgevonden daarom buiten inhoudelijke bespreking.

    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 20 april 2016 onder 72.2 al een oordeel gegeven over de gevolgen van de Nieuwe Verbinding voor de waterhuishouding in Braambos. Naar het oordeel van de Afdeling heeft Buurtvereniging Braambos niet aannemelijk gemaakt dat de stuw in de afvoergreppel naar de Keersop de waterhuishouding in Braambos zal verslechteren in vergelijking met de situatie van vernatting van de Keersopperbeemden, maar zonder stuw. Overigens heeft de projectmanager van de provincie Noord-Brabant zich ter zitting bereid verklaard om bij de uitwerking van het wegontwerp met Buurtvereniging Braambos in overleg te treden over het treffen van maatregelen ter voorkoming van wateroverlast in Braambos.

29.2.    Zoals onder 26.2 is vermeld, dateren de PAS-herstelmaatregelen van na het vorige herstelbesluit van 9 september 2016. De Afdeling ziet in hetgeen Buurtvereniging Braambos over de PAS-herstelmaatregelen heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op het oordeel dat in de tussenuitspraken is gegeven over de vernatting van de Keersopperbeemden, alleen al omdat Buurtvereniging Braambos niet heeft geconcretiseerd waarom de vernatting van de Keersopperbeemden of de plaatsing van een stuw in de afvoergreppel naar de Keersop de PAS-herstelmaatregelen voor het gebied zouden doorkruisen.

    Het betoog faalt.

Externe veiligheid

Tussenuitspraak

30.    In hun zienswijze over het herstelbesluit van 9 september 2016 hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie aangevoerd dat in het rapport "Kwantitatieve risicoanalyse transportleiding langs de Nieuwe Verbinding N69" van Tauw B.V. van 9 juni 2016 (hierna: het rapport van Tauw) geen toereikend onderzoek is verricht naar de vraag of de Nieuwe Verbinding dient te worden aangemerkt als een risicoverhogend object als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb).

    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 37.2 overwogen dat uit het rapport van Tauw niet blijkt dat bij het onderzoek naar de vraag of de Nieuwe Verbinding dient te worden aangemerkt als een risicoverhogend object rekening is gehouden met de mogelijke veranderingen in de waterhuishouding en de bodem door de verdiepte ligging van de Nieuwe Verbinding bij de kruising met de Broekhovenseweg waar een geologische breuk aanwezig is. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat provinciale staten hun stelling dat de invloeden van trillingen op de buisleiding nabij de Broekhovenseweg en op de breuklijn ten gevolge van het verkeer op de Nieuwe Verbinding zich volgens de exploitant van de buisleiding niet voordoen niet hebben gestaafd door het overleggen van correspondentie met de leidingbeheerder dan wel een nadere notitie van bijvoorbeeld Tauw. De Afdeling heeft voorts overwogen dat in de nadere stukken van provinciale staten uitsluitend wordt ingegaan op de effecten van de trillingen van verkeer en dat de vraag of de mogelijke veranderingen in de waterhuishouding en de bodem door de verdiepte ligging van de Nieuwe Verbinding bij de kruising met de Broekhovenseweg risicoverhogend is voor de buisleiding niet expliciet wordt beantwoord.

30.1.    De Afdeling heeft provinciale staten in de tussenuitspraak onder overweging 45.1, sub b, opgedragen met inachtneming van overweging 37.2 van die uitspraak alsnog toereikend te motiveren of de mogelijke trillingen van zwaar vrachtverkeer op de weg en de mogelijke veranderingen in de waterhuishouding en de bodem door de verdiepte ligging van de Nieuwe Verbinding bij de kruising met de Broekhovenseweg, waar ook een geologische breuk aanwezig is, risicoverhogend kunnen zijn voor de buisleiding voor het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen met als gevolg dat de Nieuwe Verbinding moet worden aangemerkt als een risicoverhogend object als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Bevb. Indien de Nieuwe Verbinding dient te worden aangemerkt als een risicoverhogend object, dienen provinciale staten alsnog onderzoek te verrichten naar de gevolgen voor de externe veiligheid in verband met de buisleiding en daarbij te toetsen aan de grenswaarde en de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, een gewijzigde, passende planregeling vast te stellen.

Herstelbesluit

31.    Om aan de tussenuitspraak te voldoen, hebben provinciale staten nader onderzoek laten verrichten naar de gevolgen voor de externe veiligheid. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Beantwoording tussenuitspraak Raad van State; risicoverhogende objecten" van LievenseCSO van 9 augustus 2017 (hierna: de notitie van Lievense). Volgens provinciale staten is in deze notitie aangetoond dat mogelijke trillingen van zwaar vrachtverkeer op de weg en de mogelijke veranderingen in de waterhuishouding en de bodem door de verdiepte ligging van de Nieuwe Verbinding bij de kruising met de Broekhovenseweg niet risicoverhogend zijn voor de buisleiding. De Nieuwe Verbinding is daarom volgens hen geen risicoverhogend object.

    Provinciale staten hebben de aanbeveling uit de notitie overgenomen om de parallel aan de Broekhovenseweg gelegen sloten die worden onderbroken door de verdiepte ligging aan te sluiten op de bermsloten van de Nieuwe Verbinding. Daartoe hebben provinciale staten een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 6, lid 6.3.1, onder c, sub 4, van de planregels.

Zienswijzen Oplossing N69 en anderen en Brabantse Milieufederatie

32.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat de Nieuwe Verbinding een risicoverhogend object is. Bij het nemen van het herstelbesluit had daarom aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgevonden risico moeten worden getoetst.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie stellen zich op het standpunt dat sprake is van een risicoverhogend object in de zin van artikel 11, derde lid, van het Bevb als er met het object een groter risico voor de buisleiding bestaat dan zonder het object het geval is. Zij betogen aldus dat iedere verhoging van het risico betekent dat de weg een risicoverhogend object is. Elke toename van het risico, hoe klein ook, dient uitgesloten te zijn, om zo te voorkomen dat sprake is van een risicoverhogend object. Volgens hen betekent het gegeven dat wordt voldaan aan de norm NEN 3650 niet dat de trillingen van zwaar vrachtverkeer op de Nieuwe Verbinding het risico voor de buisleiding niet verhogen.

32.1.    Volgens provinciale staten is de Nieuwe Verbinding geen risicoverhogend object als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Bevb. De notitie van Lievense toont volgens hen aan dat de trillingen van vrachtverkeer op de Nieuwe Verbinding en de veranderingen in de waterhuishouding en de bodem door de verdiepte ligging van de weg bij de kruising met de Broekhovenseweg niet risicoverhogend zijn voor de buisleiding. Uit de notitie blijkt volgens hen dat zich geen wijziging voordoet in de externe veiligheid van de buisleiding.

    Nu geen sprake is van een risicoverhogend object, ontbreekt volgens provinciale staten de verplichting om in zoverre te toetsen aan de grenswaarden en de richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Als de Nieuwe Verbinding volledigheidshalve niettemin zou worden beoordeeld als een risicoverhogend object voor de buisleiding, worden volgens provinciale staten de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico niet overschreden. Het invloedsgebied is bij een calamiteit beperkt tot maximaal enkele tientallen meters vanaf de buisleiding. Ter hoogte van de Broekhovenseweg bevinden zich binnen die afstand geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten. Het dichtstbijgelegen beperkt kwetsbare object staat op een afstand van 300 m van de buisleiding, aldus provinciale staten.

32.2.    In de notitie van Lievense staat dat de buisleiding voldoet aan de norm NEN 3650. Trillingen van vrachtverkeer zijn daarmee niet risicoverhogend voor de buisleiding. In de notitie staat hierover dat trillingen van vrachtverkeer als verkeersbelasting worden meegenomen in de berekening van buisleidingen volgens NEN 3650. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat dit betekent dat een buisleiding die aan de NEN 3650 norm voldoet, bestand is tegen de trillingen van zwaar vrachtverkeer. Provinciale staten hebben in dat verband ook gesteld dat de buisleiding op andere plaatsen, bijvoorbeeld in de buurt van Rotterdam, een aantal zeer drukke wegen kruist.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben niet bestreden dat de buisleiding voldoet aan NEN 3650. Ook hebben zij niets naar voren gebracht wat aanleiding geeft om te betwijfelen dat een buisleiding die aan deze norm voldoet, bestand is tegen trillingen van zwaar vrachtverkeer.

32.3.    In de notitie van Lievense staat dat de aanleg van de Nieuwe Verbinding mogelijk leidt tot een grondwaterstandsverhoging van 5 tot 10 cm ter plaatse van de buisleiding. In de huidige situatie ligt de buisleiding op of net boven het grondwaterniveau. In de toekomstige situatie komt de leiding verder onder het grondwater te liggen. De notitie van Lievense concludeert, onder verwijzing naar een notitie van Deltares die als bijlage bij de notitie is gevoegd, dat de spanningen in de buisleiding niet significant wijzigen als gevolge van de mogelijk verhoogde waterstand ter plaatse van de leiding.

    Over de veranderingen in de bodem voor de verdiepte ligging van de Nieuwe Verbinding staat in de notitie van Lievense dat de aanwezigheid van de breuklijn geotechnisch geen significante gevolgen heeft voor de draagkracht van de bodem. Verplaatsingen in de breuklijn vinden plaats in een orde van grootte van 0,05 mm per jaar, terwijl buisleidingen die aan NEN 3650 voldoen berekend moeten worden op een verschilzetting van 100 mm. De optredende verplaatsingen in de breuklijn zijn daarmee volgens de notitie van Lievense niet significant voor de spanningen in de buisleiding bij kruising van de leiding met de breuklijn. Omdat de breuklijn de leiding niet kruist ter hoogte van de Broekhovenseweg, zijn de verplaatsingen ten gevolge van de breuklijn ter plaatse van de leiding nihil, aldus de notitie.

    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben deze conclusies niet inhoudelijk bestreden.

32.4.    De Afdeling leidt uit de notitie van Lievense af dat voor zover de Nieuwe Verbinding al een verhoging van het risico voor de buisleiding veroorzaakt, de in de notitie onderzochte factoren geen risicoverhoging van enige betekenis opleveren voor de externe veiligheid van de buisleiding. Naar het oordeel van de Afdeling is daarom geen sprake van een risicoverhogend object in de zin van artikel 11, derde lid, van het Bevb. De Afdeling deelt het standpunt van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie dat elke verhoging van het risico, hoe gering ook, de Nieuwe Verbinding tot een risicoverhogend object maakt dan ook niet.

    Zoals hiervoor is overwogen, geeft hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een wijziging van de externe veiligheid van de buisleiding.

32.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in het herstelbesluit alsnog voldoende hebben gemotiveerd dat de Nieuwe Verbinding niet hoeft te worden aangemerkt als een risicoverhogend object als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Bevb. Provinciale staten hebben dan ook voldaan aan de opdracht uit overweging 45.1, sub b, van de tussenuitspraak.

    De betogen falen.

Conclusie

33.    De beroepen tegen het herstelbesluit van 22 september 2017 zijn ongegrond.

INPASSINGSPLAN "NIEUWE VERBINDING GRENSCORRIDOR N69 - 1E HERZIENING"

De beroepen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie

34.    Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moeten de beroepen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie worden geacht mede te zijn gericht tegen het herzieningsbesluit van 22 september 2017. Het herzieningsbesluit is namelijk een besluit tot wijziging van het inpassingsplan waartegen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie beroep hebben ingesteld en dit besluit komt niet geheel tegemoet aan hun beroepen.

35.    Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben geen beroepsgronden over het herzieningsbesluit ingediend. Ter zitting hebben zij verklaard dat zij niet tegen dit besluit opkomen. De van rechtswege ontstane beroepen van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie tegen het herzieningsbesluit moeten daarom worden geacht te zijn ingetrokken.

De beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen

36.    Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het herzieningsbesluit.

37.    Buurtvereniging Braambos voert aan dat de wijze van vernatting die is voorgesteld in het rapport van B-WARE van 12 januari 2017 nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding in Braambos. Zij vreest dat door de vernatting van de Keersopperbeemden wateroverlast zal ontstaan ten westen van de Keersopperdreef. Provinciale staten hebben hier volgens Buurtvereniging Braambos te weinig aandacht aan geschonken.

    [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat de vernatting van de Keersopperbeemden nadelige gevolgen heeft voor hun agrarische bedrijfsvoering en voor de natuur in de omgeving. Daarnaast betogen [appellant sub 4] en anderen dat provinciale staten onvoldoende rekening hebben gehouden met de verspreiding van bodemverontreiniging vanaf de voormalige afvalstortplaats aan de Victoriedijk via het grondwater. Volgens hen vergroten de vernatting van de Keersopperbeemden en de trillingen van het wegverkeer op de Nieuwe Verbinding het risico op verspreiding van de verontreiniging. Provinciale staten hadden hier volgens [appellant sub 4] en anderen meer onderzoek naar moeten verrichten.

37.1.    Provinciale staten hebben met het herzieningsbesluit een aantal technische aanpassingen aan het wegontwerp van de Nieuwe Verbinding doorgevoerd. Deze aanpassingen houden geen verband met de vernatting van de Keersopperbeemden en hebben daar gezien hun aard en locatie geen gevolgen voor. De beroepsgronden over de gevolgen van de vernatting van de Keersopperbeemden zijn niet gericht tegen de aanpassingen in het herzieningsbesluit en kunnen reeds daarom niet slagen.

37.2.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 20 april 2016 onder 96.2 de beroepsgronden van [appellant sub 4] over de gevolgen van trillingen van het verkeer op de Nieuwe Verbinding voor de verspreiding van verontreiniging ter plaatse van de voormalige afvalstortplaats buiten beschouwing gelaten, omdat deze beroepsgronden te laat naar voren waren gebracht.

    Het herzieningsbesluit voorziet niet in aanpassingen van het wegontwerp in de directe omgeving van de voormalige afvalstortplaats aan de Victoriedijk. De aanpassingen die het dichtst bij de Victoriedijk zijn voorzien, betreffen de ondergrondse buisleiding, de aanleg van een fietspad en een wijziging van de plangrens ten behoeve van de constructie van een brug, waarbij de ligging van de Nieuwe Verbinding zelf niet wordt gewijzigd. Deze aanpassingen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig, dat aanleiding bestaat om in het kader van het beroep tegen het herzieningsbesluit alsnog in te gaan op de gevolgen van trillingen van het verkeer op de Nieuwe Verbinding voor de verspreiding van verontreiniging vanaf de voormalige stortplaats.

38.    [appellant sub 4] en anderen hebben daarnaast stukken overgelegd over onder meer de aanvraag van een subsidie, de vaststelling van het bestemmingsplan "De Weitens", het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" en een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur. Deze stukken hebben geen betrekking op het herzieningsbesluit van provinciale staten dat in deze procedure ter beoordeling staat. De Afdeling laat deze stukken daarom in deze uitspraak buiten inhoudelijke beschouwing.

39.    [appellant sub 4] en anderen voeren verder aan dat provinciale staten niet hebben gereageerd op hun zienswijze over het ontwerpplan, waarin zij hebben gewezen op de risico’s van de verspreiding van verontreiniging vanaf de voormalige afvalstortplaats.

39.1.    In de Commentaarnota zienswijzen Inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 - 1e herziening" zijn provinciale staten ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 4] en anderen. Zij zijn daarbij ook ingegaan op hetgeen [appellant sub 4] en anderen naar voren hebben gebracht over de voormalige afvalstortplaats aan de Victoriedijk. Het betoog mist feitelijke grondslag.

40.    De beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen tegen het herzieningsbesluit van 22 september 2017 zijn ongegrond.

PROCESKOSTEN

41.    Provinciale staten dienen ten aanzien van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

41.1.    Zowel Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen als Groen en Heem Valkenswaard en omstreken hebben verzocht om vergoeding van de reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 10 april 2018. Zij hebben, samen met anderen, één gezamenlijk beroepschrift ingediend. De Afdeling ziet in dit geval geen aanleiding om voor meer dan één persoon een vergoeding van de reiskosten toe te kennen, te meer omdat L. de Brouwer van Groen en Heem Valkenswaard en omstreken ter zitting niet als gemachtigde is opgetreden.

41.2.    De Brabantse Milieufederatie heeft in verband met de zitting van 16 november 2015 verzocht om vergoeding van de kosten van door mr. J.E. Dijk beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Uit het beroepschrift van de Brabantse Milieufederatie blijkt niet dat dit is opgesteld en ingediend door mr. Dijk. Daarnaast is de Brabantse Milieufederatie tijdens de zitting van 16 november 2015 niet door mr. Dijk vertegenwoordigd of bijgestaan. Er bestaat daarom geen aanleiding voor vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de Brabantse Milieufederatie. Dat de Brabantse Milieufederatie zich heeft aangesloten bij de beroepsgronden die mr. Dijk namens Oplossing N69 en anderen naar voren heeft gebracht, is daarvoor niet voldoende.

42.    Ten aanzien van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen en anderen en Stichting Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 9 september 2016, kenmerk 47/16, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 9 september 2016, kenmerk 47/16;

III.    verklaart de beroepen tegen het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 22 september 2017, kenmerk 46/17, tot vaststelling van het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69", ongegrond;

IV.    verklaart de beroepen van Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 4] en anderen tegen het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 22 september 2017, kenmerk 52/17, tot vaststelling van het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 - 1e herziening", ongegrond;

V.    veroordeelt provinciale staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 2.939,86 (zegge: tweeduizend negenhonderdnegenendertig euro en zesentachtig cent), waarvan € 2.755,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 143,65 (zegge: honderddrieënveertig euro en vijfenzestig cent), aan Stichting Brabantse Milieufederatie;

VI.    gelast dat provinciale staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoeden ten bedrage van:

a. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor Stichting Brabantse Milieufederatie.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Teuben
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2018

483.