Uitspraak 201701909/1/V2

Datum van uitspraak: donderdag 31 mei 2018
Tegen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:1803

201701909/1/V2.
Datum uitspraak: 31 mei 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 februari 2017 in zaken nrs. 17/1554 en 17/1558 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 17 februari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 201704302/1/V2 ter zitting behandeld op 7 november 2017, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Hadfy-Kovács en mr. M.M. Favier, zijn verschenen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is afkomstig uit Irak. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij door zijn bekering tot het christendom en een in zijn hals getatoeëerd christelijk kruis bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Standpunten partijen

3.    In zijn twee grieven, die hij in zijn nadere stuk en ter zitting bij de Afdeling nader heeft toegelicht, betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak gevaar loopt. Hij voert aan dat hij alleen al door zijn tatoeage zal worden beschouwd als christen of afvallige van de islam en dat het niet mogelijk is die tatoeage te bedekken. Van hem kan evenmin worden gevergd dat hij zijn tatoeage verwijdert of aanpast, omdat dit in strijd is met artikel 11 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het EU Handvest.

4.    In zijn schriftelijke inlichtingen en ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat voor zijn beoordeling in zaken als deze van belang is of hij de bekering al dan niet geloofwaardig acht.

4.1.    Bij een geloofwaardig geachte bekering beschouwt de staatssecretaris een christelijke tatoeage als een uiting van dat geloof. In dat geval beoordeelt hij of een vreemdeling, door zijn christelijke geloofsovertuiging en tatoeage, bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

4.2.    Als de staatssecretaris een bekering niet geloofwaardig acht, verwacht hij dat een vreemdeling een eventueel risico bij terugkeer wegneemt door de tatoeage te bedekken en bedekt te houden, of vóór terugkeer te verwijderen of aan te passen. Volgens de staatssecretaris is dit laatste niet in strijd met artikel 11 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het EU Handvest. In dat verband wijst hij erop dat de vreemdeling zich zelf in deze positie heeft gebracht omdat hij in Nederland een tatoeage heeft laten plaatsen voordat duidelijkheid bestond over zijn verblijfsstatus. Daarom is het de eigen verantwoordelijkheid van een vreemdeling om vóór terugkeer te bewerkstelligen dat de tatoeage wordt verwijderd of aangepast, dan wel in het land van herkomst te bedekken. De staatssecretaris wijst er daarbij op dat het verwijderen van een tatoeage door middel van lasertechniek een veel voorkomende, relatief eenvoudige en weinig ingrijpende behandeling is en dat hij een vreemdeling niet direct na het afwijzende besluit uit Nederland verwijdert, maar een vreemdeling in voorkomend geval enige tijd biedt om een dergelijke behandeling voor terugkeer te laten uitvoeren.

Beoordeling

5.    In hoger beroep is niet in geschil dat de door de vreemdeling gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is.

5.1.    De vreemdeling heeft gesteld dat hij alleen al door zijn christelijke tatoeage in Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, en dus niet met een dergelijke tatoeage kan terugkeren. Dat betoog heeft hij gestaafd met informatie over de behandeling van tot het christendom bekeerde moslims en afvalligen in Irak. De staatssecretaris heeft dit betoog niet gemotiveerd weersproken. De enkele verwijzing naar een uitspraak van het Britse Upper Tier Tribunal van 9 december 2015, AA/09669/2014 is daarvoor niet voldoende, reeds omdat die uitspraak op dit onderdeel niet is gemotiveerd. De Afdeling gaat daarom in deze zaak uit van het door de vreemdeling gestelde risico.

5.2.    De Afdeling heeft eerder overwogen dat van een vreemdeling wiens gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig is bevonden, kan worden gevergd dat hij uitingen van dat geloof van internet verwijdert en verwijderd houdt om een eventueel risico bij terugkeer te voorkomen. Dat van een vreemdeling gevergd wordt dergelijke geloofsuitingen te verwijderen kan niet worden aangemerkt als het betrachten van terughoudendheid bij het uitdrukking geven aan een geloofsovertuiging, omdat die overtuiging ongeloofwaardig is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1336). Uit deze rechtspraak volgt dat van een vreemdeling wiens bekering ongeloofwaardig is geacht, in beginsel kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam geplaatste christelijke tatoeages bedekt en bedekt houdt.

5.3.    In deze zaak acht de Afdeling het echter, mede gelet op de grootte en locatie van de in de hals aangebrachte tatoeage, niet aannemelijk dat de vreemdeling die tatoeage met kleding kan bedekken en na terugkeer in Irak onder alle omstandigheden bedekt kan houden, om zo het onder 5.1 aangenomen risico te voorkomen. Dat geldt ook voor de eerst ter zitting bij de Afdeling door de staatssecretaris geopperde mogelijkheid dat de vreemdeling zijn tatoeage met, periodiek opnieuw aan te brengen, make-up maskeert.

5.4.    De staatssecretaris heeft vervolgens gesteld dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij zijn tatoeage vóór terugkeer verwijdert of aanpast. Volgens de staatssecretaris is het niet in strijd met de grondrechten op lichamelijke integriteit om dit van de vreemdeling te vergen, omdat hij zich zelf in die positie heeft gebracht. De staatsecretaris wijst voorts op de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2015, die volgens hem kan worden doorgetrokken naar een getatoeëerde vreemdeling wiens bekering ongeloofwaardig is bevonden, en op een uitspraak van het Britse Upper Tier Tribunal van 8 april 2016, AA/05251/2015.

5.5.    De Afdeling stelt voorop dat het aan de staatssecretaris, als nationale beslissingsautoriteit, is om een besluit op een asielaanvraag te nemen, en dat besluit van een deugdelijke motivering te voorzien. De enkele stelling dat het niet in strijd is met artikel 11 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikelen 3 en 7 van het EU Handvest om van een vreemdeling te vergen dat hij op zijn lichaam aangebrachte tatoeages verwijdert of aanpast, omdat die vreemdeling zichzelf in een dergelijke positie heeft gebracht, is niet als een dergelijke motivering te beschouwen. Anders dan de staatssecretaris stelt, bieden de uitspraken van de Afdeling van 24 april 2015 en van het Britse Upper Tier Tribunal van 8 april 2016 geen steun voor zijn standpunt dat van een vreemdeling kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam aangebrachte tatoeages verwijdert of aanpast. In beide uitspraken is immers geen oordeel gegeven over de verenigbaarheid van die actie met de grondrechten op lichamelijke integriteit.

5.6.    Gelet hierop, en omdat niet aannemelijk is dat de vreemdeling zijn tatoeage na terugkeer bedekt kan houden, heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van 20 januari 2017 niet op een deugdelijke motivering berust.

5.7.    De grieven slagen.

6.    De vreemdeling heeft verzocht om over de uitleg van artikel 3 van het EU Handvest een prejudiciële vraag te stellen. Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de Afdeling daar op dit moment geen aanleiding voor (vergelijk punt 57 van het arrest van het Hof van Justitie van 9 september 2015, X en Van Dijk, ECLI:EU:C:2015:564).

Conclusie

7.    Het hoger beroep is gegrond. Wat voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 20 januari 2017 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

7.1.    Dat betekent dat de staatssecretaris zijn standpunt, dat van een vreemdeling wiens bekering tot het christendom ongeloofwaardig is geacht kan worden verwacht dat hij op zijn lichaam aangebrachte tatoeages verwijdert of aanpast, nader moet motiveren. Bij die motivering zal hij aandacht moeten besteden aan de vraag hoe dit standpunt zich verhoudt tot de grondrechten op de lichamelijke integriteit, zoals neergelegd in artikel 11 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikelen 3 en 7 van het EU Handvest. Bij die motivering moet hij tevens aandacht besteden aan het arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 2018, Hivatal, ECLI:EU:C:2018:36, punt 53.

8.    De staatssecretaris kan bij zijn besluitvorming ook betrekken of het handelen van een vreemdeling er louter op is gericht een verblijfsvergunning asiel af te dwingen (vergelijk artikel 5, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn en de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:435). Daarbij wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat in onderhavige zaak, zoals ter zitting bij de Afdeling is besproken, niet van dergelijk handelen is gebleken.

9.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 februari 2017 in zaken nrs. 17/1554 en 17/1558;

III.    verklaart het in die zaken ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 20 januari 2017, kenmerk [...];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.R.M. Brouwer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Brouwer
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018

791.


BIJLAGE - Wettelijk kader

EU Handvest

Artikel 3

1. Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

[…]

Artikel 7

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

EVRM

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Grondwet

Artikel 11

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.