Uitspraak 201609542/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 24 januari 2018
Tegen: de raad van de gemeente Amersfoort
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Utrecht
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:246

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201609542/1/R6.
Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de Vereniging Behoud Bos Birkhoven en Bokkeduinen (hierna: de Vereniging BBBB), gevestigd te Amersfoort,
2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] en andere, wonend en gevestigd te Amersfoort, (hierna: [appellant sub 2A] en andere),
3.    AMVEST woningen-Nova Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Westelijke ontsluiting" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging BBBB, [appellant sub 2A] en andere en AMVEST beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging BBBB, [appellant sub 2A] en andere, AMVEST en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2017, waar de Vereniging BBBB, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.I. de Haan, advocaat te Amersfoort, [appellant sub 2A] en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, AMVEST, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. de Snoo en mr. A.E.M. Langerhuizen, beiden advocaat te Amsterdam, bijgestaan door meerdere personen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord het Dierenpark Amersfoort, vertegenwoordigd door mr. N. Fokke, [gemachtigde A] en [gemachtigde B].

Overwegingen

Goede procesorde

1.    Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

1.1.    De raad heeft binnen de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb nadere stukken ingediend. Deze stukken bestaan uit negen rapporten.

1.2.    AMVEST heeft ter zitting betoogd dat het door de raad nader ingediende rapport "Cultuurhistorisch advies t.a.v. het concept-wegtracé over de tuin- en parkeeraanleg van het klooster Onze Lieve Vrouw ter Eem te Amersfoort" van 24 augustus 2017, opgesteld door onderzoeksbureau Binnenstad en Buitenleven (hierna: het cultuurhistorisch advies), in strijd met de goede procesorde is ingediend en derhalve buiten beschouwing moeten blijven.

1.3.    Gelet op artikel 8:58 van de Awb kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Vaststaat dat het cultuurhistorisch advies op 25 augustus 2017 bij de Afdeling is binnengekomen en derhalve tijdig door de raad is ingediend. Het advies omvat 31 pagina’s en is een reactie op onder andere het beroepschrift van AMVEST en de door haar ingediende rapporten. Voorts wordt daarin gereageerd op het nadere stuk van AMVEST van 9 augustus 2017. Ter zitting is AMVEST in haar pleitnota uitvoerig ingegaan op het cultuurhistorisch advies en heeft AMVEST aldus adequaat op het stuk kunnen reageren.

    Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het cultuurhistorisch advies zodanig laat is ingediend, dat het wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

Het plan

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.1.    Het plan maakt de aanpassing van de (rond)weg mogelijk tussen de Stichtse Rotonde tot aan de Birkstraat aan de westelijke zijde van Amersfoort. Zo zal de woonstraat Daam Fockemalaan geen deel meer zijn van de rondweg. De westelijke ontsluiting zal aan de westzijde van deze straat komen. Ook komt de voorziene weg voor een deel verdiept te liggen zodat hij onder het spoor door gaat. Verder komt er een apart gelegen fietsroute en een fietsbrug.

2.2.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

    Bijlage I, onderdeel 3, onder 3.4, vermeldt ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de aanleg of wijziging van wegen.

2.3.    De aanleg van de westelijke ontsluiting valt onder de in de bijlage I, onder 3.4, van de Crisis- en herstelwet genoemde gevallen. Als gevolg daarvan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Belanghebbenden

[appellant sub 2C]

3.    Het beroepschrift van [appellant sub 2A] en andere is mede namens [appellant sub 2C] en [appellante sub 2D] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2C]) ingediend. [appellant sub 2C] woont aan de [locatie] op ongeveer 150 m van het plangebied. De raad betwist dat hij als belanghebbende kan worden aangemerkt, gelet op de afstand tussen het plangebied en zijn woonperceel.

3.1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2.    Vanuit zijn woning heeft [appellant sub 2C] weliswaar geen zicht op de in het plan voorziene weg, maar gelet op de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden uitgesloten dat geluidsgevolgen ter plaatse van de woning van [appellant sub 2C] zullen optreden. Gelet daarop is de conclusie dat [appellant sub 2C] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, en is zijn beroep derhalve ontvankelijk.

Vereniging BW-laan Even-Nummers

3.3.    Het beroepschrift van [appellant sub 2A] en andere is tevens namens de Vereniging BW-laan Even-nummers ingediend. De raad trekt in twijfel of deze vereniging als belanghebbende kan worden gezien, omdat het plan volgens de raad niet rechtstreeks haar belang, zoals dat blijkt uit haar statutaire doelstelling, raakt.

3.4.    Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.5.    In de statuten van de vereniging staat:

"De vereniging stelt zich ten doel het behartigen van de belangen van haar leden in de meest ruime zin, in het bijzonder waar het plannen of activiteiten betreft van welke instantie of persoon dan ook, welke betrekking hebben op de inrichting van en de activiteiten en bewegingen op het spoor en het emplacement grenzend aan de Barchman Wuytierslaan."

3.6.    De vereniging komt blijkens haar doelstelling op voor de belangen van haar leden, die allen aan de Barchman Wuytierslaan wonen, in de meest ruime zin. Vast staat dat de westelijke ontsluiting in de directe omgeving van de Barchman Wuytierslaan komt te liggen en dat een deel van de Barchman Wuytierslaan in verband met de verdiepte ligging van de aansluiting op de westelijke ontsluiting opnieuw wordt ingericht. Het betoog van de raad dat de statutaire doelstelling alleen ziet op een verandering aan het spoor onderschrijft de Afdeling niet. Anders dan de raad meent, ziet de doelstelling gelet op de woorden "in het bijzonder" niet uitsluitend op activiteiten op en rondom het spoor. De Afdeling stelt vast dat de aanleg van de weg rechtstreeks de belangen van alle personen raakt die als omwonenden feitelijke gevolgen daarvan kunnen ondervinden. De Vereniging BW-laan Even-Nummers brengt door het optreden in rechte aldus een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee een effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van individuele natuurlijke personen die door dat besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door de vereniging tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht. Gelet op het vorenstaande dient de Vereniging BW-laan Even-Nummers als belanghebbende bij het bestreden besluit te worden aangemerkt.

Nut en noodzaak

4.    De plannen voor een nieuwe infrastructuur aan de westzijde van Amersfoort kennen een lange voorgeschiedenis. In 1957 al is een westelijke ontsluiting in een beleidsstuk opgenomen. In het rapport "Westtangent; Verkeerskundige Nut en Noodzaak" van november 2004, opgesteld door onderzoeksbureau DHV (hierna: het verkeersonderzoek), is nut en noodzaak onderzocht en is geconcludeerd dat de kwaliteit van de verkeersafwikkeling aan de westzijde van Amersfoort op korte termijn, dat wil zeggen voor 2010, onvoldoende is. Hoewel filevorming in 2004 nog niet structureel is in de spits, is het de verwachting dat die er in 2010 in de spits wel is en in 2020 zelfs ook buiten de spits, aldus dit rapport. In 2009 is het mobiliteitsprogramma VERDER ontwikkeld dat als doel heeft de bereikbaarheid van Midden Nederland te verbeteren. Het voorliggende plan maakt deel uit van dat maatregelenpakket. In dit pakket wordt een minimale doorstroomsnelheid gehanteerd van 0,5 x de ontwerpsnelheid. Voor voorliggend traject betekent dit dat de doorstroomsnelheid minimaal 25 km/u moet zijn, aangezien dit traject een ontwerpsnelheid van 50 km/u heeft. In 2011 is er een uitgebreid verkeersonderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat de doorstroomsnelheid op voorliggend traject 21 km/u bedroeg en derhalve niet aan de minimale doorstroomsnelheid werd voldaan. In 2020 zal de doorstroomsnelheid verslechteren tot minimaal 10 km/u. Op grond van voornoemde gegevens heeft de raad nut en noodzaak gezien voor de vaststelling van voorliggend plan.

4.1.    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere betogen dat nut en noodzaak van de westelijke ontsluiting onvoldoende zorgvuldig is onderzocht. Van belang is dat in een verkeersonderzoek uit 2004 is voorspeld dat als er niets gedaan zou worden, het verkeer op de Daam Fockemalaan/Barchman Wuytierslaan binnen 10 jaar volledig vast zou lopen. Dat is tot op heden geheel niet aan de orde. De verkeersontwikkeling is in de afgelopen 5 jaren achtergebleven bij de voorspellingen. Ten onrechte wordt de noodzaak voor de aanleg van de weg afgespiegeld aan normen uit het programma VERDER en heeft er een onjuiste verkeersanalyse plaatsgevonden. De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere hebben grote twijfels bij nut en noodzaak van de weg, vooral omdat de weg extra verkeer zal aantrekken en zij in dat verband voor meer overlast als gevolg van de weg vrezen.

    Verder is het gehanteerde verkeersmodel, dat ten grondslag ligt aan nut en noodzaak, ondeugdelijk. Het model is verouderd en er is uitgegaan van onjuiste cijfers voor de bevolkingsgroei en de groei van het aantal arbeidsplaatsen. Volgens hen zijn bij deze cijfers ten onrechte plannen, waaronder Vathorst West, Lagewerkplaats, Geldersestraat en Kop van Isselt, betrokken waarvan nog onvoldoende vaststaat dat deze doorgang vinden en is onvoldoende rekening gehouden met de grote leegstand van kantoren in Amersfoort. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere het rapport "Nut en noodzaak Westtangent Amersfoort" van 7 mei 2015, opgesteld door onderzoeksbureau XTNT (hierna: het rapport van XTNT van 7 mei 2015), het rapport "Verkeersanalyse Westelijke Omleiding Amersfoort" van 26 juli 2017, ook opgesteld door XTNT (hierna: het rapport van XTNT van 26 juli 2017), een notitie van 12 mei 2016, opgesteld door onderzoeksbureau Techxess Group B.V. (hierna: notitie van Techxess), de memo "Doorstroomsnelheid in de spits, route Westelijke Ontsluiting 2016, Metingen door bewoners Amersfoort" van 9 oktober 2016, opgesteld door Groen West (hierna: de memo van Groen West), en een krantenartikel in de procedure gebracht.

Verkeersmodel verouderd, input

4.2.    Uit de plantoelichting en het "Historisch overzicht besluitvorming westelijke ontsluiting" (hierna: het Historisch overzicht), dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is gevoegd, is de ontstaansgeschiedenis af te leiden. Verder behoort als bijlage 27 bij de plantoelichting het stuk "Uitleg verkeersmodel oktober 2016" (hierna: Uitleg verkeersmodel), waarin het verkeersmodel is beschreven en is toegelicht van welke gegevens is uitgegaan. Over het betoog van appellanten dat het verkeersmodel verouderd is en dat van onjuiste cijfers voor de bevolkingsgroei en de groei van het aantal arbeidsplaatsen is uitgegaan, heeft de raad toegelicht dat het verkeersmodel uit 2011 in 2014 is geactualiseerd, waarbij een doorrekening heeft plaatsgevonden naar het prognosejaar 2025. Voor het aantal inwoners is gebruik gemaakt van de GBA. Voor de groeiprognose heeft de raad toegelicht dat hij gebruik maakt van het Eemland-model. Dit model wordt in samenwerking met een aantal buurgemeenten opgesteld op basis van gegevens uit het Nederlands Regionaal Model (hierna: NRM), die weer landelijke welvaart- en omgevingsscenario’s bevatten voor het hoofdwegennet. Deze NRM-gegevens worden vervolgens ingevuld met lokale en regionale cijfers op basis van tellingen, lokale ontwikkelingen en projecten. Verder heeft de raad toegelicht dat het Eemland-model om de drie jaar geactualiseerd wordt. Nu ten tijde van vaststelling van het plan het Eemland-model uit 2014 de meest actuele versie was, heeft de raad in redelijkheid dit model kunnen gebruiken.

    In de Uitleg verkeersmodel is in een tabel per buurt weergegeven wat de modelinvoer in 2014 is geweest wat betreft inwoners en arbeidsplaatsen, zowel voor het basisjaar 2014 als het prognosejaar 2025. De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere wijzen ter onderbouwing van hun betoog over de onjuist geprognotiseerde bevolkingsgroei en het aantal arbeidsplaatsen naar onder andere de notitie van Techxess. Met de daarin opgenomen algemene verwijzing naar de landelijke CBS-cijfers, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de door de raad gehanteerde cijfers onjuist zijn. Ook de enkele stelling dat de geprognotiseerde groei onjuist is, leidt niet tot een ander oordeel.

    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere stellen dat bij de prognose voor een aantal buurten ten onrechte de inwoners zijn meegeteld omdat daarbij projecten zijn betrokken, waarvoor nog geen bestemmingsplannen zijn vastgesteld. Anders dan de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere veronderstellen is niet vereist dat de volledige besluitvorming van een project is afgerond teneinde te kunnen worden betrokken bij de prognose. In hetgeen de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de genoemde projecten niet in redelijkheid bij de prognose heeft kunnen betrekken. Wat betreft de kantoren die volgens de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere op dit moment leegstaan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet uitgesloten is dat deze kantoorruimte binnen de planperiode weer in gebruik zal worden genomen voor kantoor- of woondoeleinden. De bestemmingen laten immers, zoals ook niet is betwist door de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere, kantoren toe. Verder is de provinciale Thematische Structuurvisie kantoorlocaties opgesteld waarin het beleid is neergelegd om leegstaande kantoorruimte in woningen om te zetten. Voor het buiten beschouwing laten van de verkeersbewegingen vanwege bedoelde locaties heeft de raad geen aanleiding hoeven zien. In dat verband heeft de raad er ook op gewezen dat bij het omzetten van leegstaande kantoorruimte in woningen een toename van verkeer is te verwachten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de prognoses onjuist zijn. Het betoog faalt.

Doorstroomsnelheid

4.3.    Uit de Uitleg verkeersmodel komt naar voren dat de doorstroomsnelheid zonder aanpassing van het traject onder voornoemde norm van 25 km/u blijft. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de normen uit het VERDER programma als uitgangspunt kunnen hanteren. Voor zover de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere, onder verwijzing naar de memo van Groen West, de door de raad berekende doorstroomsnelheid betwisten, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de door de raad opgenomen doorstroomsnelheid te twijfelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat Groen West een actiegroep is van geïnteresseerde omwonenden, waarvan niet is gebleken dat ze verkeersdeskundig zijn. Ook is niet gebleken dat zij met behulp van het rekenmodel een herberekening hebben gemaakt. Voor zover gevreesd wordt voor een toename van verkeer staat in de plantoelichting dat hoewel een toename van verkeer te verwachten is, de gemiddelde doorstroomsnelheid desondanks nog steeds onder de norm zal zijn. Dat de in 2004 voorziene fileproblemen zich nu nog niet voordoen, betekent niet dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verkeer in de toekomst zal groeien, hetgeen dan wel voor fileproblemen kan zorgen. Het betoog faalt.

Conclusie

4.4.    In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersmodel zodanige onjuistheden of leemtes bevat dat de raad zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dit model had mogen baseren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad nut en noodzaak voor de westelijke ontsluiting voldoende zorgvuldig onderzocht. De betogen falen.

Keuze variant 7B

5.    De raad betoogt dat de beroepsgrond van [appellant sub 2A] en andere over het afwegen van de varianten geen steun vindt in een door [appellant sub 2A] en andere ingediende, ontvankelijke zienswijze.

5.1.    Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    [appellant sub 2A] en andere, voor zover ontvankelijk, hebben hun zienswijze gericht tegen het plan als geheel. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Dit betekent dat genoemde beroepsgrond beoordeeld dient te worden.

5.2.    Variant 7B houdt in dat een nieuw stuk weg ten westen van de Aletta Jacobslaan met een tunnel onder het spoor door zal worden aangelegd, dat vervolgens zal worden aangesloten op het bestaande (verbrede) tracé van de Barchman Wuytierslaan in het noorden. Ter hoogte van de kruising met de Prins Frederiklaan zal de weg vanaf het benzinestation op de Daam Fockemalaan verdiept worden aangelegd tot en met de tunnel onder het spoor. Daarna loopt de weg weer op maaiveldhoogte over de bestaande Barchman Wuytierslaan.

5.3.    De Vereniging BBBB betoogt dat ten onrechte geen alternatieven zijn onderzocht, alleen varianten. Voor zover varianten zijn onderzocht is volgens hen onvoldoende onderbouwd waarom niet gekozen is voor de varianten 2, 3 of 4C, nu deze ook goed scoren. Vanuit de provincie is de eis gesteld, dat de weg wat betreft verkeer geen aantrekkende werking mag hebben, terwijl dat met variant 7B wel het geval is. [appellant sub 2A] en andere betogen dat de 10+ variant die door de bewoners is aangedragen, onvoldoende in de besluitvorming is betrokken. AMVEST betoogt dat de keuze voor variant 7B een politieke keuze is en niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Deze variant staat namelijk haaks op het uitgangspunt dat bestaande cultuurhistorische waarden niet mogen worden aangetast, tenzij er geen ander alternatief is. De keuze voor variant 7B is gemaakt zonder Strategische Milieu Beoordeling (hierna: SMB).

Onderbouwing keuze

5.4.    In het "Historisch overzicht besluitvorming westelijke ontsluiting" (hierna: historisch overzicht), dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is gevoegd, is het proces beschreven van hoe de varianten zijn ontstaan en hoe uiteindelijk is gekozen voor variant 7B. Hieruit blijkt dat op 20 december 2011 het aantal varianten is teruggebracht van 30, die tijdens het participatieproces naar voren zijn gebracht, naar 6 varianten. Deze varianten gaan voornamelijk uit van een viaduct over het spoor. Hieraan is na 3 december 2012 nog een variant toegevoegd, te weten variant 7. Deze variant is een combinatie van varianten die bij de eerste trechtering waren afgevallen. Uit variant 7 zijn weer twee varianten ontstaan, te weten 7A en 7B. Op 17 december 2013 heeft de raad teneinde de doorstroming van het verkeer aan de westkant van Amersfoort ter verbeteren, gekozen voor variant 7B, waarbij is gelet op de effecten op het verkeer, het milieu, de leefbaarheid en de inpasbaarheid. Variant 7A is komen te vervallen, omdat deze duurder was dan de varianten 7 en 7B en omdat deze slechter scoorde op het aspect van de verkeersafwikkeling. Verder is als bijlage bij de plantoelichting de "Afwegingsnotitie Westelijke ontsluiting" van september 2015, gevoegd. Hierin is ingegaan op onderdelen die zijn gewijzigd of nader zijn uitgewerkt ten opzichte van het basisontwerp van variant 7B. Daarbij zijn ook betrokken de in de voorprocedure naar voren gebrachte bezwaren.

    De Afdeling is van oordeel dat gelet op de ontstaansgeschiedenis voldoende varianten zijn bezien en dat de afweging voldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft AMVEST niet aannemelijk gemaakt dat aan de keuze voor variant 7B alleen politieke motieven ten grondslag hebben gelegen of dat ter zake een onvoldoende ruimtelijke afweging aan de keuze ten grondslag heeft gelegen, nu effecten zoals verkeer, milieu en doorstroming van het verkeer daarbij zijn betrokken. Het betoog faalt.

Varianten 10+, 2, 3 en 4C

5.5.    Voor zover gesteld wordt dat variant 10+ onvoldoende bij de afweging is betrokken, overweegt de Afdeling als volgt. De variant 10+ is een variant die door de participatiegroep naar voren is gebracht. Deze variant houdt in dat geen nieuw tracé wordt aangelegd, maar dat afhankelijk van waar zich verkeersstremmingen voordoen, de betreffende knelpunten verkeerskundig worden opgelost. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze variant verkeerskundig gelijk is aan variant 0+, met dien verstande dat variant 10+ nog enkele maatregelen bevat die geen of nauwelijks effect op de doorstroomsnelheid hebben, waaronder de verplaatsing van een bushalte. Dit is door appellanten niet weersproken. De variant 0+ is blijkens het Historisch overzicht niet geschikt omdat het niet voldoet aan de criteria van de doorstroomsnelheid. Ondanks dat, heeft de raad deze variant toch laten onderzoeken en uitwerken, zo is uit het Historisch overzicht af te leiden. Nu het verschil tussen variant 10+ en 0+ klein is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het beoordelen van de variant 0+ ook de variant 10+ voldoende is bezien. Het betoog faalt.

5.6.    Variant 2 is een variant waarin slechts een beperkt aantal kleinere maatregelen is opgenomen om de doorstroming op de bestaande route te bevorderen. Voor zover appellanten wijzen op variant 2 overweegt de Afdeling dat uit de stukken naar voren komt dat de belangrijkste argumenten voor de keuze voor variant 7B ten opzichte van variant 2 waren dat variant 7B voldoet aan de VERDER-criteria met betrekking tot het verbeteren van de doorstroming en bereikbaarheid van de westzijde van Amersfoort. Verder verbetert variant 7B de leefbaarheid, aangezien de geluidsbelasting op de Daam Fockemalaan drastisch afneemt. Voorts wordt met deze variant de geïsoleerde ligging van de Beroemde Vrouwenbuurt opgeheven.

    Variant 3 is ongeveer gelijk aan variant 2, met nog een aanvulling van een ongelijkvloerse kruising met het spoor ter hoogte van de Soesterbergsestraat in Soest. Variant 4C houdt in dat variant 2 wordt aangevuld met een ongelijkvloerse kruising via een viaduct over het spoor. Voor zover de Vereniging BBBB op de varianten 2 en 3 en 4C wijst, volgt uit de SMB dat bij deze varianten weliswaar de milieueffecten het minst groot zijn, maar dat de doelstelling om de doorstroming op de westelijke ontsluiting te verbeteren niet of onvoldoende wordt bereikt. In hetgeen is aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid die conclusie de zijne heeft kunnen maken en niet voor die varianten heeft gekozen. Het betoog faalt.

Alternatieven

5.7.    Voor zover de Vereniging BBBB stelt dat ten onrechte geen alternatieven zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat alternatieven, als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de Wet milieubeheer alleen onderzocht dienen te worden als er een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan, moet worden opgesteld. De vraag of de activiteit, waarin dit plan voorziet, daartoe aanleiding gaf of dat de raad heeft kunnen volstaan met de vormvrije m.e.r.- beoordeling zoals hier gedaan, zal de Afdeling verderop in de uitspraak beoordelen.

Conclusie

5.8.    Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de varianten onvoldoende heeft afgewogen en dat de raad niet in redelijkheid voor variant 7B heeft kunnen kiezen. De betogen falen.

Natuur/EHS

6.    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere betogen dat het plan significante effecten heeft voor de Ecologische Hoofd Structuur (hierna: EHS) en in strijd is met artikel 4.11 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 van Utrecht (hierna: PRV 2013). Daartoe voeren ze aan dat de methode "plussen en minnen" onjuist is toegepast. Volgens [appellant sub 2A] en andere heeft de raad ten onrechte de minnen niet bij elkaar opgeteld en is er geen rekening gehouden met onzekerheidsmarges. Verder is, gelet op het plaatje met de onttrokken EHS, de berekening van de oppervlakte van de EHS onjuist en kan het aan te leggen bos in de Eempolder niet als compensatie dienen voor de aantasting van het bosgebied Birkhoven en Bokkeduinen vanwege de verschillende doeltypes die deze bossen nastreven. Bovendien is de natuurontwikkeling een compenserende maatregel in plaats van een mitigerende maatregel. In dat verband wordt verwezen naar enkele uitspraken van de Afdeling waarin het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 15 mei 2014, in zaak nr. C-521/12, Briels ECLI:EU:C:2014:330, www.curia.eu) (hierna: het arrest Briels) is toegepast.

    Voorts brengen de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere naar voren dat uit de stukken onvoldoende blijkt hoe de plussen en de minnen tegen elkaar zijn afgewogen, dat maatregelen ten onrechte als plussen zijn aangemerkt terwijl het compenserende maatregelen zijn en dat maatregelen meerdere keren lijken te zijn gebruikt, zoals de ecologische verbindingszone naar de zogenoemde spoorwegdriehoek. Ook doet de in het plan opgenomen binnenplanse afwijking in artikel 23 van de planregels afbreuk aan een zogenoemde plus, omdat deze bepaling bouwen toestaat.

    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere voeren verder aan dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de soorten in het plangebied. Zo stellen zij dat de das meerdere keren is aangetroffen in het plangebied en dit gebied dus het leef- en foerageergebied van de das is. Met de aantasting van deze gebieden zal er een verslechtering van het leef- en foerageergebied plaatsvinden. Zij wijzen in dat verband onder andere op het rapport "De Das (Meles meles) en het bestemmingsplan Westelijke ontsluiting Amersfoort" van 11 oktober 2016, opgesteld door de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi (hierna: het rapport van de Stichting Dassenwerkgroep) en op waarnemingen van de das in het plangebied.     

    Volgens de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere zijn de plussen onvoldoende in het plan gewaarborgd en is voorts onvoldoende geborgd dat de plussen gelijktijdig met de realisering van het plan worden uitgevoerd, nu de gemeente geen eigenaar is van de gronden waar de plussen plaatsvinden en er geen anterieure overeenkomsten zijn gesloten. Evenmin is er een compensatieplan, waarbij zij verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333. Nu er volgens de Vereniging BBBB een significante aantasting van de EHS plaatsvindt, hadden naast maatschappelijke belangen ook alternatieven voor de verschuiving van de rijbaan ter hoogte van de Barchman Wuytierslaan en het fietspad over de ecologische zone bekeken moeten worden en dat is volgens hen onvoldoende gebeurd.

6.1.    Artikel 4.11, derde lid, van de PRV 2013 luidt ten tijde van belang voor als "Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gebied:

"Een ruimtelijk plan bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:

a. er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn, of de ruimtelijke ontwikkelingen nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen omheinde militaire terreinen mogelijk maken;

b. negatieve effecten voor de natuur worden zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd door inrichting van nieuwe natuur elders, met dien verstande dat:

1e. compensatie plaatsvindt in natura in de omgeving van de ruimtelijke ingreep;

2e. het ruimtelijk plan waarin de compensatie wordt geregeld, gelijktijdig wordt vastgesteld met het ruimtelijk plan waarin de aantastende ruimtelijke ingreep mogelijk wordt gemaakt, tenzij verzekerd is dat de compensatie wordt gerealiseerd;

3e. de compensatie minimaal gelijkwaardig is aan het verlies aan waarden en kenmerken.

c. voor zover compensatie in natura niet mogelijk is in de omgeving en elders ook niet mogelijk is, moet de resterende schade financieel worden gecompenseerd."

6.2.    In het rapport "Realisatie westelijke ontsluiting" van 15 augustus 2016, opgesteld door onderzoeksbureau Bureau Waardenburg bv (hierna: het Natuurrapport) zijn de effecten van het plan op de natuurwaarden onderzocht, waaronder de aantasting van de EHS als gevolg van de verlegging van de rijbaan van de Barchman Wuytierslaan en de verlegging van het fietspad. Volgens de toelichting op de PRV 2013 moeten de volgende waarden in ieder geval worden afgewogen: zones met bijzondere ecologische kwaliteit, gebieden die bepalend zijn voor de aaneengeslotenheid en robuustheid van de EHS, de aanwezigheid van bijzondere soorten, de aanwezigheid van essentiële verbindingen, het behoud van oppervlakte en behoud van samenhang. Verder staat er dat hiervoor de EHS-saldobenadering kan worden toegepast, hetgeen inhoudt dat het gaat om een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft het functioneren van de EHS op gebiedsniveau per saldo te verbeteren, via het vergroten van de waarden en/of het vergroten van de reële oppervlakte aan natuur. Niet elke ingreep leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Ingrepen die - eventueel nadat inrichtingsmaatregelen zijn genomen - de wezenlijke kenmerken en waarden niet significant aantasten, zijn op grond van dit artikel toegestaan. Een "nee, tenzij"-onderzoek kan achterwege blijven, indien het een ontwikkeling van geringe omvang betreft bij een bestaande functie, aldus de toelichting. De raad heeft deze toetsing mede aan de hand van de EHS-wijzer Utrecht van de provincie Utrecht van 2015 uitgevoerd. Hierin wordt een handvat gegeven voor de EHS-toetsing. In de EHS-wijzer Utrecht worden uit de PRV zes toetsingsaspecten afgeleid: 1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; 2. De robuustheid en aaneengeslotenheid van de EHS; 3. De aanwezigheid van bijzondere soorten; 4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen; 5. Behoud van oppervlakte; 6. Behoud van samenhang. In de EHS-wijzer Utrecht wordt de methode beschreven waarbij deze aspecten afzonderlijk worden bezien en vervolgens worden afgewogen.

Plussen en minnen

6.3.    Volgens de EHS-wijzer zijn er drie methoden om significante effecten te voorkomen: 1. plussen en minnen; 2. herbegrenzing; 3. saldobenadering. De raad heeft gebruikmakend van de EHS-wijzer de methode "plussen en minnen" gehanteerd voor het voorliggende plan. Onder plussen en minnen moet worden begrepen, dat het negatieve effect van een nieuwe ontwikkeling kan worden opgeheven met ingrepen die positief zijn voor de natuur, zodat er geen sprake is van een significante aantasting van de EHS.

6.4.    In hoofdstuk 7 van het Natuurrapport zijn de effecten beschreven, waarbij in paragraaf 7.4 van het Natuurrapport de positieve maatregelen, ook wel de "plussen" genoemd, zijn beschreven: 1. Het ecoduct over het spoor; 2. het opheffen van de spoorwegovergang; 3. Het opheffen van de parkeerplaatsen Sportpark Birkhoven; 4. De faunapassage BW-laan; overige maatregelen, waaronder het herplanten van bomen bij de Melksteeg. In de EHS-wijzer staat niets over de vereisten van "plussen en minnen". Er worden alleen aandachtspunten gegeven.

6.5.    Over bedoelde maatregel 2 voeren de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere aan dat deze maatregel al in het bestemmingsplan "Birkhoven en Bokkeduinen 2008" is gebruikt ter compensatie van de uitbreiding van het dierenpark. De Afdeling overweegt als volgt. Maatregel 2 bestaat eruit dat de spoorwegovergang verdwijnt en de rijbaan zijn functionaliteit verliest. De vrijkomende ruimte zal als natuur worden ingericht, waardoor de bestaande barrière tussen Birkhoven en de spoorwegdriehoek wordt opgeheven. De raad heeft uiteengezet dat de gronden waar bedoelde ecologische verbindingszone zal worden gerealiseerd, in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Verkeer" hadden en in dit plan de bestemming "Groen" en de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" gekregen hebben. De raad heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het niet om dezelfde maatregel gaat. Het betoog faalt.

6.6.    Over maatregel 3 voeren de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere aan dat deze maatregel geen plus is, maar een compenserende maatregel als bedoeld in de PRV 2013, omdat de maatregel buiten de EHS ligt en met een overheidsbijdrage wordt gefinancierd. Maatregel 3 houdt volgens het Natuurrapport in dat het bestaande parkeerterrein bij het sportpark wordt opgeheven en verplaatst in de richting van de sportvelden. De vrijgekomen ruimte zal weer worden gebruikt als bos, welke functie het ook eerder had. In de EHS-wijzer staat als aandachtspunt dat plussen in principe direct aan de ontwikkeling moeten grenzen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze maatregel aan die voorwaarde voldoet, nu het te realiseren bos direct naast het nieuw te realiseren parkeerterrein ligt. Verder heeft de raad uiteengezet dat de aanleg van de westelijke ontsluiting weliswaar wordt bekostigd vanuit het budget van het VERDER-pakket, maar dat dit niet betekent dat deze maatregel niet als plus mag worden aangemerkt. De Afdeling kan dat standpunt volgen, aangezien het niet ongebruikelijk is dat een weg met overheidsgeld wordt gefinancierd. Het betoog faalt.

6.7.    Over de overige in het Natuurrapport genoemde maatregelen, waaronder het herplanten van bomen bij de Melksteeg, voeren [appellant sub 2A] en andere aan dat in deze ecologische verbindingszone reeds was voorzien in het bestemmingsplan "Birkhoven en Bokkeduinen". De raad heeft toegelicht dat de aanleg van natuur, zoals in het maatregelenpakket van voorliggend plan opgenomen, naast de reeds eerder aangelegde groenstrook is gesitueerd en derhalve aanvullend daarop is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 2A] en andere niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregel tweemaal is toegepast. Het betoog faalt.

6.8.    Wat betreft het betoog over de minnen overweegt de Afdeling dat in paragraaf 7.4.1 van het Natuurrapport de zes toetsingsaspecten zijn beoordeeld. Overeenkomstig de EHS-wijzer zijn de toetsingsaspecten per onderdeel beoordeeld. Als er op één onderdeel sprake is van een significante aantasting, dan moet het algehele oordeel ook zo luiden, aldus de EHS-wijzer. In de vetgedrukte gedeeltes van bedoelde paragraaf 7.4.1 zijn alle zogenoemde plussen en minnen beschreven en afgewogen. Anders dan de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere stellen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de minnen onvoldoende aandacht is besteed, dan wel dat deze onvoldoende in de afweging zijn betrokken. Het betoog faalt.

Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem

6.9.    [appellant sub 2A] en andere brengen naar voren dat het aan te leggen bos in de Eempolder niet als compensatie kan dienen voor de aantasting van het bosgebied Birkhoven en Bokkeduinen vanwege de verschillende doeltypes die met deze bossen worden nagestreefd. In paragraaf 7.4.1 van het Natuurrapport is ingegaan op het functioneren van het actuele en/of beoogde ecosysteem/natuurdoeltype. De conclusie luidt dat hoewel de ontwikkeling gevolgen heeft voor de groeiplaats van een meerstammige eik, de zeer waardevolle of bijzonder waardevolle boskernen niet worden aangetast. De potentiële natuurwaarden worden ook niet aangetast. Met gerichte ingrepen kan de natuurkwaliteit worden versterkt en verbeterd, aldus het Natuurrapport. Verder is in de aanvullende notitie "Memorie ten behoeve van zitting RvS Westelijke ontsluiting" van 25 augustus 2017, opgesteld door onderzoeksbureau Bureau Waardenburg bv, (hierna: aanvullend Natuurrapport), toegelicht dat bij de ontwikkeling van het bos is bekeken wat onder omstandigheden haalbaar is. Daarbij zijn de ligging van het bos en het bestaande beheer en gebruik betrokken. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet van mocht uitgaan dat de ontwikkeling per saldo bijdraagt aan het functioneren van het ecosysteem. Voor zover [appellant sub 2A] en andere wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072, overweegt de Afdeling dat in die zaak de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant voorlag, die in het kader van de EHS een andere systematiek hanteert. Reeds daarom gaat deze vergelijking niet op. Het betoog faalt.

De aanwezigheid van bijzondere soorten

6.10.    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere voeren aan dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de soorten in het plangebied, met name de das. Volgens hen is het gebied niet alleen geschikt voor de das, maar komt hij daar ook voor. In het Natuurrapport zijn de resultaten van het onderzoek naar de das neergelegd. In dat rapport staat dat in 2014 twee burchten in de omgeving van het terrein van het klooster Onze Lieve Vrouw ter Eem zijn aangetroffen. Het leefgebied van de das bevindt zich volgens dat rapport buiten het onderzoeksgebied. In het aanvullend Natuurrapport is geconcludeerd dat het terrein dat verloren gaat niet van wezenlijk belang is voor het behoud van de functionaliteit van de burchten. Een waarneming van een das op een specifieke locatie betekent niet dat die locatie van belang is voor de burcht, aldus het aanvullend Natuurrapport. In hetgeen de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde en bedreigde soorten. Het betoog faalt.

Behoud oppervlakte

6.11.    Wat betreft de oppervlakte van de EHS betogen [appellant sub 2A] en andere dat deze onjuist is berekend. Die conclusie trekken zij door de begrenzingen van het kaartje in het Natuurrapport en die in de PRV 2013 met elkaar te vergelijken. De Afdeling overweegt dat in het Natuurrapport een berekening is gemaakt, waaruit volgt dat de oppervlakte per saldo toeneemt. In figuur 7.9 van het Natuurrapport is in rood weergegeven welke delen van de EHS zullen worden onttrokken. In het aanvullende Natuurrapport is toegelicht dat voor de berekening van de oppervlakte niet de gronden zijn betrokken die op grond van het vorige bestemmingsplan een verkeersbestemming hadden. In dat licht bezien ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er op grond van het Natuurrapport niet van mocht uitgaan dat de oppervlakte van het EHS in ieder geval gelijk blijft dan wel toeneemt. Het betoog faalt.

6.12.    Voor zover [appellant sub 2A] en andere betogen dat de natuurontwikkeling gezien moet worden als compenserende maatregel als bedoeld in artikel 4.11, derde lid, van de PRV 2013 overweegt de Afdeling als volgt. In de EHS-wijzer wordt erop gewezen dat de term mitigerende maatregelen niet gehanteerd dient te worden, omdat dit verwarrend zou kunnen zijn. Verder staat er dat de term compensatie altijd gebruikt kan worden voor de ontwikkeling van nieuwe natuur, ook bij het instrument van plussen en minnen. Van de zes toetsingsaspecten is er één die ziet op het behoud aan oppervlakte van de EHS. Om hieraan te kunnen voldoen, moet het om een "plus" gaan. Volgens de EHS-wijzer moet een plus in principe direct aan de ontwikkeling grenzen. Als de conclusie na toetsing aan alle zes aspecten luidt dat er significante effecten zijn op kenmerken en waarden zou de ontwikkeling alsnog kunnen plaatsvinden mits aan de in artikel 4.11, derde lid, onder b en c genoemde voorwaarden wordt voldaan. In dat geval hoeft de nieuwe natuur volgens de EHS-wijzer niet direct aan de ontwikkeling te grenzen, maar in de omgeving en gelden de in voornoemde bepaling opgenomen voorwaarden. In het Natuurrapport staat dat er in het plan op twee locaties nieuwe natuur wordt gerealiseerd, te weten op het parkeerterrein naast het sportpark en naast de locatie waar de huidige spoorwegovergang is. Deze locaties bevinden zich binnen het plangebied en grenzen direct aan de ontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad deze nieuwe natuur terecht als "plus" kunnen aanmerken en niet als compenserende maatregel als bedoeld in artikel 4.11, derde lid, onder b, van de PRV 2013.

    Voor zover wordt gewezen op het arrest Briels overweegt de Afdeling dat dat arrest ziet op een beoordeling met betrekking tot gebieden die op grond van de Nbw 1998 zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Daarvan is hier geen sprake. In voorliggend geval gaat het om een op grond van de PRV 2013 als EHS aangeduid gebied. De eisen en voorwaarden van deze verordening zijn daarop van toepassing. De vergelijking die [appellant sub 2A] en andere maken gaat reeds hierom niet op. Het betoog faalt.

Borging

6.13.    Voor zover de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere betogen dat de plussen onvoldoende zijn gewaarborgd nu de gemeente geen eigenaar is van de gronden en geen anterieure overeenkomsten zijn gesloten, overweegt de Afdeling als volgt. In de EHS-wijzer staat dat de keuze voor een borgingsinstrument afhankelijk is van de locatie waar de maatregelen nodig zijn, of het om fysieke of financiële maatregelen gaat en of actieve of passieve borging is vereist. Als publiekrechtelijke borging niet mogelijk is, kan gekozen worden voor een anterieure overeenkomst, aldus de EHS-wijzer.

    In het Natuurrapport is per maatregel beschreven hoe deze geborgd kan worden. In het plan hebben de gronden waar de maatregelen zullen plaatsvinden de dubbelbestemming "Waarde-ecologie" gekregen, welke gronden mede bestemd zijn voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden. Voor zover gronden de bestemming "Verkeer" hebben ter plaatse waar het ecoduct gerealiseerd zal worden, is in artikel 10, lid 10.3.2, van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de maatregelen uit bijlage 3 binnen een bepaald tijdsbestek te realiseren. In bijlage 3 zijn deze maatregelen nogmaals beschreven. De Afdeling stelt vast dat zowel de effecten van het plan als de maatregelen zich binnen het plangebied voordoen. De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad met voornoemde wijze van borging niet kon volstaan. Voor zover gronden niet in eigendom van de gemeente zijn, zoals bijvoorbeeld bij het ecoduct naast het spoor, heeft de raad ter zitting uiteengezet dat dit met de betrokken derde partij reeds is vastgelegd. De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere hebben dit niet gemotiveerd bestreden. In het geval waarop [appellant sub 2A] en andere wijzen, de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333, lag het plangebied buiten de EHS, maar had het plan wel gevolgen voor de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. De Afdeling was in dat geval van oordeel dat het plan een regeling had moeten bevatten waarin de aanbevolen maatregelen waren opgenomen ter beperking van bedoelde negatieve effecten, bijvoorbeeld door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels tot het treffen van deze maatregelen. Nu in voorliggend geval de effecten en de maatregelen zich binnen het plangebied voordoen, gaat de vergelijking niet op. Voor zover [appellant sub 2A] en andere uit deze uitspraak afleiden dat een compensatieplan was vereist, overweegt de Afdeling dat in dat geval de Verordening Ruimte 2012 van Noord-Brabant van toepassing was, waarin in artikel 4.11 een compensatieplan expliciet als vereiste wordt gesteld. In de PRV 2013, die in voorliggend geval van toepassing is, is een soortgelijke bepaling niet opgenomen. Het betoog faalt.

6.14.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat met artikel 23 van de planregels afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de plussen. De Afdeling stelt vast dat artikel 23, lid 23.1, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid bevat waarmee het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden een omgevingsvergunning kan verlenen voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, waaronder transformatiehuisjes en abri’s. Deze gebouwen mogen echter niet meer dan 3 m hoog zijn en de inhoud van die gebouwen mag niet meer dan 50 m³ zijn. Gelet op de beperkte omvang van de bebouwing stelt de raad zich op het standpunt dat aan de maatregel geen afbreuk wordt gedaan. De Afdeling acht dat standpunt niet onredelijk. Het betoog faalt.

Conclusie

6.15.    Voor zover de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere betogen dat ten onrechte niet de "nee, tenzij"-toets is gedaan, dat wil zeggen dat een groot openbaar belang en andere reële mogelijkheden niet zijn aangetoond en niet is voldaan aan de voorwaarden voor compensatie als bedoeld in artikel 4.11, derde lid, onder b, van de PRV 2013, oordeelt de Afdeling dat daaraan niet wordt toegekomen, nu de raad heeft kunnen oordelen dat de ontwikkeling per saldo niet tot een significante aantasting van de waarden en kenmerken van de EHS leidt.

    Nu op alle toetsingsaspecten wordt geoordeeld dat er geen significante effecten zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemaakte optelsom niet juist is. De betogen falen.

Landschappelijke waarden

7.    De realisatie van het plan leidt tot een oppervlakteverlies aan bos, vallend onder de Boswet, van ongeveer 3 ha. Dit zal worden gecompenseerd. De locatie waar de boscompensatie gaat plaatsvinden, ligt langs de Eem en naast het industrieterrein Isselt.

7.1.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat het plan in strijd is met artikel 4.9 van de PRV, over de landschappelijke waarden, omdat op de locatie boscompensatie langs de Eem als kernkwaliteit extreme openheid geldt. Het aanplanten van bos is volgens [appellant sub 2A] en andere in strijd hiermee. De stelling van de raad dat het gebied na de ijstijd bebost is geweest, betwisten [appellant sub 2A] en andere en achten zij niet van belang, aangezien uitgegaan dient te worden van de huidige feitelijke situatie. Zij betwijfelen of het plan op dit punt uitvoerbaar is.

7.2.    In artikel 4.9 van de PRV 2013, zoals die ten tijde van belang gold, staat:

"1. Als ‘Landschap’ wordt aangewezen de gebieden ‘Eemland’, ‘Gelderse Vallei’, ‘Groene Hart’, ‘Rivierengebied’, ‘Utrechtse Heuvelrug’, ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en ‘Stelling van Amsterdam’ waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landschap.

2. Een ruimtelijk plan bevat bestemmingen en regels ter bescherming en versterking van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap.

3. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan."

7.3.     Op de kaart van de PRV zijn de gronden waar de boscompensatie plaatsvindt aangewezen als gebied Eemland. In de bijlage behorende bij de regels van de PRV 2013 staat, dat voor het landschap Eemland onder andere de kernkwaliteit extreme openheid behouden en versterkt dient te worden. Dit betekent vooral behoud van een continue open ruimte langs de Eem. Nieuwe bebouwing vestigt zich bij voorkeur in randzones of in bestaande linten, aldus de bijlage. Hieruit is volgens de raad echter niet af te leiden dat geen enkele ontwikkeling is toegestaan. De Afdeling kan dat standpunt volgen. Gelet op de ligging van de locatie tegen het industrieterrein aan heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de continue openheid van de daarnaast gelegen gronden langs de Eem voldoende behouden kan blijven. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de PRV 2013 zich op voorhand verzet tegen de bosontwikkeling op deze locatie en dat de PRV 2013 op voorhand aan de uitvoering van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Flora- en Faunawet

8.    De Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere betogen dat de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daartoe voeren ze aan dat het Natuurrapport onzorgvuldig is, omdat bepaalde soorten, zoals de zandhagedis, ringslang, eekhoorn, egel, buizerd en havik, onvoldoende zijn onderzocht. Verder zijn de das en boommarter, in het plangebied waargenomen, niet zorgvuldig onderzocht. Het leefgebied van de das wordt door de voorziene ontwikkeling verstoord, in welk verband de Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere wijzen op onder andere het in overweging 6. genoemde rapport van de Dassenwerkgroep en het rapport "Kwalitatief natuurwaardenonderzoek Westelijke Ontsluiting gemeente Amersfoort" van H.J.V. van den Bijtel, augustus 2017 (hierna: het rapport van Van den Bijtel). Verder brengen ze naar voren dat door de kap van bomen de aanvlieg- en foerageerroute van vleermuizen worden verstoord. In de SMB is uitgegaan van de oude Ffw, terwijl de eventuele ontheffing nu op grond van de Wnb dient te worden aangevraagd.

8.1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en Ffw ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017 moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht. In de SMB is derhalve terecht uitgegaan van de Ffw.

8.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb (voorheen: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Das

8.3.    In paragraaf 4.5.3 van het Natuurrapport is het onderzoek naar de das beschreven. In 2014 zijn twee dassenburchten aangetroffen. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen sporen van de das aangetroffen, aldus het Natuurrapport.

    In het rapport van de Dassenwerkgroep, dat door Vereniging BBBB en [appellant sub 2A] en andere is ingediend, is uiteengezet dat de das vanuit zijn burcht foerageertochten maakt. Dit gebied, zijn territorium, beslaat tientallen tot honderden ha. Het gehele territorium bestaat uit foerageergebied dat samenvalt met de burcht van een das. Volgens de Dassenwerkgroep is elke verslechtering van een deel van het territorium als foerageergebied verboden op grond van de Ffw. Verder is in het rapport op kaarten weergegeven waar de dassensporen in het plangebied zijn waargenomen en welke delen van het plangebied als foerageergebied dienen. Nu deze gebieden worden aangetast, zal de uitvoering van het plan leiden tot een verslechtering van het foerageergebied, aldus het rapport van de Dassenwerkgroep.

    In de aanvullende notitie "Memorie ten behoeve van zitting RvS Westelijke ontsluiting" van 25 augustus 2017, opgesteld door onderzoeksbureau Bureau Waardenburg bv, (hierna: aanvullend Natuurrapport) is toegelicht dat met name delen van Birkhoven en de sportvelden en gazons van het voormalige OLV Klooster en het leerhotel in gebruik zijn als foerageergebied. Er wordt door de ontwikkeling geen deel van het leefgebied aangetast dat van wezenlijk belang is voor de functionaliteit van de burcht. Niet gevreesd hoeft te worden dat de das de burcht zal verlaten. Daarbij speelt onder andere een rol dat dit terreindeel maar een klein onderdeel uitmaakt van het totale leefgebied. Iedere waarneming van een das op een specifieke locatie betekent niet dat die locatie van belang is voor de burcht, aldus het aanvullend natuurrapport. Hiermee wordt de conclusie uit het Natuurrapport onderschreven.

    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het enkel waarnemen van de das in het plangebied niet betekent dat een functioneel deel van het territorium verloren gaat. Daarbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat het aan te tasten gebied in vergelijking met het gehele territorium van de das slechts een beperkte omvang heeft, de afstand van deze strook grond tot de burcht groot is en in de directe omgeving van de burcht betere foerageergebieden aanwezig zijn.  In het rapport van de Dassenwerkgroep wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:514. De Afdeling heeft in die zaak het onderzoek naar de das onzorgvuldig geacht, omdat de raad niet de gegevens had betrokken dat in de buurt van het plangebied een dassenburcht aanwezig was en het plangebied binnen het dassenterritorium lag en als bestendig foerageergebied werd gebruikt. In het voorliggende geval is bij de raad bekend dat er dassenburchten zijn en is nogmaals onderzoek gedaan. De raad heeft kennis genomen van de door appellanten naar voren gebrachte gegevens. Van gelijke gevallen is naar het oordeel van de Afdeling derhalve geen sprake.

Boommarter

8.4.    Over de boommarter staat in het Natuurrapport dat dit dier tijdens het onderzoek in 2011 en 2014 niet is waargenomen. In Birkhoven, in het gebied achter de dierentuin, zijn veel oude beuken met holten van de zwarte specht aanwezig, die gebruikt kunnen worden door de boommarter. Het leefgebied ligt buiten het onderzoeksgebied en wordt als gevolg van de ontwikkeling niet aangetast, aldus het Natuurrapport. Voor zover Van den Bijtel aangeeft dat hij in het bos ten westen van de Barchman Wuytierslaan en ten noorden van het spoor op één locatie keutels van de boommarter heeft gevonden, is in het aanvullende Natuurrapport toegelicht dat dit nog niet betekent dat een verbodsbepaling van de Ffw wordt overtreden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de boommarter een groot territorium heeft; het wijfje tot 500 ha groot, en het mannetje tot 1200 ha. De raad heeft daarom van het Natuurrapport kunnen uitgaan.

Vleermuizen

8.5.    In het Natuurrapport staat dat in en rond het onderzoeksgebied door meerdere soorten vleermuizen wordt gefoerageerd. Over het algemeen zal tijdens de aanleg van de weg en na realisatie ervan het foerageergebied hetzelfde blijven. Er wordt echter verwacht dat door het aanbrengen van verlichting langs het fietspad dat door Birkhoven loopt een verslechtering van de kwaliteit van het foerageergebied zal optreden. Gelet hierop zal een ontheffing moeten worden aangevraagd, aldus het Natuurrapport. Er wordt een maatregel voorgesteld om de verlichting beperkt aan te laten, hetgeen de effecten zal beperken. Over vliegroutes staat in het Natuurrapport dat deze zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase niet wezenlijk zullen veranderen. Negatieve effecten worden uitgesloten. De conclusie uit het Natuurrapport is dat negatieve effecten op de staat van instandhouding van de vleermuizen worden voorkomen, mits de genoemde maatregelen worden getroffen. Gelet hierop is geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand in redelijkheid aangenomen moet worden dat de ontheffing in het kader van de Ffw, althans de Wet natuurbescherming, niet zal worden verleend. In hetgeen is aangevoerd door [appellant sub 2A] en andere bestaat er geen aanleiding te twijfelen aan deze conclusie. Het betoog faalt.

Overige soorten

8.6.    Voor zover appellanten in het algemeen stellen dat bepaalde soorten onvoldoende zijn onderzocht overweegt de Afdeling als volgt. Wat betreft de zandhagedis en de ringslag zijn de effecten van het plan op de instandhouding van deze soorten beschreven. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Voor de eekhoorn, egel, buizerd en havik heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ontheffing niet nodig zal zijn.

Conclusie

8.7.    De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rapporten zodanige onjuistheden of leemtes bevat dat de raad zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid hierop had mogen baseren. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw, althans de Wet natuurbescherming, op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar in de weg stond. De betogen falen.

Cultuurhistorie

Artikel 2.10 van de PRV

9.    Een deel van het traject, rondom de Stichtse Rotonde en in noordelijke richting tot aan de Prins Frederiklaan, ligt in het gebied dat in de PRV is aangewezen als "Historische buitenplaatszone". Het vervolg van het traject in noordelijke richting ligt tot aan de Barchman Wuytierslaan in het gebied "Militair erfgoed" als bedoeld in de PRV.

9.1.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat het plan in strijd is met artikel 2.10 van de PRV, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom het plan geen gevolgen heeft voor de "Historische buitenplaatszone" en het "Militair erfgoed" als bedoeld in de verordening en in de plantoelichting onvoldoende is beschreven hoe met de cultuurhistorische waarden in het gebied rekening is gehouden.

9.2.    De raad betoogt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het plan, omdat [appellant sub 2A] en andere zich beroepen op normen die niet strekken tot bescherming van hun belangen.

9.3.    Artikel 2.10 van de PRV luidt:

"1. Als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ wordt aangewezen de gebieden ‘Historische buitenplaatszone’, ‘Militair erfgoed’, ‘Agrarisch cultuurlandschap’ en ‘Archeologie’ waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Cultuurhistorie.

2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Historische buitenplaatszone: de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone wordt behouden en versterkt;

b. Militair erfgoed: de cultuurhistorische waarde van het militaire erfgoed wordt behouden en versterkt;

(…)

3. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en het door de gemeente te voeren beleid ter zake en van de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan. Bij de beschrijving van de verschillende waarden wordt gebruik gemaakt van de bijlage Cultuurhistorie."

9.4.    Over de "Historische buitenplaatszone" overweegt de Afdeling als volgt. In de bijlage bij de regels van de PRV staat over de Amersfoortseweg als "Historische buitenplaatszone": "De Amersfoortseweg (N237) is in 1653 aangelegd als zeer brede, kaarsrechte, met bomen beplante weg in formele landschapsstijl, tussen Amersfoort en Utrecht. Het elf kilometer lange traject tussen de Amersfoortse Galgenberg en de buitenplaats Vollenhoven kreeg een regelmatige vakkenverkaveling (24 vakken van ieder honderd roeden breed) voor de aanleg van buitenplaatsen. Het is het grootste infrastructurele project uit de zeventiende eeuw in de provincie Utrecht. Essentieel voor de Amersfoortseweg is het symmetrisch-monumentale karakter. De cultuurhistorische kwaliteit ligt vooral in de nog geheel aanwezige verkavelingsritmiek met haakse dwarsassen (sorties), die rond Huis ter Heide en Soesterberg in de loop der tijd aan weerszijden van de weg naar achteren zijn verlengd. Door verbredingen en omleggingen is het monumentale karakter van de weg op diverse plaatsen aangetast, maar tussen Soesterberg en de Stichtse Rotonde is de oorspronkelijke structuur nog zichtbaar. Het heldere zeventiende-eeuwse concept van buitenplaatsen centraal op de uitgezette vakken is slechts zeer ten dele gerealiseerd, maar vormt een inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen. Kenmerkend voor de bestaande buitenplaatsen zijn het vrije zicht dwars over de weg en de lanen- en wallenstructuur." In de plantoelichting staat dat deze oorspronkelijke structuur door het plan niet wordt aangetast. De Afdeling kan dat volgen, nu de verlegging van de westelijke ontsluiting niets aan die structuur verandert. De enkele stelling van [appellant sub 2A] en andere dat de historisch buitenplaatszone wordt aangetast leidt niet tot een ander oordeel.

9.5.    Verder staat er in de plantoelichting over het "Militair erfgoed" dat voor zover er gronden in het plangebied als zodanig zijn aangewezen de cultuurhistorische waarde ervan is gelegen in de historische structuren en objecten van land- en luchtmacht op het terrein van de Bernhardkazerne. Bij ontwikkelingen in dit gebied dient rekening te worden gehouden met deze waarden, aldus de plantoelichting. Voor de aanleg van de weg, moeten twee gebouwen op het terrein van de Bernhardkazerne gesloopt worden. Deze gebouwen hebben geen monumentale betekenis. [appellant sub 2A] en andere hebben dit niet gemotiveerd betwist. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebied "Militair erfgoed" niet wordt aangetast met dit plan.

9.6.    De Afdeling is van oordeel dat de raad in de plantoelichting voldoende heeft verantwoord hoe met de cultuurhistorische waarden uit de PRV rekening is gehouden. Het betoog faalt.

    Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de vernietiging van het bestreden besluit geen bespreking meer.

Belgenmonument

10.    Het Belgenmonument ligt ten zuidwesten van Amersfoort en is een rijksmonument. Verder valt het gebied onder het beschermde stadsgezicht Bergkwartier. De totale oppervlakte van het complex is ongeveer 8 ha. In verband met de aanleg van de weg zal een strook grond aan de rand van het terrein van het Belgenmonument als volgt worden herbestemd. Ter plaatse van het benzinestation verschuift de weg 2 m naar het oosten. Verder zal het fietspad aan de zijde van het Belgenmonument worden verbreed en wordt langs de Daam Fockemalaan en de Stichtse Rotonde een insnijding in het talud gemaakt teneinde het mogelijk te maken dat fietsers met een fietstunnel ongelijkvloers de Daam Fockemalaan kunnen kruisen. Ook is bij het bestemmen rekening gehouden met een tijdelijke weg die moet worden aangelegd.

10.1.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat het plan het als rijksmonument en beschermd stadsgezicht aangewezen Belgenmonument onaanvaardbaar aantast. Met de verlegging van de weg worden bijzondere kwaliteiten van het monument geweld aan gedaan, zoals de randen van het complex, en zullen er veel bomen in de monumentale tuin worden gekapt. Zij wijzen in dat verband op het "Historisch onderzoek en waardestelling herdenkingsmonument het Belgenmonument, Belgenlaan 9 Amersfoort" uit 2014, opgesteld door onderzoeksbureau Debie & Verkuijl tuin en parkrestauratie, (hierna: het rapport van Debie &Verkuijl). Uit de stukken komt onvoldoende naar voren hoe deze waarden zijn gewogen. Ook is opmerkelijk volgens [appellant sub 2A] en andere dat er geen advies van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) is uitgebracht. Uit de stukken lijkt zelfs te kunnen worden afgeleid dat de RCE niet op de hoogte was van de impact van het plan op het Belgenmonument, aldus [appellant sub 2A] en andere.

10.2.    In het rapport van Debie &Verkuijl is uiteengezet welke delen van het complex een hoge waarde hebben. Genoemd worden onder andere het ensemble van het hoofdgebouw met de herdenkingsmuur en de binnentuin, de heide langs de zuidzijde en de oostelijke bosstrook als afscheiding met de daarachter liggende wijk. Deze gebieden zijn op een waardestellingkaart in het rapport blauw gemarkeerd en hebben de hoogste waarde. De strook aan de westzijde van het terrein heeft een positieve waarde. Door de aanleg van de westelijke ontsluiting zal een deel van de westelijke rand verloren gaan. Aan de zuidelijke rand zal het fietspad meer ruimte in beslag nemen.

    De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 2A] en andere niet aannemelijk hebben gemaakt dat met de verbreding van het fietspad essentiële waarden teniet worden gedaan aan de zuidkant van het terrein. Wat betreft de ingrepen aan de westzijde van het terrein stelt de Afdeling vast dat het met name om het verwijderen van bomen gaat die volgens de waardestellingkaart een positieve waarde hebben, maar niet de hoogste waarde. Voor zover bomen moeten worden gekapt, is in de "Bomen Effect Rapportage" van 13 februari 2015, opgesteld door onderzoeksbureau Ekotree & De Bomenconsulent, en die als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, uiteengezet welke effecten het verwijderen van de bomen heeft. De conclusie is, kort samengevat, dat ondanks dat de breed uitgegroeide bomen aan de bosrand zullen verdwijnen, er na ongeveer twintig jaar weer sprake zal zijn van een gelaagde bosrand. Verder komt uit de planstukken naar voren dat de RCE en CRK in het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro zijn betrokken, maar dat deze commissies geen aanleiding hebben gezien om opmerkingen ten aanzien van het plan op dit onderdeel te maken. Anders dan [appellant sub 2A] en andere veronderstellen, ziet de Afdeling in de genoemde passages geen aanleiding voor het vermoeden dat de RCE en CRK onvoldoende op de hoogte waren van de volledige ontwikkeling. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen oordelen dat de ingrepen, gelet op de geringe aantasting van het oppervlakte van ongeveer 2% en het behouden blijven van de bijzondere kwaliteiten van het monument, aanvaardbaar zijn. Het betoog faalt.

10.3.    De gronden die als beschermd stadsgezicht zijn aangemerkt hebben de dubbelbestemming "Waarde - cultuurhistorie" gekregen. In artikel 16 van de planregels is gewaarborgd dat de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, die in bijlage 4 Toetsingskader beschermd stadsgezicht staan beschreven, behouden moeten blijven. [appellant sub 2A] en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat hiermee de aanwezige waarden onvoldoende zijn gewaarborgd in dit plan. Het betoog faalt.

Onze Lieve Vrouw ter Eem

11.    Binnen het plangebied ligt het kloostercomplex Onze Lieve Vrouw ter Eem (hierna: OLV) dat als rijksmonument is beschermd. De voorziene weg zal over het terrein van het klooster gaan en zal een deel van het voorterrein met de hoofdentree aantasten. De toegangsweg zal in dat verband worden verkort en de expeditieweg zal worden verlegd. In het verleden hebben er meerdere aanpassingen aan de hoofdentree plaatsgevonden, waarmee de rechte verbinding tussen de Prins Frederiklaan en de entreelaan met zicht op de toren al was verstoord. Verder zal voor het verleggen van het tracé de conciërgewoning worden gesloopt. Deze woning heeft echter geen monumentale waarde. Uit zowel de plantoelichting, de SMB als de nota van zienswijze volgt dat wordt erkend dat het tracé een aantasting vormt van het OLV, omdat een deel van het voorterrein met de hoofdentree verloren gaat.

11.1.    AMVEST betoogt dat het plan het rijksmonumentale kloostercomplex OLV zwaar aantast. Daartoe voert zij aan dat de waardestelling van het complex als geheel en de tuinaanleg met hekwerk door de raad onvoldoende is onderkend en afgewogen. AMVEST heeft ter onderbouwing van dat standpunt de volgende drie rapporten in de procedure gebracht: "Historische verkenning en voorlopige tuinhistorische waardestelling tuin- en parkaanleg" van juni 2005 (hierna: Historische verkenning), "Historisch onderzoek en tuinhistorische waardestelling deelgebied Entreepark" van januari 2016 (hierna: Historisch onderzoek) en de "Cultuurhistorische effectrapportage naar de effecten van de voorgenomen Westelijke Ontsluiting tracé 7B op de tuin- en parkaanleg" van 14 januari 2016 (hierna: CHER), alledrie opgesteld door onderzoeksbureau Stichting In Arcadië. Volgens AMVEST strookt de conclusie in de SMB niet met voornoemde onderzoeken en wordt in de SMB volledig voorbij gegaan aan de monumentale waarde van de tuin. Op de tekening in de zienswijzennota is alleen het gebouw aangegeven en is de omvang van wat monumentale waarde heeft niet juist ingetekend. Het variantenonderzoek ten aanzien van de varianten 5 en 6 in de SMB is volgens AMVEST inconsequent, nu het tracé in deze varianten, evenals in variant 7B, over het terrein van OLV ter Eem loopt.

11.2.    In de door AMVEST overgelegde Historische verkenning, het Historisch onderzoek en het CHER is de ontwikkelingsgeschiedenis van het complex weergegeven en is een tuinhistorische waardestelling opgesteld. Uit deze waardestelling is af te leiden dat de tuinaanleg met hekwerk als rijksmonument is aangewezen. De tuin is te verdelen in deelgebieden, waarbij het tracé zal liggen in het deelgebied Entreepark. Ook dit Entreepark is weer onder te verdelen in onderdelen. De tuinhistorische waarde van het deelgebied Entreepark in de actuele situatie is hoog en zal als gevolg van het plan verloren gaan, aldus voornoemde rapporten. Verder staat in het CHER dat "een groot deel van de oude bomen en heesters in Entreepark Noord te relateren is aan de plantlijsten uit 1933-34" en dat "het samenstellend onderdeel Entreepark Noord in tuinhistorisch opzicht een van de meest vormende en beeldbepalende onderdelen van de aanleg van klooster OLV ter Eem is".

11.3.    De raad heeft het in 1.2 genoemde cultuurhistorisch advies in deze procedure naar voren gebracht. In dat advies is uiteengezet dat uit stedenbouwkundig en (tuin)architectonisch oogpunt met name de door Otto Schulz ontworpen toegangslaan in het verlengde van de Prins Frederiklaan, de door Otto Schulz ontworpen parkaanleg in gemengde stijl en het door B.J. Koldeweij ontworpen smeedijzeren hekwerk met toegangspoort van belang zijn. Verder is geconcludeerd dat de waarde van de toegangslaan als gevolg van het tracé behouden blijft, zo niet wordt versterkt, en dat het hekwerk met toegangspoort weliswaar wordt bedreigd, maar dat het zal worden teruggeplaatst, zodat ook deze waarde wordt behouden. De hooggewaardeerde parkaanleg zal met name in de uiterste noordoosthoek in beperkte mate worden aangetast, aangezien een boszoom ten noorden van de toegangslaan zal verdwijnen. Volgens het cultuurhistorisch advies heeft deze boszoom uit tuinarchitectuurhistorisch oogpunt een minder hoge waarde dan de parkaanleg, omdat deze bospartij geen specifieke aanleg kent. Binnen de tuin- en parkaanleg ten oosten van het kloostergebouw is dus een duidelijk onderscheid te maken tussen de "parkaanleg in gemengde stijl", die inderdaad medebepalend is voor de monumentale waarde van het gehele kloosterterrein, en de boszoom, die op zichzelf beschouwd uit tuinarchitectuurhistorisch oogpunt een duidelijk minder specifieke waarde vertegenwoordigt. In de door AMVEST ingediende rapporten wordt dit kwalitatieve onderscheid tussen parkaanleg en boszoom onvoldoende onderkend, aldus het cultuurhistorisch advies. Deze toelichting in aanmerking genomen en ook met hetgeen verder in dit cultuurhistorisch advies is uiteengezet acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de aantasting van het kloostercomplex OLV beperkt blijft. Het betoog faalt.

11.4.    Voor zover AMVEST betoogt dat de beoordeling in de SMB inconsequent is overweegt de Afdeling dat in de SMB het plangebied in deelgebieden is verdeeld. Het kloostercomplex ligt in de deelgebieden 2, 3 en 4. Op de pagina’s 48 en 49 zijn de varianten 5, 6 en 7 beschreven, waaruit volgt dat de varianten 5 en 6 kort samengevat inhouden dat het tracé verhoogd over het spoor loopt. Van figuur 5.3 is af te leiden dat de varianten 5 en 6 over het kloosterterrein lopen, maar dat variant 6 dieper over het terrein loopt. In paragraaf 7.9 van de SMB is vervolgens ingegaan op de cultuurhistorie. Er wordt erkend dat op het kloostercomplex OLV effecten te verwachten zijn. Met name variant 6 scoort slecht. De varianten 5 en 7 scoren voldoende, aangezien die minder diep over het terrein lopen. In hetgeen AMVEST heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze beoordeling inconsequent is. Het betoog faalt.

11.5.    De raad heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het herstel van de ontsluitingsweg in het verlengde van de Prins Frederiklaan, het herstellen van de zichtlijnen, het opheffen van de verstoring van het zicht op het complex door de verkeerskundige elementen en het terugbrengen van het monumentale hek naar de originele ontsluitingsweg in het verlengde van de Prins Frederiklaan dan aan het verlies aan oppervlakte van de tuin. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de aantasting van de cultuurhistorische waarden aanvaardbaar kunnen achten. Het betoog faalt.

Bomen

12.    AMVEST betoogt dat onduidelijk is hoeveel bomen er op het terrein van het kloostercomplex OLV zullen verdwijnen als gevolg van de aanleg van de weg. AMVEST heeft het rapport "Beoordeling Westelijke Rondweg Eemklooster te Amersfoort" van 13 december 2016 door Pius Floris Boomverzorging, (hierna: het rapport van Pius) laten opstellen. Hieruit volgt volgens AMVEST dat in de "Bomen Effect Rapportage" van 13 februari 2015, opgesteld door Ekootree & De Bomenconsulent, (hierna: BER) onvoldoende rekening is gehouden met werkruimte voor de aanleg van de keerwand en dat door windworp meer bomen zullen verdwijnen.

12.1.    In de BER is de kwaliteit van de bomen, die betrokken zijn bij de aanleg van de weg, in beeld gebracht en is beoordeeld of ze behouden kunnen blijven, gekapt moeten worden of dat nader onderzoek is vereist om de mogelijkheid tot behoud te bepalen. Hiervoor is het plangebied verdeeld in deelgebieden en is er een beoordeling per deelgebied gemaakt. Over het deelgebied OLV ter Eem staat in de BER dat een groot deel van de bosstrook grenzend aan de Aletta Jacobslaan en een bosstrook richting het tankstation aan de Daam Fockemalaan moeten worden gekapt en dat bomen op de locatie van het talud, waar een nieuwe brug vanaf de Prins Frederiklaan wordt gerealiseerd, moeten verdwijnen. Verder zal er aan de zijde van het klooster een doorgang gemaakt moeten worden door een taxushaag, aldus de BER. In een tabel in de BER zijn de kwaliteit van de bomen in aantallen weergegeven en is weergegeven of sprake is van behoud, Boom Effect Analyse (hierna: BEA) of kap. De stelling van AMVEST dat onduidelijk is hoeveel bomen er gekapt moeten worden, kan de Afdeling niet volgen.     Verder heeft de raad toegelicht dat bij de te realiseren keerwand is uitgegaan van een zone van 8 m en dat, voor zover er een risico voor windworp zal ontstaan, er een bewortelingsonderzoek zal worden uitgevoerd in een BEA. Met de enkele stelling in het rapport van Pius, dat bij het kappen van een deel van de bomen het resterende deel van de bomen gevoelig kan worden voor windworp, heeft AMVEST onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eventuele windworp het verloren gaan van veel meer bomen met zich brengt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de effecten van de westelijke ontsluiting op de bomen in de omgeving voldoende heeft bezien. Het betoog faalt.

Geluid

Akoestisch onderzoek

13.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat het geluidonderzoek onvoldoende zorgvuldig is. Daartoe voeren zij aan dat terzake ten onrechte niet alle van belang zijnde bebouwing is onderzocht en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de tuinen niet is gegarandeerd. In dat verband wijzen zij op de "Second opinion Westelijke ontsluitingsweg te Amersfoort" van 2 mei 2017, opgesteld door Econsultancy (hierna: de second opinion van Econsultancy.

13.1.    In het "Akoestisch onderzoek" van 9 september 2015, opgesteld door Alcedo, (hierna: het akoestisch onderzoek) zijn de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van de aanleg van de weg in het kader van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) neergelegd. De conclusie op grond van de berekeningsresultaten, is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh op meerdere locaties wordt overschreden. Om die reden heeft er een onderzoek naar maatregelen plaatsgevonden, die ervoor moeten zorgen dat alsnog wordt voldaan aan voornoemde voorkeursgrenswaarde. Bij enkele beoordelingspunten wordt ondanks de maatregelen nog niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voor die locaties zijn door het college hogere waarden vastgesteld bij besluit van 6 september 2016.

    Daarnaast heeft de raad een "Gezondheidseffectscreening" van augustus 2015, door GGD regio Utrecht, (hierna: gezondheidsscreening) en een "Akoestisch effectenonderzoek" van 9 september 2015, door Alcedo, (hierna: akoestisch effectenonderzoek) laten opstellen. Hierin is onder andere het geluidklimaat, waaronder de cumulatieve geluidbelasting, in de omgeving van de weg onderzocht. Uit de resultaten blijkt dat de grootste effecten optreden langs de Daam Fockemalaan. Hier is als gevolg van de aanleg van de Westelijke ontsluiting sprake van een duidelijke afname van de geluidbelasting. Daartegenover staat een toename van de geluidsbelasting ter hoogte van een gedeelte van de Aletta Jacobslaan. Uit tabel 2 op pagina 16 van de gezondheidsscreening is af te leiden dat de geluidbelasting bij vijf woningen in relevante mate toeneemt en bij 224 woningen afneemt. De berekende geluidsbelasting geeft ook een beeld van de geluidsbelasting in de tuinen van de woningen. Dus ook voor de tuinen kan geconcludeerd worden dat de effecten positief dan wel beperkt blijven. De raad heeft, gelet op het beperkte aantal woningen waar een geluidstoename zal plaatsvinden, in redelijkheid kunnen oordelen dat het geluidklimaat aanvaardbaar blijft. Daarbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat bij deze vijf woningen de geluidbelasting ook in de toekomstige situatie onder de 50 dB blijft.

13.2.    In de "Reactie op de second opinions van Econsultancy" van 25 augustus 2017, opgesteld door Alcedo, (hierna: het nadere akoestisch onderzoek), dat in beroep door de raad is ingediend, is ingegaan op de beroepsgronden. Wat betreft de bebouwing staat er dat op de eerstelijns bebouwing een groot aantal rekenpunten is neergelegd, waarop berekeningen van de geluidbelasting hebben plaatsgevonden. Als er overschrijdingen waren op deze maatgevende woningen dan zijn waar nodig maatregelen ontworpen. In het akoestisch effectenonderzoek zijn vervolgens behalve de eerstelijns woningen ook verder gelegen woningen beoordeeld.

    Verder hoeven op grond van de Wgh 30 km/uur-wegen niet betrokken te worden bij een beoordeling omtrent de geluidbelasting van een weg. Bij de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting zijn deze wegen wel betrokken, aldus het nadere akoestisch onderzoek. Het betoog van [appellant sub 2A] en andere dat cumulatie niet is onderzocht, mist derhalve feitelijke grondslag.

    Ter onderbouwing van het standpunt over het geluidklimaat in de tuinen is een berekening uitgevoerd, waaruit is af te leiden dat in vrijwel alle tuinen sprake is van een daling van de geluidbelasting. Alleen in de tuinen van de woningen bij de aansluiting van de Utrechtseweg op de Stichtse Rotonde is sprake van een geringe verhoging.

    Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zodanige onjuistheden of leemtes bevat dat de raad zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid hierop had mogen baseren. Het betoog faalt.

Geluidschermen

13.3.    AMVEST betoogt dat de planregeling over de geluidschermen onduidelijk is. Daartoe voert zij aan dat de in de planregels genoemde "vereiste akoestische werking" en de verwijzing naar bijlage 2 niet te volgen zijn. Verder zijn "bestaande wegen" niet nader gedefinieerd en bevatten de planregels geen maximum bouwhoogte voor de geluidschermen.

13.4.    Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder f, van de planregels worden op de voor "Verkeer" aangewezen gronden geluidschermen mogelijk gemaakt. In artikel 10, lid 10.3.1, aanhef en onder b, van de planregels staat, dat de gronden met de bestemming "Verkeer", bedoeld voor de nieuwe Westelijke ontsluiting, slechts in gebruik mogen worden genomen indien zij voor de desbetreffende weggedeelten zijn voorzien van de geluidschermen en de keerwanden in de verdiepte ligging, zoals aangegeven in Bijlage 2 Maatregelen geluid met de vereiste akoestische werking van tenminste 10 dB en een Absorptieklasse A5; voor de geluidschermen de Aletta Jacobslaan geldt een hoogte tussen 1,5 meter en 2,5 meter t.o.v. het maaiveld van de Aletta Jacobslaan.

    In Bijlage 2 Maatregelen geluid is in een afbeelding visueel weergegeven waar de geluidschermen zullen komen en dat deze aan de zijde van het perceel van AMVEST 1 meter boven de keerwand zullen worden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de maximum bouwhoogte van de geluidschermen hiermee voldoende is vastgelegd. Verder heeft de raad ter zitting uitgelegd dat de woorden "vereiste akoestische werking" in samenhang moeten worden gelezen met de genoemde akoestische werking van ten minste 10 dB en Absorptieklasse A5. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid deze planregeling voor de geluidschermen juist heeft kunnen achten en heeft kunnen opnemen. Het betoog faalt.

13.5.    Artikel 10, lid 10.3.3, van de planregels luidt:

"De in lid 10.3.1 en 10.3.2 genoemde voorwaarden gelden niet voor bestaande wegen".

13.6.    De Afdeling stelt vast dat het begrip "bestaande weg" niet nader is gedefinieerd in de planregels. Vaststaat dat de begrippen "bestaand bouwwerk" en "bestaand gebruik" wel zijn gedefinieerd. Uit de systematiek van deze begripsbepalingen kan worden afgeleid dat onder "bestaande wegen" moet worden begrepen: wegen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in aanleg waren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit onderdeel onduidelijk is. Het betoog faalt.

Portierswoning

13.7.    Volgens AMVEST is de locatie voor een nieuwe portierswoning ongelukkig vanwege een hoge geluidbelasting ervan door de ligging nabij het nieuwe tracé.

13.8.    Binnen de bestemming "Gemengd" is aan een noordoostelijk gelegen hoekje van het perceel van AMVEST de functieaanduiding "wonen" toegekend, waar een nieuwe portierswoning mogelijk wordt gemaakt. Dit hoekje is ongeveer 63 m breed en 61 m lang en grenst direct aan de voorziene weg. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat deze woningbouwlocatie daarin is betrokken en dat de voorkeursgrenswaarde op die locatie wordt overschreden. Er is dan ook een hogere waarde vastgesteld door het college bij besluit van 6 september 2016, welk besluit bij uitspraak van dezelfde datum als de voorliggende, ECLI:NL:RVS:2018:179, in stand is gebleven. In hetgeen AMVEST heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet hierop, niet in redelijkheid voor voorliggende locatie heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt.

Water

14.    Bij het spoor verdwijnt ten gevolge van de aanleg van de weg een deel van de bestaande waterbergingscapaciteit.

14.1.    [appellant sub 2A] en andere kunnen uit het plan niet afleiden of wordt voorzien in voldoende waterberging, aangezien een deel van de bestaande waterberging verloren gaat en door de aanleg van de ontsluiting behoefte bestaat aan meer waterbergingscapaciteit.

14.2.    De raad heeft uitgelegd dat er geen sprake is van verlies van capaciteit aangezien in het kader van de uitvoering de voorwaarde is gesteld dat de waterberging qua inhoud en werking gelijk moet blijven aan de huidige situatie. Het plan staat binnen de bestemming "Groen" waterhuishoudkundige voorzieningen toe, zodat het plan aan het creëren van nieuwe waterberging niet in de weg staat. Niet gebleken is dat er belemmeringen bestaan voor het realiseren van nieuwe waterberging. Voor zover hemelwater op het asfalt terecht komt en in de tunnel loopt, zal dit water in de grond worden geïnfiltreerd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Van een voorwaardelijke verplichting, zoals [appellant sub 2A] en andere ter zitting hebben gesteld, heeft de raad, gelet op het voorgaande, in redelijkheid kunnen afzien. Het betoog faalt.

Stikstofdepositie

14.3.    AMVEST betoogt dat ten onrechte is geconcludeerd dat significante effecten worden uitgesloten als gevolg van de toename stikstofdepositie. De gemaakte Aeriusberekening is niet zorgvuldig, omdat nu, in tegenstelling tot het ontwerpplan, de stikstofdepositie plotseling op 0,0 mol/N/jaar is berekend. Hiertoe zijn ten onrechte andere inputgegevens over verkeer gehanteerd, terwijl het verkeersmodel zich niet bij de ter inzage gelegde stukken bevindt.

14.4.     Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

14.5.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

14.6.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en de Ffw ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wet natuurbescherming volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

14.7.    De bepalingen van de Nbw 1998 zien met name op het algemene belang van de bescherming van natuur en landschap. AMVEST is eigenaar van het OLV en verhuurt het kloostercomplex aan verschillende bedrijven. Dit is een bedrijfseconomisch belang. De bepalingen van de Nbw 1998 strekken naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van het bedrijfseconomisch belang waarvoor AMVEST opkomt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:713. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond achterwege te laten.

Luchtkwaliteit

15.    AMVEST betoogt dat niet aan de grenswaarde van PM2,5 voor luchtkwaliteit kan worden voldaan en dat het onderzoek hiernaar onvoldoende is, nu er geen berekening is uitgevoerd.

In het rapport "Westelijke ontsluiting Amersfoort; Toetsing en effectenbeoordeling luchtkwaliteit" van januari 2015, opgesteld door Royal Haskoning DHV, (hierna: luchtkwaliteitsrapport) zijn de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit onderzocht. Er staat dat de concentratie PM10 is berekend op basis van de standaardrekenmethode 1 (SRM1) op de wettelijke beoordelingslocaties en is getoetst aan de wettelijke grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De overige stoffen, als aangegeven in de Wet milieubeheer, waaronder PM2,5, zijn op kwalitatieve wijze aan de grenswaarden getoetst. De jaargemiddelde concentratie van PM10 bedraagt in 2018 maximaal 22,6 μg/m3 en is daarmee ruimschoots lager dan de grenswaarde van 40 μg/m3. Gezien deze lage concentratie is een overschrijding van de etmaalgemiddelde PM10 grenswaarde uitgesloten. Deze vindt namelijk alleen plaats bij een jaargemiddelde PM10 -concentratie van 31 μg/m3 of hoger en die komt niet voor. Verder staat er dat de concentraties PM10 en PM2,5 sterk gerelateerd zijn. Op basis van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan (RIVM, 2014). Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2,5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3. De raad heeft dit rapport ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit en volgt de conclusie daaruit. In hetgeen AMVEST heeft aangevoerd is niet gebleken dat het luchtkwaliteitsrapport zodanige onjuistheden of leemtes bevat dat de raad zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat rapport had mogen baseren. Het betoog faalt.

M.e.r.-procedure

16.    De Vereniging BBBB en AMVEST betogen dat ten onrechte alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling is gedaan. Daartoe voeren ze aan dat het plan grote gevolgen heeft voor met name cultuurhistorie, fijnstof en geluid. Er had niet alleen naar de drempel van 5 km moeten worden gekeken, maar naar alle nadelige gevolgen samen. Ten onrechte is volgens hen niet naar de specifieke gevoeligheid van de natuurwaarden en landschappelijke kenmerken van Birkhoven gekeken. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Birkhoven-Bokkeduinen 2008" is aangegeven dat in de SMB voor het plan ook naar verkeersalternatieven gekeken zou worden. Nu de commissie MER niet is ingeschakeld, kan niet worden gezegd dat aan het bestreden besluit een volledig onafhankelijk, deskundig en correct rapport ten grondslag is gelegd.

16.1.    Artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben."

    Het vierde lid luidt: "Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt."

16.2.    Artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage luidt: "Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet (lees: de Wet milieubeheer) worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, […]."

    Het derde lid luidt: "Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het vierde lid, en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid."

    Het vierde lid luidt: "Als besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven."

    Het vijfde lid luidt: "[…]. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. […]"

    In categorie 1.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is als activiteit aangewezen de wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer.

16.3.    Niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan de drempelwaarde van 5 km, als bedoeld in kolom 2, van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, brengt de enkele omstandigheid dat de activiteit is opgenomen in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage, van het Besluit milieueffectrapportage, gelet op artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage, met zich dat de raad aan de hand van de selectiecriteria van bijlage III bij de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling dient te beoordelen of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en of toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer daarom achterwege kan blijven en alleen de zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden gedaan. Dat de omvang van een activiteit onder de geldende grenswaarden ligt, doet daar niet aan af.

16.4.    Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage blijkt dat het bevoegd gezag op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer zich ervan moet vergewissen of een activiteit die beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempel valt daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. De raad dient zijn standpunt hieromtrent deugdelijk te motiveren. Aan de hand van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn, moet in dat verband worden beoordeeld of is uitgesloten dat het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.

16.5.    In de SMB is een groot aantal milieuaspecten, waaronder cultuurhistorie, fijnstof en geluid, beschreven en beoordeeld. Daarbij is ook het gebied Birkhoven betrokken en is onderkend dat dit gebied is aangewezen als EHS. Appellanten hebben niet nader onderbouwd welke kenmerken hierbij buiten beschouwing zijn gelaten. De conclusie in de SMB is dat uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft in relatie tot de selectiecriteria uit de m.e.r.-richtlijn. In hetgeen de Vereniging BBBB en AMVEST hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Daarbij betrekt de Afdeling tevens dat de beroepsgronden over milieuaspecten, zoals weergegeven in de voorgaande overwegingen, falen. Gelet hierop heeft de raad, wat er ook zij van de door de Vereniging BBBB gestelde toezegging van de raad bij de vaststelling van een andere bestemmingsplan, kunnen volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het betoog faalt.

Planregels

Fietsbrug

17.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietsbrug" ten onrechte als aanduiding bij de bestemming "Groen" is opgenomen. Zij wijzen in dat verband op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012) waarvan de raad bij de vaststelling van het plan stelt te zijn uitgegaan.

17.1.    Het plan voorziet ter plaatse van de kruising van het spoor en de Daam Fockemalaan (N221) in een fietsbrug door middel van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietsbrug". Deze aanduiding ligt deels op gronden met de bestemming "Verkeer" of "Verkeer - Railverkeer" en deels op de langs het spoor gelegen gronden met de bestemming "Groen". Dit maakt het doortrekken van het fietspad aan weerszijden van de Daam Fockemalaan, over de verdiept aan te leggen weg en het spoor mogelijk.

In artikel 6, lid 6.1., aanhef en onder f, van de planregels, voor zover van thans belang, staat dat de gronden met de bestemming "Groen" zijn aangewezen voor een tunnel, fietsbrug, spoorviaduct ter plaatse van de betreffende aanduidingen.

17.2.    In artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, staat dat de raad het bestemmingsplan dient vorm te geven en in te richten overeenkomstig de SVBP 2012, die als bijlage 5 deel uitmaakt van de Regeling.

    In de SVBP 2012 staat dat er hoofdgroepen van bestemmingen bestaan. Daarnaast zijn er aanduidingen die specificaties van de bestemmingen bevatten met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een functieaanduiding, waar het in voorliggend geval om gaat, wordt gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Een functieaanduiding kan ook worden gebruikt om op een bepaalde locatie een specifieke, niet bij de bestemming passende, functie toe te laten of om functies binnen een bestemming in boven elkaar gestapelde lagen mogelijk te maken, aldus de SVBP 2012.

    De keuze van de raad om het plan zo in te richten dat de betreffende aanduiding ook deel uitmaakt van de gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemming "Groen", is hiermee niet in strijd. Gelet hierop en nu [appellant sub 2A] en andere met een enkele stelling hebben volstaan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de SVBP 2012 zich verzet tegen de gekozen inrichting van het plan in zoverre. Het betoog faalt dan ook.

18.     Ook is volgens [appellant sub 2A] en andere  het plan rechtsonzeker, omdat daaruit onvoldoende duidelijk wordt wat de maximale bouwhoogte van de fietsbrug is. Dit komt volgens hen doordat in de uitleg van het begrip "peil" verschillende maaiveldniveaus worden aangehouden.

18.1.    De Afdeling stelt eerst vast dat op grond van artikel 2 van de planregels de bouwhoogte van bouwwerken worden gemeten vanaf het peil.

Het begrip "peil" is in artikel 1, lid 1.72 van de planregels voor verschillende soorten gevallen omschreven. Voor de fietsbrug zijn, onder meer omdat deze op gronden met verschillende bestemmingen kan worden gerealiseerd, verschillende omschrijvingen van belang.

Zo is in artikel 1, lid 1.72, onder d, van de planregels bepaald dat het peil voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelegen binnen de bestemming "Verkeer - Railverkeer" de hoogte ter plaatse van de bovenkant van de spoorstaaf is. Voorts is onder f van dit artikellid bepaald dat het peil is: de (maaiveld) hoogte van een voor een erf of erven als zodanig aangegeven punt. Deze punten zijn aangegeven in bijlage 6 bij de planregels. Daarin zijn tekeningen opgenomen met lengteprofielen van straten in het plangebied, waaronder delen van de Daam Fockemalaan. In een tabel zijn onder andere van de straten het maaiveld in meter en NAP weergegeven. Voor zover de fietsbrug gerealiseerd kan worden op gronden die niet onder deze twee omschrijvingen vallen is onder e van dit artikellid van belang. Daarin is bepaald dat het peil voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw, is. Hoewel er met verschillende omschrijvingen van het peil wordt gewerkt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan enkel daarom op dit onderdeel rechtsonzeker is. De omschrijvingen zijn voldoende duidelijk, hetgeen ook niet is betwist, en er kan worden vastgesteld welke omschrijving van het peil in welk geval van toepassing is. Het betoog faalt dan ook.

Opvangvoorzieningen

19.    AMVEST betoogt dat uit de begripsomschrijving van "opvangvoorzieningen" het woord "vooral" dient te worden weggelaten, omdat AMVEST met name de opvang van kinderen gewenst acht. De opvang van ouderen wordt via andere maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt.

19.1.    In artikel 5, 5,1, van de planregels staat dat de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd zijn voor onder andere opvangvoorzieningen en andere maatschappelijke voorzieningen.

    In artikel 1, lid 1.59, staan maatschappelijke voorzieningen gedefinieerd als voorzieningen in de vorm van welzijn, zorg, onderwijs, woonzorginstellingen, religie, openbare dienstverlening, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen voorzieningen.

    In artikel 1, lid 1.66, staan opvangvoorzieningen gedefinieerd als opvang, vooral van kinderen, in speciaal daarvoor ingestelde verblijven.

19.2.    Uit de planregels blijkt dat de opvang van zowel kinderen als ouderen is toegestaan. In hetgeen AMVEST heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor de aanpassing van de definitiebepaling van opvangvoorzieningen. De enkele stelling dat zij dit ongewenst acht, is daartoe onvoldoende. Het betoog faalt.

Bijlage 4

20.    AMVEST brengt naar voren dat in de planregels ten onrechte naar Bijlage 4 bij de planregels wordt verwezen, terwijl deze bijlage ongewijzigd is overgenomen uit een eerder plan. Zo mag op grond van deze bijlage een inrit niet verdiept worden aangelegd omdat het in strijd is met het beschermd stadsgezicht. Nu dit plan bij het kloostercomplex juist voorziet in een verdiepte aanleg van de weg kan niet aan de voorwaarden uit deze bijlage worden voldaan en is onzeker of ten behoeve van de uitvoering van voorliggend plan een omgevingsvergunning kan worden verleend. Onzeker is of de hoofdontsluiting, de tweede ontsluitingsweg en de portierswoning gerealiseerd kunnen worden.

20.1.    In bijlage 4 behorende bij de planregels staat het toetsingskader van het door het rijk aangewezen beschermd stadsgezicht Bergkwartier. Er staat beschreven om welke gebieden het gaat, welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en welke waarden beschermd dienen te worden. Voor zover in die bijlage staat dat verdiepte inritten zijn verboden overweegt de Afdeling dat dit als doelstelling wordt genoemd bij landschappelijke waarden. In dat verband staat in die paragraaf dat de openbare weg een belangrijk onderdeel vormt van het Bergkwartier. Hierin wordt beschreven wat van belang is voor onder andere grasbermen, hagen, groengebieden en particuliere tuinen. Een verdiepte inrit is niet toegestaan voor zover er vanaf de openbare weg een "open gat" ontstaat. Deze situatie ziet niet op hetgeen waarin het plan voorziet voor het kloostercomplex, nu de Prins Frederiklaan weliswaar verdiept komt te liggen bij de ingang van het kloostercomplex maar de toegangsweg naar het klooster op de bestaande hoogte blijft. In hetgeen AMVEST heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat bij voorbaat vaststaat dat de waarden van het desbetreffende gebied zodanig worden aangetast dat een omgevingsvergunning voor ontsluitingswegen of een portierswoning niet zou kunnen worden verleend. Het betoog faalt.

"Waarde - Cultuurhistorie"

21.    AMVEST betoogt dat bij de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie" onduidelijk is wat bedoeld is met "openbare groenstructuur" in de planregels. Ten onrechte heeft het hele plangebied volgens [appellant sub 2A] en andere de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend gekregen.

21.1.    Blijkens de verbeelding hebben de gronden, waarop het kloostercomplex OLV ter Eem staat, en nog enkele daaraan grenzende gronden, zoals de Daam Fockemalaan tot aan de Stichtse Rotonde, de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". De raad heeft hiervoor aangesloten bij het gebied dat door het rijk is aangewezen als beschermd stadsgezicht. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

    In artikel 16, lid 16.5.1, aanhef en onder d, van de planregels is bepaald dat het verboden is om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de openbare groenstructuur te vernieuwen of te reconstrueren. Vaststaat dat "openbare groenstructuur" niet is gedefinieerd in de planregels. Voor de uitleg hiervan dient dan ook te worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. De Afdeling verstaat hieronder een groenstructuur die voor iedereen toegankelijk is. De stelling van AMVEST dat de planregeling op dit onderdeel onduidelijk is volgt de Afdeling dan ook niet. Het betoog faalt.

Beschermd stadsgezicht

22.    Volgens AMVEST is in de planregels onvoldoende geborgd dat er geen onevenredige aantasting van het beschermd stadsgezicht zal plaatsvinden aangezien niet vastgelegd is dat de stadsbouwmeester aan die waarden moet toetsen.

22.1.    Artikel 10, lid 10.4.1, onder a, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1, indien de beeldkwaliteit en de uitgangspunten voor inpassing en vormgeving van de weg en de kunstwerken ook op een andere manier kunnen worden bereikt, met dien verstande dat er sprake is van een minimaal vergelijkbaar niveau van beeldkwaliteit, inpassing en vormgeving van de weg en de kunstwerken, een en ander ter beoordeling van de gemeentelijke stadsbouwmeester."

22.2.    In artikel 10 van de planregels is de bestemming "Verkeer" vastgelegd. Voor zover deze gronden ook de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorisch" hebben, zullen ook de waarden van het beschermd stadsgezicht, zoals deze een verdere regeling hebben gevonden in bijlage 4, in acht moeten worden genomen. Voor zover gronden niet voornoemde dubbelbestemming hebben, bestaat daar geen aanleiding toe. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bescherming van het beschermd stadsgezicht voldoende in het plan is geborgd. Het betoog faalt.

Parkeren

23.    [appellant sub 2A] en andere betogen dat onvoldoende vaststaat dat het plan in voldoende parkeergelegenheid voorziet. Er verdwijnen parkeerplaatsen, maar er komen ook weer nieuwe parkeerplaatsen bij. Uit het plan blijkt niet hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn.

    De Vereniging BBBB betoogt dat ten onrechte de bouw van de parkeergarage als compensatie geldt voor het verlies aan parkeerplaatsen bij het dierenpark. Daartoe voert zij aan dat die parkeerplaatsen zonder vergunning waren ingenomen. In het vorige bestemmingsplan waren op de gronden van de gemeente reeds uitbreidingsmogelijkheden voor meer parkeerplaatsen opgenomen, waar het dierenpark geen gebruik van heeft gemaakt. De bouw van een parkeergarage is in strijd met dat bestemmingsplan en niet noodzakelijk.

23.1.    In de plantoelichting staat dat ten gevolge van de aanleg van de westelijke ontsluiting circa 306 van de bestaande 959 parkeerplaatsen van het Dierenpark Amersfoort zullen verdwijnen. Het verlies aan parkeerplaatsen wordt gecompenseerd door een gebouwde parkeervoorziening op het terrein van het dierenpark. Het plan voorziet ter plaatse binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" met de aanduiding "parkeergarage" in een parkeergarage die uit drie bouwlagen mag bestaan. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen een dergelijke parkeergarage mogelijk te maken. Voor zover wordt gesteld dat een parkeergarage in strijd zou zijn met het vorige bestemmingsplan oordeelt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

    Verder gaat de westelijke ontsluiting ook over het parkeerterrein van het restaurant de Kabouterhut. Daarom wordt voor de Kabouterhut een nieuw parkeerterrein van ongeveer 100 parkeerplaatsen gerealiseerd op een locatie waar nu de Barchman Wuytierslaan ligt. Het plan voorziet binnen de bestemming "Horeca" ter plaatse met de aanduiding "parkeerterrein" ook in een parkeerterrein.

    Het parkeerterrein van de sportverenigingen wordt verplaatst naar de grasvelden aansluitend aan de hockeyvelden. Het huidige parkeerterrein wordt toegevoegd aan de EHS. In de huidige situatie zijn er volgens de raad 310 parkeerplaatsen. De parkeercapaciteit van het nieuwe parkeerterrein  is 316 parkeerplaatsen groot.

    Vaststaat dat met het voorliggende plan noch voor het dierenpark, noch voor het restaurant, noch voor de hockeyclub wordt voorzien in een uitbreiding. Dit is in zoverre niet in geschil. Ook is niet in geschil dat in de bestaande situatie voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Een berekening hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn volgens de parkeernormen was derhalve niet noodzakelijk. [appellant sub 2A] en andere en de Vereniging BBBB hebben niet aannemelijk gemaakt dat onvoldoende ruimte voorhanden is om de parkeerplaatsen, die verloren gaan, opnieuw te kunnen aanleggen. De betogen falen.

Financiële haalbaarheid

24.    AMVEST vreest dat de aantasting van het karakter van OLV zodanig is, dat hieraan hoge compensatiekosten verbonden zijn. Volgens AMVEST is niet gebleken dat er voldoende financiële middelen zijn om deze schadeloosstelling te kunnen bekostigen.

24.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat bij de raming van de kosten van dit project voldoende rekening is gehouden met een eventuele onteigeningsprocedure en te betalen schadeloosstellingen. Niet gebleken is dat het voor de raad op voorhand duidelijk had moeten zijn dat de gemeente onvoldoende middelen heeft om eventuele schade te vergoeden. Daarbij betrekt de Afdeling dat AMVEST niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde schade zodanig hoog zal zijn dat de gemeente dit niet zou kunnen bekostigen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

25.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

26.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Vogel-Carprieaux
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018

661.