Uitspraak 201703612/2/A1

Datum van uitspraak: donderdag 21 december 2017
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer
Proceduresoort: Voorlopige voorziening
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:3544

201703612/2/A1.
Datum uitspraak: 21 december 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken van [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], allen wonend te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer, en de Stichting Stop Zonnecollectoren Midden Groningen, gevestigd te Hoogezand-Sappemeer, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: de Stichting) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende de hoger beroepen van:

1.    [verzoeker B] en [verzoeker C],
2.    het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 maart 2017 in zaken nrs. 16/4266, 16/4369, 16/4422, 16/4431 en 16/4466 in het geding tussen:

[persoon D],
[verzoeker A],
[persoon E].
[verzoeker B],
[verzoeker C],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2016 heeft het college aan Powerfield Free Zone N.V. een omgevingsvergunning verleend voor het project 'Zonnepark Midden-Groningen'.

Bij uitspraak van 21 maart 2017 heeft de rechtbank de door [persoon D], [verzoeker A], [persoon E], [verzoeker B] en [verzoeker C] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de aanvraag dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker B] en [verzoeker C] alsmede het college hoger beroep ingesteld.

[verzoeker A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 september 2017 heeft het college de omgevingsvergunning opnieuw verleend.

[verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] alsmede de Stichting hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 11 december 2017, waar het college, vertegenwoordigd door M.J. Vulpes en Y. Bartelds, is verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Powerfield Free Zone N.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven en mr. K. Roderburg en mr. K. Spee, advocaten te Amsterdam.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Powerfield Free Zone N.V. heeft op 19 juli 2016 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een zonnepark met de daarbij behorende bouwwerken, zoals zonnepanelen, hekwerken, een opslagcontainer, traforuimten, omvormers en ruimtes voor camera’s voor een periode van 30 jaar. Het op te richten zonnepark heeft een oppervlakte van 117 hectare en een capaciteit van 103 MWp. Het zonnepark is voorzien op percelen nabij Achterdiep Noordzijde 3 te Sappemeer. De locatie wordt globaal begrensd door de wegen Achterdiep Noordzijde, Lodijck, Langewijk en Buitenhuizen. De op te richten zonnepanelen hebben een hoogte van 2,2 meter boven het maaiveld.

    Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) hebben de gronden aan de oostzijde van de beoogde locatie de bestemming "Agrarisch-Tuinbouw". Binnen deze bestemming zijn kassen tot een hoogte van negen meter toegestaan. Het grootste deel van de beoogde locatie heeft de bestemming "Agrarisch". Binnen deze bestemming "Agrarisch" zijn bouwwerken niet toegestaan.

Voor het oostelijk deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch", dat is gelegen ten noorden van het Achterdiep-Noordzijde, geldt op grond van het bestemmingsplan ook de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 5". Deze aanduiding betekent dat het college bevoegd is om de bestemming door middel van een wijziging van het bestemmingsplan te wijzigen in "Agrarisch-Tuinbouw".

    [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C] wonen op korte afstand van het te realiseren zonnepark, dat het vrije uitzicht vanaf hun percelen zal beperken. De Stichting Stop Zonnecollectoren Midden-Groningen is per 1 september 2017 opgericht, zij heeft onder meer als doel het beschermen van het leefmilieu van de aanwonenden en het beschermen en in standhouden van het landelijk karakter van het gebied Achterdiep en de Langewijk, thans Sappemeer-Noord. [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C] en de Stichting stellen dat de nadelige gevolgen die zij van het besluit ondervinden niet evenredig zijn met het doel dat ermee is gediend, te meer omdat zij ook al nadelige gevolgen ondervinden van de aardgaswinning in Groningen.  

3.    De rechtbank heeft het besluit van 27 september 2016 onder meer vernietigd omdat het college vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad niet bevoegd was om de vergunning te verlenen. De rechtbank heeft het besluit voorts vernietigd omdat het college de gevolgen van de aardgaswinning, die ook leidt tot een belangenaantasting van de omwonenden, niet kenbaar bij het besluit heeft betrokken en omdat in de omgevingsvergunning geen regels zijn opgenomen die er voor zorgen dat de aanleg en instandhouding van de in het inrichtingsplan opgenomen beplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting.

4.    Bij besluit van 20 september 2017 heeft het college, nadat de gemeenteraad op 11 september 2017 een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven en een nieuw ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, de omgevingsvergunning opnieuw verleend. Uit artikel 6:19 van de Awb volgt dat [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] worden geacht van rechtswege beroep te hebben ingesteld tegen dit besluit. De Stichting heeft ook beroep ingesteld tegen het nieuwe besluit. Hangende deze beroepen hebben [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] alsmede de Stichting de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Ten aanzien van deze verzoeken overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De verzoeken van [verzoeker B] en [verzoeker C]

5.    [verzoeker B] en [verzoeker C] zijn voor het door hen ingediende verzoek griffierecht verschuldigd. Een verzoek wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:82, derde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een verzoekschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In artikel 8:82, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter een kortere termijn kan stellen.

5.1.    [verzoeker B] en [verzoeker C] zijn bij aangetekend verzonden brief van 28 november 2017 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. Daarbij is meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief, dat wil zeggen uiterlijk 7 december 2017, op de rekening van de Raad van State dient te zijn bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State dient te zijn betaald. In de brief van 28 november 2017 is tevens vermeld dat, indien het verschuldigde bedrag niet op de vermelde datum is ontvangen, het verzoek reeds om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard, behoudens in uitzonderlijke gevallen.

    Het bedrag is niet binnen de aldus gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoeker B] en [verzoeker C] in verzuim zijn geweest.

5.2.    Het verzoek van [verzoeker B] en [verzoeker C] is niet-ontvankelijk.

5.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat in zoverre geen aanleiding.

De verzoeken van [verzoeker A] en de Stichting

6.    Het college stelt dat de Stichting en een aantal van de omwonenden namens wie de stichting mede beroep instelt niet ontvankelijk zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoeft dit thans geen behandeling, nu [verzoeker A] in ieder geval ontvankelijk is, zodat het verzoek inhoudelijk kan worden behandeld. De ontvankelijkheid van alle verzoekers zal in de hoofdzaak worden besproken.

7.    [verzoeker A] en de Stichting verzoeken om een voorlopige voorziening omdat Powerfield Free Zone N.V. bij brief van 24 november 2017 heeft aangekondigd dat zij in de komende twee weken met de bouw van het zonnepark gaat beginnen. Om geen onomkeerbare schade te laten ontstaan, zoals onherstelbare schade aan het landschap, verzoeken [verzoeker A] en de Stichting om de voorziening te treffen dat het besluit van 20 september 2017 wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak op de beroepen tegen dat besluit.  

7.1.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorliggende (hoger) beroepen zich minder goed lenen voor een beoordeling in de onderhavige procedure. Om die reden ziet de voorzieningenrechter af van een inhoudelijke beoordeling van de (hoger) beroepen vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak. De vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen vooruitlopend op de beoordeling van de (hoger) beroepen door de Afdeling, zal de voorzieningenrechter beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.

7.2.    Powerfield Free Zone N.V. heeft ter zitting toegelicht dat als voorwaarde voor de aan haar verstrekte subsidie geldt dat het zonnepark uiterlijk op 1 december 2019 klaar en in werking moet zijn. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen dient, aldus Powerfield Free Zone N.V.,  tenminste 1,5 jaar en bij voorkeur 2 jaar tevoren met de werkzaamheden te worden aangevangen. De werkzaamheden zullen in eerste instantie bestaan uit het plaatsen van de transformatoren en het leggen van de leidingen. Het plaatsen van de zonnepanelen is pas het sluitstuk van de werkzaamheden.           Tegenover dit belang staat het belang van [verzoeker A] en de Stichting bij een voorlopige schorsing van de verleende vergunning. [verzoeker A] woont aangrenzend aan de percelen waarop het zonnepark is voorzien. Rondom het zonnepark zal, op korte afstand van zijn perceel, een hekwerk worden opgericht. Het zonnepark zal het vrije uitzicht vanaf de achterzijde van zijn  woning wegnemen.

7.3.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient aan het belang van [verzoeker A] en de Stichting vooralsnog meer gewicht te worden toegekend dan aan het belang van Powerfield Free Zone N.V. om zo spoedig mogelijk een aanvang met de werkzaamheden te kunnen maken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het op te richten zonnepark van grote omvang is en op korte afstand van het perceel van [verzoeker A] en een aantal van de andere verzoekers zal worden opgericht. Het zonnepark zal, ook al wordt het landschappelijk ingepast, het vrije uitzicht over de percelen waarop het wordt opgericht aanzienlijk beperken. Deze percelen bestaan thans uit weiland en mogen alleen voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Mede gelet op de mate van afwijking van het bestemmingsplan acht de voorzieningenrechter de ruimtelijke impact van het bouwplan voor de omwonenden groot. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Gelet op het belang van Powerfield Free Zone N.V. zal de voorzieningenrechter voorts bevorderen dat de bodemprocedure uiterlijk in april 2018 op zitting zal worden behandeld.

8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het verzoek van [verzoeker B] en [verzoeker C] niet-ontvankelijk;

II.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer van 20 september 2017, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer aan de volgende verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt:

a. een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) aan [verzoeker A] en

b. een bedrag van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) aan de Stichting Stop Zonnecollectoren Midden Groningen en anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Montagne
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2017

374-845.