Uitspraak 201609626/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 13 december 2017
Tegen: Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:3442

201609626/1/A3.
Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 november 2016 in zaak nr. 16/5359 in het geding tussen:

[appellante]

en

Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR).

Procesverloop

Bij brief van 12 mei 2016 heeft JBRR een verzoek om kennisgeving van persoonsgegevens van [appellante] gedeeltelijk afgewezen.

Bij uitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

JBRR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2017, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en JBRR, vertegenwoordigd door J. van der Wal, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 4 april 2016 heeft [appellante] inzage verzocht in de dossiers van haar [zoon] en haarzelf op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

    Bij de brief van 12 mei 2016 heeft JBRR aan [appellante] inzage in en afschrift van de op haar betrekking hebbende stukken gegeven, maar geweigerd inzage te verlenen in de stukken die betrekking hebben op haar zoon.

2.    De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het beroep van [appellante] kennis te nemen omdat de Jeugdwet met ingang van 1 augustus 2016 is gewijzigd. In die wijziging is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 artikel 7.3.17 van de Jeugdwet ingevoerd. Weliswaar was de bestuursrechter ten tijde van het instellen van het beroep bevoegd het beroep in behandeling te nemen, maar met de inwerkingtreding met terugwerkende kracht van artikel 7.3.17 van de Jeugdwet is niet de bestuursrechter maar de burgerlijke rechter de bevoegde rechter.

3.    [appellante] verzoekt in hoger beroep om inzage in het dossier van haar zoon toe te staan. Volgens haar is de uithuisplaatsing van haar zoon onrechtmatig evenals haar ontheffing uit het ouderlijk gezag.

4.    De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd geacht het beroep in behandeling te nemen.

    Het op 1 augustus 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking getreden artikel 7.3.17 van de Jeugdwet luidt: "Een beslissing van een jeugdhulpverlener genomen op grond van deze paragraaf [over toestemming, dossier en privacy], een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, van [de Wbp], alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 van [de Wbp] gelden, ook voor zover de jeugdhulpverlener de beslissing heeft genomen als of namens een bestuursorgaan, voor de toepassing van hoofdstuk 8 van [de Wbp], als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan."

    Het van hoofdstuk 8 deel uitmakende artikel 46, eerste lid, van de Wbp luidt: "Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 al dan niet te honoreren."

    Dit betekent dat de bestuursrechter onbevoegd is om van het beroep van [appellante] kennis te nemen. [appellante] moet voor rechtsbescherming in het kader van haar verzoek de in artikel 46, eerste lid, van de Wbp bedoelde verzoekschriftprocedure bij de burgerlijke rechter volgen, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Borman    w.g. Niane-van de Put
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

805.