Uitspraak 201505196/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 23 augustus 2017
Tegen: de staatssecretaris van Economische Zaken
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Flora en fauna
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:2237

201505196/1/A3.
Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Platform Berend Botje, gevestigd te Kiel-Windeweer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het verzoek van Berend Botje handhavend op te treden tegen overtreding van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) afgewezen.

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de staatssecretaris het door Berend Botje hiertegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Berend Botje beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Berend Botje heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2016, waar Berend Botje, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], bijgestaan door mr. M.T. Hoen, advocaat te Wijnjewoude, en drs. S.G. Dutmer, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: de provincie), vertegenwoordigd door mr. P. van der Burgh, als belanghebbende gehoord. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek geschorst.

Ter zitting heeft de Afdeling besloten de zaak gedurende vijf maanden aan te houden.

De provincie, de staatssecretaris en Berend Botje hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet op 10 april 2017, waar Berend Botje, vertegenwoordigd door mr. M.T. Hoen, advocaat te Wijnjewoude, en drs. S.G. Dutmer, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.A. Luschen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de provincie, vertegenwoordigd door mr. J.B. Koster, als belanghebbende gehoord. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek geschorst.

Ter zitting heeft de Afdeling besloten de zaak gedurende zes weken aan te houden.

De provincie en Berend Botje hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1.    De provincie Groningen heeft gevraagd om ontheffing van hetgeen is bepaald in de Ffw. Deze aanvraag is gedaan in verband met de uitvoering van het deelproject "Aanleg Westerdiepsterdalkanaal" in de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Dit deelproject is onderdeel van het project "Van Turfvaart naar Toervaart" dat ziet op het realiseren van een vaarverbinding van het Zuidlaardermeer met Oost-Groningen voor de pleziervaart. De werkzaamheden die het deelproject meebrengt en de scheepvaart die nadien zal plaatsvinden, hebben tot gevolg dat het leefgebied van de libellensoort groene glazenmaker (Aeshna viridis), te weten krabbenscheer, ter plaatse verdwijnt. De provincie heeft in haar aanvraag voorgesteld de aanwezige vegetatie krabbenscheer in het plangebied met eventuele eieren of larven van de groene glazenmaker uit het plangebied te verplaatsen naar een nieuw in te richten compensatiegebied. De minister heeft de gevraagde ontheffing verleend.

    Berend Botje heeft de minister verzocht de verleende ontheffing in te trekken en handhavend op te treden. De minister heeft deze verzoeken bij besluit van 4 juli 2008 afgewezen.

    Bij uitspraak van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:425) heeft de Afdeling geoordeeld dat de ontheffing ten onrechte is verleend, die ontheffing herroepen en zelf voorziend de ontheffingsaanvraag van de provincie Groningen afgewezen. De werkzaamheden zijn evenwel reeds uitgevoerd en niet in geschil is dat de provincie Groningen ten aanzien van de groene glazenmaker de artikelen 9, 11 en 13, eerste lid, van de Ffw heeft overtreden. Voor die overtredingen heeft zij echter geen ontheffing meer. De Afdeling heeft daarom de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van Berend Botje tegen het besluit van 4 juli 2008 te nemen, voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek. Tegen dat nieuwe besluit staat alleen beroep bij de Afdeling open.

2.    In het besluit van 22 mei 2015 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven af te zien van handhaving ten aanzien van de verrichte werkzaamheden aan het Westerdiepsterdalkanaal waarbij krabbenscheer is verplaatst naar een compensatiesloot. De staatssecretaris heeft daaraan ten grondslag gelegd dat, hoewel de compensatiesloot tot op heden niet geschikt is gebleken voor de overgeplaatste krabbenscheer, handhavend optreden in dit specifieke geval dermate onevenredig is dat daarvan moet worden afgezien. De staatssecretaris voert daartoe aan dat is gebleken dat het voortbestaan van de groene glazenmaker in de omgeving en daarmee de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in geding is. De krabbenscheer is recent verschenen in het plangebied en de groene glazenmaker is ten tijde van de ontheffing maar weinig waargenomen. Volgens de staatssecretaris is het zeer aannemelijk dat de populatie groene glazenmaker in het plangebied een (zeer) kleine en beginnende (deel)populatie betrof. Het verplaatsen van de krabbenscheer naar de compensatiesloot heeft dan ook geen wezenlijke impact op de soort in de regio gehad. Handhavend optreden, dan wel het terugbrengen van het plangebied in de oorspronkelijke staat, is dan ook niet nodig en gelet op het voorgaande en het grote belang van de werkgelegenheid in de betreffende regio dermate onevenredig zwaar dat van handhaving dient te worden afgezien, aldus de staatssecretaris.

3.    Berend Botje betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte het ecologisch advies van 12 mei 2015 van het Team Advisering Natuurwetgeving van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. In het bestreden besluit verwijst de staatssecretaris naar het advies, maar is niet kenbaar gemaakt wie het advies heeft gegeven. Ook heeft de staatssecretaris het advies niet bij het besluit gevoegd. De deskundigheid noch de objectiviteit van het advies kan worden geverifieerd, zodat dit buiten de beoordeling moet worden gelaten, aldus Berend Botje.    

3.1.    Anders dan het bestuursorgaan in de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2249) waarnaar Berend Botje heeft verwezen, was de staatssecretaris niet gehouden advies van een deskundige in te winnen alvorens tot de besluitvorming over te gaan. De staatssecretaris heeft evenwel een ecologisch advies ingewonnen en dit overgenomen in de motivering van het besluit van 22 mei 2015. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat de staatssecretaris dit advies, reeds omdat de onpartijdigheid of deskundigheid van de opsteller ervan niet zou vaststaan, niet bij de besluitvorming had mogen betrekken. Berend Botje heeft de mogelijkheid gehad de motivering van het besluit te betwisten. Van deze mogelijkheid heeft zij gebruik gemaakt, onder meer door overlegging van een reactie van 22 juni 2015 van libellendeskundige Dutmer op het bestreden besluit.

    Voorts heeft de Afdeling het advies van de staatssecretaris ontvangen, waarna de Afdeling het op 8 april 2016 naar Berend Botje en de provincie Groningen heeft doorgestuurd. Berend Botje heeft derhalve kennis kunnen nemen van het advies en daarop kunnen reageren.

    Het betoog faalt.

4.    Berend Botje betwist het standpunt van de staatssecretaris dat de gunstige staat van instandhouding van de groene glazenmaker niet in geding is. Volgens de reactie van Dutmer gaat het juist slechter met de groene glazenmaker.

    Voorts betoogt Berend Botje dat doordat de ontheffing is herroepen, ook de daarin voorgeschreven compensatiesloot is komen te vervallen. De compensatiesloot kan volgens haar dan ook geen rol spelen in deze procedure. Een populatie groene glazenmakers elders levert geen compensatie op voor het vernietigde leefgebied in het plangebied. Nu de compensatiesloot niet blijkt te functioneren als leefgebied voor de groene glazenmaker moet het voortbestaan ervan ter plaatse door handhaving worden gewaarborgd.

    Berend Botje betoogt verder dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom de gepleegde ruimtelijke ingrepen niet in verhouding staan tot de opgetreden effecten voor de groene glazenmaker. Ook is niet duidelijk om welke ruimtelijke ingrepen het gaat. Nu de gunstige staat van de soort in het geding is, mag het belang van het realiseren van het project "van Turfvaart naar Toervaart" niet prevaleren. In de afgelopen jaren is komen vast te staan dat de verrichte werkzaamheden in het plangebied niet relevant zijn voor het project, omdat er relatief weinig toervaart is geweest. Het Westerdiepsterdalkanaal is daar ongeschikt voor. Het enige belang bestond uit de werkgelegenheid die de aanleg tijdelijk met zich bracht. Dit belang bestaat thans niet meer. Het plangebied kan derhalve gemakkelijk, zonder hoge kosten, in de oude staat worden hersteld, aldus Berend Botje.

4.1.    Ingevolge artikel 112, eerste lid, van de Ffw, zoals dat ten tijde van belang luidde, is de minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1284) zal, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

    Niet in geschil is dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:425). Uit deze uitspraak en de tussenuitspraak van 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2231) volgt dat met de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal de gunstige staat van instandhouding van de groene glazenmaker is aangetast. De staatssecretaris wordt dan ook niet gevolgd in zijn in het besluit van 22 mei 2015 ingenomen standpunt dat het voortbestaan van de groene glazenmaker in de omgeving niet dan wel niet wezenlijk in gedrang is gekomen door de aanleg. In de hiervoor genoemde uitspraken is daarnaast geoordeeld dat met de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal als deelproject van het project "Van Turfvaart naar Toervaart" een dwingende reden van groot openbaar belang is gediend. Nu dit oordeel van de Afdeling vaststaat, kan niet worden toegekomen aan het betoog van Berend Botje dat inmiddels is komen vast te staan dat het Westerdiepsterdalkanaal niet relevant is voor het project "Van Turfvaart naar Toervaart" omdat er relatief weinig gebruik van zou worden gemaakt.

    De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is of er een geschikt compensatiegebied is om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding van de groene glazenmaker en indien dat niet het geval is, of handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden behoort te worden afgezien.

4.2.    Vaststaat dat de compensatiesloot niet geschikt is voor de overgeplaatste krabbenscheer. Naar aanleiding van het verhandelde op de zitting op 4 juli 2016 zijn diverse locaties onderzocht op geschiktheid als compensatiegebied. Tussen de provincie en Berend Botje heeft overleg plaatsgevonden waarbij veertien mogelijk geschikte locaties zijn besproken. Om uiteenlopende redenen is geen van deze locaties uiteindelijk geschikt gebleken als compensatiegebied.

    Daarnaast is de locatie ‘Voorbij de bocht’, een gedeelte in het Westerdiepsterdalkanaal, bezien, zoals Meijer op de zitting van 4 juli 2016 naar voren heeft gebracht. R. Pot, de deskundige van de provincie, heeft zich op het standpunt gesteld dat dit gedeelte van het kanaal ongeschikt is voor de duurzame instandhouding van een krabbenscheerpopulatie. Omdat de natuurvriendelijke oevers zeer ondiep zijn, zijn deze ongeschikt als overwinteringsplaats voor krabbenscheer. Het middengedeelte van het kanaal is te diep en bovendien belemmert de scheepvaartfunctie de ontwikkeling van een krabbenscheervegetatie. Andere gedeelten van het kanaal zijn volgens Pot ook niet geschikt. Volgens Dutmer, de deskundige van Berend Botje, valt deze locatie wel geschikt te maken als compensatiegebied.

    Verder heeft de provincie voorgesteld om Het Groninger Landschap financieel te ondersteunen voor de uitbreiding en optimalisatie van het onderzoek naar het beheer van krabbenscheer in de Lettelberterpetten. Berend Botje heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de locatie Lettelberterpetten compensatie niet aan de orde is omdat krabbenscheer en de groene glazenmaker daar al volop aanwezig zijn en omdat het te ver ligt van het Westerdiepsterdalkanaal om dat vernietigde leefgebied van de groene glazenmaker te kunnen compenseren. Bovendien is het onderzoek in de Lettelberterpetten volgens Berend Botje wetenschappelijk niet verantwoord omdat de statistische opzet ervan niet deugt.

4.3.    Op de zitting van 10 april 2017 is gebleken dat de oevers van de locatie ‘Voorbij de bocht’ geschikt moeten worden gemaakt om ervoor te zorgen dat krabbenscheer ter plaatse kan groeien. Partijen zijn het erover eens dat dit technisch gezien mogelijk is. De provincie heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat hieraan zeer hoge kosten zijn verbonden. Het project "van Turfvaart naar Toervaart" heeft € 7.400.000,00 gekost en er is nog maar een budget van € 15.000,00 beschikbaar, aldus de provincie. Desgevraagd kon de provincie niet aangeven hoe hoog de kosten voor het geschikt maken van de locatie ‘Voorbij de bocht’ zouden zijn.

    Ter zitting heeft de Afdeling aanleiding gezien het onderzoek te schorsen en de zaak aan te houden. Zij heeft de provincie in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken plannen uit te werken ten aanzien van de compensatieopties ‘Voorbij de bocht’ en Lettelberterpetten en inzage te geven in de daaraan verbonden reële kosten.

4.4.    Op 22 mei 2017 heeft de provincie een nader stuk ingediend. De provincie heeft onderzoek laten doen naar de te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten om de locatie ‘Voorbij de bocht’ geschikt te maken voor krabbenscheer. Uit het onderzoek blijkt dat daarvoor aan weerszijden van de desbetreffende kanaalgedeelten aan beide kanten twee damwanden moeten worden aangebracht met een tussenruimte van drie meter. Aan de dijkzijde moet een stalen damwand worden geplaatst om het dijklichaam op de huidige plaats te behouden en ruimte te creëren voor de krabbenscheer. Aan de kanaalzijde moet een houten damwand worden geplaatst om te voorkomen dat het vaarwater van uit de sleuf ondieper wordt en te voorkomen dat de krabbenscheerplanten uitstromen in het vaarwater. Uit de bijgevoegde berekeningen blijkt dat de hieraan verbonden kosten in totaal € 7.265.431,00 zijn. Dit bedrag bestaat uit € 1.520.465,00 aan investeringen en € 5.744.967,00 aan kosten voor het beheer en onderhoud.

    Ten aanzien van de Lettelberterpetten heeft de provincie zich bereid verklaard € 30.000,00 beschikbaar te stellen aan Het Groninger Landschap voor de uitbreiding en optimalisatie van het onderzoek in de Lettelberterpetten. Het onderzoek heeft de provincie bijgevoegd. Verder heeft de provincie zich op het standpunt gesteld dat het beschikbaar stellen van dit bedrag aan Het Groninger Landschap weliswaar geen compensatie is, maar dat door deze financiële medewerking een belangrijke bijdrage zal worden geleverd aan de gunstige staat van instandhouding van de groene glazenmaker en dat er gelet op de omstandigheden van het geval voldoende aanleiding is om af te zien van compensatie.

4.5.    Op 19 juni 2017 heeft Berend Botje hierop een schriftelijke reactie gegeven. Ten aanzien van de locatie ‘Voorbij de bocht’ stelt zij zich op het standpunt dat de door de provincie voorgestelde kosten niet reëel zijn omdat het mogelijk is om biologisch te baggeren in plaats van regulier te baggeren, waarvan de provincie is uitgegaan, om te voorkomen dat de locatie ongeschikt raakt. De kosten van biologisch baggeren zijn aanzienlijk lager dan die van regulier baggeren.

    Ten aanzien van de Lettelberterpetten blijft Berend Botje van mening dat financiële ondersteuning van het desbetreffende onderzoek geen compensatie vormt. De Ffw kent het op die wijze bijdragen aan onderzoek niet als vorm van compensatie. Compensatie van de door de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal verloren gegane geschikte habitat van krabbenscheer en de groene glazenmaker in de Veenkoloniën is hier immers niet aan de orde. Het voorgestelde onderzoek ziet niet op aanpassingen in de Lettelberterpetten om de populatie groene glazenmaker verder te laten groeien, aldus Berend Botje.

4.6.    De provincie heeft het Westerdiepsterdalkanaal aangelegd zonder onherroepelijke ontheffing. Het gaat hier niet om een incidentele overtreding, maar om een voortdurende overtreding zolang er niet is gecompenseerd of zolang het plangebied niet in de oude toestand is teruggebracht. Vaststaat dat het hier om een ernstige overtreding gaat. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris zich in het besluit van 22 mei 2015 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat handhavend optreden onevenredig is en er om die reden van moet worden afgezien. Dat het project is uitgevoerd voordat de ontheffing in rechte vast stond, komt voor rekening en risico van de provincie. Juist in het voorliggende geval waarin grote investeringen gemoeid zijn met de realisering van het project, had het op de weg van de provincie gelegen om te wachten met de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal totdat de ontheffing onherroepelijk zou zijn geworden. Daar komt bij dat het zeer ongewenst is dat minder snel kan worden opgetreden tegen een overtreding naarmate die grootschaliger is.

    Ten aanzien van de door de provincie voorgestelde bijdrage aan het onderzoek in de Lettelberterpetten is de Afdeling van oordeel dat die bijdrage geen compensatie betreft, nu daarmee de verdwenen habitat van de groene glazenmaker door de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal niet wordt gecompenseerd. Uit de door de provincie overgelegde onderzoeksopzet blijkt immers dat het slechts gaat om onderzoek naar optimale groei van krabbenscheer in verschillende stadia en naar het voor krabbenscheer meest gunstige beheer. Overigens heeft de provincie zelf ook het standpunt ingenomen dat het hier niet gaat om compensatie.

    De uitgewerkte maatregelen op de locatie ‘Voorbij de bocht’ zijn weliswaar wel aan te merken als compenserende maatregelen, maar de Afdeling acht dit geen reële compensatieoptie gelet op de hoge kosten die hieraan zijn verbonden. Deze kosten zijn bijna even hoog als de investeringen die in totaal waren gemoeid met de aanleg van het Westerdiepsterdalkanaal. Vaststaat dat de provincie niet aanstonds beschikt over de financiële middelen om deze compenserende maatregelen te treffen. Berend Botje heeft in haar reactie gesteld dat de kosten voor beheer aanzienlijk lager liggen dan de door de provincie gestelde kosten, maar heeft dit niet met stukken gestaafd en ook niet vermeld wat volgens haar uiteindelijk de hieraan verbonden reële kosten zijn. De provincie daarentegen heeft uitgebreide en gedetailleerde berekeningen van de kosten bijgevoegd.

    De conclusie op grond van het voorgaande is dat de staatssecretaris niet van handhaving heeft kunnen afzien wegens onevenredigheid en dat het besluit van 22 mei 2015 geen stand kan houden. De staatssecretaris zal derhalve opnieuw op het bezwaar van Berend Botje moeten beslissen. Gelet op de hoge kosten die zijn verbonden aan het geschikt maken van de locatie ‘Voorbij de bocht’ voor krabbenscheer als broedgebied van de groene glazenmaker zal alsnog gezocht moeten worden naar een andere compensatielocatie.

4.7.    Het betoog van Berend Botje slaagt.

5.    Op de zitting van 10 april 2017 heeft Berend Botje verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij in deze procedure heeft geleden wegens schending van de redelijk termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting aangevoerd dat aan het verzoek van Berend Botje om schadevergoeding voorbij moet worden gegaan, omdat het pas laat is ingediend en omdat partijen, waaronder Berend Botje, ermee hebben ingestemd dat de zaak is aangehouden.

5.1.1.    Een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn dient uiterlijk op de zitting te worden gedaan en in ieder geval voor het sluiten van het onderzoek. Dat is hier gebeurd. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat Berend Botje haar verzoek om schadevergoeding te laat heeft ingediend en dat er om die reden aan voorbij moet worden gegaan. Dat de Afdeling op 4 juli 2016 het onderzoek ter zitting heeft geschorst en de zaak voor vijf maanden heeft aangehouden, betekent evenmin dat aan het verzoek om schadevergoeding moet worden voorbijgegaan. Partijen hadden op die zitting toegezegd hun medewerking te verlenen aan het onderzoeken of de locatie ‘Voorbij de bocht’ geschikt was als compensatiegebied. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3844) volgt dat bij het berekenen van de redelijke termijn de periode van minnelijk overleg buiten beschouwing moet worden gelaten.

5.2.    De Afdeling heeft reeds in haar uitspraak van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:425) geoordeeld dat Berend Botje recht heeft op vergoeding van de door haar geleden immateriële schade omdat de staatssecretaris meermaals een ondeugdelijk gemotiveerd besluit op bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2008 had genomen en geen rechtvaardiging voor de overschrijding van de redelijke termijn bestond. De staatssecretaris is in die uitspraak veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2000,00 aan Berend Botje wegens overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en ongeveer acht maanden. In deze zaak over het besluit van de staatssecretaris van 22 mei 2015 is de overschrijding van de redelijke termijn verder opgelopen. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift van Berend Botje tegen het besluit van 4 juli 2008 op 5 augustus 2008 zijn inmiddels ongeveer negen jaren verstreken. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak heeft overwogen dient te worden uitgegaan van een redelijke termijn van vijf jaren. In die uitspraak heeft zij reeds een vergoeding toegekend voor overschrijding van die termijn met een jaar en ongeveer acht maanden. De overschrijding van de redelijke termijn tot de onderhavige uitspraak is opgelopen tot een jaar en ongeveer elf maanden extra, de vijf maanden voor minnelijk overleg buiten beschouwing gelaten. Deze overschrijding dient geheel voor rekening van de staatssecretaris te komen, nu van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase niet is gebleken en ook het besluit op bezwaar van 22 mei 2015 niet overeind kan blijven gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6. is overwogen.

5.3.    De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de staatssecretaris, met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan Berend Botje als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

6.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 22 mei 2015 dient te worden vernietigd. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 22 mei 2015, kenmerk 492-10362;

III.    draagt de staatssecretaris van Economische Zaken op om binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van Stichting Platform Berend Botje tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 juli 2008, kenmerk HH/2008/0130;

IV.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken om aan Stichting Platform Berend Botje te betalen een vergoeding van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro);

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij Stichting Platform Berend Botje in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.145,11 (zegge: tweeduizend honderdvijfenveertig euro en elf cent), waarvan € 1.980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan Stichting Platform Berend Botje het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Niane-van de Put
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017

805.