Uitspraak 201602201/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 7 juni 2017
Tegen: de staatssecretaris van Economische Zaken
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Openbaarheid
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:1498

201602201/1/A3.
Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Een Dier Een Vriend, gevestigd te Den Haag,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2016 in zaak nr. 14/10530 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2014 heeft de staatssecretaris een verzoek van de stichting op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar voor zover van belang gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft de staatssecretaris het besluit van 9 oktober 2014 aangevuld en het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 23 juni 2014 voor zover van belang gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2016 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het de gegevens betreft naast die welke al in het besluit van 9 oktober 2014 openbaar zijn gemaakt, ten aanzien waarvan de staatssecretaris heeft erkend dat zij ook openbaar gemaakt kunnen worden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De stichting heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. H. van Drunen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Niekus en M.T.P.E. Jeurissen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 12 februari 2014 heeft de stichting verzocht om openbaarmaking van de inspectieverslagen vanaf 2010 van de instellingen die naar aanleiding van een inspectie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) een waarschuwing hebben gekregen.

    De staatssecretaris heeft 22 documenten die voldoen aan de omschrijving in het verzoek aangetroffen en bij het besluit van 23 juni 2014 openbaargemaakt, voor zover dat al niet eerder was gedaan. Hij heeft evenwel onder meer de codenummers van de inspecteurs van de NVWA en de namen en adresgegevens van locaties waar proefdieren worden gehouden weggelakt. De codenummers heeft hij geweigerd openbaar te maken omdat deze rechtstreeks te herleiden zijn tot natuurlijke personen. Deze ambtenaren bekleden geen publieke functie, hebben geen handhavingsverantwoordelijkheid en zijn niet bevoegd tot het ondertekenen van besluiten in mandaat. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer weegt zwaarder dan dat van openbaarheid. De namen en adresgegevens van de proefdierlocaties heeft de staatssecretaris geweigerd omdat er in het verleden buitensporige acties van dierenrechtenactivisten tegen het gebruik van proefdieren hebben plaatsgevonden. Openbaarmaking van de gevraagde gegevens zou ertoe kunnen leiden dat de betrokken instellingen en hun medewerkers te maken krijgen met dierenrechtenextremisme. Gelet hierop heeft de staatssecretaris het belang om onevenredige benadeling te voorkomen zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid. De weigering de codenummers en namen en adresgegevens openbaar te maken heeft de staatssecretaris in bezwaar gehandhaafd.

2.    De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte de codenummers van de inspecteurs van de NVWA heeft geweigerd openbaar te maken. Daartoe voert zij aan dat deze nummers niet zonder onevenredige inspanning zijn te herleiden tot de betrokken inspecteurs, nu deze juist zijn ingevoerd om identificatie tegen te gaan. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Het belang van openbaarheid is zwaarwegend omdat de inspecteurs gecontroleerd moeten kunnen worden, aldus de stichting.

2.1.    Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt als volgt:

"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]"

2.2.    De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken.

    De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken inspecteurs in dit geval zwaarder weegt dan dat van openbaarmaking. Daartoe is van belang dat de codenummers van de inspecteurs te herleiden zijn tot de natuurlijke persoon. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat er slechts drie inspecteurs zijn die toezicht houden op de vergunninghouders die dierproeven verrichten en dat deze vaak bij hetzelfde bedrijf komen. Mede omdat deze inspecteurs allemaal dezelfde auto met dezelfde kleur ter beschikking hebben is eenvoudig te zien dat een inspecteur op een locatie aankomt en zijn zij op andere locaties ook eenvoudig te herkennen bijvoorbeeld voor demonstranten die regelmatig bij instellingen voor de deur demonstreren. Het beperken van de geheimhouding van de codenummers tot de gevallen waarin daadwerkelijk is gedemonstreerd, zoals de stichting voorstelt, is vanwege het geringe aantal inspecteurs onvoldoende om hun persoonlijke levenssfeer te beschermen. Verder heeft de staatssecretaris verklaard dat hij de codenummers van inspecteurs voor andere sectoren wel openbaar maakt, maar dat het bij die sectoren gaat om een grote groep van inspecteurs waardoor het moeilijker is om een codenummer tot een individuele persoon te herleiden. Bovendien zijn de inspecteurs die toezicht houden in de sector waarin dierproeven worden verricht, bevreesd voor dierenrechtenactivisme, terwijl inspecteurs die toezicht houden op andere sectoren een vergelijkbare vrees niet kennen, aldus de staatssecretaris. Gelet op deze toelichting is er naar het oordeel van de Afdeling een reële kans dat de persoonlijke gegevens van de inspecteurs kunnen worden achterhaald als hun codenummers openbaar worden gemaakt. Verder is van belang dat de vrees van de staatssecretaris voor dierenrechtenactivisme gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft terecht de verscheidene rapporten, waaronder die van de AIVD, in aanmerking genomen die de staatssecretaris heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens kan leiden tot tegen de instellingen en hun medewerkers gerichte acties van agressie of geweld of een toename van het risico daarop. De rechtbank is de staatssecretaris terecht in zijn standpunt gevolgd dat het risico van dierenrechtenactivisme nog altijd reëel is. Tot ditzelfde oordeel kwam de Afdeling in haar uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:680, waarin dezelfde vraag voorlag als in deze zaak. In de jaarverslagen van de AIVD is nog altijd een aparte signalering van dierenrechtenactivisme in Nederland opgenomen en ook de NCTV maakt hiervan nog altijd melding. In de publicatie ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ nummer 42 van juli 2016 heeft de NCTV aangetekend dat het georganiseerd dierenrechtenextremisme een mogelijke heropleving in Nederland laat zien, al is het aantal aanhangers zeer beperkt. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris de codenummers van de inspecteurs in redelijkheid krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft kunnen weigeren.

    Het betoog faalt.

3.    De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte de openbaarmaking van namen en adresgegevens van de locaties waar proefdieren worden gehouden heeft geweigerd omdat die kan leiden tot onevenredige benadelingen van instellingen en hun medewerkers. Daartoe voert zij aan dat de stukken waarmee de staatssecretaris zijn standpunt heeft onderbouwd dat gevaar bestaat voor dierenrechtenactivisme bij openbaarmaking van de verzochte informatie gedateerd, achterhaald of uit hun verband gerukt zijn. In het jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 2015 staat dat extremistische acties in het kader van dierenrechten een langzaam verdwijnend fenomeen zijn en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV) heeft in maart 2016 verklaard dat rond het dierenrechtenextremisme al jaren weinig activiteit wordt gesignaleerd. De enige recente zaak is die over bedreigingen aan het adres van de Universiteit Maastricht, maar die zaak heeft het Openbaar Ministerie geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, aldus de stichting.

3.1.    Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt als volgt:

"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden."

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de namen en adresgegevens van proefdierlocaties kan leiden tot onevenredige benadeling van deze instellingen en hun medewerkers. Daarmee wordt immers bekend op welke instellingen de al openbaar gemaakte inspectieverslagen betrekking hebben en waar de proefdierlocaties zijn gevestigd. Deze instellingen hebben naar aanleiding van deze inspecties een waarschuwing gekregen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2. is overwogen volgt dat de rechtbank de staatssecretaris terecht in zijn standpunt is gevolgd dat het risico van dierenrechtenactivisme nog altijd reëel is. Er is dan ook voldoende vrees voor een toename van het risico van tegen de instellingen en hun medewerkers gerichte buitensporige acties bij openbaarmaking van de namen en adresgegevens van de proefdierlocaties. De staatssecretaris heeft openbaarmaking van deze gegevens in redelijkheid krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob kunnen weigeren, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld.

    Het betoog faalt.

4.    Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten voor bezwaar, overweegt de Afdeling dat de rechtbank hiertoe terecht geen aanleiding heeft gezien nu haar € 490,00 is toegekend als vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten bij het besluit van 19 augustus 2015.

5.    De stichting betoogt dat de rechtbank het verzoek om verletkosten ten onrechte heeft afgewezen omdat het onvoldoende zou zijn onderbouwd. Zij voert aan dat zij een factuur heeft overgelegd waaruit het uurtarief blijkt. Al zou de onderbouwing onvoldoende zijn dan nog hadden de verletkosten forfaitair moeten worden vastgesteld, aldus de stichting.

5.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt voor een partij in verband met gemaakte verletkosten een tarief vastgesteld dat afhankelijk van de omstandigheden ligt tussen € 7,00 en € 81,00 per uur. Nu [gemachtigde], als voorzitter van de stichting, om vergoeding van verletkosten heeft verzocht, had de rechtbank hem een vergoeding hiervan moeten toekennen. Omdat [gemachtigde] zijn verletkosten bij de rechtbank niet heeft gespecificeerd is slechts plaats voor vergoeding van het minimumtarief per uur. Het aantal uren wordt forfaitair vastgesteld op zes. Derhalve heeft hij recht op € 42,00 aan verletkosten.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen in de bij de stichting in verband met de behandeling van het beroep opgekomen verletkosten. De uitspraak van de rechtbank dient voor het overige te worden bevestigd voor zover aangevallen.

7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2016 in zaak nr. 14/10530, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen in de bij Stichting Een Dier Een Vriend in verband met de behandeling van het beroep opgekomen verletkosten;

III.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige voor zover aangevallen;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij Stichting Een Dier Een Vriend in verband met de behandeling van het beroep opgekomen verletkosten en de in verband het de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.152,00 (zegge: elfhonderdtweeënvijftig euro), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan Stichting Een Dier Een Vriend het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Niane-van de Put
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

805.