Uitspraak 201601842/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 10 mei 2017
Tegen: de raad van de gemeente Woerden
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Utrecht
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:1247

201601842/1/R2.
Datum uitspraak: 10 mei 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2.    [appellant sub 2A] en anderen,
3.    [appellant sub 3],
allen wonend te Kamerik, gemeente Woerden,

en

1.    de raad van de gemeente Woerden,
2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Oortjespad" vastgesteld.

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw van recreatiebedrijf Kameryck aan het Oortjespad 3 in Kamerik.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 en 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze twee besluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], de raad en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2A] en anderen, [appellant sub 3] en het Recreatieschap Stichtse Groenlanden, Kameryck en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2A] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2A], en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, rechtsbijstandverlener te Leusden, en vergezeld door [gemachtigde], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. G. Koop en mr. A.J.G. Vegt, beiden advocaat te Rotterdam, vergezeld door A.H. Chaudron en J. van Doorne, zijn verschenen.
Voorts zijn ter zitting Kameryck B.V. en [belanghebbende], beide vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigden], en het Recreatieschap, vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, voornoemd, vergezeld door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.    Voor zover de raad stelt dat het beroep van [appellant sub 1], wonende aan de [locatie 1], niet-ontvankelijk is omdat hij niet als belanghebbende bij het plan kan worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt.

    In de eerdere uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1833, waarbij het besluit tot vaststelling van het eerdere bestemmingsplan "Oortjespad" is vernietigd door de Afdeling, heeft de Afdeling [appellant sub 1] als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt. Daarbij heeft de Afdeling - kort samengevat - overwogen dat [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 600 meter van de grens van het plangebied woont en dat gelet op hetgeen het plan mogelijk maakt, het niet is uitgesloten dat [appellant sub 1] ondanks die afstand tot het plangebied, gevolgen van het besluit kan ondervinden.

    Hoewel in de regels van het voorliggende plan meer beperkingen aan het gebruik van het recreatiegebied zijn gesteld ten opzichte van het bestemmingsplan dat in 2014 door de Afdeling is vernietigd, volgt de Afdeling de raad niet in het standpunt dat [appellant sub 1] daardoor geen hinder van enige betekenis zou kunnen ondervinden. Het voorliggende plan voorziet nog steeds in dezelfde ruimtelijke ontwikkeling als het vorige plan, namelijk uitbreiding van het recreatiebedrijf dat daar is gevestigd en het maakt daarbij zelfstandige horeca en meerdaagse evenementen mogelijk. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding om in afwijking van eerdergenoemde uitspraak het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te verklaren.

2.    Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 2A] en anderen overweegt de Afdeling als volgt.

    [appellant sub 2A] heeft mede namens 74 andere personen die in de omgeving van het recreatiegebied wonen beroep ingesteld, wat blijkt uit de inleiding van het beroepschrift en de lijsten met namen, adressen en handtekeningen die bij het beroepschrift zijn gevoegd. De Afdeling stelt vast dat het beroep onder anderen mede is ingesteld door [appellant sub 2B], wonend aan de [locatie 2], door [appellant sub 2C], wonend aan [locatie 3], door [appellant sub 2D], wonend aan de [locatie 4], en door [appellant sub 2E], wonend aan de [locatie 5]. Gezien de afstand tussen hun woningen en de grens van het plangebied die ongeveer 140 tot 500 meter bedraagt en gelet op hetgeen het plan mogelijk maakt, is het niet uitgesloten dat zij - net als [appellant sub 1] - enige hinder van betekenis kunnen ondervinden. Tevens hebben [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E] over het ontwerpbestemmingplan een zienswijze als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb naar voren gebracht.

    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2A] en anderen in ieder geval ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E]. Uit oogpunt van proceseconomie ziet de Afdeling aanleiding in dit geval af te zien van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de andere personen met wie [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E] beroep hebben ingesteld. Dit betekent dat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden.

Inleiding

3.    Het plangebied heeft betrekking op het bestaande recreatiegebied Oortjespad in Kamerik. Dat bestaat in de huidige situatie onder meer uit de voormalige zandwinplas 'Eend', een kinderboerderij, een bezoekerscentrum, speelvoorzieningen en een parkeerterrein. Tevens ligt hier het multifunctionele recreatiecentrum Kameryck. Bij dat recreatiecentrum bevinden zich onder andere een restaurant met terras, vergaderzalen, kanoverhuur, een groepsaccommodatie die bestaat uit 17 veldhuisjes voor 65 personen, een pitch & putt golfbaan en eveneens parkeerterreinen. Dit recreatiegebied wordt ontsloten door de gelijknamige weg Oortjespad. Voor de duidelijkheid zal in het vervolg van deze uitspraak uitsluitend de gebiedsontsluitingsweg Oortjespad met die naam worden aangeduid.

    Het plan voorziet in een aantal nieuwe ontwikkelingen in het recreatiegebied, waaronder uitbreiding van het bestaande recreatiecentrum Kameryck, een nieuw restaurant bij het bezoekerscentrum, nieuwe speelvoorzieningen rondom de kinderboerderij, uitbreiding van twee bestaande parkeerterreinen en het opheffen van één parkeerterrein, aanleg van een midgetgolfbaan, uitbreiding van de pitch & putt golfbaan met 9 holes en de aanleg van een wandelpad. De omgevingsvergunning voor bouwen maakt de uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw van Kameryck mogelijk.

    [appellant sub 3], [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 1] vrezen dat de vrije recreatie in het recreatiegebied onder druk komt te staan door het plan en dat de commerciële activiteiten van Kameryck die het plan toestaat voor overlast

- vooral op het gebied van geluid, verkeer en parkeren - zullen zorgen.

Ingetrokken beroepsgronden

4.     Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hadden op het bronvermogen van het ventilatiesysteem, het gesloten houden van de terrasdeuren en op het brongeluid van het verkeer dat van en naar Kameryck rijdt. Ter zitting hebben [appellant sub 2A] en anderen de beroepsgrond over het stemgeluid van maximaal 75 dB(A) van 65 personen die overnachten in de groepsaccommodatie ingetrokken.

BEROEPSGRONDEN GERICHT TEGEN HET BESTEMMINGSPLAN

Planbegrenzing

5.    [appellant sub 1] betoogt dat twee percelen ten noorden en ten westen van de waterplas in gebruik zijn als wandelpad. Nu deze twee percelen worden gebruikt ten behoeve van het recreatiegebied, zijn die door de raad ten onrechte niet binnen de begrenzing van het plangebied gebracht.

5.1.    De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    Ter zitting is namens de raad toegelicht dat de omvang van het plangebied is beperkt tot gronden met een recreatieve bestemming. De bewuste twee percelen ten noorden van het plangebied hebben een agrarische bestemming en zijn daarom buiten de begrenzing van het plangebied gehouden. Bovendien heeft de raad bewust ervoor gekozen om de begrenzing van het plangebied gelijk te houden aan het bestemmingsplan dat in de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2014 is vernietigd, mede omdat uit die uitspraak niet volgt dat de begrenzing dient te worden gewijzigd. De Afdeling overweegt dat het enkele feit dat op de twee door [appellant sub 1] bedoelde percelen een pad ligt dat onderdeel is van de wandelroute in het recreatiegebied, niet tot het oordeel leidt dat een zodanige samenhang bestaat tussen de gronden binnen het plangebied en die twee percelen dat de raad die twee percelen in het plan had moeten betrekken.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Dit betoog faalt.

M.e.r.-beoordeling

6.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de twee hiervoor onder 5 genoemde percelen ten onrechte niet bij de m.e.r.-beoordeling zijn betrokken, overweegt de Afdeling dat dit betoog reeds faalt nu onder 5.1 is geoordeeld dat de raad in redelijkheid deze twee percelen buiten de begrenzing van het plangebied heeft kunnen laten en geen onderdeel hoefden uit te maken van het plan waarvoor een m.e.r.-beoordeling is verricht.

7.    [appellant sub 3] voert aan dat gezien de omvang van het plangebied - dat meer dan 10 hectare beslaat - in combinatie met het gegeven dat er meer dan 250.000 bezoekers kunnen komen, de verkeersproblematiek en de maatschappelijke onrust, de raad ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport (hierna: MER) voor het plan hoeft te worden gemaakt.

7.1.    Ter voorbereiding op het plan is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd door onderzoeksbureau Tauw, neergelegd in een rapport van 7 mei 2015. Dat is gedaan omdat zowel het maximale aantal bezoekers van 263.000 als de oppervlakte van 21 hectare in een gevoelig gebied de drempelwaarden overschrijden als bedoeld in onderdeel D, categorie 10, kolom 2, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

    Een overschrijding van de drempelwaarden heeft niet altijd tot gevolg dat een MER moet worden opgesteld, maar dat in ieder geval een m.e.r.-beoordeling moet worden gemaakt. Dat is voor dit plan ook gedaan. De omvang van de te beoordelen activiteit en het aantal bezoekers zijn op zichzelf dan ook niet voldoende aanleiding voor het oordeel dat om die reden ten onrechte door de raad is besloten om geen MER op te stellen. De maatschappelijke onrust over het plan waar [appellant sub 3] op wijst, wordt hierna onder 26 nader behandeld. De Afdeling wijst erop dat de vraag of een MER moet worden opgesteld, afhangt van en beperkt is tot de vraag of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet milieubeheer. Hoewel de mogelijke gevolgen voor het milieu ook tot maatschappelijke onrust kunnen leiden, verplicht die omstandigheid op zichzelf niet tot het maken van een MER. Derhalve treft dit betoog geen doel.

Karakter van de voorzieningen

8.    [appellant sub 3] betoogt dat het plan in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (hierna: PRV). Hiertoe voert hij aan dat in het plan niet is verzekerd dat de voorzieningen recreatie gerelateerd zijn.

8.1.    Op kaart 11 (Recreatie) die hoort bij de PRV is het recreatiegebied aangeduid als bovenlokaal dagrecreatieterrein. In artikel 4.17 van de PRV wordt een aantal voorwaarden gesteld aan de mogelijkheid om dergelijke bestaande recreatieterreinen uit te breiden. In de toelichting bij dat artikel is het volgende vermeld: "Voor het exploitabel houden van bestaande bovenlokale recreatievoorzieningen kan het nodig zijn voorzieningen toe te staan die inkomsten kunnen genereren. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door deze regels. De voorzieningen moeten recreatie gerelateerd zijn. Hierbij kan gedacht worden aan horeca, leisurevoorzieningen, verblijfsrecreatie en andere recreatievoorzieningen."

8.2.    De Afdeling overweegt dat in paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting is beschreven dat het plan in overeenstemming is met artikel 4.17 van de PRV. Nu [appellant sub 3] zijn betoog omtrent de gestelde strijd met dit artikel van de PRV niet nader heeft onderbouwd, valt niet in te zien waarom de in het plan voorziene functies niet recreatie gerelateerd zouden zijn. Dit betoog faalt reeds hierom.

9.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het plan aanzienlijk meer horeca mogelijk maakt en dat de horeca niet langer ondergeschikt hoeft te zijn aan de recreatiefunctie van het gebied, maar dat ook zelfstandige horeca is toegestaan. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] dient op grond van de 'Horecastructuurvisie Woerden 2010' de horeca ondersteunend te zijn aan de recreatiefunctie van het gebied. Dit is niet gewaarborgd door de voorwaardelijke verplichting die is opgenomen in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels. De planregels sluiten niet uit dat horeca de voornaamste functie wordt in het gebied. Zolang Kameryck het gebied openstelt voor enige vorm van recreatie - hoe gering ook - laat het plan toe dat een grote oppervlakte aan zelfstandige horeca wordt geëxploiteerd. Dit is niet in overeenstemming met de Horecastructuurvisie. Daarbij had het volgens [appellant sub 1] in de rede gelegen om in de planregels duidelijker het ondersteunende karakter van de horeca tot uitdrukking te brengen, bijvoorbeeld door de openingstijden van de horeca en het recreatiegebied aan elkaar te koppelen.

9.1.        Artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels luidt: "Horeca, als bedoeld in lid 4.1 onder e en h, is alleen toegestaan als de overige gronden met de bestemming 'Recreatie' worden opengesteld en beheerd als recreatieterrein."

9.2.        In de onder 1 reeds genoemde uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1833, over het vorige bestemmingsplan "Oortjespad" heeft de Afdeling naar aanleiding van beroepsgronden van onder anderen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] met betrekking tot de Horecastructuurvisie het volgende overwogen:

"De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van de Horecastructuurvisie Woerden niet alleen ondergeschikte, maar ook ondersteunende zelfstandige horeca is toegestaan. In zoverre is het plan niet in strijd met de Horecastructuurvisie Woerden. Tevens heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gewenste ontwikkeling niet in strijd is met het gemeentelijk recreatiebeleid."

9.3.        De Afdeling volgt [appellant sub 1] en [appellant sub 3] opnieuw niet in hun betoog dat het voorliggende plan in strijd is met de Horecastructuurvisie. Daarbij is van belang dat in de Horecastructuurvisie ondersteunende, zelfstandige horeca niet hetzelfde is als ondergeschikte horeca, welke vooronderstelling besloten lijkt te liggen in het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]. Bij ondergeschikte horeca is de oppervlakte daarvan en de functie van minder belang voor de hoofdfunctie in vergelijking met de overige bedrijfsactiviteiten, hetgeen bij horeca die een andere functie ondersteunt niet het geval hoeft te zijn. Het voorgaande betekent dat de ondersteunende, zelfstandige horecafunctie voor Kameryck de hoofdfunctie kan zijn, zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de ondersteunende functie ervan voor het recreatiegebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de ondersteunende functie van de horeca die de bestemming "Recreatie" toestaat op de gronden van Kameryck afdoende is verzekerd door middel van de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid. 4.4.3, van de planregels. Dit betoog faalt.

Verkeer

Verkeersintensiteiten

10.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het Oortjespad niet geschikt is voor de verwachte verkeersintensiteiten als gevolg van het plan. Daarbij wijzen zij erop dat op deze erftoegangsweg buiten de bebouwde kom een maximaal toegestane snelheid van 60 km/h geldt. Deze weg wordt gebruikt door auto’s, fietsers, landbouw- en vrachtverkeer en voetgangers. Met name scholieren maken veel gebruik van deze weg om naar scholen in Woerden te fietsen. Het Oortjespad is een smalle weg van ongeveer drie meter breed op een soort dijklichaam, waar twee auto’s elkaar niet kunnen passeren. Daarvoor zijn op sommige plaatsen uitwijkmogelijkheden aangelegd. Volgens het verkeersrapport van BVA dat aan het plan ten grondslag is gelegd, hebben wegen zoals het Oortjespad een maximale capaciteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal), maar waarop die aanname is gebaseerd wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet inzichtelijk gemaakt. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] moet worden aangesloten bij de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW). Volgens [appellant sub 3] gaat het CROW uit van een capaciteit van 350 mvt/etmaal als de weg een verharding heeft die drie meter breed is.

10.1.    Niet in geschil is dat, gezien de huidige weginrichting van het Oortjespad, deze weg als een zogenoemde 'erftoegangsweg, type 2' als bedoeld in de CROW-publicaties moet worden aangemerkt. Uit de diverse CROW-publicaties waar [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de raad naar verwijzen blijkt dat dit type wegen een verhardingsbreedte heeft van 2,5 meter tot 4,5 meter en dat de maximaal toegestane snelheid op dit type wegen 60 kilometer per uur is. Afhankelijk van de breedte van de verharding bedraagt de capaciteit 300 mvt/etmaal tot maximaal 6.000 mvt/etmaal. Niet in geschil is dat het Oortjespad een verhardingsbreedte heeft van ongeveer 3,2 meter. Aan weerszijden van het Oortjespad is een aantal passeerhavens aangelegd en op die plaatsen is de verhardingsbreedte ongeveer 4,5 meter. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en [appellant sub 3] weliswaar in hun stelling dat de huidige weginrichting van het Oortjespad ervoor zorgt dat deze weg geen capaciteit van 6.000 mvt/etmaal heeft, maar constateert tevens dat een dergelijke wegcapaciteit ook niet nodig is.

    In het verkeersrapport van BVA van 30 april 2015, dat als bijlage bij het plan is gevoegd, is vermeld dat tijdens een piekdag de maximale verkeersintensiteit als gevolg van het plan 1.391 mvt/etmaal bedraagt. Die verkeersintensiteit doet zich alleen voor op het oostelijke deel van het Oortjespad, waarbij als uitgangspunt is genomen dat ongeveer 95% van het verkeer dat het recreatiegebied als bestemming heeft vanaf de provinciale weg N212 en dus uit oostelijke richting komt. Daarnaast is in het deskundigenbericht vermeld dat voor het doorgaande verkeer dat een andere bestemming heeft, zoals het dorp Kanis, in het BVA-rapport is uitgegaan van een verkeersintensiteit van ongeveer 550 mvt/etmaal. De totale maximale verkeersintensiteit op het Oortjespad komt daarmee op ongeveer 1.700 tot 1.800 mvt/etmaal. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat uit de door [appellant sub 3] overgelegde tabellen waarin eigen berekeningen zijn opgenomen, valt af te leiden dat volgens hem in de drukste maand (juni) moet worden uitgegaan van ongeveer 1.200 tot 1.500 mvt/etmaal. In een nader stuk stelt [appellant sub 1] - onder verwijzing naar verkeerstellingen uit de zomer van 2016 - dat de verkeersintensiteiten op het Oortjespad ongeveer 2.000 mvt/etmaal bedragen.

    Uit het voorgaande blijkt dat uit geen enkele berekening van partijen van de verwachte verkeersintensiteiten sprake zal zijn van verkeersintensiteiten van 6.000 mvt/etmaal. Dat het Oortjespad een dergelijke capaciteit zou hebben zoals in het BVA-rapport ten onrechte is vermeld, is dan ook niet bepalend voor de vraag of de raad dit verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen.

10.2.    De Afdeling hecht eraan op te merken dat in de CROW-publicaties bij de indicatie van de maximale capaciteit van een erftoegangsweg, zoals die hiervoor is vermeld, expliciet is vermeld dat die indicatieve maximale capaciteit verband houdt met het voorkomen van bermschade. Dit betekent derhalve op zichzelf niet dat niet meer verkeer over een erftoegangsweg kan worden afgewikkeld dan de indicatieve capaciteit aangeeft, maar dat dit dan kan leiden tot bermschade.

    Voorts staat ter beoordeling van de Afdeling of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verwachte aantal verkeersbewegingen op het Oortjespad en de afwikkeling daarvan uit verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar is. In dit verband is van belang dat de 1.700-1.800 mvt/etmaal waarvan in het BVA-rapport is uitgegaan, een verkeerssituatie betreft die zich niet dagelijks voordoet. Hierbij dient te worden vermeld dat de Afdeling geen aanleiding ziet om uit te gaan van een verkeersintensiteit van ongeveer 2.000 mvt/etmaal zoals [appellant sub 1] stelt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Recreatieschap, Kameryck en [belanghebbende] in een nader stuk op deze tellingen hebben gereageerd met daarbij een notitie van 6 december 2016 van verkeerskundig adviesbureau Meetel. Daarin is vermeld dat de verkeerstellingen waar [appellant sub 1] op wijst zijn ontleend aan een vaste snelheidsmeter - een zogenoemde smiley radarmeter - en dat volgens Meetel dergelijke vaste snelheidsmeters ook fietsers registreren. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat in die telgegevens ook fietsers op het Oortjespad zijn geregistreerd. De Afdeling ziet hierin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de 2.000 mvt/etmaal op het Oortjespad zoals [appellant sub 1] stelt en acht aannemelijk dat daarbij sprake is van een overschatting van het aantal motorvoertuigbewegingen op het Oortjespad.

    Na realisering van het plan bedraagt de verkeersintensiteit op een gemiddelde weekdag volgens het BVA-rapport 1.309 mvt/etmaal, waarvan ongeveer 550 mvt/etmaal doorgaand verkeer is. Ook is van belang dat een groot deel van dat totale aantal motorvoertuigbewegingen enkel plaatsvindt op de oostelijke helft van het Oortjespad en dat op de westelijke helft van het Oortjespad aanzienlijk minder motorvoertuigbewegingen plaatsvinden. Het Oortjespad is ongeveer 1,3 kilometer lang en het recreatiegebied heeft drie in- en uitritten die uitkomen op het Oortjespad. Vanaf de provinciale weg N212 - waar het overgrote deel van het verkeer bestemd voor het recreatiegebied vandaan komt - liggen die drie in- en uitritten op ongeveer 80, 400 en 600 meter. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet onjuist dat in het BVA-rapport rekening is gehouden met deze omstandigheid, namelijk dat na 80 meter de berekende verkeersintensiteiten reeds lager worden omdat een deel van het verkeer bij de eerste inrit afslaat naar het recreatiegebied en na 600 meter op de westelijke helft van het Oortjespad enkel nog de ongeveer 550 mvt/etmaal aan doorgaand verkeer resteert.

    Dat tijdens evenementen de doorstroming van het verkeer op het Oortjespad stroef verloopt zoals [appellant sub 2A] en anderen ter zitting hebben gesteld, trekt de Afdeling niet in twijfel, maar dit leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat wat de berekende verkeersintensiteiten betreft sprake is van een onaanvaardbare situatie. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat langs het gehele Oortjespad om de 100 meter passeerhavens aanwezig zijn die helpen bij de verkeersafwikkeling, dat de verkeersbewegingen die het gevolg zijn van het plan slechts over een relatief kort stuk van het Oortjespad plaatsvinden, namelijk tot de eerste of tweede inrit wat de snelste routes zijn naar de parkeerterreinen P1 en P2, alsmede het feit dat de verkeersbelasting van 1.391 mvt/etmaal van en naar het recreatiegebied geen dagelijkse situatie betreft maar zich slechts voordoet op een piekdag. Tevens heeft de raad bij de vaststelling van het plan mogen laten meewegen dat tijdens piekdagen eenrichtingsverkeer kan worden gecreëerd met behulp van verkeersregelaars en de parallelweg die langs het Oortjespad loopt ter plaatse van het recreatiegebied, waardoor minder verkeersdrukte op het Oortjespad ontstaat.

    Gezien het voorgaande ziet de Afdeling - mede gelet op het deskundigenbericht - geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Oortjespad de berekende verkeersintensiteiten op een aanvaardbare wijze kan afwikkelen. Dit betoog treft dan ook geen doel.

Veiligheid fietsers

11.    [appellant sub 1] betoogt dat in het verkeersonderzoek van BVA geen rekening is gehouden met de toename van het fietsverkeer. Volgens dit onderzoek komt 81% van de bezoekers met de auto, waaruit kan worden afgeleid dat een substantieel deel van de bezoekers met de fiets zal komen. Gelet op het huidige wegprofiel van het Oortjespad en het gebruik daarvan, zullen fietsers worden geconfronteerd met verkeersonveilige situaties. In het plan zijn ten onrechte geen maatregelen opgenomen om dit te voorkomen, aldus [appellant sub 1]. Ook [appellant sub 3] stelt dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties en wijst daarbij op een brief uit 2013 van het college van burgemeester en wethouders van Woerden gericht aan Dorpsplatform Kamerik, over de verzochte aanleg van een vrijliggend fietspad langs het Oortjespad in verband met de verkeersveiligheid.

11.1.    Ter zitting is namens de raad bevestigd dat het fietsverkeer dat gebruik maakt van het Oortjespad niet is meegenomen in het BVA-rapport van 30 april 2015. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpplan heeft BVA een nader verkeersonderzoek gedaan, neergelegd in een rapport van oktober 2015. Daarin is vermeld dat door middel van zogenoemde 'telslangen' de auto- en fietsbewegingen in het recreatiegebied zijn geteld en dat daaruit blijkt dat ongeveer 10.000 fietsers per jaar het recreatiegebied bezoeken. In reactie op de beroepschriften heeft BVA een notitie opgesteld, gedateerd 6 juli 2016, waarin is vermeld dat in dit geval geen bijzondere fietsvoorzieningen nodig zijn langs het Oortjespad. Daarbij verwijst BVA naar de CROW-publicatie 'Ontwerpwijzer fietsverkeer' (publicatienr. 351).

     In deze CROW-publicatie is onder andere vermeld dat voor erftoegangswegen geldt dat er menging van verkeerssoorten plaatsvindt. Een maximale snelheid van 60 km per uur (van het gemotoriseerd verkeer) is uit het oogpunt van veiligheid en comfort echter allerminst ideaal voor fietsers. Alleen bij een lage intensiteit van het autoverkeer, een rijsnelheid van het gemotoriseerd verkeer die overeenkomt met de maximumsnelheid, en weinig fietsers kan menging plaatsvinden. In de 'Basiskenmerken Wegontwerp' is dit type wegen aangeduid als erftoegangsweg type 2. Vooral in situaties met veel auto’s, landbouwverkeer of veel fietsers (erftoegangsweg type 1) zijn (gescheiden) fietsvoorzieningen gewenst.

    Volgens het deskundigenbericht lopen recreatieve fietsroutes en in beperkte mate schoolfietsroutes over het Oortjespad. [appellant sub 3] heeft een memo van adviesbureau De Verkeersdeskundige van 8 juni 2016 overgelegd, waarin wordt becijferd dat in de huidige situatie 10.080 fietsers en in de toekomstige situatie 11.583 tot 15.835 fietsers per jaar, afhankelijk van de uitgangspunten, het plangebied bezoeken.

11.2.    Aan [appellant sub 1] en [appellant sub 3] dient te worden toegegeven dat de huidige weginrichting van het Oortjespad niet ideaal is voor fietsers, wat ook voor dit type weg is vermeld in de CROW-publicatie 'Ontwerpwijzer fietsverkeer'. Dit betekent echter niet dat de bestaande situatie uit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is.

    Fietsers van en naar het recreatiegebied moeten over het Oortjespad fietsen, aangezien dat de enige ontsluitingsroute van het recreatiegebied is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in het recente verleden de mogelijkheid van een vrijliggend fietspad langs het gehele Oortjespad is onderzocht, maar dat op dit moment geen voornemen bestaat om dat fietspad aan te leggen. Derhalve neemt de Afdeling als uitgangspunt voor de beoordeling dat de bestaande weginrichting van het Oortjespad niet binnen afzienbare termijn zal veranderen. De verkeersintensiteiten op het Oortjespad liggen, ook in de berekeningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3], zowel in de bestaande situatie als na verwezenlijking van het plan onder de verkeersintensiteit van 2.000 tot 2.500 mvt/etmaal die in tabel 5-3 in eerdergenoemde CROW-publicatie wordt genoemd als indicatie voor het aanleggen van een fietsstrook of fietspad. Bovendien ligt langs het oostelijke deel van het Oortjespad, over een afstand van ongeveer 600 meter, een parallelweg die - behoudens piekdagen - is afgesloten met paaltjes voor doorgaand autoverkeer. Hoewel dat niet verplicht is, maken fietsers van die parallelweg in de praktijk ook gebruik en dat leidt tot minder fietsverkeer op het oostelijke - en drukste - deel van het Oortjespad.

    Gezien het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de verkeersveiligheid het plan niet in redelijkheid op deze wijze heeft kunnen vaststellen. Dit betoog faalt.

Rotonde Oortjespad - N212

12.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat in het verkeersonderzoek van BVA ten onrechte wordt geconcludeerd dat de rotonde op de kruising van het Oortjespad en de provinciale weg N212 voldoende capaciteit heeft om de piekbelasting in verkeersintensiteiten tijdens evenementen te verwerken. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] kan tijdens evenementen filevorming op de rijbaan van het Oortjespad ontstaan. Deze opstoppingen zijn ongewenst, want in geval van calamiteiten kunnen hulpdiensten dan niet passeren en zijn wegen in de omgeving - zoals de Teckop waar [appellant sub 1] woont - niet goed bereikbaar en wordt de parallelweg waaraan [appellant sub 3] woont geblokkeerd. In het verkeersonderzoek van BVA is dit aspect onvoldoende onderzocht.

12.1.    In het BVA-rapport van 30 april 2015 is de verkeersafwikkeling op de rotonde bezien en is op basis van de berekende verkeersintensiteiten geconcludeerd dat de rotonde voldoende capaciteit heeft om het verkeer van en naar het Oortjespad te verwerken. Ook in eerdergenoemde notitie van BVA van 6 juli 2016, waarin wordt gereageerd op de beroepschriften, wordt ingegaan op de capaciteit van de rotonde en geconcludeerd dat de berekende verkeersintensiteiten geen probleem vormen voor de verkeersafwikkeling op de rotonde. In het deskundigenbericht is vermeld dat deze enkelstrooksrotonde een maximale capaciteit heeft van 20.000 tot 25.000 mvt/etmaal. Voor piekmomenten geldt echter dat de zogenoemde conflictbelasting maatgevend is, waarvoor als vuistregel een maximum van 1.500 personenauto-equivalent per uur (hierna: pae/uur) geldt. In de notitie van BVA zijn deze uitgangspunten ook gehanteerd. In het deskundigenbericht wordt op basis van de berekende verkeersintensiteiten en deze uitgangspunten geconcludeerd dat in de spits ongeveer 550 pae/uur op de rotonde rijden en dat tijdens een piekdag dit ongeveer 900 pae/uur bedraagt. Volgens het deskundigenbericht zal gelet hierop geen sprake zijn van een conflictbelasting op de rotonde. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, geen reden om de raad niet te volgen in het standpunt dat als gevolg van het plan geen sprake zal zijn van onaanvaardbare filevorming ter plaatse van de rotonde. Dit betoog faalt.

    Wat betreft de mogelijke blokkade van de parallelweg langs de N212 waaraan [appellant sub 3] woont overweegt de Afdeling dat op drukke dagen autoverkeer op het Oortjespad kortstondig zal staan te wachten voor het oprijden van de rotonde en daarbij het in- en uitrijden van die parallelweg inderdaad mogelijk kan belemmeren. Die parallelweg functioneert als fietspad en tevens als ontsluitingsweg voor enkele percelen langs de N212. Het aantal verkeersbewegingen van en naar deze parallelweg is derhalve laag. De Afdeling ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat bij de aansluiting van de parallelweg op het Oortjespad zich een onaanvaardbaar knelpunt zal voordoen. Dit betoog treft geen doel.

Parkeergelegenheid

13.    [appellant sub 1] betoogt dat in het verkeersonderzoek van BVA de verwachte parkeerbehoefte na realisering van het plan onvoldoende is onderbouwd. In dit verband wijst hij erop dat bij de berekeningen als gevolg van middeling van de uitkomsten de pieken in de bezoekersaantallen zijn afgevlakt. Het plan voorziet niet in voldoende parkeergelegenheid op drukke dagen, waardoor bezoekers zullen uitwijken naar de omgeving en onder andere zullen parkeren aan de Teckop, waar parkeren in de berm is toegestaan. Daarnaast is volgens [appellant sub 1] niet inzichtelijk gemaakt in het verkeersonderzoek van BVA hoe rekening is gehouden met grotere voertuigen dan personenauto’s en waar die zullen parkeren. [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3] wijzen erop dat het zogenoemde 'veld L' dat in het plangebied ligt tijdens evenementen is bedoeld voor het plaatsen van tijdelijke tenten en als tijdelijk parkeerterrein voor 80 voertuigen. In geval van evenementen is dat veld derhalve niet beschikbaar voor parkeren, terwijl dan juist behoefte bestaat aan extra parkeergelegenheid. Voorts hebben [appellant sub 2A] en anderen uitgebreide berekeningen bij hun beroepschrift gevoegd, waaruit zou blijken dat vooral in de maanden mei tot en met september sprake is van een ernstig tekort aan parkeerplaatsen bij het recreatiegebied.

13.1.    Ter zitting hebben [appellant sub 2A] en anderen toegelicht dat de 10 dagen waarop evenementen mogen worden gehouden niet zijn meegenomen in hun berekeningen van de parkeerbehoefte, omdat het hen gaat om de andere dagen in het jaar die niet zijn gereguleerd in de planregels. In artikel 8, lid 8.2, onder b, sub 1, van de planregels het aantal dagen waarop evenementen mogen worden gehouden is gemaximeerd op 10. Daarnaast is voor de andere dagen een belangrijke beperking opgenomen in het plan, namelijk de bepaling in artikel 8, lid 8.2, onder m, van de planregels en die luidt: "tijdens een evenement is het niet toegestaan om de horeca per plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' anders te gebruiken dan ten dienste van het evenement". Door deze bepaling in de planregels kan een zomerse piekdag niet samenvallen met het houden van een evenement. De Afdeling zal beoordelen of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid tijdens zomerse piekdagen, aangezien de parkeerbehoefte op die dagen - nu evenementen buiten beschouwing blijven - het grootst is.

13.2.    Partijen zijn verdeeld over het aantal benodigde parkeerplaatsen. Niet in geschil is dat in het plangebied in totaal 577 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Dat betreft 409 permanente parkeerplaatsen op de drie bestaande parkeerterreinen P1, P2 en P3. Daarnaast zijn 168 tijdelijke parkeerplaatsen beschikbaar op twee grasvelden - aangeduid met 'veld 1' (88 parkeerplaatsen) en 'veld L' (80 parkeerplaatsen). Aan deze permanente en tijdelijke parkeerterreinen is in de verbeelding de aanduiding 'parkeerterrein' toegekend, waardoor dit planologisch ook is toegestaan.

    De raad stelt zich op het standpunt dat tijdens piekdagen - zonder een evenement - voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is, waarbij wordt verwezen naar het eerdergenoemde verkeersrapport van BVA van 30 april 2015. Daarin is vermeld dat op een zomerse piekdag 156 parkeerplaatsen nodig zijn. Naar aanleiding van de zienswijzen is de parkeerbehoefte nogmaals doorgerekend en zijn de uitkomsten daarvan opgenomen in bijlage 3 bij de Zienswijzennota. Uit de berekeningen in die bijlage 3 volgt dat op basis van de gemeentelijke parkeernormen minimaal 361 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Tevens volgt uit de berekeningen in die bijlage 3 dat op basis van CROW kencijfers in totaal minimaal 298 en maximaal 425 parkeerplaatsen nodig zijn. In een notitie van 5 september 2016, waarin BVA reageert op het deskundigenbericht, is de parkeerbehoefte nogmaals doorgerekend en zijn volgens BVA 273 parkeerplaatsen nodig op piekdagen zonder evenement.

    Zoals ook ter zitting is toegelicht, zijn volgens de eigen berekeningen van [appellant sub 2A] en anderen tijdens een zomerse piekdag - zonder evenement - maximaal 741 parkeerplaatsen nodig.

13.3.    De Afdeling ziet zich geconfronteerd met diverse berekeningen van het benodigde aantal parkeerplaatsen, waarbij grote verschillen bestaan bij het becijferde totale benodigde aantal parkeerplaatsen in het plangebied. Die verschillende uitkomsten kunnen deels worden verklaard door afwijkende uitgangspunten ten aanzien van bijvoorbeeld de bezettingsgraad van auto’s, de aantallen bezoekers, de verblijfsduur of het al dan niet rekening houden met zogenoemd 'dubbelgebruik' van parkeerplaatsen. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen in het BVA-rapport van 30 april 2015 uitgegaan van 263.000 bezoekers, wat blijkt uit tabel 5 op bladzijde 5 van het BVA-rapport. De Afdeling is van oordeel dat de uitvoerige berekeningen van [appellant sub 2A] en anderen geen aanleiding geven om de raad niet te volgen in het standpunt dat op zomerse piekdagen voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is in het plangebied. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

13.4.    In het deskundigenbericht is - kort samengevat - vermeld dat de oorspronkelijke berekening in het BVA-rapport van 156 parkeerplaatsen voor een piekdag niet logisch is en een te lage inschatting betreft. De Afdeling ziet in de later gemaakte berekeningen van de zijde van de gemeente, die uitkomen op een veel hoger aantal parkeerplaatsen, een bevestiging dat 156 parkeerplaatsen een onderschatting is geweest van de parkeerbehoefte op een zomerse piekdag. Dit geeft echter op zichzelf nog geen aanleiding om het voorliggende plan vanwege de parkeerbehoefte te vernietigen.

    In het deskundigenbericht is vermeld dat de gemeentelijke parkeernormen het uitgangspunt zijn geweest van de latere berekeningen, maar die uitkomsten zijn aangevuld en genuanceerd met behulp van de CROW kencijfers. De kencijfers van het CROW zijn algemeen aanvaarde richtlijnen voor het bepalen van de parkeerbehoefte met verifieerbare uitgangspunten. De raad heeft zich wat de benodigde parkeergelegenheid betreft derhalve op die kencijfers mogen baseren. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de berekening in bijlage 3 bij de Zienswijzennota, waarin de theoretische maximale parkeerbehoefte op een zomerse piekdag wordt becijferd op maximaal 425 parkeerplaatsen.

    Daarbij heeft BVA in haar reactie van 5 september 2016 terecht erop gewezen dat het maximale aantal van 425 parkeerplaatsen nog gecorrigeerd dient te worden met het oog op dubbelgebruik. Dat maximale aantal van 425 parkeerplaatsen is gebaseerd op de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (nr. 317). Bij dat theoretische maximale aantal wordt ervan uitgegaan dat alle voorzieningen in het recreatiegebied gelijktijdig maximaal worden benut, hetgeen geen realistisch scenario is. BVA wijst in haar notitie terecht erop dat in hoofdstuk 4 van CROW-publicatie 317 het theoretisch maximale aantal parkeerplaatsen op basis van de kencijfers nog mag worden gecorrigeerd voor de aanwezigheidspercentages (dubbelgebruik). Als de 425 parkeerplaatsen worden gecorrigeerd met de aanwezigheidspercentages, zijn volgens BVA in totaal 273 parkeerplaatsen nodig. Die berekening is inzichtelijk gemaakt in tabel 2 van de BVA-notitie van 5 september 2016.

    De reden waarom de berekeningen van [appellant sub 2A] en anderen geen aanleiding geven om aan de door BVA becijferde parkeerbehoefte van 273 parkeerplaatsen te twijfelen, is gelegen in het feit dat deze geen rekening houden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Naar het oordeel van de Afdeling ligt het niet voor de hand - en hebben [appellant sub 2A] en anderen ook niet nader onderbouwd - dat in dit geval ervan zou moeten worden uitgegaan dat elke auto de hele dag een parkeerplaats bezet houdt in het plangebied en dat daarom in de berekeningen van BVA geen rekening mocht worden gehouden met enig dubbelgebruik van parkeerplaatsen. De door [appellant sub 2A] en anderen berekende parkeerbehoefte van 741 parkeerplaatsen bevat naar het oordeel van de Afdeling dan ook een overschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen.

13.5.    [appellant sub 1] stelt met juistheid dat in het verkeersrapport van BVA niets valt te lezen over het parkeren van grotere voertuigen dan personenauto’s zoals touringcars. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat een touringcar ongeveer gelijk staat aan 25 auto’s, waardoor niet meer parkeergelegenheid nodig is indien bezoekers per touringcar komen en dat het bestaande parkeerterrein P2 geschikt zal worden gemaakt voor het parkeren van touringcars. De Afdeling stelt vast dat het plan niet in de weg staat aan het parkeren van touringcars in het plangebied. Verder is van belang dat in het deskundigenbericht is vermeld dat voor touringcars voldoende ruimte is om te manoeuvreren, hetgeen door [appellant sub 1] niet is weersproken, en het overgelegde kaart- en fotomateriaal geeft ook geen reden om aan die feitelijke constatering te twijfelen.

    Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onbesproken laten van het parkeren van touringcars in het BVA-rapport een zodanig gebrek is, dat de raad daardoor in redelijkheid dit rapport niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Dit betoog faalt.

13.6.    Het voorgaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat op een zomerse piekdag minimaal 273 parkeerplaatsen en maximaal 425 parkeerplaatsen nodig zijn, terwijl in het plangebied in totaal 577 permanente en tijdelijke parkeerplaatsen aanwezig zijn. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op zomerse piekdagen is voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het plangebied, zodat dit betoog faalt.

13.7.    Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] en [appellant sub 2A] en anderen over het gebruik van veld L tijdens evenementen overweegt de Afdeling als volgt. In de planregels is voor het parkeren tijdens evenementen een specifieke regeling voorzien in artikel 8, lid 8.2, onder g, van de planregels en die luidt: "tijdens evenementen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, waarbij tevens geparkeerd mag worden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenementen'. Onder voldoende parkeergelegenheid wordt ten minste verstaan: 100 parkeerplaatsen plus 56 parkeerplaatsen per 100 bezoekers van het evenement;". Aan de gronden waarop veld L ligt is ook de aanduiding 'overige zone - evenementen' toegekend.

    Uit het overgelegde kaartmateriaal blijkt dat op veld L, dat ten westen van het hoofdgebouw van Kameryck ligt, 80 auto’s kunnen worden geparkeerd. Gelet op hetgeen hiervoor onder 13.6 is overwogen, is veld L niet nodig als parkeerterrein op zomerse piekdagen. Het benodigde aantal van 273 tot 425 parkeerplaatsen op piekdagen kan worden gevonden op de parkeerterreinen P1, P2, P3 en op veld 1. Wat betreft het gebruik van veld L tijdens evenementen is ter zitting namens de raad toegelicht dat bij evenementen voorzienbaar is hoeveel parkeergelegenheid voor het desbetreffende evenement nodig is, omdat het aantal bezoekers daarvan vooraf kan worden ingeschat. Volgens de raad krijgt parkeren op veld L voorrang boven het plaatsen van tijdelijke tenten op dit veld als zonder veld L niet kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat veld L tijdens evenementen niet beschikbaar is als parkeerterrein, indien dat nodig mocht zijn. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de formule in artikel 8, lid 8.2, onder g, van de planregels ertoe leidt dat bij een evenement met meer dan 700 bezoekers veld L niet voor het plaatsen van tijdelijk tenten mag worden gebruikt, omdat dan volgens die formule niet voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. Derhalve faalt dit betoog.

13.8.    Voor zover [appellant sub 1] erop heeft gewezen dat het plan op piekdagen zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast langs de Teckop door parkeren in de berm, aangezien dat al eens eerder is gebeurd tijdens een evenement, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om [appellant sub 1] te volgen in die vrees, nu hiervoor onder 13.6 reeds is overwogen dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid tijdens piekdagen. Dit betoog faalt.

    Overigens is ter zitting namens het gemeentebestuur meegedeeld dat parkeren in de berm langs de Teckop niet wenselijk is en dat, indien dit in de toekomst vaker voorkomt, mogelijk een verkeersbesluit - tot het instellen van een parkeerverbod - zal worden genomen.

Geluid

14.    [appellant sub 1] betoogt dat zelfstandige horeca, waarbij onder meer versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht, vooral in de avond en nacht tot onaanvaardbare geluidsoverlast zal leiden. In dit verband verwijst hij naar het in zijn opdracht opgestelde rapport van Westerveld Advies waarin wordt geconstateerd dat in het akoestisch onderzoek van De Bruin Advies van 4 mei 2015 (hierna: De Bruin-rapport) dat ten grondslag is gelegd aan het plan op een aantal punten niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie. Hierdoor is de geluidsbelasting op de omgeving - waaronder zijn woning en het nabijgelegen stiltegebied - onderschat volgens [appellant sub 1] en kan de geluidsbelasting in sommige gevallen 15 dB(A) hoger zijn.

    Ook [appellant sub 2A] en anderen vrezen met name in de avonduren voor geluidsoverlast. Daarbij stellen zij dat sinds de komst van het bedrijf Kameryck reeds regelmatig sprake is van geluidsoverlast. [appellant sub 2A] en anderen stellen eveneens dat de uitgangspunten van de geluidsberekeningen zijn onderschat en wijzen daarbij met name op het geluid van mensen en muziek vanuit tenten. Ook is in het De Bruin-rapport het verkeersgeluid onderschat volgens [appellant sub 2A] en anderen.

    [appellant sub 3] voert aan dat ter plaatse van zijn woning sprake is van cumulatie van geluid en dat daarmee ten onrechte geen rekening is gehouden. Daarnaast stelt hij, eveneens onder verwijzing naar het eerdergenoemde onderzoek van Westerveld Advies, dat de berekende geluidsbelasting is onderschat.

Terrassen en tenten

15.    [appellant sub 1] voert aan dat in het Westerveld-rapport erop wordt gewezen dat het bronvermogen van 61 dB(A) voor de achtergrondmuziek op terrassen en in de permanente en tijdelijke tenten onrealistisch laag is, zeker indien dit wordt vergeleken met het bronvermogen van 77 dB(A) dat in het De Bruin-rapport is gebruikt voor stemgeluid. Een bronvermogen van 66 dB(A) voor een luidspreker is volgens het Westerveld-rapport te laag om een geluidsniveau van 50 dB(A) te halen. Ter zitting heeft [appellant sub 1] daaraan toegevoegd dat het in horecagelegenheden gebruikelijk is dat muziek harder wordt gezet als meer mensen aanwezig zijn op een terras of in een tent.

15.1.    In artikel 4, lid 4.4.2, onder b, van de planregels is wat muziek op de terrassen betreft het volgende bepaald: "op de terrassen behorende bij de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' en 'specifieke vorm van gemengd - 2' is uitsluitend al dan niet versterkt muziekgeluid als achtergrondmuziek tot 50 dB(A) toegestaan en uitsluitend tussen 07.00 en 23.00 uur".

    Artikel 4, lid 4.4.2, onder c, aanhef en sub 2, van planregels luidt: "in permanente en tijdelijke tenten, zoals bedoeld in lid 4.4.1, is uitsluitend al dan niet versterkt muziekgeluid als achtergrondmuziek tot 50 dB(A) toegestaan en uitsluitend tussen 07.00 en 23.00 uur".

15.2.    In het De Bruin-rapport is uitgegaan van een geluidsniveau voor de achtergrondmuziek van maximaal 50 dB(A) op de terrassen en in de tenten. Bij de geluidsberekeningen is een bronvermogen van 61 dB(A) voor de luidsprekers gehanteerd. In de reactie van 4 juli 2016 van De Bruin op de ingediende beroepschriften, is vermeld dat ten aanzien van het bronvermogen van stemgeluid voor de terrassen is uitgegaan van 65 dB(A) en voor de tenten van 75 dB(A).

    In het Westerveld-rapport is ten onrechte aangenomen dat in het De Bruin-rapport is uitgegaan van 77 dB(A) stemgeluid op de terrassen en in de tenten. Op bladzijde 13, 17 en 18 van het De Bruin-rapport is vermeld dat op de terrassen wordt uitgegaan van 65 dB(A) en in de permanente en tijdelijke tenten van 75 dB(A). Daarnaast gaat het Westerveld-rapport ten onrechte eraan voorbij dat op de terrassen en tenten is uitgegaan van meerdere luidsprekers. In eerdergenoemde reactie van De Bruin van 4 juli 2016 is met de figuur op bladzijde 9 inzichtelijk gemaakt dat met meerdere luidsprekers met een bronvermogen van 61 dB(A) op de terrassen het geluidsniveau van de achtergrondmuziek ongeveer 50 dB(A) zal zijn.

    Voor zover [appellant sub 1] stelt dat de achtergrondmuziek harder zal worden gezet naarmate het drukker is op de terrassen en in de tenten, overweegt de Afdeling dat het plan dit niet mogelijk maakt. Nog daargelaten dat het juist de functie van achtergrondmuziek is dat het niet het aanwezige stemgeluid gaat overheersen en die stelling daarom in algemene zin niet zonder meer juist is, zou het harder zetten van de achtergrondmuziek in dit geval ertoe leiden dat wordt gehandeld in strijd met het hiervoor vermelde artikel 4, lid 4.4.2, onder b en onder c, aanhef en sub 2, van de planregels. Dit betoog treft dan ook geen doel.

Hoofdgebouw

16.    [appellant sub 1] voert aan dat voor het niveau van het muziekgeluid in twee zalen in het hoofdgebouw van Kameryck, aangeduid met 'Muziek 1' en 'Muziek 2', ten onrechte is uitgegaan van 90-95 dB(A) en van het popmuziekspectrum. Volgens het Westerveld-rapport had moeten worden uitgegaan van het housespectrum, waarbij een minimaal geluidsniveau van 95 dB(A) geldt. De reden hiervoor is dat in de richtlijn 'Muziekspectra in horecabedrijven' uit maart 2015 van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (hierna: NSG-richtlijn) het popmuziekspectrum vooral bedoeld is voor horecabedrijven zoals een bruin café, een sportkantine of een automatenhal. Voor feestzalen waar live muziek mag worden gespeeld of een DJ muziek draait, moet volgens deze richtlijnen worden uitgegaan van het housespectrum. Daarnaast is volgens het Westerveld-rapport ten onrechte een diffusiteitscorrectie van 4 dB gebruikt in het De Bruin-rapport en zou een diffusiteitscorrectie van ten hoogste 3 dB moeten worden aangehouden.

16.1.    In de toekomstige situatie zoals die in het plan is voorzien, kent het hoofdgebouw van Kameryck twee zalen waarin feesten en partijen mogen worden gehouden. In het De Bruin-rapport is voor de bestaande zaal in het hoofdgebouw van Kameryck - aangeduid als 'Muziek 1' - uitgegaan van een geluidsniveau van 90 dB(A) en voor de nog te bouwen zaal - aangeduid als 'Muziek 2' - van een geluidsniveau van 95 dB(A). Voorts is bij de berekening van de geluidsbelasting op de omgeving door het draaien van muziek in deze twee zalen uitgegaan van het popmuziekspectrum.

16.2.    Nu in het plan geen onderscheid is gemaakt in het toegestane gebruik van beide zalen en dus in beide zalen feesten en partijen met versterkte muziek kunnen worden gehouden, is onvoldoende gemotiveerd waarom in het De Bruin-rapport voor beide zalen verschillende maximale geluidsniveaus zijn gebruikt. Het ligt in de rede dat voor beide zalen van hetzelfde maximale geluidsniveau van 95 dB(A) wordt uitgegaan. In zoverre is de berekende geluidsbelasting op de omgeving onderschat. Derhalve slaagt dit betoog van [appellant sub 1].

16.3.    In het deskundigenbericht is over het gebruikte muziekspectrum vermeld dat het popmuziekspectrum voor veel hedendaagse pop- en dancemuziek niet meer passend is, omdat dit muziekspectrum uit de jaren '80 van de vorige eeuw stamt en relatief weinig bastonen bevat. Volgens het deskundigenbericht zou moeten worden uitgegaan van het dancemuziekspectrum. Uitgaan van het zwaardere housemuziekspectrum zoals in het Westerveld-rapport wordt gesteld, is volgens het deskundigenbericht niet realistisch gezien de aard van de horecagelegenheid van Kameryck. Mede gezien het deskundigenbericht en het toegestane gebruik van beide zalen volgt de Afdeling [appellant sub 1] in zijn betoog dat in het De Bruin-rapport ten onrechte van het popmuziekspectrum is uitgegaan. Daardoor is ook op dit punt de geluidsbelasting op de omgeving onderschat en slaagt dit betoog.     

    De Afdeling volgt [appellant sub 1] echter niet in zijn betoog dat in het De Bruin-rapport van het housemuziekspectrum had moeten worden uitgegaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens de hiervoor genoemde NSG-richtlijn het housemuziekspectrum met name is bedoeld voor horecagelegenheden zoals discotheken. Tevens is in de NSG-richtlijn vermeld dat dancemuziek een containerbegrip is voor muziek die tegenwoordig op feesten en partijen wordt gedraaid. Nu dat het meest aansluit bij de aard van de bijeenkomsten in de twee zalen van Kameryck, kan bij de berekening van de geluidsbelasting in redelijkheid van het lichtere dancemuziekspectrum worden uitgegaan.

16.4.    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad het De Bruin-rapport, vanwege de twee hiervoor geconstateerde gebreken, in zoverre niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het plan. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

16.5.    Wat betreft de gebruikte diffusiteitscorrectie van 4 dB, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht is vermeld dat bij het berekenen van de geluidsuitstraling van gebouwen in de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai' rekening moet worden gehouden met een diffusiteitscorrectie, die tussen de 0 dB en 6 dB kan liggen. In de praktijk ligt die waarde tussen de 3 dB voor galmende ruimtes en 5 dB voor sterk gedempte ruimtes. Volgens het deskundigenbericht is bij de gebouwen van Kameryck van beide genoemde situaties geen sprake, zodat een diffusiteitscorrectie van 4 dB niet onrealistisch is.

    In het door [appellant sub 1] overgelegde Westerveld-rapport ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het De Bruin-rapport ten onrechte van een diffusiteitscorrectie van 4 dB is uitgegaan, nu door Westerveld niet nader is onderbouwd waarom de twee zalen van Kameryck als galmende ruimten zouden moeten worden aangemerkt. Dit betoog faalt.

Verkeersgeluid

17.    [appellant sub 2A] en anderen betogen dat de geluidsbelasting op de omgeving is onderschat, omdat in het BVA-rapport is uitgegaan van een rijsnelheid van 60 kilometer per uur op het Oortjespad, terwijl op die weg in werkelijkheid veel harder wordt gereden. De Afdeling overweegt dat in het BVA-rapport van 30 april 2015 bij de berekening van de geluidsbelasting van het wegverkeer terecht is uitgegaan van de wettelijk toegestane snelheid op het Oortjespad en die maximumsnelheid is 60 kilometer per uur. Dat op het Oortjespad soms harder dan de toegestane snelheid wordt gereden, betreft een kwestie van handhaving. Derhalve faalt dit betoog.

Overige geluidsaspecten

18.    [appellant sub 1] betoogt dat de geluidsbelasting als gevolg van meerdaagse evenementen is onderschat. In het Westerveld-rapport is geconstateerd dat in de planregels niet is uitgesloten dat een evenement wordt gehouden met een grotere geluidsbelasting dan een klassiek concert, waarvan in het De Bruin-rapport is uitgegaan. Tevens voert [appellant sub 1] aan dat ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie en een meteocorrectie is toegepast, aangezien dit volgens het Westerveld-rapport niet gebruikelijk is.

18.1.    Ten aanzien van evenementen wijst [appellant sub 1] er terecht op dat, gelet op de begripsomschrijving van 'evenement' in artikel 1.18 van de planregels, ook andersoortige evenementen dan een klassiek concert zijn toegestaan in het plan. Dit geeft echter geen reden om de uitkomsten van het De Bruin-rapport onjuist te achten, omdat daarin het evenement Kameryck Klassiek als meest geluidsbelastend is aangemerkt. Hierbij is van belang dat de planregels niet zozeer beperkingen stellen aan de aard van het evenement, maar wel grenzen stellen aan de maximale geluidsbelasting van een evenement. In artikel 8, lid 8.2, onder i, van de planregels zijn voor de gevels van twee woningen die het dichtstbij het recreatiegebied liggen maximaal toelaatbare geluidsniveaus (LAeq) opgenomen van 53 tot maximaal 60 dB(A). In het deskundigenbericht is vermeld dat deze maximale geluidsniveaus voor evenementen zoals popconcerten niet toereikend zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is op deze wijze in de planregels verzekerd dat zeer luidruchtige evenementen op grond van het plan zijn uitgesloten. Evenementen moeten immers voldoen aan die maximale geluidsniveaus. Dit betoog faalt.

18.2.    In het deskundigenbericht is vermeld dat in het De Bruin-rapport geen gebruik is gemaakt van een bedrijfsduurcorrectie voor het berekenen van de geluidsbelasting op de gevels van de nabijgelegen woningen. Dit is door [appellant sub 1] in zijn reactie op het deskundigenbericht ook niet weersproken. Derhalve mist dit betoog in zoverre feitelijke grondslag.

    Met betrekking tot de meteocorrectie is in het deskundigenbericht vermeld dat bij de beoordeling van muziekgeluid van evenementen het niet gebruikelijk is om rekening te houden met de meteocorrectie. In het evenementenbeleid van de gemeente Woerden wordt bij de maximaal toegestane geluidsbelasting ook geen meteocorrectie toegepast. Doordat in het De Bruin-rapport de meteocorrectie wel is gebruikt, valt de berekende geluidsbelasting - uitgedrukt in LAeq - volgens het deskundigenbericht tot 5 dB(A) lager uit. In het deskundigenbericht is ook vermeld dat van een onaanvaardbare geluidsbelasting tijdens evenementen geen sprake zal zijn.

    In de notitie van 28 juli 2016, waarin De Bruin reageert op het deskundigenbericht, is vermeld dat in dit geval - in afwijking van het gemeentelijke evenementenbeleid - de meteocorrectie wel is toegepast vanwege de afwijkende feitelijke situatie. De Bruin wijst erop dat het gemeentelijke evenementenbeleid is bedoeld voor evenementen zoals een kermis die op relatief korte afstand van woningen worden gehouden. In het geval van Kameryck liggen de twee dichtstbijzijnde woningen echter op afstanden van ongeveer 230 en 350 meter. Gezien die afstanden is het toepassen van een meteocorrectie nodig voor het krijgen van een betrouwbaar meetresultaat.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] op dit punt naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het De Bruin-rapport ten onrechte een meteocorrectie is toegepast vanwege de feitelijke en planologische situatie. De raad heeft dit rapport in zoverre in redelijkheid aan het plan ten grondslag kunnen leggen. Dit betoog treft geen doel.

Cumulatie

19.    [appellant sub 3] wijst erop dat zijn woning aan de provinciale weg N212 ligt en daardoor reeds sprake is van een hoge geluidsbelasting van 65-70 dB(A) op de gevel van zijn woning. Daarnaast stelt hij dat veel vliegtuigen van en naar Schiphol laag over zijn woning vliegen en dat daar nu het geluid van evenementen en verkeer als gevolg van het plan nog bijkomt. De raad heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar deze cumulatie van geluidsbronnen en hierdoor is geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij zijn woning gewaarborgd.

19.1.    In het BVA-rapport is de geluidsbelasting op drie gevels van de woning van [appellant sub 3] onderzocht. Dit betreft de noordgevel, de voorgevel van zijn woning die naar de N212 is gericht en de zuidgevel. Anders dan [appellant sub 3] stelt, is niet de achtergevel aan de westkant van zijn woning bepalend voor de beoordeling van de cumulatieve geluidshinder. Die gevel is weliswaar ook naar het plangebied gericht, maar ondervindt geen geluidsbelasting van de provinciale weg. In zoverre is het BVA-rapport niet van een onjuist uitgangspunt uitgegaan. Ten aanzien van de gestelde cumulatie van geluid is in het deskundigenbericht vermeld dat de geluidsbelasting van 60 dB van de N212 ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] aanzienlijk hoger is dan de geluidsbelasting van 40 dB van het recreatiegebied.  Het voorgaande betekent - kort gezegd - dat weliswaar sprake zal zijn van cumulatieve effecten, maar dat de geluidsbelasting van de N212 de geluidsbelasting van het recreatiegebied bij de woning van [appellant sub 3] overstemt. Derhalve leidt deze cumulatie van geluid niet tot een toename van de bestaande geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 3]. Derhalve faalt dit betoog.

Stiltegebied

20.    [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende is onderbouwd dat de geluidsbelasting op het nabij gelegen stiltegebied niet negatief zal worden beïnvloed. In dit verband wijst [appellant sub 1] op eerdergenoemd Westerveld-rapport, waarin wordt geconcludeerd dat het verrichte akoestisch onderzoek ten behoeve van het plan geen representatief beeld geeft van de optredende geluidsniveaus op het terrein van Kameryck. Hierdoor is het plan vastgesteld in strijd met artikel 4.19, tweede lid, van de PRV.

20.1.    Artikel 4.19, tweede lid, van de PRV luidt: "Een ruimtelijk plan bevat geen bestemmingen en regels die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden."

20.2.    In overweging 15 tot en met 19.1 zijn diverse uitgangspunten van het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan, neergelegd in het eerdergenoemde De Bruin-rapport, reeds behandeld. Daaruit volgt dat twee uitgangspunten van het De Bruin-rapport niet juist zijn. Gelet op hetgeen hierna onder 30.1 wordt overwogen, is de conclusie echter dat de geluidsbelasting, ook na correctie van die twee uitgangspunten, kan voldoen aan de maximale geluidsgrenswaarde van 45 dB(A) voor de nabijgelegen woningen. Voor het stiltegebied is de berekeningswijze van de maximale geluidsbelasting van 35 dB(A) echter anders dan de berekeningswijze van de maximale geluidsbelasting voor woningen. Zo wordt bij het stiltegebied wel gebruik gemaakt van een bedrijfsduurcorrectie en voor woningen niet. Derhalve leidt de constatering dat de geluidsbelasting voor de woningen op twee punten is onderschat niet tot de conclusie dat daarmee ook de geluidsbelasting op het stiltegebied is onderschat. Uit het De Bruin-rapport blijkt dat ter plaatse van het stiltegebied aan de grenswaarde van 35 dB(A) wordt voldaan. Nu [appellant sub 1] zijn betoog op dit punt niet nader heeft onderbouwd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 4.19, tweede lid, van de PRV. Dit betoog faalt.

Planregels

Maximale oppervlakte gebouwen

21.    [appellant sub 3] voert aan dat de tenten die tijdelijk of permanent op het terrein mogen worden geplaatst, de 17 zogenoemde veldhuisjes op wielen

- ook wel aangeduid als 'pipowagens' - en de overkappingen van de terrassen als een gebouw in de zin van het Bouwbesluit moeten worden aangemerkt. Derhalve moeten de hiervoor genoemde bouwwerken ook aan het Bouwbesluit voldoen. Daarnaast betoogt [appellant sub 3] dat de in het plan opgenomen maximaal toegestane oppervlakte van 1.400 m2 voor gebouwen en overkappingen wordt overschreden, nu de hiervoor bedoelde tenten, veldhuisjes en overkappingen als gebouwen moeten worden aangemerkt.

21.1.    Wat de vraag betreft of de tijdelijke en permanente tenten en andere bouwwerken op het terrein van Kameryck moeten voldoen aan het Bouwbesluit, stelt het college zich terecht op het standpunt dat die vraag eerst aan de orde kan komen in een procedure over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor die bouwwerken. In deze procedure over het bestemmingsplan is voor beantwoording van die vraag geen plaats, zodat dit betoog reeds hierom faalt.

21.2.    De door [appellant sub 3] bedoelde permanente en tijdelijke bouwwerken en gebouwen mogen uitsluitend worden neergezet op gronden waar de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' is toegekend. Het gebied waarop die aanduiding betrekking heeft, is overigens volledig gelijk aan het bouwvlak waarin ook het hoofdgebouw van Kameryck staat. Ten aanzien van de maximaal toegestane oppervlakte van deze bouwwerken of gebouwen zijn de volgende bouwregels in het plan opgenomen.

        Artikel 4, lid. 4.2, onder b, van de planregels luidt: "de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' mag niet meer dan 1.400 m² bedragen, waarbij het hoofdgebouw uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw';".

        Artikel 4, lid 4.2, onder n, luidt: "ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van gemengd - 1' mogen tenten worden geplaatst met inachtneming van de volgende regels:

1.    de gezamenlijke grondoppervlakte van permanent geplaatste tenten maximaal 200 m² bedragen;

2.    de gezamenlijke grondoppervlakte van tijdelijk geplaatste tenten maximaal 200 m² bedragen".

21.3.    Uit de hiervoor vermelde planregels volgt dat in totaal 1.800 m2 aan gebouwen en tenten mogen worden geplaatst. De stelling van [appellant sub 3] dat slechts 1.400 m2 aan gebouwen mag worden neergezet is weliswaar juist, maar miskent dat daarnaast nog 400 m2 aan permanente en tijdelijke tenten mag worden geplaatst. Voorts overweegt de Afdeling dat in bijlage 1 bij het deskundigenbericht overzichten zijn opgenomen van de totale oppervlakte van alle gebouwen en bouwwerken in de bestaande en toekomstige situatie op het terrein van Kameryck. In die overzichten zijn ook de door [appellant sub 3] genoemde permanente en tijdelijke tenten, 17 veldhuisjes op wielen en overkappingen meegenomen. Uit die overzichten blijkt dat de totale oppervlakte van al die gebouwen en bouwwerken samen 1.746,5 m2 bedraagt. Daarmee wordt derhalve binnen de maximale oppervlakte gebleven die in de planregels is toegestaan.

    Het antwoord op de vraag of de tijdelijke en permanente tenten zijn aan te merken als een gebouw is in dit geval niet relevant, nu in de planregels voor tenten een afzonderlijke maximale oppervlakte is opgenomen en die planregel niet is beperkt tot gebouwen. De 17 veldhuisjes op wielen zijn - mede gezien de plaatsgebondenheid daarvan - naar het oordeel van de Afdeling aan te merken als gebouwen. De oppervlakte van 175,8 m2 die deze veldhuisjes in beslag nemen, valt volgens de eerdergenoemde overzichten binnen de 1.400 m2 aan gebouwen die binnen de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' is toegestaan. Derhalve wordt de maximale oppervlakte voor gebouwen en tenten die het plan toestaat in de toekomstige situatie niet overschreden. Dit betoog treft geen doel.

Begrenzing maximumaantal bezoekers

22.    [appellant sub 3] voert aan dat in de planregels ten onrechte geen grens is gesteld aan het maximale aantal bezoekers van Kameryck tijdens reguliere dagen, dus op dagen dat geen evenement wordt gehouden. Daarbij wijst [appellant sub 3] erop dat in het hoofdgebouw - na de toekomstige uitbreiding met een tweede zaal - een groot aantal mensen passen.

22.1.    In de planregels is alleen een beperking opgenomen met betrekking tot het maximale aantal bezoekers op evenementendagen, te weten maximaal 850 bezoekers per dag. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat in het plan ervoor is gekozen om grenzen te stellen aan het aantal vierkante meters dat mag worden gebruikt voor horecadoeleinden en niet aan het aantal bezoekers op reguliere dagen.

    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een maximaal aantal bezoekers in de planregels voor de dagen waarop geen evenement wordt gehouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de maximale oppervlakte en het toegestane gebruik van het hoofdgebouw en de tijdelijke en permanente tenten reeds een fysieke beperking voortvloeit van het aantal mensen dat ter plaatse kan verblijven. Nu [appellant sub 3] niet nader heeft onderbouwd in welk opzicht de verwachte ruimtelijke effecten van de toegestane functies daardoor zouden zijn onderschat, faalt dit betoog.

Overige punten

Flora en fauna

23.    [appellant sub 1] betoogt dat het verrichte onderzoek naar flora- en fauna in het plangebied, neergelegd in een rapport van Tauw van 28 oktober 2015 onvoldoende representatief is. Hiertoe voert hij aan dat de quick scan slechts een momentopname bevat, waarbij enkel veldonderzoek is gedaan aan het einde van de zomer. Hierdoor is geen goed beeld gekregen van de mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Hierbij wijst [appellant sub 1] erop dat sommige diersoorten - zoals de kleine watersalamander die alleen in het voorjaar in het gebied zou kunnen worden aangetroffen - mogelijk zijn gemist.

23.1.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, overweegt de Afdeling dat op 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking is getreden en de Natuurbeschermingswet 1998 en Ffw zijn ingetrokken.

    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht.

23.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, behoeft het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Het belang waarin [appellant sub 1] wordt geraakt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen in het plan, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving. Gelet op de ligging van zijn woning op een afstand van ongeveer 600 meter van het plangebied, is de Afdeling van oordeel dat op die afstand de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van [appellant sub 1] niet aan de orde is. Derhalve moet worden geoordeeld dat de Ffw kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg. Het betoog faalt.

Belangenafweging

24.    [appellant sub 1] betoogt dat de economische noodzaak om de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het terrein van Kameryck uit te breiden niet is onderbouwd in het plan. Daar staat tegenover dat als gevolg van het plan de openbaar en zonder betaling toegankelijke natuurrecreatie steeds meer zal verdwijnen en daarvoor een partycentrum met veel overlast in de plaats komt. Gelet hierop heeft de raad onvoldoende gewicht toegekend aan zijn belangen. Ook [appellant sub 3] stelt dat aan de zakelijke belangen van Kameryck ten onrechte een groter belang is gehecht dan aan zijn belangen als omwonende. In dit geval heeft volgens hem bij de vaststelling van het plan geen juiste belangenafweging door de raad plaatsvonden.

24.1.    Anders dan [appellant sub 1] stelt wordt in paragraaf 3.1 van de plantoelichting ingegaan op de economische redenen die ten grondslag liggen aan het plan. Kort samengevat is volgens de plantoelichting de economische noodzaak gelegen in de omstandigheid dat het beheer van sommige voorzieningen die gratis zijn zoals de kinderboerderij, relatief duur is en worden die voorzieningen in stand gehouden door uitbreiding van de planologische mogelijkheden voor Kameryck. In zoverre faalt het betoog.

    In het raadsvoorstel van 10 november 2015 tot vaststelling van het plan komt de afweging tot uitdrukking van enerzijds de belangen van omwonenden wat betreft aspecten zoals verkeer, parkeren en geluid - die hebben geleid tot aanpassing van het ontwerpplan - en van anderzijds de zakelijke belangen van Kameryck. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en [appellant sub 3] dan ook niet in het betoog dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de betrokken belangen van omwonenden. Dit betoog faalt.

Beheer kinderboerderij en vrije recreatie

25.    [appellant sub 2A] en anderen voeren aan dat als gevolg van het voorliggende plan het beheer van de kinderboerderij en omliggende speelweiden wordt overgedragen van het Recreatieschap aan Kameryck. Daardoor zal volgens [appellant sub 2A] en anderen het educatieve karakter van de kinderboerderij komen te vervallen. Om dit te voorkomen is het volgens hen beter om het beheer van dit deel van het recreatiegebied onder te brengen in een stichting. Daarbij verwijzen zij naar een uitvoerig alternatief plan dat zij bij hun beroepschrift hebben gevoegd. Door middel van een stichting kan het beheer aanzienlijk goedkoper geschieden volgens hen. Zij maken dan ook bezwaar tegen de overdracht van de gronden en gebouwen die nu nog eigendom zijn van het Recreatieschap aan Kameryck.

25.1.    De Afdeling stelt vast dat zowel de kinderboerderij als de omliggende speelweiden in het voorliggende plan als zodanig zijn bestemd. Daarmee is het voortbestaan van deze gratis toegankelijke voorzieningen in het plan planologisch mogelijk gemaakt. Wat betreft het voorstel om het beheer van de kinderboerderij onder te brengen in een stichting en het bezwaar dat het beheer aan Kameryck wordt overgedragen, overweegt de Afdeling dat privaatrechtelijke verhoudingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van belang zijn. Over de wijze waarop de kinderboerderij in de toekomst zal worden beheerd, kan de Afdeling in deze bestemmingsplanprocedure dan ook geen oordeel geven. Dit betoog faalt.

    Overigens is in de Zienswijzennota en ook ter zitting van de zijde van Kameryck en het Recreatieschap het aanbod gedaan om over het toekomstige beheer van de kinderboerderij in overleg te treden.

Maatschappelijke onrust

26.    [appellant sub 2A] en anderen betogen dat door de provincie Utrecht in het kader van interbestuurlijk toezicht ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat door inwoners van Kamerik, Kanis, Teckop en de ir. Enschedeweg zienswijzen tegen het ontwerpplan zijn ingediend en dat bijna 90 mensen hun zorgen hebben geuit bij het provinciebestuur over de plannen voor het recreatiegebied Oortjespad.

26.1.    De Afdeling constateert dat deze beroepsgrond is gericht tegen het handelen van het provinciebestuur en niet is gericht tegen het bestreden besluit of de handelwijze van de raad in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid tot vaststelling van het plan. Dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht geen aanleiding heeft gezien om een reactieve aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, staat in deze procedure niet ter beoordeling van de Afdeling, zodat dit betoog reeds hierom geen doel kan treffen.

BEROEPSGRONDEN GERICHT TEGEN DE OMGEVINGSVERGUNNING

27.    [appellant sub 3] betoogt dat in de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen over het houden van toezicht op het deel van het terrein van Kameryck waar mag worden overnacht, dus op het deel van het terrein waar de 17 veldhuisjes staan. Nu dit niet in de voorschriften is geregeld zal het lastig zijn volgens [appellant sub 3] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast in de nachtelijke uren door groepen die ter plaatse overnachten.

27.1.    De Afdeling overweegt dat de verleende omgevingsvergunning uitsluitend betrekking heeft op de uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw van Kameryck, waarin de tweede zaal zal worden gerealiseerd. Deze omgevingsvergunning heeft geen betrekking op de 17 veldhuisjes waarvan [appellant sub 3] in de avond en nacht geluidsoverlast vreest. Aan een omgevingsvergunning kunnen geen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op een ander bouwwerk dan waarvoor de bewuste vergunning is aangevraagd. Daargelaten de vragen of een dergelijk voorschrift mogelijk is en nodig zou zijn, is het in ieder geval niet mogelijk om de door [appellant sub 3] gewenste voorschriften aan de voorliggende omgevingsvergunning te verbinden. Reeds hierom faalt dit betoog.

28.    [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 1] hebben ook beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning maar daartegen geen expliciete bezwaren naar voren gebracht. Een aantal beroepsgronden van [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 1] - onder meer met betrekking tot de gestelde geluidsoverlast - moeten echter worden geacht mede te zijn gericht tegen de verleende omgevingsvergunning, aangezien die beroepsgronden niet los kunnen worden gezien van de uitbreiding van het hoofdgebouw van Kameryck.

28.1.    Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wro, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo.

28.2.    Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet de vergunning worden geweigerd. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden te weigeren.

28.3.     Hiervoor zijn onder 14 tot en met 16.5 diverse beroepsgronden van [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 1] ten aanzien van geluid reeds besproken. Uit die eerdere overwegingen volgt dat de beroepsgronden van [appellant sub 2A] en anderen niet slagen.

    Enkele beroepsgronden van [appellant sub 1] slagen wel, waarbij de Afdeling kortheidshalve verwijst naar overweging 16.2 tot en met 16.4. Uit die overwegingen volgt dat de geluidsbelasting is onderschat. Vast staat dat de verleende omgevingsvergunning daardoor niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder o, van de planregels. Die bepaling luidt: "een omgevingsvergunning voor van het bouwen van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw' wordt niet eerder verleend dan nadat dusdanige geluidwerende maatregelen zijn gerealiseerd, of althans zeker is gesteld dat die maatregelen zullen zijn gerealiseerd vóór oplevering van het gebouw, dat de geluidsbelasting vanwege het betreffende gebouw, op geen van de gevels van de woning aan de [locatie 6] de grenswaarde van 45 dB(A) overschrijdt". Het voorgaande betekent dat omgevingsvergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan, zodat het beroep van [appellant sub 1] tegen de omgevingsvergunning eveneens slaagt.

Slotoverwegingen

29.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2A] en anderen tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], is ook ongegrond.

    Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, ziet de Afdeling in dit geval uit oogpunt van proceseconomie aanleiding om af te zien van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de andere personen met wie [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E] beroep hebben ingesteld. Daarbij is van belang dat de beoordeling van de ontvankelijkheid een diepgaand onderzoek zou vergen waarbij vanwege de ongegrondheid van het beroep geen belang bestaat.

30.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 16.2 tot en met 16.4 is overwogen, is het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

30.1.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende.

    Naar aanleiding van het deskundigenbericht is door De Bruin het eerdere geluidsrapport van 4 mei 2015 op twee punten aangepast. De geluidsbelasting op de omgeving is opnieuw doorgerekend in de notitie van 1 september 2016. In die nieuwe berekeningen is voor de bestaande zaal in het hoofdgebouw van Kameryck alsnog uitgegaan van geluidsniveau van 95 dB(A) in plaats van 90 dB(A) en is daarnaast gebruik gemaakt van het dancemuziekspectrum in plaats van het popmuziekspectrum. Door deze twee gewijzigde uitgangspunten neemt de geluidsbelasting op de twee meest nabijgelegen woningen - aan de [locatie 6] en [locatie 7] - toe tot respectievelijk 46 dB(A) en 43 dB(A). Bij de woning aan de [locatie 6] wordt met de berekende waarde van 46 dB(A) niet voldaan aan de maximale waarde van 45 dB(A) die is opgenomen in artikel 4, lid 4.2, onder o, van de planregels. In de notitie van 1 september 2016 is echter vermeld dat het oorspronkelijke bouwplan uit 2013 voor de uitbreiding van het hoofdgebouw van Kameryck opnieuw is bezien en daarbij is gekeken of aanvullende geluidsisolerende maatregelen mogelijk zijn. Hieruit blijkt dat bouwkundige aanpassingen mogelijk zijn die passen binnen de reeds verleende omgevingsgunning. Die bouwkundige aanpassingen bestaan uit het gebruik van dikkere deuren en een andere constructie van het plafond. Uitgaande van die bouwkundige aanpassingen zijn opnieuw geluidsberekeningen gemaakt en dan bedraagt de geluidsbelasting op de woningen aan de [locatie 6] en het [locatie 7] respectievelijk 45 dB(A) en 42 dB(A).

    Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling alsnog voldoende onderbouwd door de raad dat de geluidsbelasting op de omgeving aanvaardbaar is en kan voldoen aan de gestelde maximale waarden in de planregels, zodat het plan in zoverre ook uitvoerbaar is.

31.    Uit hetgeen hiervoor onder 28 tot en met 28.3 is overwogen vloeit voort dat het beroep van [appellant sub 1] tegen de omgevingsvergunning eveneens gegrond is. De verleende omgevingsvergunning voor uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw van Kameryck aan het Oortjespad 3 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

    De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van het college tot verlening van de omgevingsvergunning eveneens in stand te laten. Hierbij is van belang dat uit hetgeen hiervoor onder 30.1 is overwogen blijkt dat de vergunde uitbreiding van het hoofdgebouw alsnog voldoet aan het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder o, van de planregels. Hierdoor is het bouwplan niet meer in strijd met het bestemmingsplan en is geen sprake meer van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

32.    Ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 2A] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van [appellant sub 1] dienen de raad en het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

32.1.    Nu zowel het bestemmingsplan als de omgevingsvergunning worden vernietigd, acht de Afdeling het redelijk om de raad en het college ieder voor de helft te veroordelen tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep van [appellant sub 1] opgekomen proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] gegrond tegen het besluit:

-    van de raad van de gemeente van Woerden van 16 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oortjespad";

-    van het college van burgemeester en wethouders van Woerden van 2 februari 2016 tot verlening van de omgevingsvergunning voor uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw van recreatiebedrijf Kameryck aan het Oortjespad 3;

II.    vernietigt de twee besluiten die hiervoor onder I. zijn genoemd;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de twee besluiten die hiervoor onder I. zijn genoemd geheel in stand blijven;

IV.    verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2A] en anderen ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Woerden en het college van burgemeester en wethouders van Woerden gezamenlijk op de hiervoor onder 32.1 vermelde wijze tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.840,00 (zegge: achttienhonderdveertig euro), waarvan € 1.240,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan de betalingsverplichting is voldaan;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Woerden aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Vreugdenhil
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2017

571.