Uitspraak 201701628/2/R3

Datum van uitspraak: maandag 24 april 2017
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee
Proceduresoort: Voorlopige voorziening
Rechtsgebied: RO - Zuid-Holland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:1117

201701628/2/R3.
Datum uitspraak: 24 april 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Natuur- en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee, gevestigd te Goeree-Overflakkee, en Burgerinitiatief Ouddorp Kust Ruimte Rust, gevestigd te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee (hierna: NLGO en OKRR),
verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Landal Strand Resort Ouddorp Duin" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben NLGO en OKRR beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Strandresort Ouddorp Duin Ontwikkeling B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 april 2017, waar zijn verschenen NLGO en OKRR, vertegenwoordigd door mr. E.H.A. Sandberg, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door dr. J.C.K.W. Bartel, en het college, vertegenwoordigd door M.P. Hoogmoed. Voorts is ter zitting gehoord Strandresort Ouddorp Duin Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis.

    Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het plangebied van het wijzigingsplan is gelegen tussen de Oude Nieuwlandse Wetering en de Vrijheidsweg in de gemeente Goeree-Overflakkee. Bij de vaststelling van het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 15, lid 15.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen", welk bestemmingsplan is vastgesteld op 21 maart 2013. In dit plan is aan de gronden gelegen in het plangebied van het wijzigingsplan de bestemming "Agrarisch" toegekend met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied". De bestemming "Agrarisch" is met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het onderhavige wijzigingsplan gewijzigd in de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en "Groen" om ter plaatse de realisatie van recreatieve nachtverblijfseenheden mogelijk te maken. In de toelichting bij het wijzigingsplan is vermeld dat initiatiefneemster Landal Strand Resort Ouddorp Duin voornemens is binnen het plangebied van het wijzigingsplan negen recreatiewoningen te ontwikkelen en te exploiteren onder de vlag van Landal Greenparks, Strand Resort Ouddorp Duin.

3.    NLGO heeft blijkens haar statuten ten doel alle vormen van natuur- en landschapsontwikkeling, de natuur- en landschapsbescherming en de natuur- en landschapsbeleving op Goeree-Overflakkee in zich te verenigingen en de uitoefening ervan te stimuleren.

    OKRR heeft ten doel de ontwikkelingen in recreatievoorzieningen in de Kop van Goeree, zijnde een natuurgebied op Goeree-Overflakkee, in evenwicht te houden met de kwaliteit van het landschap.

    NLGO en OKRR vrezen dat als gevolg van de uitvoering van het wijzigingsplan de landschappelijke waarden in de Kop van Goeree worden aangetast.

4.    NLGO en OKRR hebben een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat op basis van het wijzigingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend voor de bouw van de negen recreatiewoningen. Ter zitting is vastgesteld dat spoedeisend belang aanwezig is, omdat reeds een vergunningaanvraag is ingediend en initiatiefneemster Landal Strand Resort Ouddorp Duin voornemens is na de verlening van de vergunning zo snel mogelijk tot bouw van de recreatiewoningen over te gaan. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak aan de hand van de beroepsgronden van NLGO en OKRR beoordelen of aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

Procedurele bezwaren

Kennisgeving ontwerpbesluit

5.    NLGO en OKRR betogen dat de kennisgeving van het ontwerpwijzigingsplan in strijd met artikel 3.9a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) heeft plaatsgevonden. Zij voeren daartoe aan dat de verbeelding, de toelichting en de regels bij het ontwerpwijzigingsplan langs elektronische weg ter beschikking zijn gesteld, maar niet het ontwerpbesluit. De elektronische terbeschikkingstelling van het ontwerpbesluit is volgens hen vereist in artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro.

5.1.    Artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro luidt: "Op de voorbereiding van een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens langs elektronische weg geschiedt, dat het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld, dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging omtrent de uitwerking of wijziging besluiten. […].

5.2.    Artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage."

5.3.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met zich dat uitsluitend het ontwerpwijzigingsplan dient te worden aangemerkt als het ontwerp van het te nemen besluit als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Uit het ontwerpwijzigingsplan blijkt immers in voldoende mate wat het college voornemens is te gaan besluiten (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6782). Gelet hierop is het niet ter inzage leggen van het ontwerpwijzigingsbesluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro en artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

Kennisgeving vastgesteld wijzigingsplan

6.    NLGO en OKRR stellen zich op het standpunt dat niet alle stukken behorende bij het vastgestelde wijzigingsplan, waaronder de bij de plantoelichting behorende bijlagen, langs elektronische weg ter beschikking zijn gesteld. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3.8, derde lid, van de Wro waarin is bepaald dat het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar dienen te worden gesteld. Door dit publicatiegebrek is het vaststellingsbesluit volgens NLGO en OKRR niet bekendgemaakt en als gevolg daarvan ook niet in werking getreden.

    Verder betogen NLGO en OKRR onder verwijzing naar artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb dat aan hen een exemplaar van het vaststellingsbesluit had moeten worden toegezonden, omdat zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. Aan hen is medegedeeld dat het vaststellingsbesluit ter inzage wordt gelegd, maar daarbij is niet een exemplaar van het vaststellingsbesluit gevoegd, aldus NLGO en OKRR. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

6.1.    Artikel 3:40 van de Awb luidt: "Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt."

    Artikel 3:42, tweede lid, van de Awb luidt: "De bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald."

    Artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt: "Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, bedoeld in 3:43, eerste lid, door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht."

6.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat van het vaststellingsbesluit kennis is gegeven in het van overheidswege uitgegeven huis-aan-huisblad "Groot Goeree-Overflakkee" van 14 februari 2017. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het vaststellingsbesluit hiermee bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb en in werking getreden. De omstandigheid dat mogelijk niet alle bij het vaststellingsbesluit behorende stukken ter inzage zijn gelegd, zoals is vereist in artikel 3.8, derde lid, van de Wro, en dat zich voorts mogelijk gebreken hebben voorgedaan in de mededeling van het vaststellingsbesluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht, betreffen mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Inhoudelijke beroepsgronden

Gewijzigde omstandigheden

7.    NLGO en OKRR betogen dat het college vanwege gewijzigde omstandigheden in redelijkheid geen gebruik had mogen van de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 15, lid 15.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen". Zij voeren daartoe aan dat deze wijzigingsbevoegdheid is ontleend aan het voor het bestemmingsplan "Klepperduinen" geldende bestemmingsplan "Verplaatsingsgebied", welk bestemmingsplan de raad van de voormalige gemeente Goedereede gelijktijdig met het bestemmingsplan "De Klepperstee" heeft vastgesteld op 17 juni 2010. De Gebiedsvisie die aan de in 2010 vastgestelde bestemmingsplannen "Verplaatsingsgebied" en "De Klepperstee" ten grondslag is gelegd, gaat ervan uit dat de verblijfsrecreatiebedrijven gevestigd op recreatiepark de Klepperstee in het zandwallengebied ten zuiden van de Vrijheidsweg geheel of gedeeltelijk worden geherhuisvest in de Klepperduinen, ook wel genoemd het Verplaatsingsgebied, ten noorden van de Vrijheidsweg. Met de verplaatsing werd beoogd de waardevolle zandwallenstructuur te ontlasten van recreatieve druk, aldus NLGO en OKRR. Van deze Gebiedsvisie en de beoogde verdunning van de verblijfsrecreatie in het zandwallengebied is volgens NLGO en OKRR niets terecht gekomen. Daartoe voeren zij aan dat de verplaatsing van recreatieve standplaatsen van recreatiepark de Klepperstee naar de Klepperduinen niet als zodanig heeft plaatsgevonden, doordat in de Klepperduinen recreatiewoningen in plaats van standplaatsen zijn gerealiseerd. Daarnaast is het beleid gericht op de verdunning van verblijfsrecreatie in het zandwallengebied volgens NLGO en OKRR inmiddels verlaten. Gelet op deze gewijzigde omstandigheden had het college in redelijkheid geen toepassing mogen geven aan de wijzigingsbevoegdheid, aldus NLGO en OKRR.

7.1.    De stelling van NLGO en OKRR dat de thans aan de orde zijnde wijzigingsbevoegdheid neergelegd in het bestemmingsplan "Klepperduinen" is ontleend aan het voor het bestemmingsplan "Klepperduinen" geldende bestemmingsplan "Verplaatsingsgebied" uit 2010 is feitelijk juist. De in 2010 gelijktijdig vastgestelde bestemmingsplannen "Verplaatsingsgebied" en "De Klepperstee" hadden blijkens de toelichting bij die plannen tot doel de recreatieve druk op recreatiepark de Klepperstee in het zandwallengebied te verminderen door een verplaatsing van de verblijfsrecreatiebedrijven vanuit het zandwallengebied naar het Verplaatsingsgebied in de Klepperduinen mogelijk te maken. In de toelichting bij de plannen uit 2010 is vermeld dat het herstructureringsvoorstel bestaat uit het uitplaatsen van toeristische standplaatsen en vaste standplaatsen van het recreatiepark de Klepperstee naar de Klepperduinen. De aantallen te verplaatsen standplaatsen zijn in het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan "De Klepperstee" niet langer als zodanig bestemd.

    In 2013 is het bestemmingsplan "Verplaatsingsgebied" grotendeels vervangen door het bestemmingsplan "Klepperduinen". In de toelichting bij het bestemmingsplan "Klepperduinen" is vermeld dat de inzichten betreffende de invullingen van het gebied de Klepperduinen inmiddels zijn gewijzigd. De toeristische vraag richt zich meer op verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen dan standplaatsen voor kampeermiddelen, aldus de toelichting. Het betoog van NLGO en OKRR dat de verplaatsing van standplaatsen van de Klepperstee naar de Klepperduinen als zodanig niet heeft plaatsgevonden doordat in de Klepperduinen recreatiewoningen in plaats van standplaatsen zijn gerealiseerd, is dan ook een direct gevolg van de nieuwe visie op de invulling van de Klepperduinen neergelegd in het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Klepperduinen". Dit betoog kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond vormen voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen toepassing had mogen geven aan de in het bestemmingsplan "Klepperduinen" neergelegde wijzigingsbevoegdheid.

    Voorts ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het beleid gericht op de verdunning van verblijfsrecreatie in het zandwallengebied na de vaststelling van het bestemmingsplan "Klepperduinen" in 2013 zou zijn verlaten. NLGO en OKRR hebben hun standpunt in zoverre niet met nadere stukken gestaafd.

    De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de omstandigheden sinds de vaststelling van het bestemmingsplan "Klepperduinen" in 2013 zodanig zouden zijn gewijzigd dat het college in redelijkheid geen toepassing had mogen geven aan de in dat plan neergelegde wijzigingsbevoegdheid.

Eerste wijzigingsvoorwaarde

8.    NLGO en OKRR betogen dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde in artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen", inhoudende dat door de wijziging het aantal recreatieve nachtverblijfseenheden binnen het plangebied niet meer zal bedragen dan 494. Volgens NLGO en OKRR is het maximum aantal van 494 recreatieve nachtverblijfseenheden in de huidige situatie reeds overschreden. Zij stellen daartoe dat thans in het plangebied van het bestemmingsplan "Klepperduinen" reeds 51 drive in-camperplaatsen, 54 standplaatsen en 233 recreatiewoningen zijn gerealiseerd. Een recreatiewoning kan volgens NLGO en OKRR niet één op één worden gelijkgesteld met een standplaats. Zo zijn in de Klepperduinen recreatiewoningen gebouwd voor 4 tot maximaal 24 personen, aldus NLGO en OKRR. Dergelijke recreatiewoningen hebben volgens hen een andere ruimtelijke impact dan een standplaats. Ervan uitgaande dat een standplaats gelijk kan worden gesteld met een accommodatie voor 4 personen, zijn in de Klepperduinen thans reeds 505 recreatieve nachtverblijfseenheden gerealiseerd, aldus NLGO en OKRR.

8.1.    Artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ter plaatse van de aanduiding wro-zone - wijzigingsgebied de bestemmingen te wijzigingen in de bestemmingen Recreatie - Verblijfsrecreatie en Groen met dien verstande dat door de wijziging het maximaal aantal recreatieve nachtverblijfseenheden binnen het plangebied niet meer zal bedragen dan 494."

    In artikel 6 van het bestemmingsplan "Klepperduinen" zijn de regels opgenomen voor de als "Recreatie - Verblijfsrecreatie" bestemde gronden. Artikel 6, lid 6.2.1, onder e, van deze planregels luidt: "het aantal recreatieve nachtverblijfseenheden in de vorm van toeristische standplaatsen, permanente standplaatsen, recreatiewoningen en/of recreatieappartementen bedraagt ten hoogste 494."

    In artikel 1, lid 1.67, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" is een recreatief nachtverblijf gedefinieerd als: "een bouwwerk dat bedoeld is om uitsluitend recreatief door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt, zoals een recreatiewoning, chalet, stacaravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen; onder recreatief verblijf wordt niet verstaan het verblijf noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden of arbeid."

8.2.    In artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels van het bestreden wijzigingsplan is voor de als "Recreatie - Verblijfsrecreatie" bestemde gronden bepaald: "in totaal mogen in het plangebied van het bestemmingsplan ‘Klepperduinen’ niet meer recreatieve nachtverblijfseenheden in de vorm van toeristische standplaatsen, permanente standplaatsen, recreatiewoningen en/of recreatieappartementen dan 494."

8.3.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" geen aanknopingspunten voor de stelling van NLGO en OKRR dat één recreatiewoning gelet op de grootte van een recreatiewoning niet gelijk kan worden gesteld met één recreatieve nachtverblijfseenheid en één standplaats. Zo volgt uit artikel 6, lid 6.2.1, onder e, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen", waarin het maximum aantal van 494 recreatieve nachtverblijfseenheden is neergelegd, niet dat bij de invulling van dit aantal een onderscheid moet worden gemaakt tussen recreatiewoningen en standplaatsen. Dit onderscheid volgt evenmin uit de in artikel 1, lid 1.67, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" opgenomen definitie van het begrip recreatief nachtverblijf. De voorzieningenrechter wijst er hierbij voorts op dat het college ter zitting heeft toegelicht dat er bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Klepperduinen" bewust voor is gekozen één standplaats opgeheven in het zandwallengebied gelijk te stellen met één nieuw te bouwen recreatiewoning in de Klepperduinen, ongeacht de grootte van de recreatiewoning. Indien voor de opgeheven standplaatsen in het zandwallengebied niet een gelijk aantal recreatiewoningen kan worden gebouwd in de Klepperduinen, ontbreekt volgens het college voor de recreatiebedrijven in het zandwallengebied de stimulans om tot verplaatsing over te gaan. Deze toelichting van het college komt de voorzieningenrechter voorshands niet onaannemelijk voor.

    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het maximum aantal van 494 recreatieve nachtverblijfseenheden in het plangebied van het bestemmingsplan "Klepperduinen" in de huidige situatie reeds wordt overschreden. Nu voorts in artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels van het bestreden wijzigingsplan is gewaarborgd dat in het plangebied van het bestemmingsplan "Klepperduinen" niet meer dan 494 recreatieve nachtverblijfseenheden mogen worden gerealiseerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de wijzigingsvoorwaarde neergelegd in artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen".

Tweede wijzigingsvoorwaarde

9.    NLGO en OKRR betogen voorts dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde in artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen", inhoudende dat van de wijzigingsbevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt voor het verplaatsen van verblijfseenheden van een bestaand recreatiebedrijf in het zandwallengebied. Volgens NLGO en OKRR is niet aannemelijk dat van verplaatsing sprake is. Zo is volgens hen niet onderbouwd op welke wijze de verplaatste eenheden de aan het recreatiebedrijf in het zandwallengebied vergunde eenheden verminderen.

9.1.    Artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ter plaatse van de aanduiding wro-zone - wijzigingsgebied de bestemmingen te wijzigingen in de bestemmingen Recreatie - Verblijfsrecreatie en Groen met dien verstande dat van de wijzigingsbevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt voor het verplaatsen van verblijfseenheden van een bestaand recreatiebedrijf in het zandwallengebied."

9.2.    In de nota van zienswijzen alsmede ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de verplaatsing van verblijfseenheden van een bestaand recreatiebedrijf in het zandwallengebied reeds is geborgd in het in 2010 voor het zandwallengebied vastgestelde bestemmingsplan "De Klepperstee" waarin de te verplaatsen recreatieve nachtverblijfseenheden niet langer als zodanig zijn bestemd. Daarnaast heeft het college ter zitting gesteld dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "De Klepperstee" een overeenkomst is gesloten met de in het zandwallengebied gevestigde recreatiebedrijven waarin is overeengekomen dat de te verplaatsen recreatieve nachtverblijfseenheden ook daadwerkelijk worden opgeheven.

    Wat betreft de uitvoering van de overeenkomst, is ter zitting toegelicht dat thans ongeveer 50 recreatieve nachtverblijfseenheden in het zandwallengebied zijn opgeheven en dat nog enkele honderden recreatieve nachtverblijfseenheden moeten worden opgeheven. De initiatiefneemster heeft in haar schriftelijke uiteenzetting voorts toegelicht dat het park Ouddorp Duin in de Klepperduinen met in totaal ruim 250 recreatiewoningen, 51 standplaatsen voor campers en 40 standplaatsen voor stacaravans inmiddels al voor een groot deel is voltooid. Gelet hierop constateert de voorzieningenrechter dat de uitvoering van de opheffing van de recreatieve nachtverblijfseenheden in het zandwallengebied ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan achterliep op de oprichting van de nieuwe recreatieve nachtverblijfseenheden in de Klepperduinen. Gelet hierop betwijfelt de voorzieningenrechter of het college ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan gebruik kon maken van de in artikel 15, lid 15.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" neergelegde wijzigingsbevoegdheid. De voorzieningenrechter wijst er hierbij op dat de enkele omstandigheid dat de op te heffen recreatieve nachtverblijfseenheden in het bestemmingsplan "De Klepperstee" niet langer als zodanig zijn bestemd op zichzelf onvoldoende waarborgen biedt dat deze recreatieve nachtverblijfseenheden ook daadwerkelijk worden opgeheven, gelet op het in dat plan opgenomen overgangsrecht. Nu de door het college genoemde overeenkomst voorts niet in het geding is gebracht, nog daargelaten de vraag of een privaatrechtelijke overeenkomst in deze procedure de benodigde zekerheid omtrent de verplaatsing kan bieden, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat het wijzigingsplan voldoet aan de in artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Klepperduinen" opgenomen wijzigingsvoorwaarde.

Conclusie

10.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 9.2 is overwogen, bestaat twijfel of het wijzigingsplan in de bodemprocedure stand zal houden. Nu de inwerkingtreding van het wijzigingsplan tot onomkeerbare gevolgen kan leiden als de door de initiatiefneemster reeds aangevraagde vergunning wordt verleend en daarvan gebruik wordt gemaakt, ziet de voorzieningenrechter, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

11.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 7 februari 2017, kenmerk Z-16-72905/71032, waarbij het wijzigingsplan "Landal Strand Resort Ouddorp Duin" is vastgesteld;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij de vereniging Natuur- en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee en Burgerinitiatief Ouddorp Kust Ruimte Rust in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan de vereniging Natuur- en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee en Burgerinitiatief Ouddorp Kust Ruimte Rust het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Koeman    w.g. Van Zuijlen
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2017

810.