Uitspraak 201606837/1/R6 en 201606916/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 22 maart 2017
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Zuid-Holland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:771

201606837/1/R6 en 201606916/1/R6.
Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Koninklijke DSM N.V., gevestigd te Heerlen, en andere (hierna: DSM),
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2016 heeft het college het uitwerkingsplan "’t Haantje West 1" vastgesteld.

Bij besluit van dezelfde datum met kenmerk 16.005581 heeft het college ten behoeve van dit uitwerkingsplan hogere geluidsgrenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Tegen deze besluiten heeft DSM beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 19 januari 2017, waar DSM, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ir. J. de Oude, bijgestaan door mr. D. Korsse en mr. W.J.E. van der Werf, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

DSM heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    DSM is eigenaar van een op circa 300 m van het plangebied gelegen industrieterrein aan de Alexander Fleminglaan 1 te Delft, waar bedrijven zijn gevestigd van milieucategorie 3 en hoger (HMC). DSM stelt sinds 2011 ruim 100 miljoen euro te hebben geïnvesteerd in onderzoek- en productiefaciliteiten in Nederland en specifiek op dit HMC-bedrijventerrein. DSM wil de mogelijkheid behouden de bedrijfsvoering op het HMC-bedrijventerrein te herstructureren en verder uit te breiden. DSM vreest als gevolg van het uitwerkingsplan en het besluit hogere waarden in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering te worden beperkt.

Procedureel

2.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

2.1.    Het beroep van DSM is ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V., DSM Gist Services B.V., DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users.

2.2.    Koninklijke DSM N.V. en DSM Gist Holding B.V. zijn gevestigd in Heerlen en ontplooien geen bedrijfsactiviteiten op het nabij het plangebied gelegen HMC-bedrijventerrein. In de hoedanigheid van aandeelhouder van de in Delft gevestigde vennootschappen hebben Koninklijke DSM N.V. en DSM Gist Holding B.V. niet een rechtstreeks, maar een afgeleid belang bij de bestreden besluiten. Daarom kunnen zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

2.3.    DSM heeft ter zitting verklaard dat DSM Gist Services B.V. een vennootschap is waarin personeel is ondergebracht. DSM Gist Services B.V. is geen houder van de omgevingsvergunning milieu en binnen deze vennootschap vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die voor omwonenden overlast veroorzaken en waarin DSM vreest als gevolg van de vaststelling van het uitwerkingsplan en het besluit hogere waarden te worden beperkt. Gelet daarop heeft DSM Gist Services B.V. geen eigen belang dat rechtstreeks door de bestreden besluiten wordt geraakt en kan ook deze vennootschap niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

2.4.    In de volgende overwegingen wordt onder DSM niet begrepen: Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V.

3.    Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het besluit hogere waarden op dat moment nog niet bekend was gemaakt. Dat is op 26 januari 2017 alsnog gedaan. Anders dan DSM ter zitting heeft betoogd, dient het uitwerkingsplan evenwel niet reeds daarom te worden vernietigd. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

3.1.    Artikel 3:40 van de Awb luidt: "Een besluit treedt niet in werking voordat het bekend is gemaakt."

    Artikel 3:42, tweede lid, luidt: "De bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald."

    Artikel 48, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) luidt: "Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die krachtens die vaststelling gaan of blijven behoren tot een zone, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van de woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van de geluidsgevoelige terreinen binnen de zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 44, onderscheidenlijk 47, eerste lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt."

    Het tweede lid, aanhef en onder a, luidt: "In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover eerder bij of krachtens artikel 45, 46 of 47, tweede lid, de Experimentwet Stad en Milieu of de Interim Stad-en-Milieubenadering voor de vaststelling van het bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld."

3.2.    Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken bevinden zich het ontwerpbesluit hogere waarden, en het voorstel aan het college van 12 juli 2016, met als onderwerp ‘Vaststelling uitwerkingsplan "’t Haantje West 1"’, waarin onder meer als beslispunt staat opgenomen het ontwerpbesluit hogere waarden ongewijzigd vast te stellen. Uit de inhoud en ondertekening van het voorstel aan het college volgt dat de daarin opgenomen beslispunten ongewijzigd zijn overgenomen. Gelet op deze stukken, in onderlinge samenhang bezien, staat vast dat het college voor een deel van het plangebied, conform de inhoud van het ontwerpbesluit, hogere waarden heeft vastgesteld. Daarmee is in zoverre voldaan aan artikel 48 van de Wgh.

    Dat het besluit hogere waarden ten tijde van de vaststelling van het uitwerkingsplan nog niet op de daartoe voorgeschreven wijze bekend was gemaakt, maakt dat niet anders. De bekendmaking van een besluit is weliswaar een voorwaarde voor de inwerkingtreding van dat besluit, maar is geen voorwaarde voor de totstandkoming daarvan. Overigens zou, gelet op artikel 20.3 van de Wet milieubeheer dan wel artikel 145 van de Wgh, ook bij een bekendmaking van het besluit hogere waarden direct volgend op de vaststelling ervan, dat besluit ten tijde van de vaststelling van het uitwerkingsplan nog niet in werking zijn getreden. Of dat ten tijde van de inwerkingtreding van het uitwerkingsplan wel het geval is, betreft een vraag naar een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van de vaststelling van het uitwerkingsplan en kan reeds daarom in deze procedure niet tot vernietiging van dat plan leiden.

Het beroep tegen het besluit hogere waarden   

Het besluit

4.    Bij besluit van 22 juli 2016 zijn voor een aantal binnen het plangebied van het uitwerkingsplan nieuw te bouwen woningen hogere geluidsgrenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de Prinses Beatrixlaan en de Laan van ’t Haantje en vanwege het industriegeluid van DSM.

De beroepsgronden

5.    DSM stelt dat het ontwerp van het besluit hogere waarden ten onrechte niet bij het ontwerpuitwerkingsplan op het internet, via www.ruimtelijkeplannen.nl, te raadplegen is geweest. Voorts stelt DSM dat het besluit hogere waarden, in strijd met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en sub b, van de Awb, ten onrechte niet aan hem is toegezonden.

5.1.    Artikel 3.9a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), waarin wordt bepaald dat het ontwerpbesluit van een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld, ziet niet tevens op besluiten die op grond van de Wgh worden genomen. DSM heeft ter zitting niet bestreden dat het ontwerpbesluit hogere waarden op het gemeentehuis ter inzage heeft gelegen. Derhalve heeft het ontwerpbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze ter inzage gelegen.

5.2.    Niet in geschil is dat DSM terecht betoogt dat het college ten onrechte heeft nagelaten gevolg te geven aan de uit artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb voortvloeiende verplichting hem een exemplaar van het besluit toe te zenden.

    Dit betreft echter een omstandigheid van na het nemen van het besluit hogere waarden die geen betrekking heeft op de inhoud daarvan en derhalve niet tot vernietiging kan leiden. In het onderhavige geval heeft dit nalaten er ook niet aan in de weg gestaan dat DSM tijdig beroep heeft ingesteld.

    Het betoog faalt.

6.    DSM stelt dat onduidelijk is op welk onderzoek het besluit hogere waarden is gebaseerd, nu in de overwegingen van het besluit naar een ander onderzoek wordt verwezen dan het onderzoek dat als bijlage bij het besluit is gevoegd. Voor het akoestisch onderzoek van de meest recente datum, zijnde 4 juli 2016, acht DSM voorts onduidelijk of daarin de meest actuele bedrijfssituatie van DSM is betrokken.   

6.1.    In het besluit hogere waarden worden zowel het akoestisch onderzoek van 2 december 2015 als het akoestisch onderzoek van 4 juli 2016 genoemd. Het college heeft ter zitting verklaard dat de verwijzing naar het akoestisch onderzoek van 2 december 2015 een kennelijke verschrijving betreft, die verder niet van invloed is op de inhoud van het besluit. De Afdeling ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van die verklaring.

    In zoverre faalt het betoog.

6.2.    Voor de vraag naar de actualiteit van het akoestisch onderzoek van 4 juli 2016 en daaraan gerelateerd de vraag of het college dit onderzoek aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft mogen leggen, zij hier kortheidshalve verwezen naar de bespreking daarvan onder 12.6. in het kader van het beroep tegen het uitwerkingsplan.

7.    DSM stelt dat uit het besluit hogere waarden niet blijkt waar de 20 woningen, waarvoor vanwege het industriegeluid van DSM hogere grenswaarden noodzakelijk worden geacht, zijn voorzien. Nu deze woningen om die reden niet als geprojecteerde woningen kunnen worden aangemerkt en evenmin sprake is van bestaande of in aanbouw zijnde woningen, biedt artikel 45 van de Wgh geen grondslag voor het vaststellen van hogere grenswaarden. Voorts stelt DSM dat, voor zover de interne afscherming van geluid door nieuwbouw in de besluitvorming is betrokken, dat ten onrechte is gebeurd.

7.1.    Artikel 1 van de Wgh luidt: "In deze wet wordt verstaan onder:

[…]

geprojecteerde woning of gebouw: nog niet aanwezige woning of nog niet aanwezig gebouw, waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is afgegeven."

    Artikel 40 luidt: "Indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, wordt daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

    Artikel 44 luidt: "De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone is, behoudens artikel 45, 50 dB(A)."

    Artikel 45, eerste lid, luidt: "Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 44, kan een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

    Artikel 59 luidt: "Met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een industrieterrein, van de gevel van de binnen de zone nieuw te bouwen en nog niet geprojecteerde woningen, zijn de artikelen 44 en 45 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de vast te stellen waarde 55 dB(A) niet te boven mag gaan.

    Artikel 110a, eerste lid, luidt: "Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting."

    Artikel 112 luidt: "Indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie ten hoogste bedraagt:

a. ingeval voor de betrokken woningen bij de reconstructie voor de eerste maal een hogere waarde dan 48dB, voor de geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, is vastgesteld: 33 dB;

b. ingeval voor de betrokken woningen eerder een hogere waarde voor de geluidsbelasting is vastgesteld: de waarde die voor de reconstructie ingevolge het bij of krachtens deze wet voor de te onderscheiden situaties bepaalde, dan wel ingevolge het krachtens deze wet voor de onderscheiden situaties bepaalde, dan wel ingevolge het krachtens artikel 3 van de Woningwet bepaalde ten hoogste toelaatbaar was."

7.2.    In dit geval heeft het college er niet voor gekozen het verkavelingsplan in het uitwerkingsplan op te nemen. Het plangebied heeft in zijn geheel de bestemming "Woongebied - 2" toegekend gekregen, zonder dat daarin specifieke bouwvlakken zijn opgenomen. Aan het deel van het plangebied dat binnen de geluidszone van DSM valt, is de gebiedsaanduiding "geluidzone - industrie 1" toegekend. Voor maximaal 20 woningen die zijn voorzien in dat deel van het plangebied heeft het college hogere grenswaarden vastgesteld van 55 dB(A). Anders dan DSM betoogt ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het wettelijk systeem, zoals hiervoor onder 7.1 is weergegeven, zich hiertegen verzet. Voor zover DSM terecht betoogt dat de woningen waarvoor het college hogere grenswaarden heeft vastgesteld niet binnen de in artikel 1 van de Wgh opgenomen definitie van geprojecteerde woningen vallen, wat daar ook van zij, valt te wijzen op artikel 59 van de Wgh. Die bepaling verklaart, voor zover van belang, artikel 45 van de Wgh van overeenkomstige toepassing op binnen de zone nieuw te bouwen en nog niet geprojecteerde woningen.

    Voorts is de Afdeling van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit voldoende duidelijk zijn - te weten dat voor het deel van het plangebied waaraan de aanduiding "geluidzone - industrie 1" is toegekend een maximale geluidsbelasting geldt van 55 dB(A) - zodat van de door DSM gestelde rechtsonzekerheid op dit punt niet is gebleken.

7.3.    Met betrekking tot hetgeen DSM aanvoert over de interne afscherming van geluid door nieuwbouw, overweegt de Afdeling dat uit de systematiek van de artikelen 100a en 112 van de Wgh volgt dat eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. De vraag of de verplichting hiertoe bestaat staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit hogere waarden. Het college heeft dit dan ook terecht niet in de besluitvorming betrokken.

    Het betoog faalt.

8.    DSM stelt dat de vanwege het industriegeluid van DSM vastgestelde hogere grenswaarde van 55 dB(A), zowel voor de huidige situatie als met het oog op de toekomst, niet toereikend is. Daartoe voert DSM aan dat blijkens het akoestisch rapport van 4 juli 2016 in de zuidoostelijke punt van het plangebied reeds waarden tussen de 51 en 56 dB(A) zijn gemeten.

8.1.    Artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels luidt: "Hoofdgebouwen:

a. binnen de bestemming dienen ten minste 25 woningen te worden gebouwd en mogen maximaal 300 woningen worden gebouwd, waarvan maximaal 30% gestapelde woningen;

b. de bouwhoogte van de grondgebonden woningen mag maximaal 12 m bedragen;

c. de bouwhoogte van gestapelde woningen mag maximaal 35 m bedragen;

[…]"

    Artikel 7, lid 7.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie 1" is de bouw van geluidsgevoelige objecten uitsluitend toegestaan, indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde grenswaarden of de verleende hogere waarden."

8.2.    In het akoestisch rapport van 4 juli 2016 staat onder meer vermeld dat binnen de geluidszone rond het industrieterrein DSM, die is gelegen over het zuidoostelijke deel van het plangebied, akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd alvorens nieuwbouw van woningen kan worden toegestaan. De ligging van de geluidzone is bepaald op de wettelijk voorgeschreven hoogte van 5 m. Omdat op grond van de uitwerkingsregels mag worden gebouwd tot een hoogte van 35 m is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is vooral nodig omdat de geluidsbelasting bij een hogere beoordelingshoogte toeneemt. Onderzocht is of binnen de zone van het industrieterrein de geluidsbelasting mogelijk hoger is dan de maximaal toegestane geluidsbelasting van 55 dB(A).

    Geconcludeerd wordt dat in het uiterste zuidoostelijke deel van de bestemming "Woongebied - 2" op een beoordelingshoogte van 34,5 m de maximale ontheffingswaarde voor industrielawaai wordt overschreden. Op deze plaats en beoordelingshoogte (11e verdieping) zijn aanvullende bouwkundige maatregelen nodig.

8.3.     Anders dan DSM betoogt, geeft het akoestisch rapport van 4 juli 2016 de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de vastgestelde hogere waarden niet toereikend zijn. Daartoe wordt overwogen dat slechts op één plaats en beoordelingshoogte een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde voor industrielawaai is gemeten, zodat er voldoende bouwmogelijkheden resteren waarbij de geluidsbelasting van de te realiseren woningen wel binnen de vastgestelde hogere waarden kan blijven. Bovendien biedt artikel 7, lid 7.1, van de planregels daarvoor een waarborg, nu in deze bepaling is vastgelegd dat de bouw van geluidsgevoelige objecten ter plaatse slechts is toegestaan indien aan bedoelde waarden kan worden voldaan.

    Ter zitting heeft het college overigens toegezegd dat binnen het deel van het plangebied met de aanduiding "geluidzone - industrie 1" geen gestapelde woningen, maar alleen grondgebonden woningen zullen worden gerealiseerd.

    In zoverre faalt het betoog.

8.4.    Voor zover DSM zich ook in dit kader beroept op de actualiteit van het akoestisch onderzoek van 4 juli 2016 en daaraan gerelateerd de vraag opwerpt of het college dit onderzoek aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft mogen leggen, zij hier kortheidshalve verwezen naar de bespreking daarvan onder 12.6. in het kader van het beroep tegen het uitwerkingsplan.

Het beroep tegen het uitwerkingsplan

Het plan

9.    Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Sion, ’t Haantje", vastgesteld door de raad van de gemeente Rijswijk op 27 september 2011, dat later is vervangen door bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, eerste herziening", vastgesteld door de raad van de gemeente Rijswijk op 30 september 2014 (hierna: het bestemmingsplan). De gronden in het uitwerkingsgebied hebben op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Wonen - Uit te werken 2". Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van maximaal 300 woningen in het westelijk deel van deelgebied ’t Haantje.

Het toetsingskader

10.    Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

    

De beroepsgronden

11.    Ter zitting heeft DSM de beroepsgrond dat de milieueffectrapportage niet bij het (ontwerp)uitwerkingsplan ter inzage heeft gelegen en evenmin op andere wijze via openbare bronnen beschikbaar was, ingetrokken.  

12.    DSM stelt dat onduidelijk is of de voor de vaststelling van het plan benodigde onderzoeken zijn verricht op basis van de meest actuele bedrijfssituatie en of daarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van DSM, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" en de aan DSM verleende omgevingsvergunning milieu. Volgens DSM is de MER Gebiedsontwikkeling Rijswijk Zuid van 14 december 2010, waarnaar in de plantoelichting wordt verwezen, onder meer op het milieuaspect geur, verouderd. Hoewel zich in de bedrijfsvoering van DSM sindsdien relevante ontwikkelingen hebben voorgedaan, is de MER ten behoeve van het uitwerkingsplan voorts niet geactualiseerd of aangevuld met recentere onderzoeken. Daarnaast stelt DSM dat in het akoestisch onderzoek van 4 juli 2016 wordt geconcludeerd dat vanwege het op bepaalde locaties overschrijden van de maximale ontheffingswaarde op deze locaties niet in woningbouw wordt voorzien. Dit is evenwel niet doorgevoerd in het uitwerkingsplan, nu aan het gehele plangebied een woonbestemming is toegekend.

12.1.    Ten aanzien van het verweer van het college dat het uitwerkingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig was, zodat deze beroepsgrond in zoverre reeds daarom nergens toe kan leiden, overweegt de Afdeling als volgt.

12.2.    Artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer) luidt:

" […]

Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. […]"

12.3.    In gevallen waarin een activiteit genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, maar de omvang van deze activiteit onder de in kolom 2 vastgelegde drempelwaarden blijft, zoals hier het geval is, dient het bevoegd gezag een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bezien dient te worden of die activiteit, ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

    De Afdeling begrijpt het ter zitting door het college ingenomen standpunt aldus, dat een ten behoeve van het uitwerkingsplan te verrichten vormvrije m.e.r.-beoordeling in het licht van de informatie die reeds beschikbaar is uit de MER die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd geen meerwaarde zou hebben. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet op dat standpunt heeft kunnen stellen.

12.4.    Het college heeft ter zitting verklaard dat voor de vaststelling van het uitwerkingsplan is uitgegaan van de actuele bedrijfssituatie en de maximale planologische mogelijkheden die DSM op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" heeft. In beginsel is daarvoor gekeken naar de bedrijfsactiviteiten die DSM op grond van de verleende omgevingsvergunning milieu uitvoert. Daarnaast heeft herhaaldelijk contact plaatsgevonden tussen de gemeente en DSM waarbij DSM steeds is gevraagd aan te geven welke planologische mogelijkheden - bovenop de bedrijfsactiviteiten waarop de vergunning reeds ziet - het bedrijf zijn toegekend in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" maar waarvan (nog) geen gebruik wordt gemaakt. Dat heeft het college geen nieuwe informatie opgeleverd, waarna het college heeft besloten de besluitvorming over het uitwerkingsplan aan te vangen op grond van de beschikbare informatie. DSM heeft deze gang van zaken als zodanig niet bestreden.

12.5.    In het licht van deze gang van zaken ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de bedrijfsactiviteiten die op grond van de verleende omgevingsvergunning milieu worden uitgeoefend niet in redelijkheid als representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" heeft kunnen aanmerken. Bij dit oordeel is mede betrokken dat DSM ook in de in het kader van deze beroepsprocedure overgelegde stukken niet nader heeft geconcretiseerd aan welke in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord" toegekende planologische mogelijkheden het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan ten onrechte is voorbij gegaan. Dat DSM daarvoor eerst ter zitting heeft verwezen naar artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord", wat daar verder ook van zij, acht de Afdeling in dit kader onvoldoende.

12.6.    Gelet op de rol die de aan DSM verleende omgevingsvergunning milieu, gelet op het voorgaande, in de besluitvorming heeft gespeeld ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het college in de besluitvorming over het uitwerkingsplan niet van de meest actuele bedrijfssituatie van DSM is uitgegaan. Dat de aan het uitwerkingsplan ten grondslag gelegde MER ten behoeve van dit plan niet (geheel) is geactualiseerd of is aangevuld met recentere onderzoeken maakt dat niet anders. DSM heeft niet geconcretiseerd waarin de aanmerkelijke wijzigingen  in de omstandigheden waarvan bij het maken van de MER is uitgegaan zijn gelegen, op grond waarvan deze MER redelijkerwijs niet meer aan het uitwerkingsplan ten grondslag kon worden gelegd.

12.7.    Met betrekking tot de in het akoestisch onderzoek van 4 juli 2016 getrokken conclusie dat vanwege het op bepaalde locaties overschrijden van de maximale ontheffingswaarde op deze locaties niet in woningbouw voorzien wordt, overweegt de Afdeling dat de in dit kader door DSM aangehaalde passage uit het akoestisch onderzoek ziet op locaties waar een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde optreedt vanwege het verkeer op de Prinses Beatrixlaan en de Laan van ’t Haantje. Deze passage ziet derhalve niet op geluidsoverlast vanwege DSM.

    Het betoog faalt.

13.    Voor zover DSM zich, onder meer met het oog op het milieuaspect geur, heeft beroepen op de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) opgenomen richtafstanden, overweegt de Afdeling dat het college deze brochure niet heeft toegepast en daartoe ook niet gehouden was.

    Reeds hierom faalt het betoog.  

14.    DSM stelt dat in de plantoelichting ten onrechte geen geactualiseerde verantwoording van het groepsrisico en verwachting van de dichtheid van personen worden gegeven, maar ter zake ten onrechte wordt volstaan met een verwijzing naar de toelichting op de voorgaande bestemmingsplannen. Volgens DSM volgt uit afbeelding 4.3 uit de plantoelichting van het bestemmingsplan dat zowel binnen de PR 10-6 als de PR 10-7 contour - waarbinnen ten minste een deel van het plangebied van het uitwerkingsplan ligt - niet kan worden uitgesloten dat een toename van het aantal personen een significante invloed heeft op de waarde van het groepsrisico. Ook hierom had in het kader van het uitwerkingsplan een actuele verantwoording van het groepsrisico gegeven moeten worden.

    In de voorgaande bestemmingsplannen is ten aanzien van het groepsrisico bovendien aanbevolen om hoge concentraties personen en kwetsbare groepen zover als mogelijk van de risicobron af te situeren en om bij verdere uitwerking van het bestemmingsplan ervoor te zorgen dat het groepsrisico niet negatief verandert door gedetailleerde invulling van het plangebied. Ten onrechte is dit in het uitwerkingsplan niet overgenomen.

14.1.    Artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) bevat geen verplichting bij de vaststelling van een uitwerkingsplan het groepsrisico te verantwoorden. Niettemin is in artikel 20, lid 20.2, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan als uitwerkingsregel vastgesteld dat artikel 13 van het Bevi wordt gehanteerd, wat kan leiden tot maatregelen in het kader van hulpverlening, zelfredzaamheid, en bestrijdbaarheid.

14.2.    In de plantoelichting van het uitwerkingsplan heeft het college in dit kader verwezen naar de in het kader van het bestemmingsplan gegeven verantwoording van het groepsrisico en in aanvulling daarop aandacht besteed aan de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Anders dan DSM ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college hiermee niet aan voormelde uitwerkingsregel heeft voldaan. Redengevend daarvoor is dat in bedoelde verantwoording tevens de situatie na planontwikkeling (2022), en daarmee een toename van het aantal personen ten opzichte van de huidige situatie, is betrokken. Zoals ook volgt uit hetgeen hiervoor onder 12.6. is overwogen, heeft DSM voorts niet geconcretiseerd waarin de aanmerkelijke wijzigingen in de omstandigheden waarvan bij de vaststelling van het bestemmingsplan is uitgegaan zijn gelegen, op grond waarvan voor de vaststelling van het uitwerkingsplan in redelijkheid niet kan worden verwezen naar de gegevens en rapporten die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd.

    Derhalve heeft het college in dit geval kunnen volstaan met de verwijzing naar de in het kader van het bestemmingsplan gegeven verantwoording van het groepsrisico en de daarop gegeven aanvulling.

14.3.     Met betrekking tot de in het bestemmingsplan geformuleerde uitgangspunten voor de invulling van de uit te werken woonbestemming, overweegt de Afdeling dat de situering van de te realiseren woningen niet is geregeld in het uitwerkingsplan. De plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het uitwerkingsplan. Voorts is in het bestemmingsplan aan het gehele plangebied van het uitwerkingsplan een uit te werken woonbestemming toegekend en geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven. Voor het college bestond derhalve niet de mogelijkheid om aan een deel van het plangebied een andere bestemming dan een woonbestemming toe te kennen.

14.4.    Voor zover in het moederplan als uitgangspunt is geformuleerd dat een verdere uitwerking van het bestemmingsplan geen negatief effect mag hebben op het groepsrisico, overweegt de Afdeling dat, zoals het college ter zitting heeft aangevoerd, dit uitgangspunt ziet op het gehele plangebied van het moederplan, waar het uitwerkingsplan slechts een klein onderdeel van is. Nu de ontwikkeling van het gehele plangebied van het moederplan zich voorts nog in een zeer pril stadium bevindt en ook de uitwerking van het resterende deel van dat plangebied in dezen van belang is, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat als gevolg van dit uitwerkingsplan niet aan voormeld uitgangspunt wordt of kan worden voldaan.

    Het betoog faalt.

15.    DSM stelt dat het uitwerkingsplan in strijd is met provinciale regelgeving. Daartoe wijst DSM op (de toelichting op) artikel 2.1.3 van de Verordening ruimte 2014, waarin als uitgangspunt voor bestemmingsplannen is opgenomen het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein en dat daarvan alleen kan worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte. Voorts voert DSM aan dat uit zowel de Visie ruimte en mobiliteit als het Programma ruimte volgt dat de provincie veel waarde hecht aan HMC-bedrijven en dat deze bedrijven voldoende (milieu)ruimte moet worden geboden. Ook beoogt de provincie zich in te zetten voor de bescherming van grote groepen burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen, door risicovolle activiteiten zo veel mogelijk te clusteren op daarvoor geschikte terreinen. Het uitwerkingsplan gaat hier ten onrechte aan voorbij. Dit klemt temeer, nu dit plan wel degelijk zal leiden tot een beperking van de milieuruimte van DSM.

15.1.    Artikel 2.1.3,  eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 ziet op bestemmingsplannen die betrekking hebben op een bedrijventerrein en is, nu het uitwerkingsplan betrekking heeft op een woningbouwlocatie, derhalve niet van toepassing op de voorliggende situatie.

15.2.    Voorts overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat het college niet is gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten, in dit geval geen bestemmingsplan maar een uitwerkingsplan ter beoordeling voorligt. De keuze om binnen het plangebied woningbouw toe te staan moet in beginsel aanvaardbaar worden geacht. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3298) kan gestelde strijd van het uitwerkingsplan met provinciaal beleid niet als zodanig worden aangemerkt.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

16.    De beroepen van DSM tegen het besluit hogere waarden en het uitwerkingsplan, voor zover ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V., zijn niet-ontvankelijk.

    Voor zover ingesteld door DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users zijn de beroepen ongegrond.

    De vraag in hoeverre de relativiteitseis die is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb in de weg zou staan aan een eventuele vernietiging van het plan kan derhalve buiten bespreking blijven.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen, voor zover ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V., niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen, voor zover ingesteld door DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users,  ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Wijker-Dekker
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

562.