Uitspraak 201602622/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 22 maart 2017
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:740

201602622/1/A1.
Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,
2. [appellant sub 2], handelend onder de namen [bedrijf A] en Plus (hierna: [appellant sub 2]), te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 maart 2016 in zaak nr. 15/2061 in het geding tussen:

[appellant sub 2], Plus Retail B.V. en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een winkelpand op het perceel [locatie 1] te Kerkrade (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het college het door [appellant sub 2], Plus Retail en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2014, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 2 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2], Plus Retail en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 mei 2015 vernietigd, het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 25 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 12 mei 2015. Voorts heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van de overige eisers met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld

[appellant sub 2], Plus Retail en anderen, [vergunninghouder] en het college hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

[appellant sub 2], Plus Retail en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.L. Mertens, en [appellant sub 2], Plus Retail en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R. Janssen, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het besluit van 25 augustus 2014 voorziet in de verbouwing van een bestaand winkelpand (hierna: het pand). [appellant sub 2], Plus Retail en anderen zijn als exploitanten van een supermarkt dan wel eigenaar of verhuurder van een pand waarin een supermarkt is gevestigd werkzaam in de supermarktbranche. Zij vrezen dat in het pand een Aldi-supermarkt wordt gevestigd, waarvan zij concurrentienadeel zullen ondervinden.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant sub 2] niet als belanghebbende bij het besluit van 25 augustus 2016 kan worden aangemerkt op grond van de overweging, dat de door hem geëxploiteerde supermarkt niet is gelegen in hetzelfde verzorgingsgebied als de mogelijk op het perceel te vestigen supermarkt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Beitel-Locht" (hierna: het bestemmingsplan) en het college ten onrechte geen omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan heeft verleend. Volgens het college is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet nodig, omdat gebruik kan worden gemaakt van een in 1980 verleende (bouw)vergunning voor detailhandel. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Ingetrokken beroepsgrond

2. Ter zitting heeft het college de hogerberoepsgrond dat de rechtbank Plus en anderen ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, ingetrokken.

Belanghebbendheid [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] betoogt in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet als belanghebbende bij het besluit van 25 augustus 2014 kan worden aangemerkt. De door hem geëxploiteerde supermarkt is gelegen in hetzelfde verzorgingsgebied als de Aldi-supermarkt die vermoedelijk in het pand zal worden gevestigd. Zijn klandizie is afkomstig uit de gehele regio Parkstad Limburg, een bestuurlijk samenwerkingsverband tussen de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Nuth, Voerendaal, Simpelveld en Onderbanken. Voorts is het verzorgingsgebied van een Aldi-supermarkt als discountsupermarkt veel ruimer dan dat van een 'full-service' supermarkt. Dat de door [appellant sub 2] geëxploiteerde supermarkt is gelegen op een afstand van circa 4,2 km van de op het perceel voorziene supermarkt heeft niet tot gevolg dat de beide supermarkten niet in hetzelfde verzorgingsgebied zijn gelegen, aldus [appellant sub 2].

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende degene verstaan wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:183, is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit een belanghebbende. Dat is slechts het geval indien die persoon in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied gevestigd is als waarin de op te richten detailhandelsvestiging is voorzien.

3.3. [appellant sub 2] exploiteert een supermarkt op het perceel [locatie 2] te Simpelveld. De afstand tussen dat adres en het pand bedraagt 4,2 km over de weg gemeten. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] werkzaam is in hetzelfde marktsegment als een mogelijk op het perceel te vestigen supermarkt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de afstand tussen het perceel en de supermarkt van [appellant sub 2] in dit geval niet zodanig groot, dat de door [appellant sub 2] geëxploiteerde supermarkt is gelegen in een ander verzorgingsgebied. Niet kan worden uitgesloten dat de bij besluit van 12 mei 2015 in stand gelaten omgevingsvergunning van 25 augustus 2014 leidt tot omzetverlies van [appellant sub 2]. Gelet hierop heeft de rechtbank [appellant sub 2] ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt.

Het betoog slaagt.

Strijd met het bestemmingsplan

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat daarvoor omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist. Bij besluit van 21 juli 1980 is een vergunning verleend voor de bouw van een meubeltoonzaal op het perceel. Een meubeltoonzaal dient als detailhandel te worden aangemerkt. Nu het perceel sinds 1980 wordt gebruikt voor detailhandel en het project voorziet in voortzetting van dat gebruik, is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo niet vereist, aldus het college.

4.1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet."

4.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemmingen "Bedrijfswoningbouw (en/of kantoorgebouwen)", "Industrie A" en "Openbaar groen".

Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming 'Bedrijfswoningbouw (en/of kantoorgebouwen)' uitsluitend bedrijfswoningen en/of kantoorgebouwen - hieronder mede showroom(s) begrepen - ten behoeve van de industrie worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, mogen op gronden bestemd voor 'Industrie A' geen detailhandelsfuncties worden uitgeoefend met uitzondering van ambachtsbedrijven, in zoverre deze detailhandelsfunctie noodzakelijkerwijze verband houdt met de ambachtsuitoefening en tevens niet als hoofdactiviteit kan worden aangemerkt.

4.3. Niet in geschil is dat het pand zal worden gebruikt ten behoeve van detailhandel. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het project, dat voorziet in het veranderen van het winkelpand op het perceel, in strijd is met het bestemmingsplan. Gebruik van het pand ten behoeve van detailhandel past niet binnen de op het perceel rustende bestemmingen. Anders dan het college stelt, kan de bij besluit van 21 juli 1980 verleende (bouw)vergunning niet dienen om dit gebruik in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het besluit van 21 juli 1980 niet blijkt dat het college heeft bedoeld af te wijken van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft voorts onder verwijzing naar de uitspraak van 15 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ2642) met juistheid geoordeeld dat ook als dat het geval zou zijn, vrijstelling uitsluitend betrekking kan hebben op een bepaald bouwplan en zich niet mede kan uitstrekken tot eventuele toekomstige vergunningaanvragen voor andere bouwplannen. Dit betekent dat het besluit van 21 juli 1980, zo dat besluit al een vrijstelling bevat, uitsluitend betrekking heeft op het daarmee vergunde project, ook al zou het bij besluit van 25 augustus 2014 vergunde bouwplan passen binnen de mogelijkheden van de verleende vrijstelling. Het besluit van 21 juli 1980 heeft voor het thans ter beoordeling voorliggende project geen gelding. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

Slotsom

5. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De rechtbank heeft het besluit van 12 mei 2015 terecht vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van Plus Retail en anderen. Omdat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond is, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover de rechtbank het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 25 augustus 2014 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 12 mei 2015 van het college alsnog gegrond verklaren. Het college dient eveneens een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 2]. Omdat het hoger beroep van het college ongegrond is, zal de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige worden bevestigd.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] handelend onder de namen [bedrijf A] en Plus gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 maart 2016 in zaak nr. 15/2061, voor zover de rechtbank het bezwaar van [appellant sub 2] handelend onder de namen [bedrijf A] en Plus [appellant sub 2] tegen het besluit van 25 augustus 2014 niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant sub 2] handelend onder de namen [bedrijf A] en Plus ingestelde beroep gegrond;

IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen voor het overige;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade tot vergoeding van bij [appellant sub 2] handelend onder de namen [bedrijf A] en Plus, Plus Retail B.V., [belanghebbende] handelend onder de naam [bedrijf B], Super Winkels Fonds B.V. en Weller Vastgoed Beheer B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen

VI. het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Duifhuizen
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

724.