Uitspraak 201406850/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 15 maart 2017
Tegen: de staatssecretaris van Economische Zaken
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Openbaarheid
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:680

201406850/1/A3.
Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Economische Zaken,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 juli 2014 in zaak nr. 12/984 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te woonplaats],

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van informatie deels afgewezen en de gevraagde informatie voor het overige niet aan [wederpartij] verstrekt, omdat deze volgens de staatssecretaris al openbaar is.

Bij besluit van 8 juni 2012 heeft de staatssecretaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2012 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[wederpartij] heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2015, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. den Haan, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, juridisch adviseur te Utrecht, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek heropend teneinde de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen alsnog ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Op 24 maart 2015 heeft de staatssecretaris opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist en het bezwaar deels gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft dat besluit aan [wederpartij] en de Afdeling toegezonden.

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de staatssecretaris overeenkomstig het besluit van 24 maart 2015 de gevraagde gegevens per individuele houder van een vergunning tot het verrichten van dierproeven deels geanonimiseerd aan [wederpartij] verstrekt. Deze stukken heeft de staatssecretaris ook aan de Afdeling toegezonden.

[wederpartij] heeft een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft desgevraagd de houders van een vergunning tot het verrichten van dierproeven in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De volgende vergunninghouders hebben te kennen gegeven zich als partij in het geding te voegen:
- de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, gevestigd te Den Haag,
- Mucosis B.V., gevestigd te Groningen,
- ModiQuest Therapeutics B.V., gevestigd te Oss,
- het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam, gevestigd te Rotterdam,
- BioXpert B.V., gevestigd te Schaijk, en
- WIL Research Europe B.V., gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
hierna tezamen: TNO en anderen,
- Harlan Laboratories B.V., thans haar rechtsopvolger: Envigo RMS B.V., gevestigd te Horst aan de Maas,
- Akzo Nobel Projects & Engeneering B.V., gevestigd te Arnhem,
- Genmab B.V., gevestigd te Utrecht,
- Pharming Group N.V., gevestigd te Leiden,
- Brains On-Line B.V., gevestigd te Groningen,
- het Leids Universitair Medisch Centrum, gevestigd te Leiden, en
- Intervet International B.V., gevestigd te Boxmeer.

De Afdeling heeft de vergunninghouders in de gelegenheid gesteld tot het geven van een schriftelijke uiteenzetting.

Hierop heeft [wederpartij] een schriftelijke reactie ingediend.

De vergunninghouders hebben de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 2 augustus 2016, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.L.C. Rijk en M.T.P.E. Jeurissen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord TNO en anderen, vertegenwoordigd door mr. E. Dans, advocaat te Rotterdam, Envigo, vertegenwoordigd door mr. R.J.J.M.M. Metsemakers, advocaat te Maastricht, Genmab, vertegenwoordigd door mr. C.M. Walgemoed, advocaat te Amsterdam, en Pharming, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek heropend teneinde nadere schriftelijke inlichtingen van de staatssecretaris te verkrijgen. De staatssecretaris heeft deze aan de Afdeling doen toekomen. De desbetreffende brieven van de staatssecretaris zijn aan partijen toegestuurd en aan het dossier toegevoegd.

Partijen hebben de Afdeling schriftelijk meegedeeld dat zij ermee instemmen dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan zonder dat nadere behandeling ter zitting plaatsvindt.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1. De relevante bepalingen zijn vermeld in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aanleiding voor het geschil

2. [wederpartij] heeft verzocht om afschriften van alle gegevens die de vergunninghouders op grond van het toentertijd geldende artikel 10, zesde lid, van het Dierproevenbesluit sinds 2005 aan de staatssecretaris hebben verstrekt.

Besluitvorming

3. De staatssecretaris heeft zich bij het besluit van 8 juni 2012 op het standpunt gesteld dat deze gegevens grotendeels reeds openbaar zijn gemaakt in de jaarverslagen ‘Zo doende’, die op de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn gepubliceerd. De door [wederpartij] gewenste verstrekking van de aantekeningen van de individuele vergunninghouders zou een onevenredig grote tijdsbelasting vergen, omdat daartoe uit deze zeer grote hoeveelheid documenten informatie moet worden weggelakt. Voor zover de informatie niet reeds openbaar is gemaakt, gaat het om vertrouwelijk aan de overheid meegedeelde bedrijfsgegevens, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), en de namen en adressen van de vergunninghouders. Openbaarmaking van deze informatie kan de vergunninghouders onevenredig benadelen, gelet op het risico van tegen hen gerichte buitensporige acties door dierenrechtenactivisten, aldus de staatssecretaris. Hij heeft die openbaarmaking op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder e en g, geweigerd.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris met de verwijzing naar de jaarverslagen ‘Zo doende’, waarin de door de vergunninghouders op grond van artikel 10, zesde lid, van het Dierproevenbesluit verstrekte gegevens in samengevoegde vorm zijn gepubliceerd, minder informatie heeft bekend gemaakt dan het geval zou zijn bij verschaffing van de gevraagde informatie in de door [wederpartij] gewenste vorm van de gegevens per individuele vergunninghouder.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris in strijd met artikel 3, vijfde lid, van de Wob geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken zonder dat daaraan een weigeringsgrond in de zin van de Wob ten grondslag is gelegd.

De gegevens over de schaalgrootte en de wijze waarop de dierproeven worden uitgevoerd, zijn niet vertrouwelijk aan de staatssecretaris meegedeeld, gelet op het feit dat diverse vergunninghouders deze gegevens zelf op grond van de Wob openbaar hebben gemaakt. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, geweigerd deze gegevens te verstrekken.

Nu de namen en adressen van de vergunninghouders elders, onder andere in ‘Zo doende’, reeds openbaar zijn gemaakt, zijn de weigeringsgronden van de Wob daarop niet van toepassing. Dat de namen reeds openbaar zijn, maakt echter niet dat het voor [wederpartij] kenbaar is welke namen in de door de staatssecretaris verstrekte informatie zijn verwijderd. Het niet verstrekken van deze gegevens staat daarmee gelijk aan het weigeren van openbaarmaking daarvan, aldus de rechtbank. Zij heeft de staatssecretaris opgedragen opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen en de documenten in de gevraagde vorm te verstrekken. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat de staatssecretaris de informatie niet behoeft te verstrekken, voor zover deze reeds door andere bestuursorganen openbaar is gemaakt en aan [wederpartij] is verstrekt of voor haar in een gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar is.

Hoger beroep van de staatssecretaris

5. Ter zitting bij de Afdeling op 11 februari 2015 heeft de gemachtigde van de staatssecretaris te kennen gegeven dat niet langer wordt bestreden het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris met de verwijzing naar de jaarverslagen ‘Zo doende’ zonder weigeringsgrond minder informatie heeft bekend gemaakt dan het geval zou zijn bij verschaffing van de gevraagde informatie in de door [wederpartij] verzochte vorm van de gegevens per individuele vergunninghouder. Deze beroepsgrond is derhalve ingetrokken.

5.1. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris zich niet richt tegen de in de aangevallen uitspraak gegeven beslissing, maar alleen tegen de overwegingen van die uitspraak.

6. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aantekeningen van de vergunninghouders verplicht en vertrouwelijk aan hem verstrekte bedrijfsgegevens zijn. Voorts heeft de rechtbank miskend dat uit het feit dat de namen en adresgegevens van de vergunninghouders reeds op enigerlei wijze openbaar zijn gemaakt niet zonder meer volgt dat deze gegevens ook in het kader van het voorliggende Wob-verzoek moeten worden verstrekt. Verstrekking van deze gegevens in combinatie met de concrete gegevens per vergunninghouder kan tot onevenredig nadeel voor de vergunninghouders leiden en de persoonlijke levenssfeer van hun medewerkers en andere betrokkenen schaden, gezien het risico van radicaal dierenrechtenactivisme. Het belang van verstrekking van de gevraagde gegevens weegt niet op tegen de belangen van het voorkomen van die benadeling en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Derhalve is terecht op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob geweigerd deze gegevens aan [wederpartij] te verstrekken, aldus de staatssecretaris.

Betogen van de vergunninghouders

Betoog TNO en anderen

7. TNO en anderen betogen, voor zover thans van belang, dat de aantekeningen gegevens bevatten over de aantallen en soorten dieren die jaarlijks bij dierproeven worden gebruikt en door de vergunninghouders worden gehouden, aangevoerd en afgevoerd. Op grond van deze gegevens kunnen de vergunninghouders worden geïdentificeerd, aangezien zij veelal gespecialiseerd zijn in een bepaalde onderzoeksrichting en, daaraan gerelateerd, in dierproeven op bepaalde diersoorten. Ook aan de hand van gegevens over combinaties van diersoorten bij een proefdierinstelling kan duidelijk worden om welke instelling het gaat. Verder geven de gegevens inzicht in de kring van toeleveranciers, opdrachtgevers en klanten. Volgens de rechtspraak van de Afdeling moet openbaarmaking van informatie worden geweigerd indien niet kan worden uitgesloten dat deze tot buitensporige acties van dierenrechtenactivisten kan leiden. De dreiging van dierenrechtenextremisme is nog onverminderd actueel. Gelet hierop moet openbaarmaking van niet alleen de namen en adressen, maar alle tot individuele vergunninghouders te herleiden gegevens worden geweigerd.

Door openbaarmaking van de gegevens per individuele vergunninghouder worden de vergunninghouders onevenredig in hun belangen geschaad, terwijl het publieke belang er niet mee is gebaat, nu de jaarlijkse gegevens van de sector als geheel openbaar zijn, aldus TNO en anderen.

Betoog Envigo

8. Envigo bestrijdt dat het informatieverzoek van [wederpartij] een Wob-verzoek is, nu daarin niet naar de Wob wordt verwezen.

Voorts betoogt zij, voor zover thans van belang, dat met de gegevens in de totaaljaarstaten aan- en afvoer dieren en de registratiejaaroverzichten ook zonder openbaarmaking van haar naam of deelnemernummer eenvoudig kan worden achterhaald welke aantekeningen haar bedrijf betreffen, gelet op het relatief grote aantal dieren dat door haar jaarlijks wordt gefokt. De gegevens over het aantal getransporteerde en aan de binnenlandse en buitenlandse markt geleverde dieren geven inzicht in haar afzetmarkten. De informatie over de verdoving van de dieren, de mate van het door de dieren bij een proef ondervonden ongerief en hun toestand na beëindiging van een proef, kan de indruk doen ontstaan dat dieren onnodig lijden en sterven, omdat die informatie slechts door middel van cijfers gecategoriseerd en zonder toelichting wordt weergegeven. De registratieformulieren bevatten persoonsgegevens. De staatssecretaris heeft de openbaarmaking van namen van personen of andere gegevens die op zichzelf, in onderlinge combinatie of in samenhang met uit andere bron bekende informatie aan haar medewerkers of andere personen kunnen worden gerelateerd, terecht geweigerd. In het verleden is het bedrijf geconfronteerd met bedreigingen en gewelddaden door dierenactivisten. Zo is in 2007 de auto van de toenmalige directeur bij zijn woning door een molotovcocktail vernield. Dat de vrees voor nieuwe acties gegrond is, blijkt uit een aankondiging in 2015 door de Anti Dierproeven Coalitie van een demonstratie voor de poorten van het bedrijf, hoewel de demonstratie geen doorgang heeft gevonden. Voorts wijst Envigo op een actie in 2014 tegen een proefdiercentrum in Duitsland, waarbij een auto is vernield en is getracht honden te bevrijden, en op protesten in dat jaar bij de Universiteit Maastricht naar aanleiding van de bekendwording van de voorgenomen doding van honden.

Volgens Envigo is er een reële kans dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens opnieuw tot tegen haar gerichte acties zal leiden.

Betoog Akzo Nobel

9. Akzo Nobel betoogt dat de staatssecretaris terecht openbaarmaking heeft geweigerd van haar naam en adresgegevens en van persoonsgegevens of tot personen herleidbare gegevens, omdat die openbaarmaking het risico met zich brengt dat het bedrijf en de huidige en voormalige medewerkers doelwit van acties van dierenactivisten worden.

Betoog Genmab

10. Genmab betoogt, voor zover thans van belang, dat de staatssecretaris terecht openbaarmaking van de door haar verstrekte aantekeningen heeft geweigerd, nu daaruit kan worden herleid dat het om haar bedrijf gaat en gelet op het risico van dierenrechtenactivisme.

Dat volgens het jaarverslag van de AIVD van 2014 dat activisme is afgenomen, zegt alleen iets over dat jaar, zodat op grond daarvan geen algemene conclusie kan worden getrokken, aldus Genmab.

Betoog Pharming

11. Pharming betoogt, voor zover thans van belang, dat zij het enige bedrijf is in Nederland dat transgene konijnen fokt voor de productie van konijnenmelk, die als grondstof voor een geneesmiddel voor erfelijk angio-oedeem wordt gebruikt. Bij openbaarmaking van de gegevens wordt Pharming onevenredig benadeeld. De staatssecretaris heeft terecht en op goede gronden geweigerd daartoe over te gaan, aldus Pharming.

Betoog Brains On-Line

12. Brains On-Line betoogt, voor zover thans van belang, dat de gevraagde informatie vertrouwelijk aan de staatssecretaris verstrekte bedrijfsgevoelige informatie is, bij openbaarmaking waarvan mogelijke acties van dierenrechtenactivisten niet zijn uit te sluiten, waardoor de veiligheid van haar medewerkers en proefdieren gevaar loopt.

Beoordeling

13. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken.

13.1. Anders dan Envigo betoogt, strekt het verzoek van [wederpartij] van 21 september 2011 onmiskenbaar tot openbaarmaking op grond van de Wob. Voor de kwalificatie van een verzoek als een Wob-verzoek is niet noodzakelijk dat deze wet daarin uitdrukkelijk wordt genoemd.

13.2. TNO en anderen hebben in hun betoog onder meer een beroep gedaan op Richtlijn 86/609/EEG en artikel 43 van Richtlijn 2010/63/EU.

Richtlijn 86/609/EEG is vervangen door Richtlijn 2010/63/EU, die is geïmplementeerd in de Wet op de dierproeven, geldend vanaf 18 december 2014.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van Richtlijn 2010/63/EU is de niet-technische samenvatting van een project anoniem en bevat deze geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel.

Artikel 43 van Richtlijn 2010/63/EU ziet niet op de in deze procedure ter beoordeling staande gegevens. De niet-technische samenvatting van een project betreft de beschrijving van een projectvoorstel die bij een aanvraag voor een projectvergunning moet worden overgelegd en die bij verlening van de vergunning openbaar wordt gemaakt om het publiek over het project te informeren. Het beroep door TNO en anderen op deze bepaling kan reeds daarom niet slagen.

13.3. De Afdeling dient de vraag te beantwoorden of de staatssecretaris terecht de weigering tot openbaarmaking heeft gehandhaafd van de in de aantekeningen van de vergunninghouders opgenomen gegevens over de soorten en aantallen dieren die jaarlijks voor dierproeven worden gefokt, gebruikt en daarbij overlijden, over de soorten en aantallen getransporteerde dieren en over de afnemers van de dieren, alsmede van de namen en de adresgegevens van de vergunninghouders, omdat het belang van het verstrekken van deze gegevens niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de vergunninghouders, hun huidige en voormalige werknemers en andere betrokkenen, en het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, wegens een mogelijke toename van het risico van tegen hen gerichte buitensporige acties van dierenrechtenactivisten.

13.4. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat de gevraagde gegevens in de jaarverslagen ‘Zo doende’ in een andere vorm zijn gepubliceerd niet zonder meer meebrengt dat deze gegevens in het kader van het voorliggende Wob-verzoek niet meer geweigerd zouden kunnen worden.

13.5. Gezien de vertrouwelijk aan haar overgelegde stukken is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat, ook indien de daarin vermelde namen en adresgegevens worden geanonimiseerd, op grond van de gegevens over aantallen en soorten bij de dierproeven gebruikte dieren in deze stukken, een koppeling tussen die gegevens en individuele vergunninghouders en proefdierinstellingen kan worden gemaakt.

13.6. De staatssecretaris en de vergunninghouders hebben de vrees geuit dat openbaarmaking van deze gegevens leidt tot tegen de vergunninghouders en proefdierinstellingen gerichte acties van agressie of geweld of een toename van het risico daarop. Daartoe hebben zij verwezen naar de publicatie ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ nummer 42 van juli 2016 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: de NCTV), waarin is aangetekend: "Het georganiseerd dierenrechtenextremisme ten slotte laat een mogelijke heropleving in Nederland zien, maar het aantal aanhangers is zeer beperkt."

Desgevraagd heeft de NCTV schriftelijk meegedeeld niet bereid te zijn een inschatting te geven van de dreigingsverwachting bij de gevraagde openbaarmaking van de aantekeningen van de individuele vergunninghouders. Ook de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) heeft te kennen gegeven hierover geen uitspraken te doen.

Ter zitting bij de Afdeling hebben de vergunninghouders onweersproken gesteld dat zij ook in de afgelopen jaren te maken hebben gehad met bedreigingen en intimidatie en dat de dreiging van het dierenrechtenextremisme nog actueel is. Gelet hierop en op voormelde aantekening in de publicatie van de NCTV en het feit dat in de jaarverslagen van de AIVD nog altijd een aparte signalering van dierenrechtenactivisme in Nederland is opgenomen, is naar het oordeel van de Afdeling de dreiging van dierenrechtenactivisme nog reëel en acht zij voldoende grond aanwezig voor de door de staatssecretaris en de vergunninghouders gedeelde vrees voor een toename van het risico van tegen de vergunninghouders, proefdierinstellingen, hun werknemers en andere betrokkenen gerichte buitensporige acties bij openbaarmaking van de gegevens per vergunninghouder over de aantallen en soorten bij de dierproeven gebruikte dieren. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de betrokkenen daartegen beschermd te blijven en derhalve het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de betrokkenen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zwaarder dient te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde gegevens. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de totaalaantallen proefdieren en verrichte proeven van de sector als geheel en de namen en vestigingsplaatsen van de vergunninghouders door de jaarlijkse publicatie in ‘Zo doende’ reeds openbaar zijn.

Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeven de overige betogen van de staatssecretaris en de vergunninghouders geen bespreking.

14. Het hoger beroep is gegrond.

Besluit van 24 maart 2015

15. De staatssecretaris heeft in verband met het nieuw te nemen besluit op bezwaar de vergunninghouders in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het te nemen besluit schriftelijk naar voren te brengen.

16. Bij het besluit van 24 maart 2015 heeft de staatssecretaris, met inachtneming van de zienswijzen van de vergunninghouders, het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen de weigering tot verstrekking van de gevraagde informatie in de door [wederpartij] gewenste vorm van de gegevens per individuele vergunninghouder gegrond verklaard en de gevraagde documenten deels geanonimiseerd aan [wederpartij] verstrekt.

De staatssecretaris heeft het bezwaar van [wederpartij], wat betreft de weigering tot openbaarmaking van de aantekeningen van tweeëntwintig vergunninghouders en van de namen en de adresgegevens van de vergunninghouders die niet met openbaarmaking daarvan hebben ingestemd, opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 24 november 2011 in zoverre gehandhaafd.

17. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb, is tegen het besluit van 24 maart 2015 van rechtswege een beroep bij de Afdeling ontstaan.

17.1. Gelet op het hiervoor onder 13.3 tot en met 13.6 vermelde oordeel van de Afdeling is het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 ongegrond.

18. De Afdeling ziet aanleiding de staatssecretaris te veroordelen in de door [wederpartij] gemaakte proceskosten in hoger beroep, omdat de staatssecretaris eerst ter zitting bij de Afdeling in de beslissing van de rechtbank heeft berust en [wederpartij] zich derhalve heeft moeten verweren tegen hetgeen de staatssecretaris daartegen in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2015, kenmerk 492-8491, ongegrond;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van

€ 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Slump w.g. De Wilde
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

598.


BIJLAGE

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 3

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

[-]

3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

[-]

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

[-]

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

[-].

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[-]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[-]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Dierproevenbesluit [Vervallen per 18-12-2014]

Artikel 10

6. Onze Minister stelt vast welke gegevens omtrent de proefdieren en de verrichte proeven de vergunninghouder hem dient te verstrekken; deze gegevens dienen jaarlijks over het voorafgaande kalenderjaar te worden verstrekt.