Uitspraak 201601799/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 8 maart 2017
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Overijssel
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Natuurbescherming
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:624

201601799/1/R2.
Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging voor Natuur en Milieu de Vechtstreek (hierna: de Vereniging), gevestigd te Ommen,
appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor de realisatie en exploitatie van zorgcomplex landgoed Stekkenkamp nabij de Beerzerweg nummer 5 te Ommen.

Bij besluit van 2 februari 2016, kenmerk 2016/0008453 A15-357, heeft het college het door de Vereniging hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen door de grondslag van de vergunning en de motivering te wijzigen.

Tegen dit besluit heeft de Vereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2016, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachigden], en het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos en G. Wijnsma, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], bijgestaan door mr. A.P. Loo, advocaat te Nijmegen, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De vergunning voorziet in de realisatie en exploitatie van een zorgcomplex op het landgoed Stekkenkamp. In de huidige situatie zijn al enkele zorgfaciliteiten op het landgoed aanwezig, die zijn gevestigd binnen de bestaande voormalige boerderij. In de beoogde situatie worden ten westen van de bestaande bebouwing 48 zorgwoningen gerealiseerd. Het gaat om 24 woningen met elk een bebouwd vloeroppervlak van 100 m2 voor somatische zorg en, binnen één gebouw met een oppervlak van 2.400 m2, 24 woningen voor psychogeriatrische zorg. Daarnaast worden in de beoogde situatie een nieuwe aansluiting op de Beerzerweg, een parkeerplaats met 40 parkeerplekken en ruimte voor bevoorrading gerealiseerd. Het gedeelte van het landgoed waar het nieuwe zorgcomplex is voorzien, heeft een oppervlakte van ongeveer 2 ha. Dit gedeelte ligt binnen het Natura 2000-gebied "Vecht en Beneden-Reggegebied".

2. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen voor 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

De relevante regels uit de Nbw 1998 zijn vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

3. Bij besluit van 4 juli 2013 is het gebied "Vecht en Beneden-Reggegebied" krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Het gebied is aangewezen voor verscheidene habitattypen en -soorten. Verder zijn in het aanwijzingsbesluit doelstellingen opgenomen die betrekking hebben op de voormalige status van het deelgebied Stekkenkamp als Beschermd natuurmonument (hierna: BNM).

Ingetrokken beroepsgrond

4. Ter zitting heeft de Vereniging haar beroepsgrond over het parkeren ingetrokken.

Formele beroepsgronden

5. De Vereniging betoogt dat bij de publicatie van het primaire besluit van 30 juni 2015 ten onrechte geen stukken ter inzage zijn gelegd en dat zij hierdoor in haar belang is geschaad. Zij voert daartoe aan dat stukken ontbreken die noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling van het besluit. De Vereniging wijst erop dat zij met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) heeft getracht de betreffende stukken in bezit te krijgen, maar dat zij niet alle benodigde stukken heeft ontvangen.

5.1. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar het standpunt ingenomen dat terinzagelegging van het besluit omtrent vergunningverlening niet is vereist.

5.2. Het college heeft bij het verlenen van de vergunning niet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegepast, hetgeen het college bij een procedure omtrent verlening van een Nbw-vergunning ook vrijstaat. Het besluit van 30 juni 2015 betreft geen ontwerpbesluit, maar een vastgesteld besluit dat na de bekendmaking ervan in werking is getreden. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 diende het college op de in deze bepaling genoemde wijze ook kennis te geven van dit besluit. Uit deze bepaling noch uit enige andere rechtsregel volgt dat het college verplicht was met deze kennisgeving de door de Vereniging bedoelde stukken ter inzage te leggen. Los van het vorenstaande is ter zitting vastgesteld dat de Vereniging hangende het beroep de door haar bedoelde stukken heeft ontvangen. Zij heeft daarin geen aanleiding gezien haar beroep aan te vullen of nadere stukken over te leggen. Haar standpunt dat zij in haar belang is geschaad, kan derhalve niet worden gevolgd. Het betoog faalt.

5.3. Voor zover de Vereniging bezwaren aanvoert tegen de manier waarop het college heeft gehandeld in het kader van haar verzoek krachtens de Wob, geldt dat het bestreden besluit daarop geen betrekking heeft. Dit kan in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen.

Wat betreft de bezwaren die de Vereniging aanvoert over de trage toezending van stukken hangende haar beroep, overweegt de Afdeling verder dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Deze mogelijke onregelmatigheid kan reeds om die reden geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Deze betogen falen.

6. De Vereniging betoogt dat de gevolgde procedure, waarbij eerst de Nbw-vergunning is verleend terwijl nog geen beheerplan is vastgesteld voor het betrokken Natura 2000-gebied, onzorgvuldig is. Door de gevolgde procedure wordt volgens haar ten onrechte geen rekening gehouden met de instandhoudingdoelstellingen van het voormalige BNM "De Stekkenkamp". Daarnaast wijst de Vereniging erop dat het college nog niet heeft gereageerd op de door haar ingediende zienswijze tegen het ontwerpbeheerplan "Vecht en Beneden-Reggegebied".

6.1. Over het betoog dat ten onrechte een reactie uitblijft op de door de Vereniging ingediende zienswijze tegen het ontwerpbeheerplan, overweegt de Afdeling dat in deze procedure uitsluitend de verleende vergunning ter beoordeling staat. De vraag of het college aanleiding had moeten zien te reageren op de voormelde zienswijze, valt derhalve buiten de omvang van dit geding. Het betoog faalt.

6.2. Artikel 19a van de Nbw 1998 noch enige andere wettelijke bepaling brengt met zich dat een vergunning als de onderhavige niet kan worden verleend voordat een beheerplan is vastgesteld voor het betrokken Natura 2000-gebied. De omstandigheid dat het besluit tot vergunningverlening en het besluit op het daartegen door de Vereniging gemaakte bezwaar zijn genomen voordat voor het gebied "Vecht en Beneden-Regggegebied" een beheerplan is vastgesteld, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat die besluiten om die reden onzorgvuldig zijn genomen.

Voor zover de Vereniging betoogt dat door de gevolgde procedure ten onrechte geen rekening is gehouden met de doelstellingen die golden voor het voormalige BNM "De Stekkenkamp", overweegt de Afdeling dat met de aanwijzing van dit gebied als Natura 2000-gebied de aanwijzing als BNM is komen te vervallen. Ingevolge artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998 hebben de instandhoudingsdoelstellingen voor het in het vervallen BNM-aanwijzingsbesluit bepaalde gebied echter mede betrekking op het Natura 2000-gebied. Dat nog geen beheerplan is vastgesteld, brengt dan ook niet met zich dat bij het besluit tot verlening van de gevraagde vergunning geen rekening zou kunnen worden gehouden met de instandhoudingdoelstellingen van het voormalige BNM "De Stekkenkamp", zoals ook volgt uit paragraaf B1.2 van het primaire besluit. Het betoog faalt.

7. De Vereniging betoogt dat het college ten onrechte de grondslag van de vergunning bij het bestreden besluit ambtshalve heeft gewijzigd.

7.1. In het bestreden besluit is vermeld dat bij het primaire besluit een vergunning is verleend krachtens artikel 19d en artikel 16 van de Nbw 1998. In het bestreden besluit wordt, los van de door Vereniging aangevoerde bezwaargronden, met juistheid vastgesteld dat artikel 16 niet de juiste grondslag is. Het primaire besluit wordt daarom door het college ambtshalve herroepen voor zover daarbij een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 16. In de plaats daarvan wordt een vergunning verleend als bedoeld in artikel 19ia gelezen in samenhang met artikel 16, vierde lid, van de Nbw 1998. Een beslissing op bezwaar is een heroverweging van het primaire besluit en er is dan ook geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat het college los van de door de Vereniging aangevoerde bezwaren aanleiding ziet het primaire besluit gedeeltelijk te herroepen. Het betoog faalt.

8. De Vereniging betoogt dat het onduidelijk is naar welk beheerplan in het primaire besluit wordt verwezen met de zin "Wij hebben geconstateerd dat er geen sprake is van een projectafhandeling conform een vastgesteld beheerplan." Nu het bestreden besluit hier evenmin uitsluitsel over geeft, is het volgens de Vereniging onzorgvuldig.

8.1. Anders dan de Vereniging meent, wordt met de geciteerde zin niet naar een bepaald beheerplan verwezen, maar wordt daarmee vastgesteld dat ten tijde van het nemen van de besluiten van 30 juli 2015 en 2 februari 2016 nog geen beheerplan was vastgesteld voor het betrokken Natura 2000-gebied. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het betoog faalt.

Voormalig Beschermd Natuurmonument

9. De Vereniging heeft bezwaar tegen het bestreden besluit voor zover daarbij een vergunning als bedoeld in artikel 19ia van de Nbw 1998 is verleend.

De Afdeling overweegt in dat verband ambtshalve als volgt. In artikel 19ia van de Nbw 1998, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2017, was een vergunningplicht neergelegd voor handelingen die mogelijk schadelijk konden zijn voor de zogenoemde nationale instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid. Dit betrof instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden die afkomstig waren van voormalige beschermde natuurmonumenten. Voor vergunningen als bedoeld in artikel 19ia was het beoordelingskader van artikel 16, eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Zoals hiervoor vermeld onder 2 is op 1 januari 2017 de Wnb in werking getreden en is onder meer de Nbw 1998 ingetrokken. Daarbij zijn, gelet op het bepaalde in artikel 9.1, tweede lid, van de Wnb de nationale instandhoudingsdoelstellingen vervallen.

Het vorenstaande betekent dat de Vereniging geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat de verleende vergunning als bedoeld in artikel 19ia van de Nbw 1998 betreft. Deze vergunning is niet langer nodig. De vereniging heeft niet gesteld dat zij ten gevolge van het besluit schade heeft geleden, waarin dat belang kan worden gevonden. Ook overigens is niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan desondanks een belang van de Vereniging bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit in zoverre. Het beroep van de Vereniging tegen het bestreden besluit, voor zover het de verleende vergunning als bedoeld in artikel 19ia van de Nbw 1998 betreft, is niet-ontvankelijk.

Natura 2000-gebied

10. De Vereniging betoogt dat ten onrechte de vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 is verleend. Zij voert daartoe aan dat het rapport "Natuurtoets landgoed Stekkenkamp, beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid" (hierna: de Natuurtoets), uitgebracht in maart 2015 door Ecogroen Advies, ten onrechte is beperkt tot de effecten van het project op aanwezige habitattypen en soorten. Volgens de Vereniging is onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen in en rond het projectgebied zijn voor de zogenoemde leefgemeenschappen, bestaande uit voorkomende planten, dieren en hun onderlinge relaties.

Voorts is de Natuurtoets op slechts één veldbezoek gebaseerd en dat is onvoldoende, aldus de Vereniging. Zij stelt dat uit gegevens van het zogenoemde broedvogelatlasproject van de SOVON en het documentatiecentrum van de Vereniging Das en Vecht volgt dat rond het projectgebied natuurwaarden voorkomen die niet zijn meegenomen in de Natuurtoets. Met de voormelde gegevens en andere bij de provincie bekende gegevens omtrent natuur- en landschapskwaliteiten is volgens de Vereniging dan ook ten onrechte geen rekening gehouden. Ter zitting heeft de Vereniging naar voren gebracht dat uit deze gegevens volgt dat de boommarter en verscheidene vogelsoorten voorkomen in en rond het plangebied. De gevolgen voor deze soorten, met name door een toename van onrust rond de projectlocatie, zijn volgens de Vereniging ten onrechte niet onderzocht.

De Vereniging betoogt verder dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar verstoring van (avi)fauna door licht. Zij wijst erop dat geen onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen in het gebied.

Ten slotte brengt de Vereniging naar voren dat onvoldoende rekening is gehouden met het in het verleden gevoerde beheer op het landgoed.

10.1. Het college heeft in het bestreden besluit de aanleg en exploitatie van het zorgcomplex aangemerkt als een vergunningplichtig project als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Dit is onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat het project een verslechterend effect kan hebben op de habitattypen in het Natura 2000-gebied "Vecht en Beneden-Regge". Niet in geschil is dat op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen heeft voor dit gebied. Op grond van artikel 19f van de Nbw 1998 moet derhalve, alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied "Vecht en Beneden-Regge" worden gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen. Gelet hierop is aan het bestreden besluit de Natuurtoets ten grondslag gelegd.

10.2. Volgens de Natuurtoets betreft de projectlocatie een voormalige boerderij met grasland. Het terrein is tot 1993 in gebruik geweest als camping. Daarna is het als grasland beheerd. Aan de zuidrand staan verspreid enkele jonge bomen. Het terrein wordt verder grotendeels omzoomd door bos. De omliggende gronden worden aan de noordzijde door een kade afgeschermd van de uiterwaarden en liggen daarom buiten het overstromingsbereik van de Vecht. Op de projectlocatie komen geen habitattypen of leefgebieden voor. Op de bij het onderzoek gebruikte provinciale habitattypenkaart van december 2014 zijn op ruim 200 meter ten noorden van de projectlocatie enkele habitattypen vermeld waarvoor het gebied is aangewezen. Enkele aangewezen habitattypen en -soorten hebben een uitbreidingsdoel. De projectlocatie en het effectgebied daar omheen zijn daarvoor niet primair geschikt. Gezien het matig intensieve gebruik en de ligging buiten het overstromingsbereik van de Vecht wordt niet verwacht dat in het plangebied eenvoudig habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen, kunnen ontstaan. Voor stroomdalgrasland zijn de gronden ongeschikt omdat ze niet overstroomd worden en voor de ontwikkeling van droge heide zijn de gronden te voedselrijk. Buiten de projectlocatie zijn wel mogelijkheden voor uitbreiding. In zoverre is geen sprake van een aantasting van potentiële groeiplaatsen of leefgebieden, aldus de Natuurtoets. Op de projectlocatie en de daaraan grenzende gronden zijn geen leefgebieden aanwezig voor de vier vissoorten, kamsalamander en kruipend moerasscherm waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Van negatieve effecten als gevolg van verstoring is geen sprake. Op grond van het vorenstaande wordt in de Natuurtoets geconcludeerd dat significante gevolgen op de instandhoudingsdoelen van habitattypen en -soorten zijn uitgesloten.

10.3. Bij de vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 gaat het om de bescherming van de waarden waarvoor het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen. In dat kader dient te worden getoetst in hoeverre het project negatieve gevolgen voor deze waarden kan hebben. Het Natura 2000-gebied is niet aangewezen voor boommarters, vleermuizen, vogels of de door de Vereniging bedoelde leefgemeenschappen, voor zover die meer omvatten dan de aangewezen habitattypen en -soorten. De gevolgen van het project voor boommarters, vleermuizen, vogels en leefgemeenschappen maken dan ook geen deel uit van de door het college uit te voeren beoordeling in het kader van artikel 19d. Het college heeft wat betreft de effecten van het project voor deze soorten en leefgemeenschappen daarom geen nader onderzoek hoeven vergen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat door de Vereniging geen gegevens zijn overgelegd die een vermoeden opleveren dat het project zodanig nadelige gevolgen met zich brengt voor de bedoelde leefgemeenschappen, dat daardoor significant negatieve effecten optreden voor de aangewezen habitattypen en -soorten.

Voor zover de Faunabescherming stelt dat boommarters, vleermuizen, vogels en leefgemeenschappen wel in het aanwijzingsbesluit opgenomen hadden moeten worden, dient dit buiten beschouwing te blijven in dit geding. De procedure betreffende het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied "Vecht en Beneden-Regge" was de aangewezen procedure om dit bezwaar aan te voeren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3436. Het betoog faalt.

10.4. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Natuurtoets onvoldoende is onderbouwd. Bij het opstellen van de Natuurtoets is gebruik gemaakt van diverse literatuurbronnen, waaronder de Gebiedendatabase Natura 2000, het provinciale Natuurbeheerplan, diverse habitattypenkaarten en het Sovon-rapport 2012. Daarnaast heeft een veldonderzoek plaatsgevonden. De omstandigheid dat daarbij geen gebruik is gemaakt van de door de Vereniging bedoelde gegevens en dat niet meer dan één veldbezoek aan de projectlocatie is gebracht, maakt op zichzelf niet dat de Natuurtoets onzorgvuldig is. De Natuurtoets, die is uitgebracht door een deskundige en die naast het bedoelde veldbezoek ook is gebaseerd op verscheidene ecologische bronnen, is immers gebaseerd op objectief verifieerbare gegevens. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval niet met de geraadpleegde bronnen en één veldbezoek kon worden volstaan.

Voor zover de Vereniging stelt dat de Natuurtoets een suggestief beeld schetst van het gebruik van het landgoed in het verleden als camping en parkeerplaats, aangezien de parkeerplaats is verwijderd en een zogenoemd verschralingsbeheer is gevoerd, is het volgende van belang. In de Natuurtoets is het gebruik gekenmerkt als matig intensief, nog daargelaten of betekenis is toegekend aan het historisch gebruik. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze kwalificatie onjuist is. Het betoog faalt.

10.5. Wat betreft de effecten van verstoring door licht voor fauna, anders dan de hiervoor onder 9.4 genoemde soorten, is het volgende van belang. Het gebied is aangewezen voor de soorten bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander en kruipend moerasscherm. In paragraaf 2.3 van de Natuurtoets is vermeld dat het project onder meer verstoring door licht met zich kan brengen. De gevolgen hiervan zijn beschreven in paragraaf 2.5. Hierin is vermeld dat binnen het plangebied geen leefgebied of potentieel leefgebied van de voormelde soorten aanwezig is. Voorts is vermeld dat de nieuwe bebouwing geheel omsloten blijft door bos en singels en dusdanig laag blijft dat er geen uitstralingseffecten op de omgeving zijn. In de Natuurtoets wordt geconcludeerd dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen geen sprake is van negatieve effecten op de voormelde soorten. De Vereniging heeft niet met concrete gegevens onderbouwd waarom de passende beoordeling op dit punt volgens haar onjuistheden bevat. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet op grond van de passende beoordeling mocht concluderen dat uitstraling van licht geen effecten zal hebben op het betrokken Natura 2000-gebied. Het betoog faalt.

11. De Vereniging betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van het project voor het habitattype beuken-eikenbossen met hulst (H9120) of eiken-haagbeukenbossen (H9160A). De Vereniging voert hiertoe aan dat ten onrechte niet is onderkend dat direct ten westen van de projectlocatie beuken-eikenbossen met hulst (H9120) staan. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de Vereniging het rapport ‘Voorlopige bevindingen Habitatkaart Vecht en Beneden-Reggegebied’ (hierna: het bevindingenrapport), uitgebracht op 17 december 2016 door de interbestuurlijke projectgroep habitatkartering, overgelegd. Daarnaast heeft zij ter zitting verscheidene kaarten toegelicht die op dit rapport zijn gebaseerd. Verder heeft de Vereniging ter zitting gesteld dat de oude bossingel direct ten noorden van de projectlocatie moet worden gekwalificeerd als het habitattype Oude eikenbossen (H9190).

11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat, ook indien sprake zou zijn van de door de Vereniging bedoelde habitattypen op de genoemde locaties, het project geen significant negatieve effecten met zich brengt.

11.2. Het Natura 2000-gebied is niet aangewezen voor het habitattype eiken-haagbeukenbossen. De gevolgen van het project voor dit habitattype maken dan ook geen deel uit van de door het college uit te voeren beoordeling in het kader van artikel 19d. Reeds hierom heeft het college geen nader onderzoek hoeven vergen naar het voorkomen van of de effecten voor dit habitattype.

11.3. Ter zitting is vastgesteld dat bij het opstellen van de Natuurtoets en bij het nemen van het primaire besluit de habitattypenkaart uit 2014 is gebruikt. Volgens deze habitattypenkaart zijn in de omgeving van de projectlocatie geen aangewezen habitattypen aanwezig. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar was een recentere versie van de habitattypenkaart beschikbaar, die is betrokken bij het bestreden besluit.

Bij het nemen van het bestreden besluit is er volgens hetgeen staat vermeld op pagina 7 vanuit gegaan dat, hoewel daarover nog twijfel bestond, zowel aangrenzend ten noorden als ten westen van het plangebied oude eikenbossen of beuken-eikenbossen aanwezig zijn. Gelet hierop is een aanvullende berekening gemaakt van de stikstofdepositie die het project met zich brengt en zijn de effecten door grondwateronttrekking en mogelijke aantasting van de boomwortelstructuur bezien. Volgens het bestreden besluit is de conclusie dat, ook bij aanwezigheid van de voormelde habitattypen ten noorden en westen van de projectlocatie, zich geen significant negatieve effecten voordoen. Nu de Vereniging deze conclusie niet met concrete argumenten heeft bestreden, bestaat geen reden hieraan te twijfelen.

11.4. Ter zitting is vastgesteld dat geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van beuken-eikenbossen met hulst op een perceel ten westen van de projectlocatie. Niet in geschil is dat uit het bevindingenrapport volgt dat dit habitattype ter plaatse wel aanwezig is.

De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype beuken-eikenbossen met hulst is "behoud oppervlakte en kwaliteit". Het college heeft toegelicht dat, nu het bedoelde perceel wordt omsloten door gronden waarvan is aangenomen dat daar wel habitattype beuken-eikenbossen met hulst voorkomen zonder dat zich significante effecten voordoen, en het perceel wordt gescheiden van de weg waarvan de meeste stikstofdepositie afkomstig is door één van de wel beoordeelde percelen, vaststaat dat zich ook bij aanwezigheid van beuken-eikenbossen met hulst op het bedoelde perceel geen significant negatieve effecten voordoen. Die conclusie heeft de Vereniging niet met concrete argumenten bestreden.

Gelet op het vorenstaande is de Natuurtoets gebrekkig, voor zover daarin niet is onderkend dat ook op het bedoelde perceel ten westen van de projectlocatie het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst aanwezig is. Uit het na het nemen van het bestreden besluit opgestelde bevindingendocument en daarop ter zitting door het college gegeven toelichting, volgt echter dat dit gebrek is hersteld en dat dit niet afdoet aan de conclusie dat geen sprake is van significant negatieve effecten. Nu de Vereniging het bevindingenrapport weliswaar na afloop van de beroepstermijn maar wel ruim voor de zitting in haar bezit heeft gekregen en in deze procedure heeft kunnen overleggen, en gelet op de door het college daarop gegeven toelichting en nu niet is gebleken van andere belanghebbenden die daardoor benadeeld kunnen zijn, ziet de Afdeling aanleiding om voornoemd gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

12. De Vereniging betoogt dat de verrichte passende beoordeling onvolledig is, omdat daarin ten onrechte de gevolgen van de realisatie van bebouwing niet aan de orde komen.

12.1. In paragraaf 2.6 van de Natuurtoets zijn de gevolgen van het oppervlakteverlies door de realisatie van bebouwing geïnventariseerd. Volgens de Natuurtoets komen op de planlocatie geen aangewezen habitattypen voor en vormt het geen leefgebied van aangewezen soorten. Daarnaast is de planlocatie volgens de Natuurtoets niet primair nodig of geschikt voor de realisatie van uitbreidingsdoelstellingen voor aangewezen habitattypen of soorten. Onder verwijzing hiernaar is op de pagina’s 8 en 9 van het primaire besluit geconcludeerd dat negatieve effecten als gevolg van oppervlakteafname niet aan de orde zijn. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich op basis van de Natuurtoets niet op dit standpunt mocht stellen. Het betoog faalt.

13. De Vereniging betoogt dat de verrichte passende beoordeling onvolledig is, omdat daarin ten onrechte de compensatie van natuurverlies niet aan de orde komt. Daarnaast betoogt de Vereniging dat ten onrechte geen alternatieven zijn bezien. Zij stelt dat elders in de gemeente landgoederen zijn waar het project gerealiseerd zou kunnen worden.

13.1. Hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd geeft, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat als gevolg van de aanleg en het gebruik van het zorgcomplex de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Ingevolge artikel 19h, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 hoeven compenserende maatregelen op grond van de Nbw 1998 eerst te worden getroffen en hoeven alternatieven eerst te worden bezien indien het college zich niet als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, op grond van de passende beoordeling ervan kan verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Deze situatie doet zich hier derhalve niet voor. Het college heeft gelet hierop terecht afgezien van een beoordeling of compenserende maatregelen moeten worden voorgeschreven en of alternatieven bestaan voor de aangevraagde handeling. Het betoog faalt.

14. De Vereniging betoogt dat in het verleden de provincie geen goed financieel beleid heeft gevoerd ten aanzien van het landgoed en het omliggende natuurgebied. Gelet hierop kan het bestaande financiële tekort voor natuurbeheer niet worden aangevuld door te voorzien in een zorgcomplex, aldus de Vereniging.

14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2174, dient het college bij de verlening van een vergunning ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998 ingevolge artikel 19e ook te beoordelen of de aangevraagde vergunning bij afweging van de betrokken belangen kan worden verleend. Deze belangenafweging in het kader van artikel 19e van de Nbw 1998 vergt echter niet dat het college bij verlening van een Nbw-vergunning dient te beoordelen of de activiteit waarop de aangevraagde vergunning ziet, noodzakelijk is. Het college moet bezien of het door de aanvrager gestelde belang bij die activiteit aannemelijk is, welk belang vervolgens wordt afgewogen tegen de daartegenover staande natuurbelangen. Het college heeft in dit verband onder meer in aanmerking genomen dat de exploitatie van het zorgcomplex ervoor zorgt dat het landgoed waarop het is gelegen een financiële drager krijgt. Daargelaten de oorzaak dat een dergelijke financiële drager thans ontbreekt, heeft het college daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan voormeld belang van [vergunninghoudster] bij de vergunning. Het betoog faalt.

Conclusie

15. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

16. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb brengt in dit geval mee dat de Afdeling zal gelasten dat het college het griffierecht vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de bij besluit van 2 februari 2016, kenmerk 2016/0008453 A15-357, krachtens artikel 19ia van de Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunning betreft;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan Vereniging voor Natuur en Milieu de Vechtstreek het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Taal
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

325-743.


Bijlage Nbw 1998

Artikel 19d

1 Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Artikel 19e

Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening

a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;

b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en

c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 19f

1 Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Artikel 19g

1 Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.

Artikel 19h

1. Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen.

Artikel 19ia

1 Ingeval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien verstande dat:

a. in het vierde lid in plaats van «het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10» wordt gelezen: het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a;

b. in het vijfde lid in plaats van «een beheerplan als bedoeld in artikel 17» wordt gelezen: de beschrijvingen in het desbetreffende beheerplan, bedoeld in artikel 19a, negende lid;

c. de krachtens het zesde lid aangewezen handelingen de krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen handelingen zijn.