Uitspraak 201601534/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 28 december 2016
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:3474

201601534/1/A1.
Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heinenoord, gemeente Binnenmaas,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2016 in zaak nr. 15/924 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan, tenzij [appellant] binnen acht weken na de verzenddatum van het besluit de portocabins op het perceel [locatie] te Heinenoord verwijdert en verwijderd houdt.

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2016, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.F. Cok en J.A.F. van Herwijnen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie]. Het college heeft hem bij besluiten van 8 april 2010 en 5 maart 2012 onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de op het perceel aanwezige portocabins te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college [appellant] voor de derde keer gelast de portocabins op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 40.000,00. Dit besluit is bij besluit op bezwaar van 25 juli 2013 in stand gelaten. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen beroep is ingesteld, zodat de bij besluit van 18 januari 2013 opgelegde last onder dwangsom in rechte vast staat.

2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in de periode tussen 6 augustus 2013 en 17 december 2013 twintig maal is geconstateerd dat niet aan de last is voldaan, zodat de maximale dwangsom is verbeurd. Het heeft besloten tot invordering over te gaan.

3. Ingevolge artikel 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom in afwijking van artikel 4:104 door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

4. Indien het bestuursorgaan niet tijdig tot stuiting of verlenging van de verjaringstermijn is overgegaan, is het na verjaring van de bevoegdheid tot invordering niet langer bevoegd een invorderingsbeschikking te nemen alsmede dwangmiddelen in te zetten teneinde tot inning van de geldschuld over te gaan.

De dwangsommen zijn in de periode van 6 augustus 2013 en 17 december 2013 verbeurd. Het college is niet binnen een jaar na verbeurte van de afzonderlijke dwangsommen tot stuiting of verlenging van de verjaringstermijn overgegaan. Voor zover het college stelt dat het op 22 mei 2014, derhalve binnen een jaar na de dag waarop de dwangsommen zijn verbeurd, een invorderingsbeschikking heeft genomen, geldt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1203, een invorderingsbeschikking de verjaring niet stuit. Dit geldt ook voor de brief van 3 maart 2015. Het college heeft [appellant] daarin weliswaar laten weten de verjaring te stuiten, maar deze brief dateert van meer dan een jaar na de dag waarop de laatste dwangsom is verbeurd, zodat de verjaring niet tijdig is gestuit.

Gelet op het voorgaande is de bevoegdheid tot invordering verjaard en heeft [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de invorderingsbeschikking.

5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016

473.