Uitspraak 201605509/1/V3

Datum van uitspraak: vrijdag 9 december 2016
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:3291

201605509/1/V3.
Datum uitspraak: 9 december 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1221 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 2 januari 2016 in Nederland mede voor haar minderjarig kind een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft krachtens artikel 12, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) Italië verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag. De Italiaanse autoriteiten hebben het overnameverzoek op 15 april 2016 geaccepteerd.

2. De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van de staatssecretaris dat een overdracht alleen dan geen doorgang kan vinden als de Italiaanse autoriteiten zelf uitdrukkelijk te kennen geven dat zij niet voor adequate opvang van bijzonder kwetsbare asielzoekers kunnen zorgen, niet strookt met de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3209, nu er aanwijzingen zijn dat de aanname van de staatssecretaris dat er voldoende opvangplaatsen beschikbaar zijn, niet langer houdbaar is. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat de staatssecretaris desgevraagd in een brief van 23 juni 2016 heeft medegedeeld dat binnen de SPRAR-locaties blijkens een brief van de Italiaanse autoriteiten van 15 februari 2016 (hierna: de brief van 15 februari 2016) nog slechts 85 opvangplaatsen voor bijzonder kwetsbare asielzoekers aanwezig zijn, terwijl eerder is uitgegaan van een in een brief van 8 juni 2015 van die autoriteiten genoemde aantal van 161 opvangplaatsen. Aangezien zowel Nederland als de overige lidstaten gezinnen met minderjarige kinderen, alsmede andere bijzonder kwetsbare vreemdelingen, aan Italië overdragen, is het volgens de rechtbank meer dan onwaarschijnlijk dat in Italië genoeg opvangplaatsen beschikbaar zijn. In dat geval is het op basis van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 (hierna: het arrest Tarakhel), vereist dat individuele garanties worden gegeven met betrekking tot de plaats waar en de omstandigheden waaronder bijzonder kwetsbare asielzoekers zullen worden opgevangen, anders levert de overdracht van de vreemdeling en haar dochter aan Italië strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) op, aldus de rechtbank.

3. In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat aangenomen moet worden dat het aantal opvangplaatsen binnen de SPRAR-locaties thans onvoldoende is. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de lijst opgenomen in de brief van 15 februari 2016 niet uitputtend is en dat de Italiaanse autoriteiten hebben toegezegd dat indien nodig de lijst zal worden aangepast dan wel uitgebreid naar het aantal benodigde opvangplaatsen. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat het in de brief van 23 juni 2016 genoemde aantal gezinnen met minderjarige kinderen dat vanaf 20 mei 2015 tot 21 juni 2016 reeds aan Italië is overgedragen, niets zegt over het aantal thans voorhanden zijnde opvangplekken. Verder wijst de staatssecretaris op de beslissing van het EHRM van 21 juli 2016 in de zaak N.A. en anderen tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2016:0628DEC001563616 (hierna: de zaak N.A.), waaruit volgens hem volgt dat bij overdracht aan Italië nog steeds geen individuele garanties als bedoeld in het arrest Tarakhel zijn vereist.

3.1. Uit de beslissing in de zaak N.A. blijkt dat het EHRM de brief van 15 februari 2016 in zijn beoordeling heeft betrokken en dat het mede op grond van deze brief heeft geoordeeld, dat de vreemdeling in die zaak samen met haar minderjarige kinderen zal worden geplaatst in een van de SPRAR-locaties, die bestemd zijn voor de opvang van families met minderjarige kinderen. De zorg van de vreemdeling dat het aantal plaatsen bestemd voor de opvang onvoldoende zal zijn, heeft het EHRM blijkens zijn beslissing geen aanleiding gegeven anders te oordelen, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling en haar kinderen geen plek binnen een dergelijke opvanglocatie kunnen verkrijgen op het moment dat zij in Italië aankomen.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat geen verdere individuele garanties benodigd zijn en overdracht van de vreemdeling en haar minderjarig kind aan Italië geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM met zich brengt. Het aantal opvangplekken binnen de SPRAR-locaties is blijkens de informatie van de staatssecretaris aan de rechtbank van 23 juni 2016 weliswaar beperkt, maar niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten de in aansluiting op eerdergenoemde brief van 8 juni 2015 gedane toezegging de capaciteit van de opvang te zullen vergroten indien daartoe noodzaak bestaat niet zullen nakomen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat voor de vreemdeling en haar minderjarig kind na overdracht en voorafgaand aan het indienen van de asielaanvraag in Italië geen opvangplekken beschikbaar zijn binnen één van de daartoe speciaal ingerichte SPRAR-locaties.

De grief slaagt.

4. Aan de behandeling van de eerste grief komt de Afdeling niet meer toe nu de rechtbank haar afwijzende oordeel over de handelwijze van de staatssecretaris bij overdracht aan Italië baseert op het feit dat sinds de brief van 15 februari 2016 het aantal opvangplaatsen binnen de SPRAR-locaties is afgenomen tot 85, zodat opvang niet langer aannemelijk is, en de Afdeling hierboven tot het oordeel komt dat in de afname van het aantal opvangplekken geen beletsel is gelegen voor overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië op de thans gebruikelijke wijze.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 26 mei 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.1. De vreemdeling betoogt dat het in strijd met artikel 3 van het EVRM is om haar aan Italië over te dragen, aangezien er geen garantie is gegeven dat zij en haar minderjarig kind opvang zullen behouden nadat aan hen een verblijfsvergunning is verleend.

Op basis van de Dublinverordening wordt slechts vastgesteld welke lidstaat aansprakelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Het ontbreken van een garantie dat de vreemdeling en haar minderjarig kind, nadat aan hen een verblijfsvergunning is verleend, opvang zullen behouden, valt buiten het kader van die vaststelling.

De beroepsgrond faalt reeds hierom.

6. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 mei 2016 van de staatssecretaris ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1221;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Brugman
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016

205.