Uitspraak 201603230/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 14 december 2016
Tegen: de raad van de gemeente Druten
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:3325

201603230/1/R6.
Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
2. [appellante sub 2], gevestigd te Druten,
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Druten,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Druten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2016, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, [appellanten sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door drs. S.J.P.T. Welbers-Bindels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen heeft de raad aangaande het beroep van [appellante sub 2] na de zitting een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

Geschil

2. Het beroep van [appellante sub 1] richt zich tegen de planregeling voor het perceel [locatie 1] te Deest, waar het bedrijf van [belanghebbende] is gevestigd. Aan het perceel is de bestemming "Wonen" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handelsonderneming in agrarische machines en werktuigen". [appellante sub 1] en [belanghebbende] handelen beiden in agrarische machines, met name in minitractoren.

Beroepsgronden

3. [appellante sub 1] betoogt dat het toestaan van het bedrijf van [belanghebbende] op het perceel [locatie 1] in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat [appellante sub 1] zijn bedrijf naar een bedrijventerrein heeft moeten verplaatsen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het betoog van [appellante sub 1] niet kan slagen, omdat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) er niet toe strekt bedrijven te beschermen tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied, omdat concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging geen in aanmerking te nemen belang zijn.

3.2. De Afdeling overweegt dat [appellante sub 1] zich niet beroept op de concurrentieverhouding tussen haar en het bedrijf van [belanghebbende], maar op het gelijkheidsbeginsel. De raad dient bij zijn afwegingen, dus ook bij een planologische belangenafweging, het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. [appellante sub 1] kan zich daar derhalve op beroepen.

De raad heeft zich over de vergelijking tussen het bedrijf van [appellante sub 1] en het bedrijf van [belanghebbende] op het standpunt gesteld dat het bedrijf van [appellante sub 1] in de dorpskern was gevestigd, terwijl het bedrijf van [belanghebbende] in het buitengebied is gevestigd. Dergelijke omgevingen verschillen van elkaar, zodat ook de aanvaardbaarheid van een bedrijf aldaar niet gelijk is. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de orde zijnde situatie niet gelijk is aan de situatie van [appellante sub 1].

Het betoog faalt.

4. Volgens [appellante sub 1] voldoet het bedrijf van [belanghebbende] niet aan artikel 36, lid 36.5, van de planregels. Het bedrijf van [belanghebbende] is al langer dan drie jaar vanaf de start van de bedrijfsactiviteiten aanwezig, er is geen sprake van inpandige bedrijfsactiviteiten en er vindt buitenopslag plaats, aldus [appellante sub 1]. Ook heeft het bedrijf van [belanghebbende] een grotere oppervlakte dan 350 m².

4.1. Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Wonen" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handelsonderneming in agrarische machines en werktuigen".

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handelsonderneming in agrarische machines en werktuigen" mede bestemd voor een handelsonderneming in agrarische machines en werktuigen met oppervlakte van maximaal 350 m², voor een periode van maximaal drie jaar gerekend vanaf vaststelling van het bestemmingplan. De bedrijfsactiviteiten mogen zowel inpandig als uitpandig plaatsvinden.

Ingevolge artikel 36, lid 36.5, van de planregels kan het bevoegd gezag door het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de planregels om binnen onder meer de bestemming "Wonen" tijdelijke vestiging van startende niet-agrarische bedrijven toe te staan, mits aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

4.2. De Afdeling overweegt dat de regeling voor het bedrijf van [belanghebbende] in artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder j, van de planregels is opgenomen. De vraag of het bedrijf van [belanghebbende] voldoet aan de voorwaarden in artikel 36, lid 36.5, is dan ook niet aan de orde. Indien [appellante sub 1] meent dat het bedrijf van [belanghebbende] niet aan de planregeling van artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder j, voldoet, is dit een kwestie van handhaving die in deze procedure over de vaststelling van het bestemmingsplan niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellanten sub 3]

Geschil

5. Het perceel [locatie 2] van [appellanten sub 3] grenst aan het gebied waar de nieuwe woonwijk Tichellande wordt gebouwd. [appellanten sub 3] wensen op hun perceel een bouwmogelijkheid voor een extra woning. Het plan staat dit echter niet toe. Over de wens van [appellanten sub 3] om op hun perceel een extra woning te bouwen heeft de Afdeling eerder geoordeeld, in de uitspraak van 19 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3640.

Beroepsgronden

6. [appellanten sub 3] betogen dat ten onrechte aan hun perceel geen bouwmogelijkheden zijn toegekend. Hun perceel wordt omringd door gronden waarop woningen worden gebouwd en ligt daardoor feitelijk niet meer in het buitengebied, betogen zij, waardoor een extra woning op hun perceel mogelijk is. Het beleid waarmee woningbouw op hun perceel in strijd is, is volgens hen achterhaald.

6.1. Volgens de raad gelden zijn argumenten uit de uitspraak van 19 maart 2013 waarom hij geen woningbouw toe wil laten op het perceel van [appellanten sub 3] nog steeds. De raad stelde in die procedure dat de gewenste woningbouw niet past in de stedenbouwkundige opzet van het plan. In dit verband heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat de door [appellanten sub 3] gewenste woningbouw op het perceel geen samenhang heeft met de in het in die procedure voorliggende plan opgenomen uit te werken woonbestemmingen en evenmin met andere woningen in de omgeving van het perceel, nu de aangrenzende onbebouwde gronden aan de westzijde van het perceel niet kunnen worden verworven. Voorts stelt de raad dat volgens gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in het door de raad opgestelde rapport "Faseren en doseren van de woningbouw in Druten" van 24 maart 2011 (hierna: het woonbeleid), geen ruimte meer bestaat voor het toevoegen van nieuwe woningen. Ten slotte stelt de raad dat de ontsluiting van de gewenste woningbouw op de weg ten noorden van het perceel op bezwaren stuit. Het woonbeleid geldt nog tot en met 2019 en volgens de raad maakt de omstandigheid dat binnen de gemeente wordt nagedacht over een evaluatie daarvan dit niet anders.

6.2. Aan het perceel [locatie 2] van [appellanten sub 3] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, met dien verstande dat maximaal één woning per bestemmingsvlak is toegestaan, tenzij anders is aangeduid.

6.3. In de plantoelichting staat dat om verstening van het buitengebied tegen te gaan het plan geen bouwmogelijkheden voor nieuwe burgerwoningen bevat. In het woonbeleid staat dat de bouwplannen voor woningen samen een omvang hebben die de woningbehoefte in Druten fors overstijgt.

De Afdeling stelt vast dat het toevoegen van een woning op het perceel van [appellanten sub 3] in strijd is met het woonbeleid en met de uitgangspunten die de raad voor het bestemmingsplan hanteert. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit beleid en deze uitgangspunten redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen. Voorts is gebleken dat door het niet kunnen verwerven van de gronden ten westen van het perceel van [appellanten sub 3] de vormgeving van de woonwijk zodanig is veranderd dat de raad in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het perceel van [appellanten sub 3] hier niet meer goed op aansluit. Tot slot overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat het woonbeleid van de gemeente wellicht wordt geëvalueerd niet maakt dat dit daarom achterhaald is.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 2]

Geschil

7. [appellante sub 2] heeft een scheepsreparatiebedrijf dat is gevestigd aan de [locatie 3] te Druten. Op ongeveer 80 m van het bedrijf van [appellante sub 2] is een bunkerwinkelschip toegestaan, waar vanaf proviand en brandstof voor de scheepvaart wordt verkocht. Ook zijn ter plaatse drie bedrijfswoningen toegestaan. [appellante sub 2] vreest door de wijze van bestemmen van het bunkerwinkelschip beperkt te worden in haar bedrijfsvoering en eventuele veranderingen daarbinnen.

Beroepsgronden

8. [appellante sub 2] betoogt dat niet duidelijk is of het bunkerwinkelschip met drie bedrijfswoningen (hierna: het bunkerwinkelschip) binnen het gezoneerde industrieterrein valt. Omdat aan de ligplaats geen bestemming is toegekend voor in de hoofdzaak vestiging van inrichtingen valt deze niet binnen de definitie van industrieterrein uit de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Dat is evenmin het geval omdat de ligplaats voor het bunkerwinkelschip niet op een terrein ligt dat geheel of gedeeltelijk de mogelijkheid biedt voor de vestiging van grote lawaaimakers. Volgens [appellante sub 2] zou deze onduidelijkheid weggenomen kunnen worden door het toekennen van een begrenzing aan het industrieterrein of door ter plaatse van het bunkerschip ook grote lawaaimakers toe te staan.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ligplaats voor het bunkerwinkelschip binnen het gezoneerd industrieterrein ligt. Op de gronden met de bestemmingen "Bedrijf - Uiterwaarden" en "Water" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - werkponton" zijn grote lawaaimakers toegestaan. Omdat deze gronden het merendeel van het terrein beslaan ligt volgens de raad ook de ligplaats voor het bunkerwinkelschip op een industrieterrein in de zin van de Wgh. De raad wijst in dat kader op de uitspraken van de Afdeling van 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4278, en van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0685, omdat daarin is overwogen dat met de definitie van industrieterrein in de Wgh is beoogd dat ook gronden waarop geen grote lawaaimakers zijn toegestaan deel kunnen uitmaken van een gezoneerd industrieterrein.

8.2. Aan de ligplaats voor het bunkerwinkelschip is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - bunkerwinkelschip".

Aan de gronden voor [appellante sub 2] is de bestemming "Bedrijf - Uiterwaarden" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" toegekend. Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellante sub 2] tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van inrichtingen behoort die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van artikel 1 van de Wgh, de zogenaamde grote lawaaimakers.

De gronden voor [appellante sub 2] en de ligplaats voor het bunkerwinkelschip liggen op ongeveer 80 m afstand van elkaar.

De gronden voor [appellante sub 2] en de ligplaats voor het bunkerwinkelschip zijn vrijwel geheel omsloten door gronden met de aanduiding "geluidzone - industrie". De gronden voor de [appellante sub 2] hebben een oppervlakte van ongeveer 120.000 m² en de overige gronden meten ongeveer 40.000 m².

8.3. Ingevolge artikel 1, lid 1.34, van de planregels moet onder bunkerwinkelschip worden verstaan een bevoorradingsschip ten behoeve van de scheepvaart, met een verkoopfunctie ten behoeve van proviand, brandstof en dergelijke.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, is ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf - Uiterwaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" een scheepsbouw- en reparatiebedrijf met bijbehorende havens en (vaar)water toegestaan.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen;

b. watergangen, waterpartijen, oevers en taluds;

c. waterberging;

d. scheepvaart, waaronder begrepen veerverbindingen;

e. extensief dagrecreatief medegebruik;

f. de instandhouding, herstel en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen natuurwaarden;

alsmede voor:

g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ontzanding":

h. de winning van, de opvulling met, de verwerking van en het transport over water van oppervlaktedelfstoffen;

i. tijdelijke ontsluitingswegen, inclusief bereikbaarheidsvoorzieningen, ten behoeve van de winning van oppervlaktedelfstoffen.

j. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - werkponton", een werkponton als onderdeel van het scheepsbouw- en reparatiebedrijf binnen de bestemming "Bedrijf - Uiterwaarden" ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';

k. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatiehaven", een recreatiehaven met bijbehorende voorzieningen, zoals loopbruggen, steigers en spudpalen;

l. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - bunkerwinkelschip", maximaal één bunkerwinkelschip met bijbehorende voorzieningen;

daarbij behorende voorzieningen zoals sluizen, kaden, keermuren, bruggen, duikers, stuwen, aanlegsteigers, meerpalen en andere voorzieningen.

Ingevolge lid 18.3.2, onder a, zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - bunkerwinkelschip" maximaal drie bedrijfswoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 35, lid 35.9, geldt ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie" de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder en zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen uitsluitend toelaatbaar met inachtneming van de maximaal toelaatbare geluidswaarden volgens de Wet geluidhinder.

8.4. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) moet onder een industrieterrein worden verstaan een terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 40 wordt, indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 41, vierde lid, kan de gemeenteraad bij besluit de begrenzing van een industrieterrein, waarop de vastgestelde zone is gebaseerd, vastleggen.

8.5. Zoals hiervoor is overwogen zijn de gronden voor [appellante sub 2] en de ligplaats voor het bunkerwinkelschip omsloten door een geluidszone. Omdat het industrieterrein wordt omsloten door de geluidszone is hiermee naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk aangegeven welke gronden binnen het industrieterrein liggen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in de plantoelichting een afbeelding is opgenomen van het gezoneerde industrieterrein inclusief de geluidszone, zoals die in het voorheen geldende bestemmingsplan aan de in geding zijnde gronden was toegekend en de raad ter zitting met kaartmateriaal heeft geïllustreerd dat het voorliggende bestemmingsplan op dit punt geen verandering brengt.

De raad heeft dit kaartmateriaal na de zitting overgelegd.

Voor zover [appellante sub 2] vreest dat de gronden voor het bunkerwinkelschip niet tot het industrieterrein kunnen behoren omdat ter plaatse geen grote lawaaimakers zijn toegestaan, is deze vrees ongegrond. Met de definitie van industrieterrein in artikel 1 van de Wgh heeft de wetgever beoogd mogelijk te maken dat ook gronden waarop geen grote lawaaimakers of andere inrichtingen zijn toegestaan deel kunnen uitmaken van een gezoneerd industrieterrein. Ook is het terrein in hoofdzaak bestemd voor de vestiging van inrichtingen, waaronder een grote lawaaimaker, nu ongeveer tweederde deel van het terrein voor een grote lawaaimaker is bestemd. De planregeling is derhalve in overeenstemming met de Wgh op dit punt.

Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat de raad een besluit had moeten nemen als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wgh, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit niet nodig is. De begrenzing van het industrieterrein volgt voldoende duidelijk uit de ligging van de geluidzone.

Het betoog van [appellante sub 2] faalt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Verhage
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

655.