Uitspraak 201408698/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 19 oktober 2016
Tegen: het College Bescherming Persoonsgegevens
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:2743

201408698/1/A3.
Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2014 in zaak nr. 12/819 in het geding tussen:

[appellant]

en

het College Bescherming Persoonsgegevens (thans: de Autoriteit Persoonsgegevens, hierna: de AP).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2011 heeft de AP het verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2012 heeft de AP het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De AP heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de AP hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2016, waar [appellant] en de AP, vertegenwoordigd door mr. H.A.H.D. de Vries, mr. V.N. Mantel, allen werkzaam bij de AP, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aan de AP schriftelijk vragen gesteld.

Bij brief van 14 april 2016 heeft de AP haar antwoorden op deze vragen ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2016, waar [appellant] en de AP, vertegenwoordigd door mr. H.A.H.D. de Vries, mr. V.N. Mantel en mr. T.L.J. Drouen, allen werkzaam bij de AP, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft als rechtskundig adviseur de debiteurenincasso’s verzorgd voor een onderneming die in 2010 in staat van faillissement is verklaard. In een door de curator, mr. F. Kolkman van Kolkman Advocaten (hierna: de curator), opgemaakt faillissementsverslag van 7 juli 2011 is informatie opgenomen over [appellant]. Dit verslag is gepubliceerd op de website van het kantoor van de curator en op de website insolventies.rechtspraak.nl van de Raad voor de rechtspraak (hierna: de RvdR). [appellant] vindt deze publicaties op het internet een onaanvaardbare inbreuk op zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en stelt zich op het standpunt dat deze en alle andere faillissementsverslagen van het internet moeten worden verwijderd.

2. De relevante regelgeving is vervat in een bijlage bij deze uitspraak.

Het procesbelang

3. De AP heeft aangevoerd dat [appellant] geen belang meer heeft bij zijn hoger beroep omdat de faillissementsverslagen in verband met het beëindigen van het faillissement van de website van de RvdR zijn verwijderd en de website van de curator nog slechts verwijst naar de site van de RvdR.

3.1. Dit betoog slaagt niet.

Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan zijn gelegen in de omstandigheid dat [appellant] het inhoudelijke oordeel van de Afdeling kan betrekken in procedures tegen toekomstige publicaties van faillissementsverslagen op websites. [appellant] is werkzaam in de financiële dienstverlening en aannemelijk is dat zijn bedrijf dan wel zijn persoon nogmaals als zodanig zal worden vermeld in een faillissementsverslag dat op de website van de RvdR zal worden gepubliceerd. Gelet hierop heeft [appellant] belang bij een inhoudelijk oordeel.

Het verzoek

4. [appellant] heeft de AP verzocht om de curator en de Staat der Nederlanden onder oplegging van een dwangsom op te dragen de publicatie van faillissementsverslagen waarin persoonsgegevens voorkomen, waaronder hem betreffende persoonsgegevens, via het internet te staken en gestaakt te houden en te verwijderen met uitzondering van een aantal nader genoemde computersystemen en opslagmedia. Daarnaast heeft [appellant] de AP verzocht om de curator onder oplegging van een dwangsom te gelasten iedere vorm van verspreiding van faillissementsverslagen waarin persoonsgegevens voorkomen, waaronder hem betreffende persoonsgegevens, te staken met uitzondering van het op de voet van artikel 73a van de Faillissementswet deponeren van die verslagen ter griffie van de betrokken rechtbank.

Het besluit op bezwaar van de AP

5. In het besluit op bezwaar van 11 juli 2012 heeft de AP het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat zich richt op het beleid als neergelegd in de Beleidsregels handhaving door het Cbp (hierna: de Beleidsregels) en voor het overige ongegrond verklaard. De AP heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat tegen beleidsregels geen bezwaar open staat en subsidiair dat de AP als onafhankelijk bestuursorgaan vrij is in het opstellen van prioriteiten bij de handhaving. De AP heeft haar standpunt dat de verzoeken niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover die betrekking hebben op de publicatie van alle faillissementsverslagen middels internet gehandhaafd. Zij heeft overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] nadeel ondervindt van een publicatie op internet onvoldoende is om aan te nemen dat hij als gemachtigde kan optreden namens andere gedupeerden. Wat betreft het faillissementsverslag van 7 juli 2011, waarin de persoonsgegevens van [appellant] zijn vermeld, heeft de AP zich onder verwijzing naar de Beleidsregels op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat aan de daarin genoemde criteria wordt voldaan. Zo wordt volgens de AP de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) niet overtreden door de publicatie van faillissementsverslagen op de websites van de RvdR en de curator. Rechtstreekse toegang tot de verslagen via zoekmachines is namelijk uitgesloten omdat eerst twee van de ten minste drie zoekgegevens op die sites moeten worden ingevuld. Ook aan de overige criteria van artikel 4.1 van de Beleidsregels wordt niet voldaan, aldus de AP. Daarnaast heeft de AP verwezen naar artikel 3.1, aanhef en onder b, van de Beleidsregels en gesteld dat het verzoek van [appellant] moet worden afgewezen omdat hij geen gebruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen ingevolge artikel 50 van de Wbp. Publicatie van de faillissementsverslagen is niet in strijd met artikel 16 van het VWEU en de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281; hierna: de Privacyrichtlijn). Voorts is de publicatie gebaseerd op een gerechtvaardigd belang en dienstig aan een goed functioneren van het economisch verkeer, zodat de verwerking voldoet aan de eisen genoemd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), aldus de AP.

De aangevallen uitspraak

6. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van [appellant] blijkens zijn verklaring daarover ter zitting niet langer is gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde niet-ontvankelijkverklaring van zijn verzoek voor zover dit betrekking heeft op de publicatie van alle faillissementsverslagen via internet.

De AP heeft terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen de Beleidsregels, aldus de rechtbank. Zij heeft verder overwogen dat uit de Wbp en de Privacyrichtlijn geen verplichting voor de AP voortvloeit om in alle gevallen waarin een verzoek daartoe wordt gedaan gebruik te maken van haar handhavingsbevoegdheid. Gelet hierop was de AP gerechtigd ter nadere invulling van haar toezichthoudende en handhavende taak beleid vast te stellen en heeft zij met toepassing van dat beleid het besluit op bezwaar ongegrond kunnen verklaren nu niet is voldaan aan de daarin opgenomen prioriteitscriteria, aldus de rechtbank.

De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van het door de AP ook als afwijzingsgrond ingenomen standpunt dat de Wbp in dit geval niet wordt overtreden.

Het hoger beroep

7. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ter zitting heeft bevestigd dat zijn beroep niet (langer) is gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn handhavingsverzoek voor zover dit geen betrekking heeft op publicatie van zijn eigen persoonsgegevens.

7.1. In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat vermeld dat [appellant] de vraag of zijn beroep geen betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van zijn verzoek met het woord "juist" heeft beantwoord. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank het beroep van [appellant] onbesproken heeft mogen laten voor zover dat ziet op zijn verzoek om openbaarmaking te staken van andere persoonsgegevens dan zijn eigen persoonsgegevens in faillissementsverslagen die op internet worden gepubliceerd.

8. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de AP zijn bezwaar, voor zover dat rechtstreeks was gericht tegen de Beleidsregels, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

8.1. Dit betoog slaagt. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft [appellant] aangevoerd dat direct beroep tegen de Beleidsregels niet mogelijk is maar dat dat onverlet laat dat hij een beroep kan doen op de onverbindendheid van de Beleidsregels wegens strijdigheid met hogere regelgeving. Dit komt overeen met zijn schriftelijke betoog. De rechtbank heeft in zoverre zijn beroepsgrond onjuist geïnterpreteerd. Nu de rechtbank de gronden gericht tegen de door [appellant] gestelde strijdigheid van de Beleidsregels met de Privacyrichtlijn inhoudelijk heeft behandeld, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

9. Volgens [appellant] moet ook in een individueel geval een verzoek om handhaving kunnen worden gehonoreerd.

9.1. In het besluit op bezwaar heeft de AP het standpunt ingenomen dat zij niet optreedt in individuele gevallen omdat zij het publieke belang behartigt en omdat burgers in een individueel geval gebruik moeten maken van eigen rechtsmiddelen als neergelegd in artikel 50 van de Wbp. Dit standpunt heeft de AP herhaald in het verweerschrift in de beroepsprocedure bij de rechtbank. In het initiële verweer in hoger beroep verwijst de AP voor individuele bescherming eveneens naar de in artikel 50 van de Wbp genoemde civielrechtelijke mogelijkheden.

In het nadere verweer bij de Afdeling en in de brief van 14 april 2016 heeft de AP zich evenwel op het standpunt gesteld dat zij wel individuele beschermingsverzoeken in behandeling neemt. De AP heeft verder gesteld dat zij in individuele gevallen overgaat tot informele interventies, zoals telefonische confrontaties, waarschuwingsbrieven en normoverdragende gesprekken en dat deze werkwijze effectief is gebleken.

Naar het oordeel van de Afdeling wijkt dit gewijzigde standpunt in zodanige mate af van de in het besluit op bezwaar gegeven motivering van de afwijzing van het verzoek van [appellant] voor zover het gaat om de publicatie van zijn eigen persoonsgegevens in de faillissementsverslagen, dat dit standpunt niet als een aanvulling op die motivering kan worden beschouwd en dus als nieuw moet worden aangemerkt. Voorts is de Afdeling van oordeel dat uit dit gewijzigde standpunt moet worden afgeleid dat de AP onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van het verzoek om handhaving en het bezwaar tegen de afwijzing daarvan. Om die redenen dient het besluit op bezwaar van 11 juli 2012 in zoverre te worden vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering en een zorgvuldige voorbereiding.

Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking.

Conclusie 1

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit op bezwaar van 11 juli 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit op bezwaar van 11 juli 2012 vernietigen wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de publicatie van de [appellant] betreffende persoonsgegevens in de faillissementsverslagen ongegrond is verklaard.

De Afdeling zal hierna bezien of aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 11 juli 2012 in stand te laten.

De beoordeling van de nieuwe motivering

11. In de brief van 14 april 2016 heeft de AP uiteengezet dat ieder handhavingsverzoek na ontvangst afhankelijk van de uitkomst één of meer achtereenvolgende fases doorloopt. In fase I wordt getoetst of het verzoek aan de formele eisen uit de Awb voldoet en wordt aan de hand van het zogenoemde globaal bureauonderzoek beoordeeld of zich een mogelijke overtreding heeft voorgedaan. In fase II wordt het verzoek getoetst aan de criteria van artikel 4.1. van de Beleidsregels om te bezien of een uitgebreid onderzoek in de zin van artikel 60 van de Wbp moet worden uitgevoerd. Fase III omvat dit onderzoek en in fase IV treedt de AP handhavend op tegen de overtreding die in de fase ervoor is vastgesteld.

Naast deze in de Wbp voorziene mogelijkheid van handhavend optreden, verricht de AP in de fases I tot en met III ook zogenoemde informele interventies zoals telefonische confrontaties, waarschuwingsbrieven of normoverdragende gesprekken.

11.1. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit deze brief van de AP thans voldoende dat een verzoek om handhaving van een individu niet reeds om die reden niet in behandeling wordt genomen. De bewoordingen van de artikelen 4.1 en 4.2 van de Beleidsregels laten voorts aan de AP ruimte om in individuele gevallen over te gaan tot een onderzoek en, in het geval een overtreding wordt vastgesteld, tot handhaving. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het nuttig effect van het in de Privacyrichtlijn voorziene administratieve toezicht door de AP niet in gevaar komt.

Nu thans is verduidelijkt dat het handhavingsverzoek van [appellant] niet met toepassing van de Beleidsregels is afgewezen, ligt de beoordeling van die beleidsregels in deze zaak niet langer voor. Voor het stellen van prejudiciële vragen over de mogelijke strijdigheid van de Beleidsregels met het Unierecht, waar door [appellant] om is verzocht, bestaat daarom geen aanleiding

11.2. Handhaving is een bevoegdheid en daarmee de verantwoordelijkheid van de AP. Een verzoek daartoe behoeft, anders dan de AP heeft betoogd, niet het bewijs te bevatten dat tot handhaving dient te worden overgegaan. Het ligt op de weg van de AP om eventueel ontbrekend of extra bewijs te vergaren. De AP heeft na binnenkomst van het handhavingsverzoek van [appellant] een globaal bureauonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de website van de RvdR in overeenstemming was met de door de AP gegeven adviezen van 2 september 2003, kenmerk 22003-0118, en 9 februari 2005, kenmerk 22004-1177 maar dat de website van de curator dat niet was. Op die website was rechtstreekse toegang tot de verslagen mogelijk zonder dat de in de adviezen genoemde waarborgen in acht waren genomen. Ten aanzien van de publicatie van de faillissementsverslagen op die website kon derhalve niet worden gesteld dat de Wbp niet werd overtreden. Ten tijde van de eerste zitting in hoger beroep kon eveneens op tamelijk eenvoudige wijze via de website van de curator toegang worden verkregen tot de faillissementsverslagen. Gezien het vorenstaande bestaat in dit geval geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten voor zover het gaat om de publicatie van de [appellant] betreffende persoonsgegevens in de faillissementsverslagen.

11.3. Op de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat de curator de faillissementsverslagen niet meer beschikbaar stelt via zijn eigen website maar dat daarop slechts een hyperlink naar de website van de RvdR voorkomt. Voorts is komen vast te staan dat zowel op de website van de curator als op die van de RvdR de faillissementsverslagen waarin de naam van [appellant] staat, zijn verwijderd in verband met de opheffing van het faillissement. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat thans geen overtreding meer plaatsvindt waartegen handhavend kan worden opgetreden en dat het verzoek van [appellant] daarom thans niet meer kan worden toegewezen.

Nu de AP in de stukken en ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat zij zich niet op een ander standpunt zal stellen dan dat het verzoek van [appellant] moet worden afgewezen omdat de Wbp niet wordt overtreden en dit standpunt gelet op de actuele feitelijke situatie thans rechtens juist is, ziet de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

Conclusie 2

12. De Afdeling zal het door [appellant] ingediende bezwaar gegrond verklaren voor zover het gaat om de publicatie van zijn eigen persoonsgegevens in de faillissementsverslagen en bepalen dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] in zoverre blijft gehandhaafd. Dit betekent dat het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt en dat daartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan.

13. De AP dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2014 in zaak nr. 12/819;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant] ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het College Bescherming Persoonsgegevens (thans: de Autoriteit Persoonsgegevens) van 11 juli 2012, kenmerk z2012-00014, voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de publicatie van de [appellant] betreffende persoonsgegevens in de faillissementsverslagen ongegrond is verklaard;

V. verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar in zoverre gegrond;

VI. bepaalt dat de afwijzing van het verzoek blijft gehandhaafd;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt het College Bescherming Persoonsgegevens (thans: de Autoriteit Persoonsgegevens) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1087,60 (zegge: éénduizendzevenenentachtig euro en zestig cent);

IX. gelast dat het College Bescherming Persoonsgegevens (thans: de Autoriteit Persoonsgegevens) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdentwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

290.


BIJLAGE

Privacyrichtlijn:

Artikel 22:

Onverminderd de administratieve voorziening, die met name bij de in artikel 28 bedoelde toezichthoudende autoriteit kan worden getroffen voordat de zaak aanhangig wordt gemaakt voor de rechter, bepalen de lidstaten dat een ieder zich tot de rechter kan wenden wanneer de rechten die hem worden gegarandeerd door het op de betrokken verwerking toepasselijke nationale recht worden geschonden.

Artikel 28:

1. Elke lidstaat bepaalt dat een of meer autoriteiten worden belast met het toezicht op de toepassing op zijn grondgebied van de ter uitvoering van deze richtlijn door de lidstaten vastgestelde bepalingen. Deze autoriteiten vervullen de hun opgedragen taken in volledige onafhankelijkheid.

2. (…).

3. Elke toezichthoudende autoriteit beschikt met name over:

- onderzoeksbevoegdheden (…);

- effectieve bevoegdheden om in te grijpen (…);

- de bevoegdheid om in rechte op te treden in geval van inbreuken op ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, of om die inbreuken onder de aandacht van het gerecht te brengen. Tegen beslissingen van de toezichthoudende autoriteit kan beroep bij de rechter worden aangetekend.

(…)

4. Een ieder kan in eigen persoon of door middel van een vereniging die als zijn vertegenwoordiger optreedt bij elke toezichthoudende autoriteit een verzoek indienen met betrekking tot de bescherming van zijn rechten en vrijheden in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Hij wordt van het gevolg dat daaraan wordt gegeven in kennis gesteld. Een ieder kan meer bepaald bij elke autoriteit een verzoek indienen om de rechtmatigheid van de verwerking te verifiëren, wanneer de krachtens artikel 13 van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen van toepassing zijn. Hij wordt in ieder geval in kennis gesteld van het feit dat een verificatie heeft plaatsgevonden.

EVRM:

Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Wbp:

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verwerking van persoonsgegevens elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Ingevolge artikel 8, aanhef en sub f, mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, worden persoonsgegevens niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, kan de rechter, indien de verantwoordelijke of de bewerker handelt in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde en een ander daardoor schade lijdt of dreigt te lijden, hem op vordering van die ander zodanig gedrag verbieden en hem bevelen maatregelen te treffen tot herstel van de gevolgen van dat gedrag.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, is er een Cbp dat tot taak heeft toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij en krachtens de wet bepaalde. Tevens houdt het Cbp toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in Nederland, wanneer de verwerking plaatsvindt overeenkomstig het recht van een ander land van de EU.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, kan het Cbp ambtshalve op verzoek van een belanghebbende, een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens de wet.

Ingevolge artikel 65 is het Cbp bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van bij of krachtens de Wbp gestelde verplichtingen.

Beleidsregels:

Volgens artikel 2.1, richt het Cbp zich op het doen naleven van de normen die zijn neergelegd in de Wbp en andere wetten, algemene maatregelen van bestuur en andere wettelijke regelingen op grond waarvan persoonsgegevens worden verwerkt.

Volgens artikel 2.2 behartigt het Cbp daarbij het publieke belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met verwerking van persoonsgegevens.

Volgens artikel 3.1, aanhef en onder b, past het Cbp bij de uitoefening van de hem in artikel 51 en 52 van de Wbp opgedragen toezichthoudende taken de onderstaande uitgangspunten toe:

b. indien een verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt in strijd met de in artikel 2.1 genoemde normen, staan burgers ter bescherming van hun individuele belang eigen rechtsmiddelen ten dienst zoals neergelegd in hoofdstuk 6 Wbp en artikel 49 en 50 Wbp.

Volgens artikel 4.1 van de Beleidsregels geeft het Cbp bij de afweging die ten grondslag ligt aan de inzet van handhavingsinstrumenten naar aanleiding van een bemiddelingsverzoek, handhavingsverzoek en/of klacht alsmede bij het instellen van ambtshalve onderzoek prioriteit aan zaken waarbij het vermoeden heeft van:

a. ernstige overtredingen;

b. structurele overtredingen;

c. overtredingen die veel mensen treffen;

d. overtredingen waarbij het Cbp door de inzet van handhavingsinstrumenten effectief verschil kan maken;

e. overtredingen die vallen binnen de (jaarlijkse) aandachtspunten die door het Cbp zijn gemaakt.

Volgens artikel 4.2 gelden de criteria a tot en met d cumulatief, tenzij zwaarwichtige gronden zich daartegen verzetten.