Uitspraak 201600819/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 28 september 2016
Tegen: de raad van de gemeente Eindhoven
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:2579

201600819/1/R6.
Datum uitspraak: 28 september 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Eindhoven, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2. [appellante sub 2], gevestigd te Eindhoven, en andere (hierna: [appellante sub 2] en andere),
3. [appellant sub 3], wonend te Eindhoven,

en

de raad van de gemeente Eindhoven,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Brainport Industries Campus (cluster 1)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en andere en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

[appellante sub 2] en andere hebben een aanvullend beroepschrift ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende] en de coöperatie Brainport Industries Coöperaties U.A. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] en Brainport Industries, [appellante sub 2] en andere, [appellant sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2016, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door ing. W.H. Lingeman, [appellante sub 2] , vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en andere, vertegenwoordigd door mr. A.J.L. Claassen, advocaat te Eindhoven, en [gemachtigde B], [appellant sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en H.W.M. Ploem en E. van den Nieuwelaar, zijn verschenen. Verder zijn [belanghebbende] en Brainport Industries, vertegenwoordigd door J.M. Blankendaal en mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door H.A.J. van Hout en M.I.M. Aarts, gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het eerste cluster van een duurzame internationale campus voor kennisintensieve bedrijven in toelever- en maakindustrie in een groene en parkachtige omgeving. Naast bedrijfsbebouwing voorziet het plan ook in een gebouwde parkeervoorziening. Verder wordt een infrastructuur mogelijk gemaakt en zal natuur- en landschapsontwikkeling plaatsvinden.

Cluster 1 van de Brainport Industries Campus (hierna: BIC) wordt omsloten door het Beatrixkanaal, de A2/E25, de Landsard en de Anthony Fokkerweg. BIC is bedoeld als een specifiek bedrijventerrein voor kennisintensieve toelever- en maakbedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen, onderzoekscentra en gemeenschappelijke facilitaire voorzieningen. De ontwikkeling van BIC vindt plaats in drie fases. Het gehele gebied van de ontwikkeling van BIC zal op termijn 180 ha omvatten, waarvan in totaal maximaal 65 ha aan bebouwing. In fase 1 wordt in totaal 25 ha bedrijfsbebouwing voorzien, in fase 2 ongeveer 40 ha en fase 3 ongeveer 65 ha bedrijfsbebouwing. Fase 1 is weer in twee clusters verdeeld, waarvan het eerste cluster met dit plan mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied omvat ongeveer 35 ha, waarvan 23 ha bedoeld is voor landschap en natuur en 7,2 ha uit bedrijfsbebouwing zal bestaan.

2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In bijlage II is als een dergelijk project onder nummer 24 het project Brainport Eindhoven, aanliggend aan de A2 ten westen van Eindhoven opgenomen.

Het beroep van [appellant sub 3]

3. Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.1. [appellant sub 3] woont op ongeveer 3 km van het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 3] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. Ook de omstandigheden dat [appellant sub 3] in de omgeving van het plangebied werkt en daar bij gelegenheid op de fiets recreëert kunnen niet de conclusie dragen dat sprake is van een voldoende rechtstreeks betrokken belang.

Dit betekent dat [appellant sub 3] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk. Hieruit volgt dat de Afdeling niet meer zal ingaan op de tijdigheid van het beroepschrift en de inhoudelijke bezwaren van [appellant sub 3] tegen het plan.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 1]

5. [appellant sub 1] heeft gronden in het plangebied. Zijn woonperceel, dat aan de [locatie] ligt, heeft een woonbestemming gekregen en zijn andere gronden zijn grotendeels voorzien van een bedrijfsbestemming. Deze laatstgenoemde gronden dienen door de gemeente nog verworven te worden om tot realisatie van BIC te kunnen komen. [appellant sub 1] acht de ontwikkeling te grootschalig en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat omdat de in het plan voorziene bebouwing te dicht bij zijn woonboerderij komt.

Locatie parkeergarage

6. [appellant sub 1] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - 4" dat ten westen van zijn woonperceel is gesitueerd. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte voor deze locatie heeft gekozen voor de in die bestemming voorziene gebouwde parkeervoorziening. Hoewel de raad wellicht terecht heeft aangesloten bij het omgevingstype gemengd gebied uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure), zijn de richtafstanden indicatief. Volgens [appellant sub 1] had de raad, zeker nu er ruimte is voor discussie over het omgevingstype, beter het zuidwesten van het plangebied als locatie voor de parkeervoorziening kunnen kiezen, aangezien de parkeervoorziening in dat geval dicht bij de ontsluitingsweg van het vliegveld zou liggen en beter bereikbaar is. Daarbij komt dat er in dat geval geen extra ontsluitingsweg door de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) behoeft te worden aangelegd. Er ligt nu geen goede planologische afweging ten grondslag aan de keuze voor de locatie van de parkeervoorziening zo dicht bij zijn woning, aldus [appellant sub 1].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de locatie van de parkeergarage is gebaseerd op een afweging van belangen. Rekening houdend met een maximale verblijfskwaliteit op de campus, een efficiënt verkeerssysteem, zo min mogelijk nieuw asfalt en een optimalisatie van de veiligheid is volgens de raad een andere locatie niet mogelijk. Bij de door [appellant sub 1] voorgestelde locatie dient er veel nieuw asfalt aangelegd te worden en moeten voetgangers, die naar de hoofdingang willen, de ontsluitingsweg oversteken. Verder stelt de raad dat op de locatie van de parkeergarage thans een woning met bijbehorende tuin aanwezig is en dat dit perceel geen onderdeel is van de EHS. Door de parkeergarage te bouwen op een plek waar al bebouwing aanwezig is, wordt het ruimtebeslag ter plaatse van de EHS beperkt. Daarbij wijst de raad erop dat de door [appellant sub 1] voorgestelde locatie grotendeels in de EHS ligt.

6.2. Over de afstand tussen de parkeervoorziening en de woning van [appellant sub 1] overweegt de Afdeling als volgt. In de VNG-brochure is voor een parkeergarage een indicatieve afstand van 30 m gegeven. Deze afstand wordt gehanteerd bij het omgevingstype rustige woonwijk. Deze afstand kan bij het omgevingstype gemengd gebied worden teruggebracht naar 10 m. De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant sub 1] op ongeveer 75 m afstand staat van de bedrijfsbestemming die in de parkeergarage voorziet. Ook als uitgegaan wordt van het omgevingstype rustige woonwijk wordt aan de indicatieve afstand uit de VNG-brochure ruimschoots voldaan.

Verder overweegt de Afdeling dat in paragraaf 3.8 van de plantoelichting is uiteengezet hoe de ontsluiting van het autoverkeer met een optimale benutting van de bestaande aansluitingen zal worden vorm gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de clusters 1 en 2 in de eerste ontwikkelfase. De gebouwde parkeervoorziening komt tussen twee gebouwen van BIC te liggen, zodat slechts één ontsluitingsweg vanaf de entree van de campus gerealiseerd hoeft te worden en zo min mogelijk asfalt op de campus hoeft te worden aangelegd. Voorts komen er dan geen kruisingen voor voetgangers van de parkeervoorziening naar de ingang van hoofdgebouwen en de ontsluitingsroute voor vrachtverkeer, zo staat in de nota van zienswijzen. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De Afdeling overweegt dat de raad, gelet op hetgeen in de plantoelichting, de nota van zienswijzen en het verweerschrift staat, aan de keuze voor de parkeervoorziening een deugdelijke planologische afweging ten grondslag heeft gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de wens om een efficiënt verkeerssysteem in te richten, dat op een ruimtelijk verantwoorde wijze kan worden ingepast dan aan de wens van [appellant sub 1] voor een andere locatie in verband met door hem gevreesde lichthinder en geluidhinder van dichtslaande portieren.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze locatie heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt.

Geluid

7. [appellant sub 1] vreest als gevolg van de voorziene bebouwing voor een onaanvaardbare geluidbelasting, omdat het geluid volgens hem tussen de nieuwe gebouwen en de aan de andere kant van zijn woning gelegen rijksweg zal blijven hangen. Daartoe voert hij aan dat de akoestische situatie onvoldoende is onderzocht. In de nota van zienswijze verwijst de raad naar aanvullende berekeningen waaruit zou blijken dat er slechts op 1 punt een kleine toename van de geluidbelasting is, terwijl de woning van [appellant sub 1] tussen de rijksweg en een gebouw van 20 m hoog komt te staan. Deze berekeningen en deze conclusie kan [appellant sub 1] echter niet herleiden tot een rapport. Voorts is ten onrechte voor de doelmatigheid van de te treffen maatregelen alleen gekeken naar de geluidbelasting op zijn perceel en niet naar de uitstraling die de extra geluidsproductie heeft op mensen die verblijven in het gebied, waaronder werknemers en bezoekers.

7.1. De raad stelt dat naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijze aanvullende geluidberekeningen zijn gemaakt van de effecten van de reflectie van het wegverkeerslawaai op de woning aan de [locatie]. De raad heeft het memo van 23 september 2015 met als bijlage de modelberekeningen bij het verweerschrift gevoegd.

Daarnaast stelt de raad dat voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat er geluidseffecten zijn voor mensen die in het gebied verblijven het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

7.2. In het rapport "Akoestisch onderzoek; BIC fase 1 te Eindhoven" van 13 augustus 2015, opgesteld door Anteagroup, is onderzocht of ter plaatse van de gevels van de bestaande woningen ernstige hinder kan ontstaan als gevolg van het wegverkeerlawaai en of de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder worden overschreden. Hierbij zijn de van belang zijnde wegen betrokken en zijn er berekeningen uitgevoerd met één reflectie. De conclusie in dat akoestische onderzoek luidt dat de geluidbelasting binnen de zone van de Landsard afneemt. Nu de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder niet worden overschreden zijn maatregelen niet noodzakelijk, aldus het akoestische onderzoek.

In aanvulling hierop is in het memo van 23 september 2015 de invloed van de toegestane bebouwingsmogelijkheden in het plan op de woning [locatie] door het wegverkeer A2/A58 onderzocht. Uit dit memo volgt dat ter plaatse van de zuidoostelijke gevel van de woning van [appellant sub 1] sprake is van een geluidtoename van 0,2 dB ten opzichte van een bestaande gecumuleerde geluidbelasting van 64,8 dB. Een scherm langs de snelweg met een lengte van 50 m en 1 m hoog zou de toename volledig teniet doen, aldus het memo. Gelet op deze zeer geringe geluidtoename heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke maatregel niet doelmatig kan worden geacht. Voorts zijn geen akoestische effecten van reflectie van wegverkeerslawaai te verwachten op de gronden waar werknemers, bezoekers of recreanten zullen verblijven. Bo heeft niet nader onderbouwd waarom voor deze mensen een onaanvaardbare geluidbelasting zou zijn te verwachten. Het betoog faalt.

7.3. Nu het betoog faalt, gaat de Afdeling niet in op het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het plan in de weg staat.

Aantasting landschap

8. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het ten onrechte doet voorkomen alsof BIC een bijzaak is en dat het allemaal om natuur- en landschapsontwikkeling gaat. Ten onrechte wordt de suggestie gewekt dat de gronden in het plangebied overwegend agrarisch worden gebruikt. Volgens [appellant sub 1] zijn de bijdrage van landbouw aan de met het plan beoogde natuur- en landschapsontwikkeling en de recreatieve waardering van landbouw onvoldoende onderzocht. Verder voert [appellant sub 1] aan dat de aantasting van het landschap is onderschat. De veronderstelde bijdrage aan de versterking van de recreatieve beleving vindt volgens [appellant sub 1] in gebouwen achter gesloten deuren plaats. Het wandelen op een bedrijventerrein staat niet in verhouding tot de recreatieve waarden van het gebied, aldus [appellant sub 1].

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bij de ontwikkeling van dit plan gaat om het combineren van enerzijds natuurontwikkeling en recreatie en anderzijds de realisatie van een bedrijventerrein. In hoofdstuk 11 van het "Milieueffectrapport; Gebiedsontwikkeling Brainport Park" van 29 juni 2015, opgesteld door onderzoeksbureau Anteagroup, (hierna: het MER) zijn de effecten van de ontwikkeling op de ruimtelijke kwaliteit beschreven. Verder stelt de raad dat het plan om de toegankelijkheid van ook de bedrijfsbebouwing voor een breed publiek te borgen voorziet in een atrium, dat voor iedereen toegankelijk is. De raad betwist dat de aantasting van het landschap is onderschat.

8.2. Vooropgesteld wordt dat de verbeelding en de planregels het juridisch bindende deel van het plan zijn en dus bepalend voor de vraag welke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Op de verbeelding is in het midden van het plangebied een groot vlak met de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" opgenomen. De gronden daaromheen hebben overwegend de bestemmingen "Natuur - 1", "Groen" en "Agrarisch". Met de bedrijfsbestemmingen wordt voorzien in een bedrijvengebouw. Verder voorziet het plan in een atrium binnen het bedrijvengebouw, dat bestaat uit een centrale ruimte die voor iedereen toegankelijk is en voor voetgangers een toegangsroute naar bedrijven vormt. Dit is als zodanig vastgelegd in de planregels. De raad heeft onderkend dat de ontwikkeling van BIC zal leiden tot onder andere een aantasting van het landschap. Om die reden zijn de gevolgen van de ontwikkeling van BIC in het MER onderzocht en is het rapport "Gebiedsontwikkeling Brainport Park; Aantrekkelijk landschap, sterke natuur" van 12 oktober 2015 door onderzoeksbureau Anteagroup (hierna: het Gebiedsontwikkelingsrapport) opgesteld. Dat er onvoldoende onderzoek is gedaan of dat de raad in de op het plan betrekking hebbende stukken ten onrechte de suggestie wekt alsof het alleen om natuur- en landschapsontwikkeling gaat, zoals [appellant sub 1] stelt, onderschrijft de Afdeling niet.

In het MER zijn in het kader van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde onderzocht. Hierbij is uitgegaan van een bos- en agrarisch gebied. Op de gronden waar BIC gerealiseerd gaat worden rustte in het vorige plan een agrarische - en een bos- en natuurbestemming. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het huidige gebruik zodanig daarvan afwijkt dat niet uitgegaan kon worden van die bestemmingen. Verder volgt uit het MER dat in het totaal bezien de gebruikswaarde voor de vele gebruikers in het plangebied toeneemt. Voor de bewoners zal er weliswaar een lichte afname zijn van de belevingswaarde door de toename van bedrijvigheid, maar ook een toename van de belevingswaarde door de verbetering van de groene omgeving. Het gehele plangebied wordt voor andere gebruikers, waaronder recreanten, vrijwel geheel toegankelijk, terwijl in de huidige situatie een groot deel in het zuiden niet toegankelijk is voor recreanten. Dat de versterking van de recreatieve beleving, zoals [appellant sub 1] veronderstelt, alleen in de gebouwen plaatsvindt die niet voor iedereen toegankelijk zijn, is derhalve onjuist.

Uit het Gebiedsontwikkelingsrapport kan worden afgeleid dat de ontwikkeling van het groene raamwerk bijdraagt aan het versterken van de natuur- en landschapsontwikkeling, recreatiemogelijkheden en de verbinding tussen stad en land.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van deze rapporten. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van het landschap is onderschat. Het betoog faalt.

Het niet vaststellen van een exploitatieplan

9. Volgens [appellant sub 1] is er ten onrechte geen exploitatieplan vastgesteld, nu er geen anterieure overeenkomsten zijn gesloten met alle eigenaren van de gronden in het plangebied en niet duidelijk is of de anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente voor de vaststelling van het plan is ondertekend.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het kostenverhaal door middel van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer is verzekerd. Deze overeenkomst is voor de vaststelling van het plan getekend. Op de gronden van [appellant sub 1] kan geen aangewezen bouwplan worden gerealiseerd, nu zijn gronden kleiner zijn dan 2 ha. Dit betekent dat met hem geen overeenkomst is vereist.

9.2. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, verhaalt het college van burgemeester en wethouders de kosten, verbonden aan exploitatie van de gronden gelegen in een exploitatiegebied, door aan een omgevingsvergunning voor een bouwplan dat krachtens artikel 6.12, eerste lid, is aangewezen, of een omgevingsvergunning voor een gedeelte daarvan, met inachtneming van het exploitatieplan het voorschrift te verbinden dat de vergunninghouder een exploitatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd is, tenzij de bijdrage anderszins verzekerd is of voorafgaand aan de indiening van de bouwaanvraag een exploitatiebijdrage met betrekking tot de betreffende gronden overeengekomen en verzekerd is.

Ingevolge artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) wordt als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wro aangewezen :

a. de bouw van een of meer woningen;

b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;

c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;

d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;

f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte.

9.3. [appellant sub 1] heeft gronden in het plangebied die voor een deel liggen binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1" en "Bedrijf - 2". Het plan voorziet binnen die bestemming in het realiseren van een bedrijfsgebouw. In artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d en e, en artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder d en e, van de planregels is bepaald dat ter plaatse van die bestemmingen maximaal één gebouw is toegestaan in aaneengesloten bebouwing en dat het gebouw gefaseerd gerealiseerd mag worden, mits in de eerste fase tenminste een omvang van 2 ha wordt gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] ter plaatse minder dan 2 ha gronden in eigendom heeft en dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat [appellant sub 1] in de planperiode extra gronden gaat verwerven ten gevolge waarvan hij alsnog eigenaar zou worden van gronden met een omvang van ten minste 2 ha. Dit is door [appellant sub 1] ter zitting bevestigd. Het voorgaande betekent dat [appellant sub 1] ter plaatse van de gronden met voornoemde bestemmingen geen gebouw zal kunnen realiseren dat voldoet aan de planregels.

9.4. Het betoog van [appellant sub 1] richt zich tegen het niet vaststellen van financiële onderdelen van een exploitatieplan. In dat verband beroept hij zich onder meer op artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Hiertoe is van belang dat artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro, strekt tot bescherming van de financiële belangen van de gemeente en van de belangen van degenen die, indien een exploitatieplan zou zijn vastgesteld, rechtstreeks met het verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van in het betrokken gebied opgenomen gronden te maken hadden kunnen krijgen. [appellant sub 1] kan, gelet op de omvang van zijn gronden en de planregels, geen aangewezen bouwplan realiseren als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Daarom had hij ook in het geval dat de raad wel een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, niet kunnen worden geconfronteerd met een verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van gronden gelegen in het exploitatiegebied. De Afdeling verwijst hiertoe naar artikel 6.17, eerste lid, van de Wro. Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro strekt dan ook kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1]. Gelet hierop kan het beroep van [appellant sub 1] op artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro ingevolge artikel 8:69a van de Awb er niet toe leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

Conclusie en proceskosten

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 2] en andere

Ontvankelijkheid

12. De raad betwist dat [appellante sub 2] en andere belanghebbende zijn bij het plan.

12.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

12.2. De Burgh Acht is op ongeveer 1 km van het plangebied gevestigd. Ter zitting heeft zij gesteld dat zij voor de ontsluiting gebruik maakt van de Anthony Fokkerweg, die ook langs de zuidzijde van het plangebied is gelegen. In de plantoelichting staat dat voor de ontsluiting van het verkeer is uitgegaan van de zogenoemde Challenge-variant. Hierbij wordt onder andere een nieuwe verbinding gevormd tussen de aansluiting op de A58 en de Anthony Fokkerweg. Niet uitgesloten is dat de verkeersdruk op de Anthony Fokkerweg zal toenemen en dat De Burgh Acht in zoverre gevolgen van het plan zal ondervinden. Gelet hierop is De Burgh Acht belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

12.3. Ten aanzien van [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit overweegt de Afdeling als volgt. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0085), is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij bestemmingsplannen slechts het geval indien de concurrerende vastgoedeigenaar of ondernemer in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

12.4. Aan de gronden in het plan zijn de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" toegekend. Volgens de artikelen 4, lid 4.1, 5, lid 5.1 en 6, lid 6.1, van de planregels zijn die bestemmingen aangewezen voor:

a. bedrijfsactiviteiten genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" in Bijlage 1 bij deze regels en behorende tot de categorieën 1 t/m 4.1, uitsluitend voor zover het betreft kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie ten dienste van de bedrijvencampus;

b. synergiebedrijven ten dienste van de bedrijvencampus;

c. productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld in sub a, met uitzondering van detailhandel in voedings - en genotmiddelen;

d. kennisinstellingen en onderzoekscentra gelieerd aan de bedrijven genoemd in sub a.;

e. onderwijsvoorzieningen gelieerd aan de bedrijven genoemd in sub a.;

f. gemeenschappelijke facilitaire voorzieningen ten dienste van de bedrijfsactiviteiten genoemd in sub a, b, d of e. en met de volgende doeleinden:

1. detailhandel;

2. (medische) dienstverlening;

3. sport;

4. horeca, uitsluitend voor zover het betreft horeca-activiteiten zoals opgenomen in de categorieën 1 en 2 van de in Bijlage 4 opgenomen lijst van horeca-activiteiten.

12.5. [appellante sub 2] exploiteert op ongeveer 1,4 km afstand van het plangebied een bedrijf in logistieke dienstverlening en [appellante sub 2A] exploiteert op ongeveer 7 km een bedrijf in technische dienstverlening, dat onder andere ketels repareert en onderhoudt. Voornoemde bedrijven richten zich op een ander marktsegment dan de in het plan voorziene bedrijvigheid. De belangen van [appellante sub 2] en [appellante sub 2A] zijn niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit.

[appellante sub 2B] en Paradigit zijn op enkele km afstand van het plangebied gevestigd en richten zich op het beheren en beleggen van vermogen en ondernemingen. Ook deze bedrijven richten zich op een ander marktsegment dan de in het plan voorziene bedrijvigheid. Verder hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de omgeving van het plangebied gronden in eigendom hebben waaruit een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang kan worden afgeleid. De belangen van [appellante sub 2B] en Paradigit zijn dan ook niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Voor zover wordt verwezen naar hetgeen in de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 en 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1037, is overwogen over relevante leegstand die zich in de omgeving van de desbetreffende bedrijven kan voordoen als gevolg van de voorziene ontwikkeling, overweegt de Afdeling dat het criterium relevante leegstand pas relevant is als sprake is van een ontvankelijk beroep van een belanghebbende. Relevante leegstand kan, zoals ook in voornoemde uitspraken het geval was, wel aan de orde komen in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ingediend door [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit niet-ontvankelijk.

13. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

13.1. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 3235) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

13.2. De Stichting Veldhovens Ondernemers Contact, de Stichting Ondernemersverenigingen Eindhoven en omgeving en de Stichting Ondernemers Collectief Best (hierna: de stichtingen) hebben allen blijkens hun statuten, kort samengevat, tot doel het behartigen van de gemeenschappelijke regionale belangen van ondernemers op economisch en sociaal gebied, in de omgeving van respectievelijk de gemeenten Veldhoven, Eindhoven en Best. Voorts hebben zij tot doel het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. De Afdeling acht aannemelijk dat de realisatie van BIC invloed kan hebben op het regionale ondernemersklimaat, nu uit de stukken is af te leiden dat een groot deel van de bedrijven dat zich op BIC zal vestigen afkomstig is uit de regio en de stichtingen in dat verband hebben aangevoerd dat huurders dreigen hun huurovereenkomsten op te zeggen. Verder overweegt de Afdeling dat de stichtingen nader hebben toegelicht dat hun feitelijke werkzaamheden bestaan uit het organiseren van bijeenkomsten over hoe met de ruimte op bedrijventerreinen moet worden omgegaan en het bijwonen van klankbordgroepen over nieuwe ontwikkelingen op bedrijventerreinen in de omgeving. Gelet op het doel van de stichtingen zoals beschreven in de statuten, bezien in samenhang met de hiervoor beschreven feitelijke werkzaamheden die zij verrichten en die betrekking hebben op het in de statuten beschreven werkgebied, is de Afdeling van oordeel dat de belangen van voornoemde stichtingen rechtstreeks zijn betrokken bij het plan.

13.3. Het voorgaande betekent dat het beroep van [appellante sub 2] en andere, voor zover dat is ingediend door De Burgh Acht en de stichtingen, ontvankelijk is. Dat beroep, voor zover ingediend door de overige appellanten, is niet-ontvankelijk. Hierna zal het beroep van [appellante sub 2] en andere, voor zover ontvankelijk, worden aangeduid met De Burgh Acht en de stichtingen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

14. De raad stelt dat de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro opgenomen norm, die volgens De Burgh Acht en de stichtingen niet juist is toegepast, niet strekt ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

14.1. Ingevolge artikel 8:69a van Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen verstaan onder "bestaand stedelijk gebied": bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge het eerste lid, onder i, wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen verstaan onder "stedelijke ontwikkeling": ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

14.2. De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro en dat deze ontwikkeling gerealiseerd gaat worden buiten bestaand stedelijk gebied.

14.3. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

14.4. De ondernemers waarvan de stichtingen de collectieve belangen behartigen zijn allen gevestigd op bedrijventerreinen in de omgeving van het plangebied. Zij stellen dat als gevolg van het voorliggend plan leegstand kan ontstaan in de omgeving van hun bedrijven doordat bedrijven verplaatsen naar BIC dan wel zich niet vestigen op de bestaande bedrijventerreinen, waar zij zelf gevestigd zijn. Leegstand kan volgens hen leiden tot verloedering van hun bedrijventerreinen en dit dient met het oog op hun ondernemingsklimaat te worden voorkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro kennelijk niet strekt ter bescherming van hun belang (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2855).

Actuele regionale behoefte

15. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet juist is toegepast.

Zij achten onvoldoende onderbouwd dat de totale ontwikkeling van BIC gerealiseerd gaat worden, omdat een actuele regionale behoefte ontbreekt. Aanknopingspunten voor dit standpunt leiden zij af uit regionale afspraken waaruit blijkt dat fase 2 en 3 nog op "oranje" staan. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen is, onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3672 en 13 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345, enkele ambitie onvoldoende om een actuele regionale behoefte te beschrijven. Bovendien staat er in de provinciale rapportage "Van meer naar anders, Samen naar een vitale werklocatie" uit 2014 (hierna: de rapportage Van meer naar anders) dat de kansen op succesvolle realisatie van betere locaties/plannen aanzienlijk kunnen verminderen en dat het verstandig is om in de tussentijd kritisch naar elk plan te kijken. Van een heroverweging is niet gebleken.

Voor zover de totale ontwikkeling wel gerealiseerd gaat worden betwisten De Burgh Acht en de stichtingen dat er voldoende behoefte is. Daarvoor verwijzen zij onder andere naar een provinciale prognose waaruit blijkt dat er een kleinere behoefte is aan bedrijventerreinen dan nu is opgenomen in regionale afspraken.

15.1. De raad wijst erop dat BIC fasegewijs zal worden ontwikkeld. Het voorliggende plan maakt het eerste cluster van fase 1 mogelijk, waarbij 7,2 ha bedrijfsbebouwing kan worden opgericht binnen het tot een totaal van 25 ha te transformeren gebied. Hoewel de raad de behoefte aan fase 2 en fase 3 nog niet kan onderbouwen, omdat deze eerst na de planperiode op (middel) lange termijn zijn voorzien, betekent dit niet dat de ontwikkeling van fase 1 onzeker is. De mogelijke ontwikkeling van fase 2 en/of 3 raakt de behoefte aan dit plan niet. Volgens de raad staat vast dat er een actuele behoefte is aan 25 ha bedrijfsbebouwing in de vorm van een campus-concept. Daarbij wijst hij met name op de omstandigheid dat het uit de regio afkomstige bedrijf KMWE Precisie Eindhoven B.V. dat tot de doelgroep behoort, eind 2017 moet kunnen beschikken over nieuwe adequate huisvesting en dat met dit bedrijf het eerste cluster van fase 1 voor een groot deel wordt gevuld. Verder wordt ook op rijks- en provinciaal niveau onderschreven dat er behoefte is aan BIC.

15.2. Zoals reeds uit overweging 1 volgt zal BIC in fasen worden ontwikkeld. BIC wordt als totale ontwikkeling in zowel rijks- als provinciaal beleid met naam genoemd. Niet in geschil is dat fasen 2 en 3 van BIC nog op kleur "oranje" staan en nog nader afgewogen dienen te worden. Hiervoor zullen nog plannen moeten worden vastgesteld. Dit betekent echter niet dat de raad in deze omstandigheid aanleiding heeft moeten zien om dit plan niet vast te stellen. In meerdere regionale afspraken is beslist dat de ontwikkeling van fase 1 van BIC zal plaatsvinden en is de ontwikkeling op "groen" gezet. De raad heeft er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat BIC in zoverre ontwikkeld gaat worden. In het rapport "Ladder Brainport Industries Campus" (hierna: het Stec-rapport) van juni 2015, opgesteld door onderzoeksbureau Stec Groep, is op verschillende manieren onderzocht of er behoefte is aan een bedrijventerrein zoals voorzien. De conclusie luidt dat ongeveer 20 tot 45 ha behoefte is aan bedrijventerrein. Daarvan past 20 tot 25% binnen de ambities van het campusconcept, hetgeen neerkomt op ongeveer 5 tot 11 ha. Verder is er nog een bovenregionale vraag van 5 tot 10 ha te verwachten. In totaal komt dit dus neer op een behoefte van 10 tot 20 ha tussen nu en 2025, aldus het Stec-rapport. Hieruit is af te leiden dat gedurende de planperiode voldoende behoefte is aan het eerste cluster van fase 1. Uit het rapport "Regionale behoefteraming Brainport Industrie Campus Eindhoven" van 2 juli 2015, dat in opdracht van De Burgh Acht en de stichtingen is opgesteld door onderzoeksbureau Bureau Stedelijke Planning, (hierna: rapport van BSP), kan ook worden afgeleid dat er een dergelijke behoefte is. Volgens dat rapport bedraagt de behoefte aan extra ruimte voor bedrijvigheid in de sector High Tech Systems & Materials (hierna: HTSM), waartoe ook de in dit plan voorziene maak- en toeleverindustrie behoort, zelfs ongeveer 77 ha. Ter vergelijking is in dit rapport verwezen naar een rapport van Bureau Buiten dat in 2014 in opdracht van de provincie een behoefteraming voor bedrijventerreinen heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat er tot 2030 in ieder geval behoefte is aan ongeveer 25 ha aan bedrijventerrein in de HTSM-sector. Uit voornoemde gegevens kan worden afgeleid dat er voldoende behoefte bestaat aan de ontwikkeling van BIC, fase 1. In zoverre bestaat er geen geschil tussen partijen. Dat de uitkomsten van de berekeningen niet hetzelfde zijn betekent naar het oordeel van de Afdeling nog niet dat de berekeningen ondeugdelijk zijn, nu er verschillende methodes zijn gebruikt en elke berekening op een andere tijdsspanne ziet. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen aanvoeren over de rapportage Van meer naar anders geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefteberekening in het Stec-rapport onjuist is.

Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 15 oktober 2014 en 13 april 2015 overweegt de Afdeling dat voor de onderbouwing van een actuele regionale behoefte in die gevallen niet was verwezen naar objectieve gegevens, maar alleen een ambitie was uitgesproken door de raad om tot een bepaalde ontwikkeling te komen. Daar is in voorliggend geval geen sprake van, nu voldoende inzichtelijk is gemaakt dat in het onderhavige plan voorziene stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Het betoog faalt.

Bestaand stedelijk gebied

16. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat binnen het bestaande aanbod niet kan worden voorzien in de vraag naar kwalitatief passend bedrijventerrein. Om te beoordelen of in deze kwalitatieve behoefte kan worden voorzien, zijn aan de locatie criteria verbonden die de toets van trede 2 volgens hen zinledig maken. De status van een campus rechtvaardigt daarbij deze kwalitatieve criteria niet. Bovendien wijkt de raad af van zijn eigen beleid over de definitie wat onder een campus moet worden verstaan zoals beschreven in het rapport "Inventarisatie en analyse campussen 2014 d.d. december 2014", opgesteld door Buck Consultants International (hierna: BCI) in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. De Burgh Acht en de stichtingen hebben twijfels bij bepaalde voorwaarden. Over de voorwaarde dat het bedrijventerrein goed bereikbaar moet zijn, voeren De Burgh Acht en de stichtingen aan dat andere bedrijventerreinen, zoals Westfields, De Hurk, Eindhoven Airport, de High Tech Campus Eindhoven (hierna: HTCE) en De Run, veel beter bereikbaar zijn. Verder heeft de praktijk uitgewezen dat de transformatie van bestaande bedrijfsterreinen vanwege de bestaande infrastructuur, woon- en leefomgeving en de bestaande bedrijvigheid een garantie is voor succes. De gewenste herkenbare en beleefbare context kan volgens De Burgh Acht en de stichtingen ook op andere wijze worden gerealiseerd, zoals blijkt uit de hoogwaardige en innovatieve bedrijven ASML, gevestigd op De Run, en Prodrive, gevestigd op het Science Park Eindhoven.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de kwaliteitseisen zodanig zijn gekozen dat de BIC tot ontwikkeling kan en zal komen. Uit de Stec-rapporten volgt dat op geen ander bestaand bedrijventerrein ruimte beschikbaar kan worden gemaakt voor de ontwikkeling van BIC. Verder betwist de raad dat in het plan de definitie van BCI van een campus is gehanteerd. Bovendien wordt de BIC in het genoemde rapport met naam genoemd, zodat de BIC in die zin wel degelijk als campus kan worden gekwalificeerd.

16.2. In het Stec-rapport is een locatieprofiel samengesteld, waaraan de locatie voor BIC moet voldoen. Daarbij is met name van belang geacht dat een campus zal worden gerealiseerd in een groene omgeving, die goed bereikbaar is en de mogelijkheid heeft om uit te breiden. Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen wat betreft de omvang van de totale ontwikkeling een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2014 hebben gemaakt, gaat die niet op, nu in die zaak de vraag beantwoord moest worden of reeds bij de opname van een wijzigingsbevoegdheid inzicht moet worden gegeven in de vraag of binnen de planperiode met een regionale behoefte aan de mogelijk te maken ontwikkeling rekening moet worden gehouden en of deze ontwikkeling in het licht van de overige in artikel 3.1.6, tweede lid, geformuleerde voorwaarden binnen het plangebied zal kunnen worden gerealiseerd. In voorliggend geval voorziet het plan in een ontwikkeling bij recht die is getoetst aan de voorwaarden van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Voor de definitie van een campus heeft de raad, anders dan De Burgh Acht en de stichtingen veronderstellen, niet willen aansluiten bij de omschrijving van BCI. In artikel 1, lid 1.19 van de planregels is een definitie van een bedrijvencampus gegeven. Daarin is bepaald dat onder een bedrijvencampus dient te worden verstaan een hoogwaardig ruimtelijk en parkachtig, voor een ieder openbaar toegankelijk terrein voor kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie, synergiebedrijven en kennisinstellingen, onderzoekscentra of onderwijsvoorziening gelieerd aan de kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie, waarbij men gebruik kan maken van bestaande en nieuw te ontwikkelen faciliteiten van de betrokken partijen en ontmoetingsruimten. Een bedrijvencampus is gericht op "open innovatie" en symbiose c.q. samenwerking tussen de bedrijven en voorzieningen op de bedrijvencampus. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad beoogt een aldus omschreven campus te realiseren en dat hij voor de omschrijving niet heeft aangesloten bij die van BCI. In hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om eraan te twijfelen dat met het voorliggende plan wordt beoogd een campus in de zin van de plandefinitie te realiseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de planregels specifieke bedrijvigheid is vastgelegd en blijkens de verbeelding veel groen kan worden gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid voor de vaststelling van de locatie-eisen heeft kunnen kiezen.

16.3. Dat er met het oog op de behoefte voor is gekozen specifieke locatie-eisen te hanteren, betekent echter nog niet dat er maar één locatie geschikt is. Om die reden is in het Stec-rapport onderzocht of de voorziene ontwikkeling ook elders kan worden gerealiseerd. Hierbij heeft met name de omvang van het terrein in een aaneengesloten gebied een doorslaggevende betekenis gespeeld. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. In het Stec-rapport zijn de volgende alternatieven bezien: Kempisch Bedrijvenpark, GDC Acht, Park Forum, HTCE, Wolfsvels II, BZOB Terrein, Bemmer IV, Eeneind West, Westfields, Habraken. Als conclusie is uit het rapport af te leiden dat er weliswaar ruimte is voor het eerste cluster van BIC, maar dat uitbreiden naar een grotere omvang, en dan met name de gehele ontwikkeling tot en met fase 3 van BIC, niet mogelijk is op deze terreinen.

In het rapport van BSP is uiteengezet dat er geen behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen is omdat er nog voldoende aanbod is, maar dat het profiel van deze bedrijventerreinen onvoldoende is afgestemd op de vraag. Volgens BSP is er een wijziging van het profiel van het bestaande aanbod nodig. Binnen diverse bestaande bedrijventerreinen zijn geschikte locaties voor de ontwikkeling van BIC, fase 1, omdat op deze terreinen nog veel uitgeefbare gronden aanwezig zijn, waardoor veel terreinen al jaren kampen met moeizame uitgifte van braakliggende percelen, aldus het rapport. Volgens BSP verdient het de voorkeur om BIC te situeren op een bedrijventerrein dat reeds onderdeel uitmaakt van de huidige harde plancapaciteit, zo staat in het rapport van BSP. Als alternatieve locaties zijn met name voorgesteld Habraken, Park Forum, Westfields en De Run. In een aanvullend rapport van BSP van 13 mei 2016 wordt HTCE als mogelijk uitloopgebied genoemd voor het naastgelegen terrein De Run.

In reactie hierop is het "Aanvullende memo Ladder Brainport Industries Campus" van 3 november 2015, door onderzoeksbureau Stec Groep, (hierna: aanvullende memo van Stec) opgesteld, waarin gemotiveerd op de aangedragen alternatieven is ingegaan en ook met name is ingegaan op de vraag of fase 1 van BIC op een bestaand bedrijventerrein gerealiseerd kan worden. Zo zijn er op Habraken weliswaar kavels beschikbaar, maar zijn deze te versnipperd en het terrein voldoet ook niet aan de andere criteria. Verder staat in het aanvullend memo dat er op Park Forum ruimte is, maar dat deze onvoldoende is om het campus-concept te realiseren. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat er in verband met risicocontouren van een munitieopslagplaats van het ministerie van defensie beperkingen gelden voor bouwen. Het gedeelte dat voor bedrijfsdoeleinden gebruikt kan worden is te klein voor fase 1 van BIC. Ook op Westfields is er nog ruimte, maar hiervan is een groot deel aan het bedrijf DPD verkocht, zodat ook hier geen reële mogelijkheden meer bestaan om BIC te realiseren. Over De Run is in het aanvullende memo van Stec uitvoerig uiteengezet dat er geen aaneengesloten gebied beschikbaar is. Het vrij maken door middel van herstructurering van een dergelijk gebied kost te veel tijd en geld. Om die reden kan niet worden gesproken van een reële alternatieve locatie, zo volgt uit het aanvullende memo van Stec. Het direct naastgelegen bedrijventerrein HTCE biedt evenmin een mogelijkheid, reeds omdat op dit bedrijventerrein onvoldoende ruimte beschikbaar is om het eerste cluster van BIC te realiseren, zo bleek reeds uit het eerdere Stec-rapport. Aldus zijn de mogelijke alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied naar het oordeel van de Afdeling voldoende beschreven. De Afdeling ziet in hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen op dit punt hebben aangevoerd geen grond om aan te nemen dat er gelijke volwaardige alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn zonder de door Stec beschreven ruimtelijke dan wel financiële beperkingen. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat de raad het plan ook met inachtneming van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

Leegstand

17. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat de raad miskent dat de ontwikkeling van de BIC leidt tot een onaanvaardbare leegstand, zodat het plan niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Daarbij gaat de raad er ten onrechte vanuit dat een belangrijk deel van de bedrijven afkomstig is van buiten de regio. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen volgt echter uit het Stec-rapport dat het grootste deel van de bedrijven uit de regio komt. Verder worden er ook met name bedrijven uit Eindhoven benaderd. Dit zal gevolgen hebben voor de bestaande bedrijventerreinen.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod nog niet betekent dat de ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van een goede ruimtelijk ordening onaanvaardbaar moet worden geacht. In het rapport van BSP worden verkeerde uitgangspunten gehanteerd. De BIC richt zich op een specifieke doelgroep, waarbij 50% van de bedrijven afkomstig is van buiten de regio. In zoverre is er dus geen effect op de bedrijventerreinen in de regio, aldus de raad.

17.2. Op pagina 15 van het Stec-rapport staat dat er nu 9% leegstand is en dat door de ontwikkeling van BIC (als geheel) een leegstand van 11% is te verwachten. Daarbij is betrokken dat BIC gefaseerd ontwikkeld gaat worden waardoor de effecten beheersbaar zijn, dat een aanzienlijk deel van de te vestigen bedrijven nieuw in de regio komt en dus in de regio geen bedrijfsruimte achter laat en een deel van de bedrijven slechts een nevenvestiging opent. In het aanvullende memo van Stec staat dat het project in fasen over een lange termijn verdeeld wordt en dat de effecten hierdoor beheersbaar zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare planologische leegstand zal leiden. In hetgeen in de aanvullende rapporten van BSP van 13 mei 2016 en 17 mei 2016 over leegstand is gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding aan voornoemde conclusie te twijfelen, nu het uitgangspunt in die rapporten, namelijk dat het overgrote deel van de bedrijfsverplaatsingen plaatsvindt binnen de eigen regio, ziet op bedrijven in het algemeen in Noord-Brabant en niet op de HTSM-sector. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de leegstand het ontstaan van incourante panden beperkt zal blijven. Het betoog faalt.

Verordening ruimte 2014

"Integratie stad-land" en zorgvuldig ruimtegebruik

18. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat het plan in strijd is met de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2014). Daartoe voeren ze aan dat er geen sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik als in de Verordening 2014 bedoeld en dat het plan in strijd met artikel 3 van de Verordening 2014 een bedrijventerrein mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied. De verantwoording hiervoor in de toelichting is volgens De Burgh Acht en de stichtingen onvoldoende. Met deze verantwoording is niet aannemelijk gemaakt dat er geen reële mogelijkheden bestaan de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Zij verwijzen hiervoor naar het eerder genoemde rapporten van BSP.

Voorts voeren zij aan dat het plan in strijd is met artikel 9.1 van de Verordening 2014, omdat het plan voorziet in een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein in een gebied dat is aangeduid als "Integratie stad-land". Ten onrechte stelt de raad dat hiermee geen strijd zou zijn omdat de voorziene ontwikkeling is gericht op een zeer specifieke vorm van bedrijvigheid, waardoor de bestaande huisvesting niet past bij de aanduiding van milieucategorieën. In de Verordening 2014 wordt onder middelzwaar en zwaar bedrijventerrein verstaan een terrein waar in overwegende mate bedrijven van categorie 3 en hoger zijn toegelaten, terwijl dit plan bedrijven in de categorie 1 tot en met 4.2 en met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid zelfs hoger toestaat. Ook de verwijzing naar de toelichting van bedoeld artikel uit de Verordening 2014 en het standpunt van de provincie dat het campusconcept goed geborgd is in het plan, achten De Burgh Acht en de stichtingen onvoldoende. De Burgh Acht en de stichtingen betwisten dat de raad in de planregels voldoende gewaarborgd heeft dat alleen een campus wordt toegestaan en geen ander bedrijventerrein.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in de Verordening 2014. Uit het hiervoor weergegeven onderzoek volgt dat er een behoefte is aan fase 1 van BIC. De behoefte aan fasen 2 en 3 zal pas later worden aangetoond. Dat de ontwikkeling van laatstgenoemde fasen nog niet volledig zeker is, betekent niet dat de ontwikkeling van fase 1 onzeker is.

Verder stelt de raad dat de in het plan voorziene ontwikkeling in de toelichting van de Verordening 2014 met naam als toelaatbare ontwikkeling wordt genoemd. Hieruit moet worden afgeleid dat het plan in zoverre niet in strijd is met de Verordening 2014. Voorts heeft de raad door middel van de planregels gewaarborgd dat binnen een plangebied alleen een bedrijvencampus tot ontwikkeling kan komen.

18.2. Artikel 1, lid 1.16, van de Verordening 2014 bepaalt dat onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan een gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

Lid 1.54 bepaalt dat onder middelzwaar en zwaar bedrijventerrein dient te worden verstaan een terrein, waar in overwegende mate bedrijven van categorie 3 en hoger, bedoeld in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) zijn toegelaten.

Lid 1.75 bepaalt dat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies;

Artikel 3.1 gaat over de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en luidt als volgt:

1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

(..)

c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

(..).

Artikel 4.2 bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend is gelegen in bestaand stedelijk gebied.

Artikel 9.1, eerste lid, bepaalt, dat in afwijking van artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Integratie stad-land" kan voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits:

a. deze in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding "Integratie stad-land" of de naaste omgeving;

b. deze geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein.

18.3. Het plan voorziet in onder andere een nieuw gebouw voor bedrijvigheid, waar voorheen agrarische bestemmingen golden. Hiervoor is de wijziging van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Daarmee voorziet het plan in nieuw ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies en dus in een stedelijke ontwikkeling. De Afdeling stelt vast dat het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied ligt en is aangeduid als "Integratie stad-land" op de kaarten behorende bij de Verordening 2014.

18.4. In artikel 4, lid 4.4.1, artikel 5, lid 5.4.1 en artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels staat dat in het gebouw tenminste 1.000 m² bvo moet bestemd zijn voor het atrium.

In artikel 4, lid 4.4.3, artikel 5, lid, 5.4.3 en artikel 6, lid 6.4.3, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik, strijdig met deze bestemmingen, in ieder geval wordt gerekend:

a. indien minder dan 15% van het brutovloeroppervlak van de kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2;

b. indien meer dan 25% van het brutovloeroppervlak van de kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorieën 4.1 of 4.2;

j. (…).

In artikel 4, lid 4.5, van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in:

a. lid 4.1, sub a, en tevens bedrijfsactiviteiten toestaan die niet voorkomen in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (Bijlage 1), mits;

1. het bedrijfsactiviteiten betreft die passen in de bestemmingsomschrijving als bedoeld in lid 4.1, sub a, en;

2. de bedrijfsactiviteiten behoren tot de categorieën 1 t/m 3.2, met dien verstande dat tenminste 15% van het brutovloeroppervlak van het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2, en;

3. voor het overige het bepaalde in deze bestemming van toepassing blijft.

b. lid 4.1, sub a, en tevens bedrijfsactiviteiten toestaan in een hogere categorie, mits:

1. het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan, en;

2. tenminste 15% van het brutovloeroppervlak van het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2, en;

3. maximaal 25% van het brutovloeroppervlak binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten mag betreffen in categorieën 4.1 of 4.2, en;

4. voor het overige het bepaalde in deze bestemming van toepassing blijft.

18.5. In het midden van het plangebied is een vlak met drie bedrijfsbestemmingen opgenomen. Het kleinste noordoostelijk deel voorziet in de bestemming "Bedrijf - 1". Hier zijn bedrijfsactiviteiten behorende tot de tot de categorieën 1 t/m 3.2 toegestaan. Ten zuiden daarvan voorziet het plan in een groter vlak met de bestemming "Bedrijf - 2", waar bedrijfsactiviteiten behorende toe de categorieën 1 t/m 4.1 zijn toegestaan. Het grootste deel van het vlak heeft de bestemming "Bedrijf - 3", waar bedrijfsactiviteiten behorende tot en met de categorieën 1 t/m 4.2 zijn toegestaan.

In de toelichting op artikel 9.1 van de Verordening 2014 staat dat op bedrijventerreinen waarop rechtstreeks categorie 2 en 3 bedrijven zijn toegestaan en waar na binnenplanse afwijking ook enkele categorie 4 bedrijven zijn toegestaan niet vallen onder de definitie van een middelzwaar bedrijventerrein als bedoeld in de Verordening 2014. Andere voorbeelden zijn denkbaar, mits deze goed zijn onderbouwd en met specifieke regels in het plan zijn geborgd, aldus de toelichting.

In de artikelen 4, lid 4.1, 5, lid 5.1 en 6, lid 6.1, van de planregels is vastgelegd welke soort bedrijvigheid is toegestaan de op de beoogde bedrijvencampus. In artikel 1, lid 1.19, van de planregels is bepaald wat onder een bedrijvencampus dient te worden verstaan. Naast bedrijfsactiviteiten zijn ook andere instellingen toegestaan. De Afdeling is van oordeel dat met deze planregels voldoende is gewaarborgd dat het terrein zich niet tot een regulier bedrijventerrein kan ontwikkelen. Verder zijn in de planregels beperkingen gesteld aan het percentage brutovloeroppervlak in bedrijven van categorie 4 en een minimum aan brutovloeroppervlak in bedrijven van categorie 2. Ook zijn slechts binnen een deel van het bouwvlak bedrijven van categorie 4 toegestaan. Gelet op dit samenstel van regels, de omvang van het deel binnen het bouwvlak waar bedrijven van categorie 4 en hoger zijn toegestaan, de omstandigheid dat een atrium van 1.000 m² zal worden gerealiseerd en er beoogd wordt tevens samenwerking met kennis en onderwijsinstellingen te realiseren, voorzien de plandelen niet in overwegende mate in bedrijven van categorie 3 en 4 en dus niet in een middelzwaar en zwaar bedrijventerrein als bedoeld in de Verordening 2014. De Afdeling betrekt hierbij dat in de toelichting bij artikel 9.1. van de Verordening 2014 is gemotiveerd dat kantoorlocaties en nieuwe (campusachtige) concepten voor werklocaties, zoals de Brainport Innovatie Campus, een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de integratie stad-land gebieden. De externe uitstraling van dit soort werklocaties op de omgeving is beperkt en een groene setting draagt bij aan de kwaliteit van de werklocatie. Een groene landschapsontwikkeling betreft bijvoorbeeld een robuuste duurzame groene geleding of een landschappelijke verbinding, aldus de toelichting. Het is de kennelijke bedoeling van de provinciale wetgever om de deze concreet aangeduide campus ontwikkeling in zoverre niet te beschouwen als een regulier middelzwaar of zwaar bedrijventerrein, in welk geval het bepaalde in artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Verordening Ruimte 2014 van toepassing zou zijn.

Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen wijzen op de in de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat ook in die bepalingen dezelfde percentages zijn opgenomen voor de bedrijven in de verschillende milieucategorieën. Het betoog faalt.

18.6. Voorts overweegt de Afdeling dat de ladder voor duurzame verstedelijking is toegepast zoals artikel 3.1, tweede lid, onder c, van de Verordening 2014 voorschrijft. Zoals uit de overwegingen 15 tot en met 16.3 volgt is aan de ladder voldaan. Voor het oordeel dat niet aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in de Verordening 2014 wordt voldaan ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt.

Aantasting ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS)

19. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat het plan leidt tot onnodige aantasting van de EHS. Nut en noodzaak om een volgens hen belangrijk natuurgebied te offeren ontbreken volledig volgens De Burgh Acht en de stichtingen.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij besluit van 8 december 2015 door het college van gedeputeerde staten positief op het verzoek tot wijziging van de begrenzing van de EHS in de Verordening 2014 is beslist. Aan de voorwaarden van herbegrenzing is volgens de saldoberekening voldaan, zodat nut en noodzaak van de herbegrenzing niet meer ter discussie staan.

Daarnaast stelt de raad dat de in de Verordening 2014 opgenomen norm niet strekt ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

19.2. Blijkens de kaart "Structuren" behorende bij de Verordening 2014 zijn delen van het plangebied aangeduid als EHS.

Artikel 5.1 van de Verordening 2014 luidt:

1. een bestemmingsplan gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang de ecologische hoofdstructuur niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

Artikel 5.4 luidt:

1. Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur op verzoek van de gemeente wijzigen in geval van een ruimtelijke ontwikkeling door toepassing van de saldobenadering.

2. Onder de saldobenadering bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op de ecologische hoofdstructuur, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur als geheel.

In de toelichting op dit artikel van de Verordening 2014 staat dat de EHS een samenhangend netwerk is van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-) nationaal belang. Het doel van het EHS-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.

19.3. Zoals eerder in deze uitspraak overwogen, heeft de raad in redelijkheid voor deze locatie voor de ontwikkeling van BIC heeft kunnen kiezen. In paragraaf 3.3.4.4.1 van de plantoelichting staat dat de EHS is geprojecteerd ter plaatse van een deel van de voorziene gebouwde parkeervoorziening, een deel van de ontsluitingsweg, een klein deel van het voorziene bedrijfsgebouw ter plaatse van de bestemming "Bedrijf - 3" en de langzaam verkeersroutes. In het rapport "Gebiedsontwikkeling Brainport Park; aantrekkelijk landschap, sterke natuur" van 12 oktober 2015, opgesteld door onderzoeksbureau Anteagroup, is uiteengezet welke ingrepen vereist zijn en hoe de begrenzing van de EHS aangepast kan te worden. De conclusie luidt dat met behulp van de saldobenadering voldaan kan worden aan de Verordening 2014. Nu de begrenzing van de EHS voor de vaststelling van het bestreden besluit is gewijzigd, is het plan in zoverre niet meer in strijd met de Verordening 2014. Van aantasting van de EHS is dan ook geen sprake.

Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen zich richten tegen de herbegrenzing van de EHS overweegt de Afdeling dat tegen deze begrenzing in de Verordening 2014, als zijnde een algemeen verbindend voorschrift, ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld en dat de Afdeling deze slechts exceptief kan toetsen. Deze toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. In hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herbegrenzing van EHS uit de Verordening 2014 in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Het betoog faalt.

19.4. Nu het betoog faalt, gaat de Afdeling niet in op het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het plan in de weg staat.

Verkeer

20. De Burgh Acht en de stichtingen vrezen voor verkeersproblemen nu onduidelijkheid bestaat over de aanleg van de toekomstige ontsluitingswegen, de zogenoemde Challenge-variant. In de plantoelichting ontbreekt een analyse van de verkeersgeneratie en voorts liggen de vereiste maatregelen om de verkeersstromen te verwerken buiten het plangebied. Bovendien is de besluitvorming over de infrastructurele wijzigingen niet afgerond. Verder stelt de raad ten onrechte dat de noodzaak voor het aanpassen van de wegenstructuur niet voortkomt uit dit plan maar uit de reeds aanwezige knelpunten en de wens om de bereikbaarheid van de luchthaven en het bedrijventerrein GDC-Acht te verbeteren. De Burgh Acht en de stichtingen kunnen dit standpunt niet rijmen met het betoog van de raad in de nota van zienswijzen waarin staat dat het sleutelproject bereikbaarheid een voorwaarde is voor het realiseren van de BIC.

20.1. De raad betoogt dat de Challenge-variant niet nodig is voor de ontsluiting van het eerste cluster van fase 1. De ontwikkeling waarin voorliggend plan in voorziet wordt ontsloten via de Landsard.

20.2. In de plantoelichting is in paragraaf 3.8.1 ingegaan op onder andere het verkeer. De zogenoemde Challenge-variant is bedoeld om de bestaande aansluitingen ten behoeve van bedrijventerrein Westfields, , Eindhoven Airport en GDC Acht en het nieuw voorziene BIC beter met elkaar te verbinden. Hieruit volgt dat deze variant niet alleen noodzakelijk is vanwege het voorliggende plan. Omdat BIC in een aantal fasen wordt ontwikkeld en tijdens de realisatie van het eerste cluster van het zuidelijk deel van BIC de definitieve ontsluiting van het zuidelijk cluster nog niet gereed zal zijn, wordt er een tijdelijke ontsluiting gerealiseerd, waarin dit plan voorziet. Er wordt een weg aangelegd tussen de Oirschotsedijk en het eerste cluster van BIC. Daarbij wordt een deel van de Landsard (tussen de Rijtackerweg en de Oirschotsedijk) vooruitlopend op de aanleg van de HOV-baan verbreed, aldus de plantoelichting. In het MER zijn de verkeerseffecten onderzocht. In het daaraan ten grondslag liggende rapport "Achtergrond rapport" van 7 juli 2015, opgesteld door onderzoeksbureau AnteaGroup zijn hiertoe, rekening houdend met de verkeersintensiteit en verkeersstromen, verschillende varianten tegen elkaar afgezet. De Afdeling ziet in hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport zodanige leemtes bevat of onzorgvuldig is, dat de raad bij de vaststelling van het bestreden besluit niet in redelijkheid op dit rapport heeft kunnen afgaan. Verkeersbesluiten die van belang zijn voor de verkeersafwikkeling zullen pas genomen worden op het moment dat het plan gerealiseerd gaat worden. De raad was niet gehouden deze uitvoeringsbesluiten voor de vaststelling van dit plan reeds te nemen. De Afdeling is van oordeel dat de raad de verkeersafwikkeling voldoende heeft onderzocht en dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een afdoende mogelijkheid om het verkeer op een aanvaardbare wijze af te wikkelen. Het betoog faalt.

Luchthaven Eindhoven

21. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat onduidelijk is of BIC fase 2 en 3 gerealiseerd kunnen worden gelet op de beperkingen die gelden voor bouwhoogten en het aantal werknemers vanwege de luchthaven Eindhoven.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond de uitvoerbaarheid van dit plan niet raakt. In het kader van de externe veiligheid wordt immers aan de richtwaarde voldaan.

Daarnaast stelt de raad dat de ingeroepen normen niet strekken ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

21.2. Het plangebied ligt vlak bij de luchthaven Eindhoven. Om die reden is er onderzoek gedaan naar eventuele belemmeringen vanwege deze luchthaven.

Eind 2009 is de Regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) in werking getreden. Op basis van deze regelgeving moet een luchthavenbesluit worden opgesteld, waarin onder andere een grenswaarde voor externe veiligheid kan worden opgenomen. Het Luchthavenbesluit Eindhoven is op 1 oktober 2014 in werking getreden, zonder dat daarin regels over externe veiligheid zijn opgenomen. Extern veiligheidsbeleid aangaande het luchthaventerrein Eindhoven is vastgelegd in een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM. In de bijlage van de brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moet houden wanneer binnen de PR 10-5 en PR 10-6 contouren ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

21.3. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: het Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn algemene regels opgenomen voor het militaire luchtvaartterrein en voor het daarbij behorende beperkingengebied. Rond de luchthaven Eindhoven gelden normen voor toegestane bebouwing. Bebouwing is niet toegestaan wanneer deze het Instrument Landing System (hierna: ILS) verstoren. Het plangebied ligt volgens het Rarro binnen het ILS rondom de luchthaven Eindhoven.Om die reden is een verstoringsonderzoek uitgevoerd voor de realisatie van BIC fase 1.

21.4. De betogen van De Burgh Acht en de stichtingen hebben betrekking op de naleving van de normen voor veiligheidsrisico’s en het hanteren van bouwbeperkingen in verband met radarverstoringen. Deze bezwaren zien uitsluitend op de belangen van de gebruikers van de percelen in het plangebied en de luchthaven Eindhoven. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is echter gericht op het voorkomen van het realiseren van een bedrijventerrein voor concurrente bedrijvigheid in hun omgeving waardoor er op hun bedrijventerrein leegstand kan ontstaan. De hier in geding zijnde normen hebben niet de strekking de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Flora- en Faunawet

22. De Burgh Acht en de stichtingen voeren aan dat de Flora- en Faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het aanvullende onderzoek volgt dat beschermde soorten zijn aangetroffen en dat een ontheffing niet kan worden verkregen. Zo is het plangebied een belangrijk foerageergebied van vele soorten vleermuizen en zijn er vaste vliegroutes. Ten onrechte is in het aanvullende onderzoek niet onderzocht of deze routes en foerageergebieden samenvallen met vaste rust- en verblijfplaatsen en of door aantasting van de vliegroutes en het foerageergebied de ecologische functionaliteit zodanig wordt verstoord dat de vleermuizen deze plaatsen zullen verlaten. Verder zijn er meerdere jaarrond beschermde nesten en plantensoorten aangetroffen en blijkt niet hoe negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen ontheffing van de Flora- en Faunawet is vereist. Voorts betoogt de raad dat de ingeroepen norm niet strekt ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

22.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75) brengt een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Flora- en faunawet omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is. Het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen strekt tot vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege het in strijd met de Ffw verstoren van het foerageergebied van vleermuissoorten, het vernielen van jaarrond beschermde nesten van vogels en het vernielen van beschermde plantensoorten. In zoverre beroepen De Burgh Acht en de stichtingen zich, ter onderbouwing van hun stelling dat het plan niet uitvoerbaar is, dan ook op strijdigheid met de rechtsregels uit de Ffw. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van de genoemde plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is echter gericht op het voorkomen van het realiseren van een bedrijventerrein voor concurrente bedrijvigheid in hun omgeving waardoor er op hun bedrijventerrein leegstand kan ontstaan. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van het belang van De Burgh Acht en de stichtingen. Dit betekent dat het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.

Financiële uitvoerbaarheid en staatssteun

23. De Burgh Acht en de stichtingen betwijfelen of het plan financieel uitvoerbaar is. In de anterieure overeenkomst zijn uitsluitend afspraken over de infrastructurele voorzieningen gemaakt. Bovenplanse kosten zijn ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen stelt de raad ten onrechte dat de kosten anderszins verzekerd zijn en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen is het plan in strijd met artikel 6.24 van de Wro.

Verder hebben De Burgh Acht en de stichtingen twijfels of er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Hiervoor wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:814.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de anterieure overeenkomst is bepaald dat alle openbare voorzieningen voor rekening en risico van de initiatiefnemer zijn. Apparaatskosten dienen eveneens door de initiatiefnemer betaald te worden. Over de gestelde staatssteun hebben De Burgh Acht en de stichtingen niet aannemelijk gemaakt dat daar sprake van is.

Voorts betoogt de raad dat de ingeroepen normen niet strekken ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat.

23.2. Over het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen dat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, overweegt de Afdeling dat dit in de onderhavige procedure slechts indirect aan de orde kan komen, en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt immers geen verband met de ruimtelijke effecten van het plan.

Een dergelijk betoog kan derhalve slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode, die in beginsel tien jaar bedraagt. Hieraan is niet reeds voldaan, indien De Burgh Acht en de stichtingen aannemelijk maken dat de staatssteun die plaats heeft of heeft gehad kan worden teruggevorderd. Daarnaast dienen De Burgh Acht en de stichtingen aannemelijk te maken dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

In dit kader is van belang dat in dit geval voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan de betrokkenheid van [belanghebbende] als ontwikkelaar niet van doorslaggevende betekenis is. De enkele omstandigheid dat de [belanghebbende] zich in verband met een mogelijke terugvordering van staatssteun als ontwikkelaar daaruit geheel of gedeeltelijk zou moeten terugtrekken, brengt immers nog niet met zich dat het niet mogelijk zal zijn tot de realisering van in het plan voorziene, maar nog niet gerealiseerde ontwikkelingen over te gaan zonder ongeoorloofde staatssteun. Hierbij betrekt de Afdeling dat het denkbaar is dat één of meerdere andere marktpartijen, al dan niet in, respectievelijk op een - overigens binnen het plan passende - aangepaste vorm en/of wijze de realisering van de betreffende ontwikkeling of ontwikkelingen (verder) kunnen uitvoeren. Gelet op het voorgaande hebben De Burgh Acht en de stichtingen niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

23.3. Voor zover het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen moet worden opgevat als gericht tegen het niet vaststellen van het financiële onderdeel van een exploitatieplan zouden De Burgh Acht en de stichtingen, indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat De Burgh Acht en de stichtingen geen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van De Burgh Acht en de stichtingen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Aanwijzing als experiment

24. De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat artikel 7c, eerste lid van het Besluit Chw in strijd is met artikel 2.4, derde lid, van de Chw en daarmee onverbindend is. Zij wijzen hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:201, waarin onder andere artikel 7c, tweede lid, van het Besluit Chw onverbindend is verklaard. Volgens hen dient de Afdeling ook het eerste lid van dat artikel onverbindend te verklaren, hetgeen betekent dat in dit plan bij wijze van experiment ten onrechte niet ruimtelijk relevante aspecten in de planregels zijn geregeld. Het schrappen van deze planregels betekent dat ook reguliere bedrijven zich in het plangebied kunnen vestigen en daarvan is de actuele regionale behoefte niet aangetoond.

24.1. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Chw kan bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge het derde lid, wordt bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaald:

a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;

b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en

c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

Ingevolge artikel 7c, eerste lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw) kunnen in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld, die strekken ten behoeve van het:

a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en

b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.

Ingevolge het tweede lid wordt in afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wro de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wro is niet van toepassing.

Ingevolge het dertiende lid, aanhef en onder o, is dit artikel van toepassing op het plangebied Brainport Park, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 62.

Ingevolge het veertiende lid, aanhef en onder d, kan van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte gebruik worden gemaakt voor de in de onderdelen k tot en met s van het dertiende lid genoemde plangebieden tot 9 september 2020.

24.2. In artikel 7c, dertiende lid, aanhef en onder o, van het Besluit uitvoering Chw is het gebied Brainport Park, gemeente Eindhoven aangewezen als experiment als bedoeld in de Chw. Het plangebied ligt binnen dat gebied. Artikel 7c is derhalve van toepassing op dit plan.

De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing.

Exceptieve toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

24.3. In de genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 is overwogen dat artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw in strijd is met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Chw, omdat niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de in die procedure van belang zijnde afwijkingen is bepaald. Artikel 7c, tweede, zesde en zevende lid, van het Besluit uitvoering Chw, die in die procedure in geding waren, zijn verbindende kracht ontzegd.

Bij Besluit van 22 juni 2016 tot wijziging van het Besluit uitvoering Chw, houdende een aanvulling en verduidelijking van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de krachtens artikel 2.4 van de Chw bij wege van experiment toegestane afwijkingen (dertiende tranche), Stb. 2016, 252, (hierna: Besluit tot wijziging) is aan artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw lid veertien toegevoegd dat van toepassing is op artikel 7c in zijn geheel. Daarin is de toegestane tijdsduur, waarbinnen gebruik gemaakt kan worden van de in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw, en dus ook van de in het eerste lid van dat artikel genoemde afwijkingen, beperkt. Deze wijziging werkt, gelet op artikel II van het Besluit tot wijziging, terug tot 15 mei 2014 en is derhalve van toepassing op het bestreden besluit. In hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen aanvoeren bestaat geen aanleiding om artikel 7c, eerste lid, van het Besluit uitvoering Chw onverbindend te achten. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

25. Gelet op het voorgaande is het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen voor zover gericht tegen het niet vaststellen van het financieel deel van een exploitatieplan en voor zover niet ingesteld door [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit, niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen ongegrond.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en andere, voor zover ingediend door [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit B.V., en het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en andere, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Mercker
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2016

661.