Uitspraak 201600705/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 8 juni 2016
Tegen: Provinciale staten van Utrecht
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Inpassingsplan
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:1609

201600705/1/R6
Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Woerden,
appellant,

en

Provinciale staten van Utrecht,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2015 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Geluidswal Veldhuizen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2016, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G. Koop en mr. R.J. de Heer, beiden advocaat te Rotterdam, bijgestaan door E. Goudriaan, (geluid)deskundige, en provinciale staten, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ing. J.G. Kentie Msc, drs. S. de Boer en H. van Dijkhuizen, allen werkzaam bij de provincie, bijgestaan door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, zijn verschenen. Tevens is ter zitting de raad van de gemeente Utrecht, vertegenwoordigd door drs. ing. D.R.J. Reuling en mr. F.P. van der Bilt, beiden werkzaam bij de gemeente, gehoord.

Overwegingen

1. Het inpassingsplan vormt de juridisch planologische basis voor het realiseren van geluidwerende voorzieningen in de vorm van een aarden wal van circa 660 meter en een scherm met een lengte van circa 200 meter (deels parallel vóór de aarden wal) die vanaf het huidige eindpunt van de bestaande geluidswal verder naar het westen langs de A12 en ten zuiden van de N419, waar de bestaande geluidwerende voorziening wordt doorgetrokken, komen te liggen, alsmede de daarvoor noodzakelijke waterberging. Het plangebied ligt binnen het grondgebied van de gemeente Woerden. De geluidwerende voorzieningen worden opgericht om een einde te maken aan de bestaande ongewenste geluidsituatie voor (het westelijk deel van) de woonwijk Veldhuizen, thans gemeente Utrecht.

Ontvankelijkheid

2. Provinciale staten stellen dat het college van burgemeester en wethouders geen beroep kon instellen tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan, omdat het over het ontwerpinpassingsplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Gesteld noch gebleken is dat het college van burgemeester en wethouders redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk, aldus provinciale staten.

3. Het beroep is alleen ingesteld namens het college van burgemeester en wethouders.

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij provinciale staten.

Het ontwerpinpassingsplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 2 april 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 12 mei 2015.

De Afdeling stelt vast dat uitsluitend de raad van de gemeente Woerden (hierna: de raad) een zienswijze over het ontwerpinpassingsplan naar voren heeft gebracht. Anders dan het college van burgemeester en wethouders heeft gesteld biedt de tekst van de zienswijze geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een ander dan de raad als indiener van de zienswijze moet worden beschouwd. De zienswijze is door het college van burgemeester en wethouders uitsluitend namens de raad ingediend. De enkele omstandigheid dat het college de zienswijze heeft ingediend namens de raad brengt niet met zich mee dat de zienswijze ook geacht moet worden door het college te zijn ingediend. Voor zover het college van burgemeester en wethouders in een nader stuk heeft gesteld dat het met de zienswijze tot uitdrukking heeft willen brengen dat het voornemen vooraf door het college - om politieke redenen - met de raad was besproken en dat de raad de zienswijze ondersteunde, overweegt de Afdeling dat dit niet uit de zienswijze blijkt en reeds daarom niet dragend kan zijn voor het oordeel dat de zienswijze door het college van burgemeester en wethouders is ingediend.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpinpassingsplan niet (tijdig) een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen betekenis kan in dit verband worden toegekend, zoals het college van burgemeester en wethouders naar voren heeft gebracht, aan de context van de totstandkoming van het inpassingsplan noch aan het feit dat de raad zelf geen besluit heeft genomen tot indiening van een zienswijze. Het college van burgemeester en wethouders is op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet bevoegd namens de raad beroepsprocedures te voeren, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, anders beslist. Het college van burgemeester en wethouders doet in dit verband voorts tevergeefs een beroep op de goede procesorde, stellende dat de belangen van provinciale staten zich op geen enkele wijze tegen behandeling van het beroep verzetten. Met een beroep op de goede procesorde kan een niet-ontvankelijkheid niet worden gepasseerd. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Koeman w.g. Ouwehand
Voorzitter Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

224.