Uitspraak 201506511/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 25 mei 2016
Tegen: de raad van de gemeente Hengelo
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Overijssel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:1434

201506511/1/R1.
Datum uitspraak: 25 mei 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging Behoud Twekkelo, gevestigd te Enschede,
2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Hengelo,

en

de raad van de gemeente Hengelo (Ov),
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan
"De Zuivelhoeve" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2016, waar de vereniging, vertegenwoordigd door drs. G.B.J. Overbeek en mr. Braamhaar, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door H.J. Vosmer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort en mr. E. Hardenberg, beiden advocaat te Enschede, en mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Almelo, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Zuivelhoeve B.V., vertegenwoordigd door mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuivelhoeve" eerder vastgesteld. Het plan voorzag in de uitbreiding van het zuivelbedrijf De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a. Daarbij werd voorzien in de uitbreiding van productieruimtes, een nieuw geconditioneerd magazijn voor eindproducten, de uitbreiding van de grondstoffenopslag, een afvalwaterzuiveringsinstallatie en een informatiecentrum.

3. Naar aanleiding van het beroep van de vereniging heeft de Afdeling bij uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2013:171, het besluit van 26 maart 2013 vernietigd. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat in het MER niet van de maximale planologische mogelijkheden is uitgegaan. Verder overwoog de Afdeling dat de raad niet de zekerheid had verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zou aantasten. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de raad zich weliswaar in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een regionale behoefte waarin niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, maar dat was volgens de Afdeling niet in de plantoelichting inzichtelijk gemaakt. Evenmin was volgens de Afdeling in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, inzichtelijk gemaakt in hoeverre de inrichting passend zal worden ontsloten. Tot slot oordeelde de Afdeling dat het besluit van 26 maart 2013 was genomen in strijd met artikel 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening).

4. Met het bestreden besluit heeft de raad het plan opnieuw vastgesteld. Ten aanzien van de punten waarop de Afdeling het plan heeft vernietigd is nader onderzoek verricht. Volgens de raad volgt uit de onderzoeken en de nadere motivering dat de door de Afdeling geconstateerde gebreken zijn hersteld.

Ontvankelijkheid

5. De raad betoogt dat [appellant sub 2] en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 26 maart 2013. Gelet hierop dient het beroep van [appellant sub 2] en anderen volgens de raad niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.1. [appellant sub 2] en anderen hebben tegen het besluit van 26 maart 2013 geen beroep ingesteld. [appellant sub 2] anderen richten zich tegen de uitbreiding van De Zuivelhoeve. De raad heeft het plan bij besluit van 1 juli 2015 op een aantal ondergeschikte punten gewijzigd. Er is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd ten behoeve van de beëindiging van de bewoning van een woning, niet zijnde de woning van één van appellanten. Daarnaast is de regeling over de parkeer-, laad- en losruimte op het terrein van de Zuivelhoeve aangepast. Voor het overige is de inhoud van het plan hetzelfde gebleven. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] en anderen niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren als gevolg van het besluit van 1 juli 2015 ten opzichte van de positie waarin zij zich bevonden na het besluit van 26 maart 2013. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen en nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden aanvaard dat tegen het besluit van 1 juli 2015, dat is genomen naar aanleiding van de uitspraak van 23 april 2014 zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, alsnog beroep wordt ingesteld. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is niet-ontvankelijk.

Het geschil

6. De vereniging heeft onder meer tot doel het bevorderen van het duurzaam samenwerken van de leden in het belang van de instandhouding van de kwaliteit van Twekkelo en het bevorderen van het behoud en herstel van het natuur- en landschapsschoon in Twekkelo. De vereniging is tegen de uitbreiding van De Zuivelhoeve. Zij vreest overlast en aantasting van de omgeving van het bedrijf. Daarnaast is de vereniging van mening dat er elders binnen de gemeente geschiktere locaties beschikbaar zijn waar een deel van het bedrijf zou kunnen worden gevestigd.

Procedureel

7. De vereniging betoogt dat ten onrechte niet opnieuw een ontwerpplan ter inzage is gelegd. Nu de raad het plan opnieuw heeft vastgesteld diende afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te worden doorlopen.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1863 en 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5143, is de raad in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

7.2. Het besluit voorziet in vrijwel dezelfde ontwikkeling als het plan dat bij uitspraak van 23 april 2014 is vernietigd. De raad heeft hieraan aanpassingen gedaan als gevolg van de uitspraak van 23 april 2014. Er is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd ten behoeve van de beëindiging van de bewoning van een woning. Daarnaast is de regeling over de parkeer-, laad- en losruimte op het terrein van de Zuivelhoeve aangepast. Deze wijzigingen geven naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet kon worden teruggevallen op de procedure die aan het vernietigde besluit van 26 maart 2013 ten grondslag lag.

Daarnaast bevat het plan een aanvullende motivering. Hiertoe is de plantoelichting aangepast en is onder meer een aanvulling op het bij het plan behorende MER opgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling geeft de aangepaste motivering, mede gelet op de aard en de omvang van de door de Afdeling geconstateerde gebreken, geen aanleiding voor het oordeel dat afdeling 3.4 van de Awb opnieuw dient te worden doorlopen. Het betoog faalt.

Ladder duurzame verstedelijking

8. De vereniging betoogt dat niet is aangetoond dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). De passage hieromtrent in de plantoelichting is volgens haar niet met onderzoeken onderbouwd. De vereniging betoogt voorts dat niet is aangetoond dat de uitbreiding van De Zuivelhoeve niet op een andere locatie kan worden gerealiseerd. De vereniging brengt naar voren dat er in de overwegingen over de actuele regionale behoefte in de uitspraak van 23 april 2014 ten onrechte van wordt uitgegaan dat het plan in overleg met de provincie en de raad van de gemeente Enschede tot stand is gekomen. Verder voert zij aan dat De Zuivelhoeve geen ambachtelijk bedrijf is. De vereniging wijst erop dat fabrieksmatig, op industriële schaal wordt geproduceerd voor een internationale zuivelmarkt. Gelet hierop is het volgens haar niet noodzakelijk dat uitbreiding van het bedrijf op de huidige locatie plaatsvindt. De vereniging voert in dit verband aan dat er in de regio een grote hoeveelheid bedrijventerrein beschikbaar is. De logistieke concentratie en de massale koelopslagonderdelen kunnen elders worden gerealiseerd. Gelet hierop is het plan volgens hen vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8.1. De raad heeft uiteengezet dat zowel het gemeentebestuur van Enschede als de provincie Overijssel in de gelegenheid zijn gesteld om in het kader van artikel 3.1.1 van het Bro op het plan te reageren. In de reacties die het gemeentebestuur van Enschede en de provincie op de door de vereniging opgestelde Toekomstvisie Twekkelo hebben gegeven, ziet de raad geen aanleiding het plan anders vast te stellen. Verder heeft de raad erop gewezen dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 heeft geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan de ontwikkeling. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat voldoende is gemotiveerd dat deze ontwikkeling niet elders binnen bestaand stedelijk gebied kon worden gerealiseerd. Volgens de raad bestaat er geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Nu dit nu ook in de plantoelichting inzichtelijk is gemaakt, is het plan volgens de raad in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8.3. In rechtsoverweging 11.2.1, 11.2.2 en 11.2.3 van de uitspraak van 23 april 2014 heeft de Afdeling in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, samengevat weergegeven, overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan de uitbreiding van De Zuivelhoeve. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in deze regionale behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Nu het vorenstaande in de plantoelichting evenwel niet aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder a en b, van het Bro inzichtelijk was gemaakt en evenmin aan de hand van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro in de plantoelichting was beschreven in hoeverre de voorziene stedelijke ontwikkeling, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend wordt ontsloten, oordeelde de Afdeling dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro was vastgesteld.

8.4. Zoals uit het voorgaande volgt heeft de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan de uitbreiding van De Zuivelhoeve. De Afdeling ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Voor zover de vereniging heeft betoogd dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 ten onrechte bij het oordeel heeft betrokken dat het plan in overleg met de provincie en de gemeente Enschede tot stand is gekomen, omdat de provincie en de gemeente Enschede niet met het plan kunnen instemmen, overweegt de Afdeling dat wat verder ook zij van de instemming van de provincie en de gemeente Enschede, dit het oordeel niet anders maakt. Daarbij is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 de landelijke uitstraling van het perceel aan de Bruninksweg 5a en de binding van het bedrijf met de regio van belang geacht bij de beoordeling van de actuele regionale behoefte.

Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in de behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Van belang is daarbij geacht dat De Zuivelhoeve een bestaand bedrijf is dat reeds van oudsher op deze locatie is gevestigd. Voor zover de vereniging naar voren heeft gebracht dat geen sprake is van een ambachtelijk bedrijf dat gebonden is aan de locatie en dat er elders in de gemeente geschikte locaties beschikbaar zijn, zijn dit aspecten die de Afdeling bij haar oordeel in de uitspraak van 23 april 2014 heeft betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.

De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting thans aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro inzichtelijk is gemaakt dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte. Voorts staat in de plantoelichting beschreven dat de ontwikkeling niet elders binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Daarmee is het door de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 geconstateerde gebrek hersteld. Het betoog faalt.

9. De vereniging betoogt voorts dat van een passende ontsluiting als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro geen sprake is.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de plantoelichting is uiteengezet dat is voorzien in een passende ontsluiting. De extra verkeersbewegingen zullen op een veilige manier worden afgewikkeld, aldus de raad.

9.2. Zoals uit het voorgaande volgt heeft de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 overwogen dat niet aan de hand van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro in de plantoelichting is beschreven in hoeverre de voorziene stedelijke ontwikkeling, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend wordt ontsloten.

De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 4.1.1. van de plantoelichting wordt ingegaan op artikel 3.1.6, tweede lid, onder c, van het Bro. In de plantoelichting staat vermeld dat alle wegen in het buitengebied van Twekkelo de functie van erftoegangsweg hebben. De Zuivelhoeve is voor gemotoriseerd verkeer goed bereikbaar vanaf de Twekkelerweg. Ook per fiets is De Zuivelhoeve volgens de plantoelichting goed bereikbaar via de Twekkelerweg en via de Boekeloseweg - Bruninksweg. Beide routes maken deel uit van het hoofdfietsnetwerk van de gemeente. In verband met de bereikbaarheid per openbaar vervoer staat in de plantoelichting vermeld dat het treinstation Dienerlo in Enschede het dichtbijzijnde treinstation op 3 km is. Het station van Hengelo ligt op ongeveer 4 km afstand. Daarnaast is het terrein met de bus te bereiken. De bushalte op de hoek van de Diamantstraat - Boekeloseweg ligt op ongeveer 1800 m van De Zuivelhoeve. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ontwikkeling niet passend wordt ontsloten. Gelet op het vorenstaande is het in de uitspraak van 23 april 2014 geconstateerde gebrek hiermee hersteld. Het betoog faalt.

artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

10. De vereniging betoogt verder dat het plan in strijd is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

10.1. De raad stelt zich onder verwijzing van uitspraak van 23 april 2014 op het standpunt het plan niet in strijd is met artikel 2.1.3. van de Omgevingsverordening is vastgesteld.

10.2. Ingevolge artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening voorzien bestemmingsplannen uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouw en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

- dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt is te maken door herstructurering en/of transformatie;

- dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

10.3. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 12.2 van de uitspraak van 23 april 2014 overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de voorziene ontwikkeling redelijkerwijs geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaand bebouwd gebied en dat de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie. Gelet hierop behoefde volgens de Afdeling niet meer te worden beoordeeld of de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. De Afdeling oordeelde dat hetgeen de vereniging had aangevoerd geen aanleiding gaf voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening was vastgesteld. In het aangevoerde ziet de Afdeling mede gelet op hetgeen is overwogen in 8.4 geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Het betoog faalt.

Artikel 2.1.5 en artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening

11. De vereniging betoogt voorts dat het plan in strijd met artikel 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Nu volgens haar sprake is van een grootschalige uitbreiding dient op grond van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving een gebiedsgerichte benadering te worden gekozen waarbij substantiële investeringen in de ruimtelijke kwaliteit buiten de eigen locatie worden gedaan. De vereniging wijst erop dat er in de plantoelichting weliswaar een aantal investeringen wordt genoemd, maar dat deze niet zijn afgedwongen of via een voorwaardelijke verplichting in het plan zijn vastgelegd. In het kader van de landschappelijk inpassing betoogt de vereniging dat de term natuurlijke materialen zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan onvoldoende duidelijk is. Zij wijst er voorts op dat een grootschalige uitbreiding in de groene omgeving uitsluitend is toegelaten indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn. Volgens de vereniging is van een duurzame relatie met de omgeving geen sprake. In dit verband wijst zij erop dat alle grondstoffen en hulpstoffen voor de producten van buiten Twekkelo komen. Daarnaast stelt de raad volgens hen ten onrechte dat de boerenbedrijven die de melk leveren afhankelijk zijn van het voorbestaan van De Zuivelhoeve op de huidige locatie. Het vestigen van het bedrijf op een andere locatie in de gemeente heeft hierop volgens de vereniging geen invloed. Dit zal evenmin invloed hebben op de werkgelegenheid.

11.1. Volgens de raad is het plan niet in strijd met de artikel 2.1.5 en 2.1.6. van de Omgevingsverordening vastgesteld. De raad wijst erop dat op deze aspecten thans in de plantoelichting expliciet is ingegaan. Door De Zuivelhoeve worden extra inspanningen gedaan om een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Volgens de raad hoeven deze inspanningen niet planologisch te worden vastgelegd. Ten aanzien van de houten gevelbekleding stelt de raad zich op het standpunt dat deze voldoende in het beeldkwaliteitsplan is gewaarborgd. De raad heeft voorts uiteengezet dat met het plan sociaaleconomische en maatschappelijke redenen worden gediend. De binnen De Zuivelhoeve gebruikte melk heeft volgens de raad een lokaal of regionaal karakter. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat 47% van de vaste werknemers op fietsafstand van het bedrijf woont. Volgens de raad zijn de redenen op grond waarvan de Afdeling eerder heeft geoordeeld dat materieel aan de ladder voor duurzame verstedelijking is voldaan voorts nagenoeg dezelfde redenen op grond waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat met de uitbreiding van De Zuivelhoeve sociaaleconomische redenen zijn gediend.

11.2. Ingevolge artikel 2.1.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening wordt in de toelichting op bestemmingsplannen onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de geldende gebiedskenmerken.

Ingevolge het tweede lid wordt in het kader van toelichting als bedoeld in het eerste lid inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.

Ingevolge het derde lid wordt in het kader van de toelichting als bedoeld in het eerste lid gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Ingevolge het vijfde lid voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze normerende uitspraken.

Ingevolge het zesde lid voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze richtinggevende uitspraken.

Ingevolge het zevende lid mag van het gestelde in het vijfde lid gemotiveerd worden afgeweken wanneer:

- er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en;

- voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

Ingevolge het achtste lid mag van het gestelde in het zesde lid worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.

Ingevolge artikel 2.1.6, eerste lid, van de Omgevingsverordening kunnen bestemmingsplannen voor de groene omgeving - met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

11.3. In de uitspraak van 23 april 2014 heeft de Afdeling ten aanzien van de artikelen 2.1.5 en 2.1.6 overwogen dat in de plantoelichting alleen werd beschreven in hoeverre wordt voldaan aan het provinciale beleid zoals dat destijds was neergelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Naar het oordeel van de Afdeling was niet inzichtelijk in hoeverre de raad bij de toepassing van artikel 2.1.6 het toetsingskader van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening in acht heeft genomen. Gelet hierop oordeelde de Afdeling dat het bestreden besluit was genomen in strijd met de artikelen 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening.

11.4. De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 4.2.2 van de plantoelichting wordt ingegaan op de toets aan artikel 2.1.5 en artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. Ten aanzien van het maatschappelijk/sociaal belang staat in de plantoelichting vermeld dat met het plan primair het belang van De Zuivelhoeve is gediend door de vergroting van de productiecapaciteit. De Zuivelhoeve is volgens de plantoelichting een redelijk grote werkgever en dient daarom te worden behouden voor Hengelo. Daarnaast kan en wil De Zuivelhoeve een rol spelen in het duurzaam produceren. De bedrijfsproductie is hierop gestoeld. Voorts levert het informatiecentrum, dat zal worden gerealiseerd, een maatschappelijke bijdrage aan deze bewustwording, mede in relatie tot de omliggende natuur. Volgens de raad heeft de binnen De Zuivelhoeve gebruikte melk een lokaal of regionaal karakter. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat 47% van de vaste werknemers op fietsafstand van het bedrijf woont. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen zijn voor de uitbreiding van De Zuivelhoeve. Voor zover de vereniging heeft betoogd dat verplaatsing naar een andere locatie dezelfde sociaaleconomische of maatschappelijke bijdrage kan leveren, overweegt de Afdeling dat dit niet wegneemt dat met de uitbreiding sociaaleconomische en maatschappelijke redenen gemoeid zijn. Het betoog faalt.

11.5. In de plantoelichting staat vermeld dat het plan past binnen de ontwikkelingsperspectieven die in de Omgevingsvisie Overijssel aan het gebied zijn toegekend, te weten buitengebied, accent veelzijdige gebruiksruimte en stadsrandgebied. Het plan wordt volgens de "Catalogus Gebiedskenmerken" uitgevoerd. Bij de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de voor het gebied kenmerkende landschapsstructuren en landschapskwaliteiten. De uitbreiding wordt ingebed in de bestaande ondergrond en het onderliggende landschap.

Ten aanzien van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving staat in de plantoelichting vermeld dat de uitbreiding moet worden aangemerkt als een gebiedsvreemde functie. Het plan voorziet in een aanzienlijke uitbreiding van het bebouwd oppervlak. De basisinspanning ruimtelijke kwaliteit bestaat uit een goede ruimtelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Nu de bebouwing conform het inrichtingsplan en het beeldkwaliteitsplan dient te worden ingepast, blijft het effect van de uitbreiding volgens de plantoelichting beperkt. Voorts is in het kader van de landschappelijke inpassing gekozen voor eikenhouten gevelbekleding. Naast reguliere inspanning worden extra investeringen gedaan om een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Er zal door De Zuivelhoeve in totaal een investering in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van 1.044.000 euro worden gedaan. Met deze investeringen wordt derhalve niet alleen in het plangebied zelf geïnvesteerd, maar ook in de gebiedsontwikkeling Twekkelo-West. Deze investeringen zijn opgenomen in het document "Zuivelhoeve, kwaliteitsimpuls groene omgeving 12 mei 2012". In de plantoelichting staat verder vermeld dat door de provincie is geconcludeerd dat in het plan met bijbehorende stukken inzichtelijk is gemaakt dat sprake is van een balans tussen de geboden ontwikkelingsruimte en de investeringen in ruimtelijke kwaliteit volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

11.6. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder a, van de planregels wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik (laten) nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het landschapsinrichtingsplan (bijlage 1 van de regels), teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing en een ruimtelijke kwaliteitsimpuls in de groene omgeving.

Ingevolge lid 3.4.1, onder c, mogen in afwijking van het bepaalde onder a gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsplanomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschapsinrichtingsplan (bijlage 1 bij de regels), teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing en een ruimtelijke kwaliteitsimpuls in de groene omgeving.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het bedrag van 1.044.000 euro is opgebouwd uit verschillende aspecten. De basisverplichting, die bestaat uit een goede ruimtelijke inpassing van het totale erf waarvan de ontwikkeling deel uitmaakt, is met de voorwaardelijke verplichting in het plan gewaarborgd. Naast deze reguliere inspanning worden extra investeringen gedaan om een bijdrage te leveren volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Deze zijn vastgelegd in de nota "Zuivelhoeve, kwaliteitsimpuls Groene Omgeving" van 16 mei 2012. De kwaliteit ter plaatse en rondom de locatie van de Zuivelhoeve krijgt een impuls, maar de investeringen hebben ook een positief effect op het gebied Twekkelo-West. De Zuivelhoeve heeft reeds gronden heeft aangekocht in het kader van de gebiedsontwikkeling Twekkelo-West en de landschappelijke inpassing reeds financieel ondersteunt. Een groot deel van de uitgaven is al gedaan. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de Omgevingsverordening niet is vereist dat alle investeringen in een voorwaardelijke verplichting worden vastgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling is in de plantoelichting voldoende helder uiteengezet dat aan de verplichtingen op grond van artikel 2.1.6 zal worden voldaan. De raad heeft geen aanleiding behoeven te zien alle investeringen in het plan te waarborgen.Verder ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de term natuurlijke materialen zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan dermate onduidelijk en multi-interpretabel is dat de landschappelijke inpassing daarom onvoldoende is geborgd.

11.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening is vastgesteld.

Uitgangspunten MER en andere onderzoeken

12. De vereniging voert verder aan dat in het MER en de overige uitgevoerde onderzoeken niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. De conclusie van de raad dat de milieugevolgen van het plan beperkt zijn is volgens haar dan ook gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Onduidelijk is welke aannames er aan het MER ten grondslag liggen. Voorts sluit het plan volgens de vereniging niet uit dat alle vloeroppervlak binnen het bedrijf zal worden gebruikt voor de rijping, het ompakken, verpakken en opslaan van elders geproduceerde zuivel. In geen van de onderzoeken is uitgegaan van een bedrijfssituatie met een capaciteit waarbij alle vloeroppervlakten in meerdere bouwlagen worden benut voor de op- en overslag van elders geproduceerde zuivelproducten, aldus de vereniging.

12.1. De raad heeft uiteengezet dat de maximale verwerkingscapaciteit duidelijk in de planregels is gewaarborgd. Het rijpen van kazen en het ompakken van zuivelproducten van elders vallen binnen deze gemaximeerde verwerkingscapaciteit, omdat van elders afkomstige zuivel volgens de raad is aan te merken als grondstof. Los daarvan heeft de raad uiteengezet dat de fabriek geheel gericht zijn zal op het produceren van yoghurt, pappen en vla. Een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan brengt volgens de raad met zich dat een deel van het bedrijfsoppervlak voor andere doeleinden wordt gebruikt dan voor koelopslag. Van restruimte voor koelopslag ten behoeve van het rijpen van kazen en het ompakken van andere zuivelproducten zal geen sprake zijn. In de aanvulling op het MER is aangegeven dat in het MER en in de andere onderzoeken is uitgegaan van de in de planregels geborgde maximale verwerkingscapaciteit.

12.2. In de uitspraak van 23 april 2014 heeft de Afdeling overwogen dat de stelling van de vereniging dat het voorziene bedrijfsvloeroppervlak voorzag in ruimere mogelijkheden voor de verwerking en bewerking van grondstoffen dan 40.000 ton per jaar, wat daar ook van zij, niet afdoet aan de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane verwerkingscapaciteit van 40.000 ton grondstoffen per jaar. In het MER was echter uitgegaan van een productiecapaciteit van 40.000 ton per jaar. Gelet hierop oordeelde de Afdeling dat in het MER niet was uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan en dat de mogelijke milieueffecten van het bestemmingsplan plan onvoldoende waren onderzocht in het MER.

12.2.1. Ten behoeve van het plan is door Grontmij het rapport "Uitbreiding Zuivelhoeve, aanvulling op het MER" van 17 maart 2015 (hierna: de aanvulling op het MER) opgesteld. In de aanvulling op het MER staat vermeld dat in het MER veelal wordt gesproken van productiecapaciteit, terwijl in het plan de verwerkingscapaciteit is begrensd. Volgens de aanvulling van het MER is sprake van een verschrijving en is voor de effectbeschrijving van het plan wel degelijk uitgegaan van de maximale verwerkingscapaciteit. Het MER sluit daarom aan bij de maximale mogelijkheden van het plan, zo staat in de aanvulling op het MER vermeld. De vereniging heeft dit niet bestreden. In zoverre bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het MER en de overige onderzoeken niet aansluiten bij hetgeen het plan mogelijk maakt.

12.3. Aan een deel van het perceel aan de Bruninksweg 5a is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aan gewezen gronden bestemd voor een zuivelproductenfabriek met een verwerkingscapaciteit van 40.000 ton/jaar.

Ingevolge artikel 3.4, lid 3.4.1, aanhef en onder a, wordt onder strijdig gebruik in de zin van artikel 7.10 Wro in ieder geval verstaan het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

12.4. Zoals de Afdeling al in de uitspraak van 23 april 2014 heeft geoordeeld doet het feit dat het bedrijfsvloeroppervlak wellicht voorziet in ruimere mogelijkheden niet af aan het feit dat in de planregels de verwerkingscapaciteit is begrensd. Voor zover de vereniging betoogt dat er ten onrechte niet is gekeken naar een situatie waarin alle bedrijfsvloeroppervlak wordt gebruikt voor de opslag van elders geproduceerde zuivel, stelt de Afdeling vast dat het op grond van artikel 3.4, 3.4.1, aanhef en onder a, van de planregels uitsluitend mogelijk is om de gronden met de bestemming "Bedrijf" te gebruiken voor opslag indien dit nodig is voor het gebruik op grond van de bestemming. De opslag van elders geproduceerde producten is derhalve niet toegestaan. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat de opslag van producten ten behoeve van de zuivelfabriek binnen de verwerkingscapaciteit van 40.000 ton/jaar dient te vallen. Gelet op het vorenstaande staat het plan opslag buiten de gemaximeerde verwerkingscapaciteit niet toe. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het MER niet aansluit bij hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. Het betoog faalt.

Verkeer

13. Volgens de vereniging zal het plan leiden tot verkeersoverlast. Zij vreest voor een aantasting van de verkeersveiligheid. De vereniging wijst erop dat het plan een grote verkeersaantrekkende werking heeft, terwijl er onlangs juist verschillende verkeersmaatregelen zijn getroffen om het aantal verkeersbewegingen terug te dringen. Anders dan in de plantoelichting staat vermeld is de route Boortorenweg - Twekkelerweg volgens de vereniging niet de meest geschikte route voor vrachtverkeer van en naar de Zuivelhoeve, vanwege de hoogtebeperking die hier geldt. Voorst wijst zij erop dat de route niet als voorwaardelijke verplichting in de planregels is vervat, zodat het gebruik van deze route volledig afhankelijk is gesteld van de bereidheid van de ondernemers en de vervoerders. In de onderzoeken wordt er ten onrechte vanuit gegaan dat het verkeer hoofdzakelijk via deze route zal rijden.

13.1. Volgens de raad is voldoende duidelijk welke uitgangspunten aan het verkeerskundig onderzoek ten grondslag liggen. In de aanvulling op het MER wordt volgens de raad uiteengezet dat het plan niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Volgens de raad is het voorts niet logisch om ervan uit te gaan dat het vrachtverkeer van en naar De Zuivelhoeve via de Twekkelerbeekweg en de gemeente Enschede zal rijden. De raad heeft voorts uiteengezet dat na de reconstructie van de Bruninksweg een verkeersbesluit zal worden genomen om te verzekeren dat het verkeer niet via de kruising Bruninksweg/Mensinkweg zal rijden.

13.2. In de plantoelichting staat vermeld dat de route Boortorenweg - Twekkelerweg de meest geschikte route is voor (vracht)verkeer van en naar De Zuivelhoeve. Voorts staat in de plantoelichting vermeld dat het gemeentebestuur met De Zuivelhoeve heeft afgesproken dat De Zuivelhoeve alles in het werk stelt om het bedrijfsverkeer via deze route te laten rijden.

Op de aangewezen route zit een hoogtebeperking van 3,8 m vanwege het spoorviaduct in de Boortorenweg.

13.3. In de aanvulling op het MER staat vermeld dat het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan zal toenemen. Het betreft een toename van 182 verkeersbewegingen per etmaal met een aandeel van ongeveer 37% van vrachtverkeer. In Twekkelo is na de realisatie van de verkeersmaatregelen medio 2012 de verkeerscirculatie van vrachtwagens van en naar De Zuivelhoeve gewijzigd. De route via de Twekkelerweg richting Enschede is zeer onaantrekkelijk geworden voor vrachtverkeer. Gelet op de scherpe draai op de kruising Bruninksweg - Twekkelerweg is richting Hengelo naast de Twekkelerweg ook de Mensinkweg voor het vrachtverkeer een veel gebruikte route. In de aanvulling op het MER staat verder vermeld dat in de toekomstige situatie het vrachtverkeer via de verbrede Bruninksweg op de Twekkelerweg zal rijden. De Twekkelerweg is een erftoegangsweg volgens het principe duurzaam veilig met een 60 km per uur regime en fietssuggestiestroken. Het verkeer wordt zo geweerd van de relatief rustige Mensinkweg. Voor de Mensinkweg betekent dit in de toekomstige situatie een verbetering van de verkeersveiligheid (effectbeoordeling +). Het extra verkeer op de Twekkelerweg leidt niet tot overschrijding van de capaciteit van deze weg. In combinatie met de Duurzaam Veilige inrichting is daarmee de verkeersveiligheid volgens de aanvulling op het MER voldoende geborgd. Wel kan er een subjectief gevoel van meer onveiligheid op het wegvak tussen Bruninksweg en Boortorenweg zijn bij met name langzaam verkeer weggebruikers. De effectbeoordeling daarvoor is daarom licht negatief (-/0). De totaalbeoordeling voor Mensinkweg en Twekkelerweg is dan neutraal (0), zo volgt uit de aanvulling op het MER.

13.4. Ten aanzien van de hoogtebeperking vanwege het spoorviaduct in de Boortorenweg heeft De Zuivelhoeve ter zitting uiteengezet dat gebruik wordt gemaakt van vrachtwagens waarvoor deze hoogtebeperking geen probleem is. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hoogtebeperking er niet toe leidt dat het vrachtverkeer noodgedwongen van een andere route gebruik zal moeten maken.

In artikel 9, eerste lid, van de exploitatieovereenkomst staat dat De Zuivelhoeve alles in het werk stelt om het verkeer via de route Bruninksweg, Twekkelerweg en Boortorenweg te laten rijden. Dit betreft een inspanningsverplichting. In zoverre heeft de vereniging terecht gesteld dat niet is gewaarborgd dat het verkeer de gewenste route zal volgen. In het verweerschrift heeft de raad evenwel naar voren gebracht dat na de reconstructie van de Bruninksweg een verkeersbesluit zal worden genomen waarmee wordt verzekerd dat het vrachtverkeer niet via de kruising Bruninksweg/Mesinkweg zal worden afgewikkeld. Ter zitting heeft de raad toegezegd dat de Mesinkweg als eenrichtingsweg zal worden aangewezen. Daarnaast zal op de Bruninksweg met een verkeersbord worden aangegeven dat het vrachtverkeer verplicht rechtsaf moet richting de Twekkelerweg. Verder heeft de raad erop gewezen dat de Twekkelerbeekweg uitsluitend kan worden gebruikt voor bestemmingsverkeer. Ter zitting heeft de raad gesteld dat zal worden bezien of dit met een aanduiding voor het verkeer kan worden aangegeven. Gelet op de toezegging van de raad dat de voornoemde verkeersmaatregelen zullen worden getroffen om het verkeer zo veel mogelijk via de route Boortorenweg - Twekkelerweg te laten rijden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat er in het MER niet van kon worden uitgegaan dat het verkeer van en naar De Zuivelhoeve hoofdzakelijk van deze route gebruik zal maken. Gelet op hetgeen in de aanvulling op het MER is opgenomen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Het betoog faalt.

Akoestische gevolgen

14. De vereniging betoogt dat niet inzichtelijk is of voor de nabijgelegen woningen de wettelijke grenswaarden van 35 dB(A) in gevoelige gebouwen kan worden gewaarborgd, omdat volgens haar in het akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Hiertoe voert zij aan dat ten onrechte alleen de geluidbelasting voor de Bruninksweg is berekend. Voorts is er ten onrechte vanuit gegaan dat ter plaatse een maximum snelheid van 35 km/u geldt. De vereniging betoogt verder dat geen rekening is gehouden met optrekkende, remmende en op volle snelheid remmende voertuigen. Evenmin is rekening gehouden met waarschuwingssignalen van achteruitrijdende voertuigen. Voorts is onvoldoende gemotiveerd waarom er is gerekend met een minimaal aantal verkeersbewegingen in de nacht- en avondperiode. De vereniging voert verder aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een overschrijding van 20 dB van de gemeentelijke voorkeursgrenswaarde voor de woning aan de Bruninksweg 11 wordt geaccepteerd en is de aanname van het aantal warme dagen waarop de koelinstallaties op vol vermogen zullen draaien niet onderbouwd. Daarnaast betoogt zij dat de voorwaardelijke verplichting die in artikel 4, lid 4.3.1, onder b, van de planregels in verband met de te hoge geluidbelasting op de woning aan de Bruninksweg 11 is opgenomen, niet aanvaardbaar en niet uitvoerbaar is.

14.1. Volgens de raad volgt uit de aanvulling op het MER en het geactualiseerde akoestische onderzoek dat het plan voldoet aan de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar inrichtingen". De raad heeft uiteengezet dat op het terrein van De Zuivelhoeve een maximale snelheid van 60 km per uur niet haalbaar is. De gevolgen van het plan voor de geluidbelasting zijn op de Twekkelerweg niet berekend, omdat de raad meent dat het verkeer daar zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Voorts heeft de raad naar voren gebracht dat in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met het remmen en optrekken van vrachtwagens en het waarschuwingssignaal voor het achteruitrijden van vrachtwagens. De verkeersgegevens zijn aan de hand van de huidige verkeersintensiteiten geactualiseerd. Een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden brengt met zich dat een verdeling is gemaakt van het verkeer over de verschillende perioden van de dag. Het verkeer dat ’s avonds en ’s nachts van en naar De Zuivelhoeve rijdt zal volgens de raad beperkt zijn. Verder heeft de raad uiteengezet dat op basis van de klimatologische gegevens van het KNMI is beoordeeld dat op minder dan 12 dagen per jaar de temperatuur boven de 30 graden zal uitstijgen.

14.2. In de plantoelichting staat dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan aansluiting is gezocht bij de Nota geluid die is vastgesteld op 10 februari 2009 door het college van burgemeester en wethouders (hierna: de Nota geluid). Voor het gebiedstype "Buitengebied en stadsparken" gelden volgens de nota geluid voor industrielawaai de volgende ambitie- en plafondwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: ambitiewaarde 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode en de plafondwaarden 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond en nachtperiode. In de Nota geluid staat verder dat ten aanzien van de maximale geluidniveaus wordt gest[appellant sub 2]d naar waarden die niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige equivalente geluidniveau uitkomen. Indien daaraan niet wordt voldaan mogen de maximale geluidniveaus niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode, zo volgt uit de Nota geluid.

14.3. Ten behoeve van het plan is door Grontmij het rapport "uitbreiding de Zuivelhoeve, akoestisch onderzoek" van 17 maart 2015 (hierna: het akoestisch onderzoek) opgesteld. In het akoestisch onderzoek staat dat het gehele gebied rond De Zuivelhoeve wordt beschouwd als "buitengebied en stadsparken" zoals bedoeld in de Nota geluid. Aan de hand van de voorschriften van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai is de geluidbelasting ten gevolge van De Zuivelhoeve voor de omgeving berekend. Voor de Bruninksweg is uitgegaan van een maximale snelheid van 40 km per uur. In het akoestisch onderzoek staat vermeld dat in de representatieve bedrijfssituatie voor het langtijdbeoordelingsniveau voor één woning niet kan worden voldaan aan de ambitiewaarde uit de Nota geluid. Wel kan worden voldaan aan de plafondwaarden. Het blijkt niet mogelijk om met maatregelen aan de streefwaarden te voldoen. Voor de piekgeluidniveaus worden zowel de streefwaarden als de maximaal vergunbare waarden overschreden. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door het rem- en optrekgedrag van de vrachtwagens bij de inrichting. Er zullen maatregelen worden getroffen om aan de Nota geluid te kunnen voldoen. Verder wordt via instructies aan het personeel onnodig piekgeluid zo veel mogelijk voorkomen, zo staat in het akoestisch onderzoek. In de incidentele bedrijfssituatie - met de koelinstallaties op 100% vermogen - die minder dan 12 keer per jaar voorkomt, zal de ambitiewaarde van 45 dB bij de drie woningen worden overschreden. Het betreft een overschrijding van de ambitiewaarde van maximaal 3 dB. Wel kan worden voldaan aan de plafondwaarde. Nu de overschrijding gering is en in beperkte mate voorkomt, kunnen maatregelen volgens het akoestisch onderzoek niet als doelmatig worden beschouwd.

14.4. Ten aanzien van het betoog dat de binnenwaarde van 35 dB(A) bij de nabijgelegen woningen onvoldoende is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat toetsing aan de binnenwaarde in beginsel alleen van belang is indien de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op de gevel voor gevoelige gebouwen wordt overschreden. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde voor langtijdgemiddelde geluidniveaus niet wordt overschreden. Voor zover de vereniging betoogt dat alleen de geluidbelasting voor de Bruninksweg is berekend, overweegt de Afdeling dat ook voor de percelen Twekkelerweg 347, 350, 351, 352, 353 en 356 en Mensinkweg 80 berekeningen van de geluidbelasting hebben plaatsgevonden. De indirecte hinder is in eerste instantie beoordeeld voor de woningen tot aan de kruising van de Bruninksweg met de Twekkelerweg. In het akoestisch onderzoek staat vermeld dat het verkeer daarna zal worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid is er voor gekozen ook de indirecte hinder te beoordelen voor de woningen aan de Twekkelerweg tot aan 60 m vanaf het kruispunt. Na 60 m heeft al het verkeer na het afremmen en optrekken bij het kruispunt de maximale snelheid bereikt. Het betoog van de vereniging dat uitsluitend de geluidbelasting voor de woningen aan de Bruninksweg is beoordeeld, mist derhalve feitelijke grondslag.

14.5. Ten aanzien van het betoog dat geen rekening is gehouden met optrekkende en op volle snelheid remmende voertuigen heeft de raad uiteengezet dat deze geluidbronnen bij het akoestisch onderzoek zijn betrokken. De indirecte hinder is gemodelleerd met een gedifferentieerde snelheid. Voor de Bruninksweg is daarbij uitgegaan van een maximale snelheid van 40 km per uur, omdat de afstand tussen de inrichting en het kruispunt dusdanig kort is dat de vrachtwagens de snelheid van 60 km per uur niet zullen halen. Voor de Twekkelerweg is wel uitgegaan van een maximale snelheid van 60 km per uur. Uit het akoestisch onderzoek volgt voorts dat op het terrein van de inrichting ook rekening is gehouden met het tot stilstand komen en optrekken van vrachtwagens. Het betoog faalt.

14.6. Ten aanzien van het betoog dat geen rekening is gehouden met de waarschuwingssignalen van vrachtwagens staat in het akoestisch onderzoek vermeld dat het achteruit manoeuvreren van vrachtwagens gepaard gaat met een achteruitrijsignaal dat als tonaal kan worden beoordeeld. Om rekening te houden met deze tonaliteit is bij het berekenen van de geluidbelasting een toeslag gehanteerd. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de waarschuwingssignalen van vrachtwagens. Het betoog faalt.

14.7. Met betrekking tot de verkeersbewegingen in de avond- en nachtperiode staat in het akoestisch onderzoek vermeld dat is uitgegaan van een 24-uurs productie. In bijlage 1 bij de aanvulling op het MER is de verdeling van het aantal verkeersbewegingen voor de dag-, avond- en nachtperiode weergegeven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van de verkeersbewegingen in zoverre onjuist zijn. Het betoog faalt.

14.8. Ten aanzien van koelinstallaties staat in het akoestisch onderzoek vermeld dat het incidenteel kan voorkomen dat de koelingen draaien op een grotere capaciteit dan in de representatieve bedrijfssituatie. Dit gebeurt op tropische dagen met temperaturen boven de 30 graden. Gelet op langjarige klimatologische gegevens van het KNMI treedt dit minder dat 12 keer per jaar op. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de incidentele bedrijfssituatie waarbij de koelinstallaties op vol vermogen draaien niet meer dan 12 keer per jaar zal optreden. Het betoog faalt.

14.9. Met betrekking tot de woning aan de Bruninksweg 11 stelt de Afdeling vast dat de gemeentelijke ambitiewaarde uit de Nota geluid hier wordt overschreden. In de planregels is voor deze woning een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Ingevolge artikel 3.4.1, onder b, van de planregels wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving voor zover de ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan bestaande woonfunctie op het perceel aan de Bruninksweg 11 niet is beëindigd en beëindigd zal blijven.

In de plantoelichting staat vermeld dat door middel van de sanering van de woonfunctie wordt beoogd tegemoet te komen aan de Nota geluid. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat een bestemmingsplanwijziging zal worden vastgesteld om aan het perceel aan de Bruninksweg 11 een andere bestemming toe te kennen. Voorts heeft de raad ter zitting uiteengezet dat met de bewoonster aan de Bruninksweg 11 overeenstemming is bereikt omtrent het beëindigen van de woonfunctie. Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling op voorhand geen grond voor het oordeel dat de in artikel 3.4.1, onder b, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting niet uitvoerbaar is. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorwaardelijke verplichting niet aanvaardbaar is. Met de voorwaardelijke verplichting wordt immers niet het gebruik als "Wonen" van het perceel aan de Bruninksweg 11 beëindigd, maar wordt slechts de voorwaarde gesteld dat de uitbreiding van De Zuivelhoeve in gebruik mag worden genomen op het moment dat de woonfunctie is beëindigd. Gelet op de voorwaardelijke verplichting heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende is gewaarborgd dat het plan niet in strijd is met de Nota geluid. Het betoog faalt.

Natura 2000

15. De vereniging betoogt verder dat uit de passende beoordeling volgt dat het plan een toename van 0,01 mol/ha/jr. veroorzaakt op het Natura 2000-gebied Lonnekermeer. Nu sprake is van een overbelaste situatie kan elke toename significante effecten hebben. Volgens de vereniging is onvoldoende zeker dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

15.1. De raad heeft uiteengezet dat nader onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het plan leidt tot een toename van 0,01 mol N/ha/jr. Deze zeer beperkte toename staat volgens de raad niet aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in de weg.

15.2. In rechtsoverweging 10.6 van de uitspraak van 23 april 2014 heeft de Afdeling geoordeeld dat het plan in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) was vastgesteld, omdat ten onrechte geen passende beoordeling aan het bestreden besluit ten grondslag was gelegd. Hiertoe overwoog de Afdeling dat de stikstofdepositie en daarmee de maximale belasting op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" toeneemt als gevolg van het bestemmingsplan toenam.

15.3. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

15.4. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 5 tot 10 km van de Natura 2000-gebieden "Lonnekermeer", "Buurserzand en Haaksbergerveen", "Witte Veen", "Aamsveen" en "Boddenbroek".

15.5. Ten behoeve van het plan is door Grontmij het rapport Passende beoordeling, Ecologische beoordeling stikstofdepositie Zuivelhoeve" van 16 maart 2015 (hierna: de passende beoordeling) opgesteld. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat het plan leidt tot een beperkte toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Lonnekermeer. Op de voor stikstofgevoelige habitattypen bedraagt de maximale toename 0,01 mol/ha/jr. Deze toename is volgens de passende beoordeling zeer gering en bedraagt een verwaarloosbaar percentage van de kritische depositiewaarden, te weten 0,001 - 0,002%. In het Natura 2000-gebied worden momenteel en in de komende jaren maatregelen uitgevoerd waardoor de hydrologische situatie in het gebied sterk zal verbeteren. Hierdoor zullen de habitattypen volgens de passende beoordeling minder gevoelig worden voor stikstof. De zeer geringe toename ten gevolge van het plan zal er niet toe leiden dat deze maatregelen minder effectief worden, zo staat in de passende beoordeling vermeld. Het plan heeft volgens de passende beoordeling dan ook geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen waarvoor het gebied is aangegeven. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de passende beoordeling niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet op hetgeen in de passende beoordeling is opgenomen heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer niet door het plan zullen worden aangetast. Het betoog faalt.

Economische uitvoerbaarheid

16. De vereniging betoogt dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is onderzocht.

17. De raad stelt dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2014 reeds heeft geoordeeld dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd en dat thans gaan aanleiding bestaat daar anders over te oordelen.

18. In de plantoelichting staat vermeld dat de voorgenomen ontwikkeling een initiatief is van De Zuivelhoeve. De kosten die verband houden met de bestemmingsplanherziening, evenals de uitvoering van het plan, komen voor rekening van dit bedrijf. Met De Zuivelhoeve is hierover een exploitatieovereenkomst gesloten. In de plantoelichting staat vermeld dat in verband hiermee kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. Nu het kostenverhaal anderszins is verzekerd, is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan economisch uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

Verdere uitbreiding

19. Tot slot vreest de vereniging voor een verdere uitbreiding van De Zuivelhoeve. Volgens hen heeft De Zuivelhoeve niet willen toezeggen dat het bedrijf niet nog verder zal uitbreiden. Volgens hen zal een verdere uitbreiding hun woon- en leefklimaat aantasten.

19.1. De Afdeling overweegt dat thans het plan zoals dat is vastgesteld ter beoordeling voorligt. Eventuele verdere uitbreidingen in de toekomst, maken geen deel uit van het onderhavige plan en dienen derhalve buiten beschouwing te blijven. Het betoog faalt.

Conclusie

20. Het beroep van de vereniging is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de vereniging Vereniging Behoud Twekkelo ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Van Sloten
voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016

575.