Uitspraak 201504600/1/V1

Datum van uitspraak: dinsdag 29 maart 2016
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Regulier
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:945

201504600/1/V1.
Datum uitspraak: 29 maart 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling 1] en
2. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 mei 2015 in zaken nrs. 14/29136, 14/25505, 14/26668, 14/26670, 14/25504 en 14/26745 in het geding tussen:

vreemdeling 1,
[vreemdeling 2],
[vreemdeling 3] en [vreemdeling 4]. en [vreemdeling 5], en [vreemdeling 6]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Vreemdeling 1 
Bij brief van 23 oktober 2014 heeft de staatssecretaris gereageerd op een door vreemdeling 1 bij brief van 21 juli 2014 ingediend zogenoemd kennisgevingsformulier.

Bij besluit van 9 december 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door vreemdeling 1 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en geweigerd de in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door vreemdeling 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft vreemdeling 1 hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vreemdelingen 2 en 3-5
Bij brieven van 10 en 18 juli 2014 heeft de staatssecretaris gereageerd op verzoeken van vreemdelingen 2 en 3-5 om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij besluiten van 15 oktober 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de daartegen door vreemdelingen 2 en 3-5 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij eerder vermelde uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank de daartegen door vreemdelingen 2 en 3-5 ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, de met besluiten gelijkgestelde schriftelijke weigeringen om besluiten te nemen in de brieven van 10 en 18 juli 2014 herroepen en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de verzoeken van vreemdelingen 2 en 3-5 neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroepen ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

Vreemdelingen 2 en 3-5 hebben verweerschriften ingediend.

Vreemdeling 6
Bij brief van 19 augustus 2014 heeft de staatssecretaris gereageerd op een verzoek van vreemdeling 6 om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Bij besluit van 4 november 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door vreemdeling 6 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij eerder vermelde uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door vreemdeling 6 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, de met een besluit gelijkgestelde schriftelijke weigering om een besluit te nemen in de brief van 19 augustus 2014 herroepen en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het verzoek van vreemdeling 6 neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vreemdeling 6 heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2016, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, vreemdelingen 1 en 6, bijgestaan door mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, en vreemdelingen 2 en 3-5, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

In de hoger beroepen van de staatssecretaris

1.1. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verzoeken van vreemdeling 2 van 24 (lees: 23) juni 2014, vreemdelingen 3-5 van 20 juni 2014 en vreemdeling 6 van 18 april 2014 om verlening van een reguliere verblijfsvergunning dan wel toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, aanvragen zijn in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De staatssecretaris voert aan dat de wetgever in de artikelen 24 en 66 van de Vw 2000 de mogelijkheid heeft geboden om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de procedure voorafgaand aan het indienen van een aanvraag en dat de artikelen 3.99a en 6.1c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) op die bepalingen van de Vw 2000 zijn gebaseerd. Nu vreemdelingen 2, 3-5 en 6 hem niet voorafgaand aan voormelde verzoeken te kennen hebben gegeven een zodanige aanvraag te willen indienen, hebben zij niet aan het vereiste in artikel 3.99a dan wel 6.1c van het Vb 2000 voldaan, zodat die verzoeken geen aanvragen zijn in de zin van de Awb, aldus de staatssecretaris.

1.2. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 4:1 wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Ingevolge artikel 4:4 kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de toepassing van de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3.99a, eerste en tweede lid, van het Vb 2000 wordt in de nader in deze artikelleden aangegeven gevallen de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag te willen indienen.

Ingevolge artikel 6.1c, eerste lid, wordt een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanig verzoek te willen indienen.

1.3. Anders dan de staatssecretaris betoogt, blijkt uit de tekst noch geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 24 en 66 van de Vw 2000 dat de wetgever met die bepalingen heeft beoogd de mogelijkheid te bieden om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen die afwijken van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De artikelen 4:1 en 4:4 van de Awb bieden evenmin een grondslag voor het stellen van zulke regels. Nu ook overigens geen wettelijke grondslag bestaat voor het vereiste in de artikelen 3.99a en 6.1c van het Vb 2000 dat een vreemdeling in de daarin bepaalde gevallen geen aanvraag kan indienen dan nadat hij schriftelijk, op de daartoe nader bepaalde wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag te willen indienen, verdraagt dat vereiste zich niet met artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat vreemdelingen 2, 3-5 en 6 niet aan dat vereiste hebben voldaan, betekent daarom niet dat hun verzoeken geen aanvragen zijn in de zin van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de verzoeken van vreemdelingen 2, 3-5 en 6 om verlening van een reguliere verblijfsvergunning dan wel toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, aanvragen zijn in de zin van de Awb. Dat die aanvragen wellicht niet volledig zijn, had de staatssecretaris aanleiding kunnen geven de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb aangegeven weg te volgen. Van die mogelijkheid heeft de staatssecretaris echter geen gebruik gemaakt.

De grieven falen.

In het hoger beroep van vreemdeling 1

2. In zijn grief klaagt vreemdeling 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het door hem ingediende zogenoemde kennisgevingsformulier niet kan worden opgemaakt dat het een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb betreft, dat de door de staatssecretaris bij brief van 23 oktober 2014 gegeven reactie op die kennisgeving daarom geen besluit is en de staatssecretaris het door hem tegen die brief gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vreemdeling 1 voert aan dat hij de staatssecretaris in zijn brief van 21 juli 2014 en het daarbij overgelegde kennisgevingsformulier heeft verzocht om artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen, zodat hij daarmee een aanvraag in de zin van de Awb heeft ingediend. Volgens vreemdeling 1 heeft de staatssecretaris hem in reactie op die aanvraag dan ook ten onrechte en in strijd met artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bij brief van 23 oktober 2014 meegedeeld dat hij zijn zaak administratief heeft afgesloten.

2.1. Bij brief van 21 juli 2014 heeft vreemdeling 1 een ingevuld kennisgevingsformulier als bedoeld in paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 bij de staatssecretaris ingediend. Uit dat formulier blijkt dat vreemdeling 1 wil dat hem uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000 wordt verleend. Daarmee verzoekt vreemdeling 1 de staatssecretaris om een besluit te nemen. Dat in de op het eerste blad van het formulier opgenomen toelichting voor het gebruik ervan is vermeld dat het geen aanvraag is maar alleen de aankondiging daarvan, kan daaraan niet afdoen. Met het door hem ingediende formulier heeft vreemdeling 1 derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb gedaan. Dat die aanvraag wellicht niet volledig is, had de staatssecretaris aanleiding kunnen geven de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb aangegeven weg te volgen. Bij brief van 23 oktober 2014 heeft de staatssecretaris de aanvraag echter administratief afgesloten. Daarmee heeft de staatssecretaris schriftelijk geweigerd een besluit te nemen op de aanvraag van vreemdeling 1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt die weigering voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.

Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris zich in het besluit van 9 december 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tegen de brief van 23 oktober 2014 geen bezwaar mogelijk was en het bezwaar van vreemdeling 1 ten onrechte om die reden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend.

De grief slaagt.

Conclusie

3. De hoger beroepen van de staatssecretaris zijn ongegrond. Het hoger beroep van vreemdeling 1 is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep van vreemdeling 1 tegen het besluit van 9 december 2014 ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van vreemdeling 1 tegen het besluit van 9 december 2014 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vernietigen. Gezien hetgeen in 2.1 is overwogen zal de Afdeling voorts de met een besluit gelijkgestelde brief van 23 oktober 2014 herroepen en de staatssecretaris krachtens artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb opdragen binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de door vreemdeling 1 ingediende aanvraag om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.

4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat vreemdelingen 1 en 6 ter zitting bij de Afdeling op 25 januari 2016 door dezelfde gemachtigde zijn bijgestaan. Ook is in aanmerking genomen dat vreemdelingen 2 en 3-5 op die zitting door dezelfde gemachtigde zijn vertegenwoordigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het door vreemdeling 1 ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 mei 2015 voor zover deze betrekking heeft op nr. 14/29136;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2014, V-nr. […];

V. herroept de met een besluit gelijkgestelde brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 oktober 2014, V-nr. […];

VI. draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de door vreemdeling 1 ingediende aanvraag om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij vreemdeling 1 in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2480,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij vreemdeling 2 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij vreemdelingen 3-5 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij vreemdeling 6 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan vreemdeling 1 het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van beroep vergoedt;

XIII. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016

488-787.