Uitspraak 201600574/1/A2

Datum van uitspraak: woensdag 23 maart 2016
Tegen: de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Onderwijs
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:799

201600574/1/A2.
Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Kerobei Stichting voor Katholiek en Openbaar Primair Onderwijs in de gemeenten Beesel, Maasbree en Venlo, gevestigd te Venlo,
appellante,

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad van de gemeente Peel en Maas een plan van scholen vastgesteld waarin een openbare school in Maasbree, te starten op 1 augustus 2016, is opgenomen.

Bij besluit van 16 december 2015 heeft de staatssecretaris het plan van scholen van de raad van Peel en Maas goedgekeurd.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De gemeenteraad heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2016. Daar zijn de stichting, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, en H.P.C. Hovens en J.H.A. Soentjes, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs, en J.H. den Heijer, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. V.G.A. Kellenaar, werkzaam bij bureau Leeuwendaal, en dr. R.F.H. Janssen, wethouder, en drs. B.P. Timmers, werkzaam bij de gemeente, verschenen.

Overwegingen

aanleiding

1. De gemeente Peel en Maas bestaat uit, onder meer, de kernen Panningen, Maasbree en Baarlo.

De gemeenteraad heeft in het plan van scholen 2015-2017 (lees: 2015-2018) een openbare school in Maasbree opgenomen op grond van een directe meting. De staatssecretaris heeft aan dit plan van scholen goedkeuring onthouden, omdat de gemeenteraad geen bijzondere omstandigheden had gesteld op grond waarvan van de indirecte meting moest worden afgeweken. De Afdeling heeft bij uitspraak van 8 april 2015 in zaak nr. 201500666/1/A2 het beroep van de gemeenteraad tegen dit besluit van de staatssecretaris ongegrond verklaard.

De gemeenteraad heeft in het plan van scholen 2016-2019 opnieuw een openbare school in Maasbree opgenomen op grond van dezelfde directe meting. De gemeenteraad heeft daarbij als bijzondere omstandigheid aangemerkt dat in Panningen, dat volgens de gemeenteraad wat betreft bevolkingssamenstelling gelijk is aan de gemeente als geheel, een openbare school en een katholieke school zijn gefuseerd tot een openbare school waardoor het belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs in Panningen aanmerkelijk is gestegen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad de groei van het belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs in Panningen heeft mogen aanmerken als bijzondere omstandigheid op grond waarvan de directe meting aan de belangstelling voor de openbare school in Maasbree ten grondslag mocht worden gelegd.

De stichting exploiteert in Maasbree een katholieke basisschool, ‘De Violier’. De stichting vreest dat door de oprichting van een openbare school in een krimpregio minder leerlingen haar school zullen bezoeken.

beroep van de stichting

2. Tussen partijen is niet in geschil dat volgens de indirecte meting onvoldoende leerlingen de door de gemeenteraad gewenste school zullen bezoeken. In geschil is of de directe meting ten grondslag mag worden gelegd aan het plan van scholen 2016-2019 en of daarbij voldoende rekening is gehouden met de belangen van de stichting.

nieuwe feiten

3. De stichting betoogt dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordoen en dat hij het herhaalde verzoek van de gemeenteraad om goedkeuring van het plan van scholen reeds daarom had moeten afwijzen.

3.1. De gemeenteraad is ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de Wpo) gehouden elk jaar voor 1 augustus een plan van scholen vast te stellen. Het plan behoeft ingevolge deze bepaling de goedkeuring van de staatssecretaris. In artikel 79, vierde lid, van de Wpo zijn de gronden waarop de staatssecretaris de goedkeuring kan onthouden, limitatief vastgesteld. Gelet op dit wettelijk stelsel is geen sprake van een herhaalde aanvraag van de gemeenteraad of een terugkomen van een in rechte onaantastbaar besluit door de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft dan ook terecht beoordeeld of het plan van scholen en de daaraan ten grondslag liggende prognose voldoen aan de wettelijke vereisten.

Het betoog faalt.

directe meting

4. De stichting betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gemeenteraad een directe meting aan de plaatsing op het plan van scholen ten grondslag mocht leggen. De indirecte meting is het uitgangspunt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. De fusie in Panningen van een katholieke en een openbare basisschool tot een openbare basisschool, is geen bijzondere omstandigheid. Deze fusie wijst, anders dan de gemeenteraad stelt, uit dat niet in groten getale wordt gekozen voor het openbaar onderwijs.

4.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2007 in zaak nr. 200604145/1 overwogen dat de directe meting slechts een beperkte aanvullende rol heeft, voor het geval dat het gemeentelijk belangstellingspercentage onvoldoende gegevens oplevert voor de bepaling van de behoefte. Dit kan onder meer het geval zijn indien aannemelijk is dat de bevolkingssamenstelling van het voedingsgebied aanzienlijk afwijkt van die van de gemeente als geheel. Voorts heeft de Afdeling overwogen in de tussen partijen gewezen uitspraak van 8 april 2015, dat de wet ervan uit gaat dat het op basis van de indirecte meting te bepalen belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs kan worden gebaseerd op een of meerdere scholen van die richting binnen de gemeente.

4.2. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt dat voor het plan van scholen 2016-2019 een directe meting gerechtvaardigd is, in het bijzonder ten grondslag gelegd dat in Panningen, door een fusie van een openbare en bijzondere school tot een openbare school, het belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs is gestegen van 15,15 procent naar 38,5 procent. Ook in Baarlo is het belangstellingspercentage met 26,9 procent wezenlijk hoger dan het gemeentelijk belangstellingspercentage. Omdat Maasbree in bevolkingssamenstelling niet afwijkt van Baarlo en Panningen, levert het gemeentelijk belangstellingspercentage van 9,4 procent onvoldoende gegevens op voor de bepaling van de behoefte aan openbaar onderwijs.

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs in de gemeente Peel en Maas zodanig afwijkt van de belangstellingspercentages in de voedingsgebieden van de scholen in Panningen (38,5 procent) en Baarlo (26,9 procent), dat het gemeentelijk belangstellingspercentage van 9,4 procent onvoldoende gegevens oplevert voor de behoefte aan een openbare school in Maasbree, dat wat betreft bevolkingssamenstelling niet wezenlijk afwijkt van Panningen en Baarlo. De staatssecretaris is daarbij terecht uitgegaan van de actuele belangstellingscijfers in Panningen. De stelling van de stichting dat vanwege de fusie zou moeten worden aangenomen dat de belangstelling voor openbaar onderwijs in Panningen veel lager ligt dan 38,5 procent, blijkt niet uit de overgelegde gegevens en is dientengevolge niet aannemelijk gemaakt.

4.3. Volgens de directe meting die voor Maasbree is uitgevoerd, zou het belangstellingspercentage voor openbaar onderwijs 48 procent bedragen. Hoewel dit percentage aanzienlijk hoger ligt dan dat voor het openbaar onderwijs in de gemeente Peel en Maas wijkt het niet zodanig af van de belangstellingspercentages voor Panningen en Baarlo dat daaruit een contra-indicatie met betrekking tot de betrouwbaarheid van de directe meting voor Maasbree afgeleid kan worden.

5. De stichting betoogt voorts dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat, voor zover mag worden uitgegaan van de directe meting, uit deze meting niet blijkt dat binnen de termijn een voldoende aantal leerlingen de school zal bezoeken. De oprichting van een openbare school is dan ook niet-doelmatig.

5.1. Anders dan de stichting betoogt, blijkt genoegzaam uit de directe meting dat binnen de termijn een voldoende aantal leerlingen de school zal bezoeken. Dat de openbare school wordt opgericht in een krimpregio maakt dit niet anders, nu daarmee bij het bepalen van de basisgeneratie in de periode aan de orde reeds rekening is gehouden. Nu de openbare school in Maasbree voldoet aan de wettelijke vereisten, moet deze als doelmatig worden beschouwd.

Het betoog faalt.

belangenafweging

6. Ten slotte betoogt de stichting dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat de gemeenteraad de belangen van de stichting onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Het kennelijke oogmerk van de gemeenteraad om de nieuwe huisvesting van De Violier te claimen voor de nieuw op te richten openbare school is kennelijk onevenredig en voorts in strijd met de tussen de gemeenteraad en de stichting gesloten realisatieovereenkomst.

6.1. Het betoog faalt. Er is geen wettelijke bepaling die de gemeenteraad de vrijheid geeft de door het college van burgemeester en wethouders gevraagde plaatsing op het plan van scholen te weigeren, indien uit de prognose blijkt dat aan de stichtingsnorm is voldaan. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de belangen van de stichting als zodanig geen rol spelen bij de beoordeling van het verzoek tot opneming in het plan van scholen.

conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de openbare school voor Maasbree op het plan van scholen 2016-2019 blijft staan.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Slump w.g. Rijsdijk
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

362.