Uitspraak 201505864/1/A2

Datum van uitspraak: woensdag 13 januari 2016
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland
Proceduresoort: Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
Rechtsgebied: Monumenten
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:37

201505864/1/A2.
Datum uitspraak: 13 januari 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Maasland, gemeente Midden-Delfland,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2015 in zaak nr. 14/11080 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft het college de woning van [appellant] aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 31 mei 2013 met aanvullende motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door G.W. de Bruin, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1] te Maasland, waarop een voormalige zogenoemde ouderwoning staat die in het verleden behoorde bij de naastgelegen boerderij "[...]", thans [locatie 2]. Het college heeft [locatie 1] aangewezen tot gemeentelijk monument. [appellant] kan zich in die aanwijzing niet vinden.

2. In 1992 is het landelijk Monumenten Inventarisatie Project uitgevoerd waarin onder meer [locatie 2] (aangeduid als [...]) is opgenomen. In 2003 is in het kader van de Monumenteninventarisatie Gemeente Maasland voor [locatie 2] een redengevende beschrijving opgesteld. Op 15 oktober 2004 heeft het college de eigenaar van [locatie 2] in kennis gesteld van het voornemen het perceel aan te wijzen tot gemeentelijk monument. Deze heeft in zijn zienswijze onder meer gesteld dat delen van de redengevende beschrijving zien op de ouderwoning [locatie 1], die niet aan hem toebehoort.

Het college heeft in 2012 de Werkgroep Erfgoed (hierna: de werkgroep) advies gevraagd over de aanwijzing tot monument. De werkgroep heeft op 16 oktober 2012 en 19 maart 2013 advies uitgebracht. Bij beide adviezen is een redengevende beschrijving gevoegd. In het advies van 16 oktober 2012 heeft de werkgroep gesteld dat [locatie 1] op zichzelf niet monumentwaardig is, maar wel als onderdeel van het ensemble, dat daarnaast bestaat uit [locatie 2] en 2b. Bij het advies van 19 maart 2013 heeft de werkgroep gesteld dat [locatie 1] ook een eigen monumentale waarde heeft. De werkgroep heeft daarom geadviseerd voor elk onderdeel van het ensemble een eigen redengevende beschrijving te maken en [locatie 1] aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Het college heeft het advies van 19 maart 2013 en de daarbij behorende redengevende beschrijving ten grondslag gelegd aan het besluit van 31 mei 2013.

3. Naar aanleiding van het door [appellant] tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft de bezwaarschriftencommissie Midden-Delfland advies uitgebracht aan het college. De bezwaarschriftencommissie heeft daarbij overwogen dat onduidelijk is waarom de werkgroep, anders dan voorheen, zich op het standpunt heeft gesteld dat [locatie 1] een eigen monumentale waarde heeft. De werkgroep heeft dit standpunt niet nader gemotiveerd. Het advies kon daarom niet ten grondslag worden gelegd aan het aanwijzingsbesluit. De bezwaarschriftencommissie heeft verder overwogen dat de redengevende beschrijving van de ensemblewaarde en de toelichting daarop voornamelijk feitelijke en bouwtechnische gegevens bevatten. De bijzondere waarde van het ensemble is erg summier beschreven en bovendien niet nader uitgewerkt in de toelichting. De stukken bieden geen inzicht in de redenen waarom [locatie 2], [..] en [.] als ensemble worden gezien en gezamenlijk als gemeentelijk monument zijn aangewezen. De bezwaarschriftencommissie heeft geconcludeerd dat ook deze stukken niet ten grondslag kunnen liggen aan het aanwijzingsbesluit.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de werkgroep de redengevende beschrijving herzien. De bezwaarschriftencommissie heeft daarover opgemerkt dat wel de redengevende beschrijving is aangepast, maar niet de toelichting daarop. De toevoegingen aan de redengevende beschrijving zijn niet nader gemotiveerd. Verder zijn de monumentale interieurelementen van [locatie 1] niet nader benoemd, gewaardeerd en toegelicht. Ook zijn de toelichting en motivering niet aangevuld ten aanzien van de waterlopen en de terreinhoogte, zoals door de werkgroep zelf eerder wel was geadviseerd. De bezwaarschriftencommissie is tot de slotsom gekomen dat het aanwijzingsbesluit niet kan worden gedragen door de motivering die daaraan ten grondslag ligt en heeft het college geadviseerd het aanwijzingsbesluit te herroepen.

4. Het college heeft het aanwijzingsbesluit in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie gehandhaafd. Het heeft aan het besluit van 27 oktober 2014 een nader advies van de werkgroep van 16 september 2014 ten grondslag gelegd. Ook heeft Stad&Streek Cultuurhistorie een op onderdelen aangevulde redengevende beschrijving met toelichting opgesteld, die eveneens ten grondslag is gelegd aan het besluit.

In het nader advies is uiteengezet dat [locatie 1] functioneel deel uitmaakt van het voormalig agrarisch complex [...] en de monumentale waarden van het ensemble en de eigen monumentale waarden beschermd dienen te worden met een monumentale status. Over de eigen monumentale waarden is opgemerkt dat in het gebouw activiteiten werden uitgevoerd die behoorden tot de agrarische bedrijfsvoering, zoals het bereiden van zuivelproducten in de boenhoek. De melkkelder is nog aanwezig en herinnert aan die activiteiten. Verder is de oorspronkelijke ouderwoning nog als bouwmassa te herkennen doordat de dragende wanden en de kap nog aanwezig zijn. De oorspronkelijke indeling is nog afleesbaar aan de bouwsporen van de woningen die verwijderd zijn. Voorts is de gevelindeling van de kopgevels nog intact. De gepleisterde gevels zijn typisch voor de negentiende eeuw en doen geen afbreuk aan de agrarische uitstraling van de woning. Daarnaast zijn ouderwoningen als [locatie 1] zeldzaam in Midden-Delfland en herinneren deze aan de bijzondere bewoningsgeschiedenis. Ten slotte is het complex [...] ontstaan op een uitloop van een kreekrug, wat typerend is voor historische boerderijen in Midden-Delfland. De waterlopen die het erf begrenzen maken deel uit van de cultuurhistorische, landschappelijke waarden van het ensemble. Een deel van die waterlopen ligt bij [locatie 1].

In de aangevulde redengevende beschrijving is gewezen op het interieur van de ouderwoning, bestaande uit de nog aanwezige kleine kelder, een steile trap in het midden van de huidige grote woonkamer en sporen op de balklaag. Verder is gewezen op het ensemble en de ligging daarvan. In de toelichting op de redengevende beschrijving is de waarde van verschillende aspecten nader uiteengezet.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de besluitvorming van het college geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt. Daartoe voert hij aan dat als hij bij de koop van [locatie 1] in 2005 had geweten dat het college voornemens was het object als monument aan te wijzen, hij ervoor had kunnen kiezen van de koop af te zien. Het college heeft nagelaten de toenmalige eigenaar van het voornemen op de hoogte te stellen.

5.1. De procedure tot aanwijzing als monument is geregeld in de Erfgoedverordening gemeente Midden-Delfland 2011. Deze verordening verplicht het college er niet toe de eigenaar vooraf te informeren over het voornemen tot aanwijzing als monument, tenzij het monument een religieuze bestemming heeft en uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst. Dat is niet het geval. Ook overigens bestond voor het college niet de verplichting om [appellant] vooraf over de aanwijzing te informeren. Dat het college ter zitting heeft erkend dat het zorgvuldiger was geweest behalve de eigenaar van [locatie 2] ook de eigenaar van [locatie 1] te informeren over het voornemen, maakt niet dat het college [locatie 1] niet meer mocht aanwijzen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 27 oktober 2014 niet op een deugdelijke motivering berust. In dit kader bestrijdt [appellant] de juistheid van het nader advies van de werkgroep van 16 september 2014. In het advies is gesteld dat de kelder herinnert aan de agrarische activiteiten die in het gebouw plaatsvonden. Volgens van der Kooij is het laatste karakteristieke onderdeel van de kelder, het melkluik, in 2006 verwijderd. Verder heeft de woning, anders dan het advies vermeldt, geen in blokken gepleisterde gevel. De bepleistering is in het laatste kwart van de twintigste eeuw aangebracht en kan dus geen monumentale waarde hebben. Ook vermeldt het advies ten onrechte dat een deel van de waterlopen op zijn perceel loopt, nu de betreffende sloot in 1980 is gedempt en verlegd, aldus [appellant].

6.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2013 in zaak nr. 201207149/1/A2) heeft het college beoordelingsvrijheid bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak en beleidsvrijheid bij de vraag of een als monument beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen. De bestuursrechter toetst de invulling van deze beoordelingsvrijheid en het gebruik van deze beleidsvrijheid in het concrete geval terughoudend.

6.2. In het nader advies van de werkgroep is aan de kelder monumentale waarde toegekend, maar deze is niet gebaseerd op de aanwezigheid van het melkluik. Dat het melkluik thans is verwijderd kan dan ook niet afdoen aan de bevindingen van de werkgroep. Verder volgt uit het advies dat de werkgroep de aangebrachte gevelbepleistering niet positief waardeert, maar juist opmerkt dat deze geen afbreuk doet aan de uitstraling van de woning. Anders dan [appellant] stelt, heeft de werkgroep geen monumentale waarde aan deze recente wijziging toegekend.

6.3. Het advies houdt verder in dat de werkgroep de monumentale waarde van [locatie 1] mede baseert op de aanwezigheid van waterlopen op dat perceel. Uit de toelichting op de redengevende beschrijving volgt echter dat de sloot rond het boerderijterrein ter hoogte van [locatie 1] is gedempt om een grotere tuin te kunnen maken. Het advies van de werkgroep wijkt op dit punt af van de toelichting. Ter zitting heeft het college desgevraagd niet met zekerheid kunnen verklaren of de betrokken sloot over het perceel [locatie 1] loopt.

6.4. In de toelichting op de redengevende beschrijving is vermeld dat het complex [locatie 2], inclusief [locatie 1], op 22 juli 1992 is geïnventariseerd en beschreven in het kader van het landelijke Monumenten Inventarisatie Project, zoals overwogen onder 2. In 2003 heeft vervolgens een beoordeling van [locatie 2], [..] en [.] als complex plaatsgevonden. Bij die beoordeling zijn punten toegekend voor de aspecten lokaal belang, bouwstijl, regionale uniciteit, verminking/authenticiteit, ligging en verminking van het ensemble. In de toelichting is verder vermeld:

"Hieronder wordt die beoordeling op enkele punten door Stad&Streek Cultuurhistorie toegelicht, hoewel die (in principe) door de opstellers van de monumenteninventarisatie met hun eigen normen (en gedachten daarachter) is opgesteld."

De toelichting op de redengevende beschrijving is gebaseerd op de beoordeling die in 2003 is uitgevoerd. Die beoordeling zag echter op de monumentale waarde van het complex als ensemble en niet op de zelfstandige monumentale waarde van [locatie 1]. De voormelde aspecten en de toelichting daarop hebben ook hoofdzakelijk betrekking op het ensemble. Uit die toelichting kan niet volgen dat [locatie 1] zelfstandig monumentale waarde heeft.

Verder is over twee van de drie in de redengevende beschrijving vermelde onderdelen van de woning zelf, te weten de steile trap en de bouwsporen, in de toelichting opgemerkt dat deze weliswaar herinneren aan de vroegere indeling, maar op zichzelf niet monumentaal zijn. Onderdelen die niet monumentaal zijn kunnen niet dienen ter staving van de monumentale waarde van [locatie 1] en derhalve geen deel uitmaken van de redengevende beschrijving.

6.5. Het betoog slaagt. Met de redengevende beschrijving en de toelichting daarop is ontoereikend gemotiveerd dat [locatie 1] zelfstandig voldoende monumentale waarde heeft om het perceel aan te wijzen als monument.

7. Voorts bestrijdt [appellant] de juistheid van de redengevende beschrijving en de toelichting daarop ten aanzien van de ensemblewaarde. Uit de toelichting volgt slechts dat [locatie 1] enige ensemblewaarde bezit door de nabijheid van de boerderij van [locatie 2], maar niet dat enig onderdeel van de ouderwoning of het interieur daarvan monumentaal is. De enkele nabijheid van de boerderij rechtvaardigt niet de aanwijzing als monument, aldus [appellant].

7.1. Uit het nader advies van de werkgroep volgt dat [locatie 1] volgens de werkgroep deel uitmaakt van een monumentwaardig ensemble. Over het ensemble is in dat advies, zoals overwogen onder 4, vermeld dat het agrarisch complex is ontstaan op een uitloop van een kreekrug en dit typerend is voor historische boerderijen in Midden-Delfland. [locatie 2], [..] en [.] liggen op een lage kreekrug en op een opgehoogd erf, die worden begrensd door waterlopen. Deze waterlopen maken deel uit van de cultuurhistorische, landschappelijke waarden van het ensemble. In de redengevende beschrijving is over de ensemblewaarde vermeld dat het ensemble historische en landschappelijke waarde heeft, en dat de ouderwoning beeldondersteunend is en door de korte onderlinge afstand en verhoudingen ruimtelijk wordt ervaren als bijgebouw van de boerderij. In de toelichting is een puntentelling opgenomen voor dezelfde aspecten als in 2003 zijn beoordeeld. Voor de aspecten lokaal belang, regionale uniciteit, ligging en bouwstijl is een positief aantal punten toegekend. Voor de aspecten verminking/authenticiteit en verminking ensemble zijn minpunten toegekend.

7.2. Het college heeft ter zitting terecht gesteld dat de puntentelling een hulpmiddel is bij de waardering, maar dat daaraan geen zelfstandige waarde toekomt. Het betwisten van het voor aspecten toegekende aantal punten is dan ook op zichzelf niet voldoende om het daarop gebaseerde oordeel over de monumentwaardigheid te bestrijden. De puntentelling biedt inzicht in de mate waarin de beoordeelde aspecten hebben bijgedragen aan het oordeel dat het ensemble monumentale waarde bezit.

7.3. De toelichting op de waardering van het aspect lokaal belang houdt in dat het lokaal belang groot is wegens de regionale uniciteit. In de toelichting op het aspect regionale uniciteit is gewezen op de uniciteit van een (groot)ouder- of knechtenwoning op een boerderijterrein in de regio Delfland. In de toelichting op de waardering van het aspect ligging is onder meer gewezen op de situering van de woning in de nabijheid van het woongedeelte van de boerderij. De ligging van de ouderwoning ten opzichte van de boerderij is bij alle drie vermelde aspecten betrokken. Aan deze aspecten zijn, de kennelijke verschrijving van het aantal punten bij het aspect lokaal belang in aanmerking genomen, vijftien van in totaal negentien positief gewaardeerde punten toegekend. Ter zitting heeft het college gesteld dat gegevens niet dubbel zijn gewaardeerd en dat eenzelfde gegeven eerst positief kan worden gewaardeerd maar vervolgens bij een van de aspecten betreffende verminkingen kan worden betrokken. Die situatie doet zich hier echter niet voor, nu alle drie aspecten positief zijn gewaardeerd en voor zowel regionale uniciteit als ligging het maximale aantal punten is toegekend en voor lokaal belang twee van de drie punten. Uit de toelichting volgt dan ook dat de ligging van de ouderwoning bij de boerderij meermalen is betrokken bij de waardering.

Verder is in de redengevende beschrijving vermeld dat het ensemble een historische en landschappelijke waarde heeft. Over de landschappelijke aspecten is in de toelichting een feitelijke beschrijving van de kreekrug en het slotenpatroon opgenomen. De toelichting biedt echter geen inzicht in de redenen waarom daaraan monumentale waarde is toegekend, te minder nu het slotenpatroon, zoals [appellant] gelet op hetgeen onder 6.3 is overwogen met juistheid heeft gesteld, op zijn perceel niet langer bestaat. Gelet hierop heeft het college, door het advies van de werkgroep en de onderliggende redengevende beschrijving en toelichting daarop aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen, niet deugdelijk gemotiveerd waarom [locatie 1] zelfstandig en als onderdeel van het ensemble monumentale waarde heeft.

7.4. Gelet hierop slaagt het betoog, dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat [locatie 1] op zichzelf en als onderdeel van het ensemble voldoende monumentale waarden heeft om het perceel aan te wijzen als monument.

8. De slotsom is dat het besluit van 27 oktober 2014 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar te nemen en dit besluit aan [appellant] en aan de Afdeling te zenden. Indien het college daarbij het standpunt handhaaft dat [locatie 1] op zichzelf en als onderdeel van het ensemble monumentale waarde heeft, dient het in het nieuw te nemen besluit beide waarderingen afzonderlijk van elkaar en deugdelijk te motiveren. De Afdeling zal het college een termijn stellen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland op om binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit aan [appellant] en de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Poot
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2016

362-799.