Uitspraak 201501469/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 13 januari 2016
Tegen: de raad van de gemeente Hof van Twente
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Overijssel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:31

201501469/1/R1.
Datum uitspraak: 13 januari 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Bentelo, gemeente Hof van Twente,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Bentelo, gemeente Hof van Twente,
3. [appellante sub 3], gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente,
4. [appellant sub 4], wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente, en anderen,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Hof van Twente,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied 2014") vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellanten sub 2], [appellant sub 1], [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 3] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [belanghebbenden] tegen dit besluit afgesplitst van de behandeling van de beroepen in zaak nr. 201501469/1/R1 en voortgezet onder zaaknr. 201501469/2/R1.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, werkzaam bij Middelkamp Milieu en Advies, en de raad, vertegenwoordigd door M.G.B. Kamst, G.B.J. Overbeek en J. Overbeek, allen werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. M.A.A. Soppe en mr. H. Witbreuk, beiden advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het bestemmingsplan

2. In haar uitspraak van 5 maart 2014, zaaknr. 201302029/1/R1 heeft de Afdeling het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" dat door de raad bij besluit van 18 december 2012 is vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied 2012") gedeeltelijk vernietigd en de raad opgedragen om met inachtneming van die uitspraak voor de vernietigde plandelen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. De raad heeft onder meer naar aanleiding van deze uitspraak van de Afdeling het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" vastgesteld.

Het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" biedt een juridisch planologisch regime voor het buitengebied van Hof van Twente.

3. Ten behoeve van het thans voorliggende bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw gevolgd en is teruggevallen op de procedure die tevens ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" dat bij de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 gedeeltelijk is vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de plandelen voor het perceel [locatie 1]. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte niet de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "bouwvlak" en "niet-agrarische bedrijvigheid" aan zijn perceel is toegekend. Daarnaast betoogt hij dat zijn perceel ten onrechte niet is aangewezen als een locatie waarop de rood-voor-rood regeling van toepassing is. Voorts zijn de twee woningen en de ter plaatse aanwezige bedrijfsbebouwing op het perceel ten onrechte niet als zodanig bestemd, aldus [appellant sub 1].

4.1. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1], omdat [appellant sub 1] geen beroep heeft ingesteld tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en [appellant sub 1] als gevolg van het bestemmingsplan voor het perceel [locatie 1] niet in een nadeliger positie is komen te verkeren.

4.2. Aan het perceel [locatie 1] is in het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gedeeltelijk de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Aan het perceel [locatie 1] waren in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2012" eveneens de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden" toegekend. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] geen beroep heeft ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit van 18 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", zodat hij moet worden geacht hierin te hebben berust. De raad stelt terecht dat niet gebleken is dat [appellant sub 1] in een nadeliger positie is komen te verkeren als gevolg van het besluit van 16 december 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" ten opzichte van de positie waarin hij zich bevond na de vaststelling van het besluit van 18 december 2012. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad terecht heeft gesteld dat de rood-voor-rood regeling, gelet op artikel 49, lid 49.5, van de planregels - in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 1] stelt - ook geldt voor het perceel [locatie 1] en dat [appellant sub 1] verder niet heeft gesteld anderszins te zijn benadeeld door het bestemmingsplan "Buitengebied 2014". Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen en nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, kan in het licht van de goede procesorde onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden aanvaard dat tegen het besluit van 16 december 2014, dat is genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 en zonder toepassing van afdeling 3.4 van de Awb tot stand is gekomen, alsnog beroep wordt ingesteld. Het verweer van de raad slaagt.

Conclusie

4.3. Het beroep van [appellant sub 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het beroep van [appellanten sub 2]

Formele aspecten

5. Het beroep van [appellanten sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" wat betreft het perceel [locatie 2]. Zij betogen dat hun zienswijze ten onrechte niet in behandeling is genomen.

5.1. Zoals reeds uit overweging 3 volgt is ten behoeve van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw gevolgd en is teruggevallen op de voorbereidingsprocedure die ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3 en 8 februari 2012 in zaak nr. 201009732/1/R3) staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter aan het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

5.2. Vaststaat dat [appellanten sub 2] op 21 februari 2012 een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpplan en dat de raad deze in de zienswijzennota van 18 december 2012 heeft beantwoord. Gelet hierop mist het betoog van [appellanten sub 2] dat hun zienswijze tegen het ontwerpplan buiten behandeling is gelaten feitelijke grondslag.

6. [appellanten sub 2] betogen dat het vaststellingsbesluit aan hen is toegezonden, maar dat ten onrechte niet alle bijlagen die op het besluit vermeld staan, waren bijgevoegd. Wat daar ook van zij, deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Inhoudelijke aspecten

7. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 2] aldus dat ten onrechte de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" aan het perceel [locatie 2] is toegekend, omdat zij de woning niet voor recreatieve doeleinden gebruiken, de woning al ruim twintig jaar permanent bewonen en daarvoor een gedoogbeschikking is verleend.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" tegemoet is gekomen aan de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014.

7.2. Aan het perceel [locatie 2] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.104, van de planregels wordt onder permanente bewoning verstaan: het gebruiken/bewonen als hoofdverblijf gedurende een aaneengesloten periode van meer dan vier weken, dan wel voor recreatieve verhuur aan één en dezelfde persoon gedurende meer dan 35 dagen per jaar.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

l. permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" is toegestaan, met dien verstande dat bij beëindiging van de permanente bewoning van de recreatiewoning dit gebruik niet langer is toegestaan;

[…]

Ingevolge lid 18.3 wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan een gebruik van recreatiewoningen, stacaravans, lodges, groepsaccommodaties en trekkershutten ten behoeve van permanente bewoning.

7.3. Voor zover het betoog van [appellanten sub 2] aldus moet worden begrepen dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 2], overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge artikel 2.12.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening), zoals deze luidde ten tijde van belang, voorzien bestemmingsplannen niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend. In de toelichting bij artikel 2.12.4 van de Omgevingsverordening staat dat de achtergrond van deze bepaling is dat recreatiewoningen die als zodanig bestemd zijn, beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve functie om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving. Gelet op overweging 15.5 van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 staat vast dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Diepenheim" aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Terrein voor verblijfsrecreatie" was toegekend en dat de permanente bewoning op het perceel [locatie 2] onder het algemene overgangsrecht van het plan "Buitengebied Diepenheim" viel. Gelet hierop heeft de raad - reeds in het kader van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 - terecht gesteld dat de toekenning van een woonbestemming aan het perceel in strijd is met artikel 2.12.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening.

7.4. Gelet hierop alsmede hetgeen reeds in de uitspraak van 5 maart 2014 is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 2]. Voor zover het betoog van [appellanten sub 2] aldus moet worden begrepen dat gelet op artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder l, van de planregels met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" aan het perceel ter plaatse slechts is voorzien in een persoonsgebonden overgangsregeling, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Hiertoe overweegt de Afdeling dat in lid 18.1, onder l, van de planregels een uitsterfregeling wordt geformuleerd die niet gekoppeld is aan de huidige eigenaren dan wel aan andere specifieke personen. De in lid 18.1, onder l, opgenomen regeling heeft een zaaksgebonden karakter. Gelet hierop staat artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder l, van de planregels - in tegenstelling tot hetgeen waarvan [appellanten sub 2] lijken uit te gaan - in beginsel niet in de weg aan een voortzetting van het gebruik van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - wonen" voor permanente bewoning indien het gebouw dat zij permanent bewonen aan derden wordt verkocht. Het betoog faalt.

7.5. [appellanten sub 2] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellanten sub 2] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

9. Het beroep van [appellante sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf" wat betreft het perceel [locatie 3]. Zij vreest dat haar niet-agrarisch gerelateerde bedrijfsactiviteiten op het perceel niet als zodanig zijn bestemd. Hiertoe voert zij aan dat de aard van haar bedrijfsactiviteiten in bijlage 4a van de planregels weliswaar juist zijn omschreven, maar dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf", gelet op de definitie van "agrarisch hulpbedrijf" op haar perceel slechts lijkt te zijn voorzien in een agrarisch gerelateerd bedrijf. [appellante sub 3] acht het planologische regime voor het perceel [locatie 3] dan ook rechtsonzeker.

9.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf" aan het perceel [locatie 3] ook de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 3] als zodanig zijn bestemd. Indien de Afdeling de toekenning van de aanduiding echter in strijd met de rechtszekerheid acht, dan kan de raad zich ook vinden in de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid". In dat geval verzoekt de raad de Afdeling zelf in de zaak te voorzien.

9.2. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.12, van de planregels wordt onder een agrarisch hulpbedrijf verstaan: een niet-industrieel bedrijf dat is gericht op het leveren van dieren, goederen en diensten aan agrarische bedrijven dan wel op het verwerken of opslaan van dieren en goederen, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven ter plaatse van de aanduidingen:

1. "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf": het ter plaatse gevestigde agrarisch hulpbedrijf als bedoeld in bijlage 4a kolom "aard bedrijvigheid";

2. "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid": de ter plaatse gevestigde overige bedrijvigheid als bedoeld in bijlage 4a kolom "aard bedrijvigheid";

[…]

In bijlage 4a van de planregels staan in de kolom "aard bedrijvigheid" ten aanzien van het perceel [locatie 3] vermeld een landbouw-mechanisatiebedrijf/loonbedrijf en fabricage- en constructiewerkzaamheden en detailhandel in agrarisch verwante artikelen, doe-het-zelfartikelen, speelgoed en vuurwerk.

9.3. De Afdeling volgt het betoog van [appellante sub 3] dat haar bedrijfsactiviteiten op het perceel met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf" niet als zodanig zijn bestemd, niet. Niet in geschil is dat de bestaande bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 3] in bijlage 4a van de planregels juist staan omschreven. Nu in artikel 5, lid 5.1, aanhef, onder a, onder 1, van de planregels wordt verwezen naar bijlage 4a van de planregels zijn op het perceel [locatie 3] behalve een agrarisch hulpbedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.12, van de planregels tevens toegestaan de activiteiten die in bijlage 4a van de planregels bij het perceel [locatie 3] staan omschreven. De Afdeling acht dit niet in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog van [appellante sub 3] faalt.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen

Ontvankelijkheid

11. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend en bevat ten minste de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan een beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen ervan, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.

11.1. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C], [appellant sub 4D], [appellant sub 4E], [appellant sub 4], [appellant sub 4F], [appellant sub 4G], [appellant sub 4H], [appellant sub 4I] en de coöperatie Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob) hebben tezamen binnen de beroepstermijn een beroepschrift ingediend waarin geen beroepsgronden zijn opgenomen. De Afdeling heeft hen bij brief van 6 maart 2015 in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken aan te vullen. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] hebben van deze mogelijkheid, anders dan [appellant sub 4H], [appellant sub 4], [appellant sub 4F], [appellant sub 4G], [appellant sub 4I] en Mob, geen gebruik gemaakt. De stelling van [appellant sub 4] en anderen ter zitting, dat dit per abuis niet is gedaan, maakt dat, wat daar ook van zij, niet anders. Gelet hierop betoogt de raad terecht dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E], reeds daarom niet-ontvankelijk is.

Mob en [appellant sub 4I]

12. Het verweer van de raad dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingediend door Mob, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat Middelkamp niet vertegenwoordigingsbevoegd is omdat hij niet beschikt over een machtiging om Mob in deze procedure te mogen vertegenwoordigen, mist feitelijke grondslag. Het beroepschrift van 5 maart 2015 bevat een volmacht van Mob aan Middelkamp tot onder meer het instellen van beroep namens Mob tegen bestemmingsplannen binnen de provincie Overijssel en om in dat kader alle mogelijke bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aan te wenden, niets uitgezonderd. De machtiging is geldig tot 5 januari 2016.

13. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door Mob en [appellant sub 4I], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpplan.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

13.1. Het betoog van [appellant sub 4] en anderen dat na de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" afdeling 3.4 van de Awb opnieuw is doorlopen volgt de Afdeling niet. Dat na de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" voor het buitengebied van Hof van Twente een nieuw ontwerpplan ter inzage is gelegd en dat Mob daartegen een zienswijze heeft ingediend, moge wellicht zo zijn, maar dat ontwerpplan is niet ten grondslag gelegd aan het besluit van 16 december 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014". De Afdeling wijst in dit verband op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2014 aan de raad waarin, kort gezegd, wordt voorgesteld om afdeling 3.4 van de Awb ten behoeve van de vaststelling het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" niet opnieuw te doorlopen. Gelet op het vaststellingbesluit van 16 december 2014 heeft de raad in zoverre ingestemd met dit voorstel van het college en is afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw gevolgd ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014". Het betoog faalt in zoverre.

13.2. Voor zover [appellant sub 4] en anderen betogen dat de raad ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" opnieuw afdeling 3.4 van de Awb had moeten volgen, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3 en 8 februari 2012 in zaak nr. 201009732/1/R3Z) staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter aan het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 15 juni 2011 in zaak nr. 200904454/1/R3) kan het bevoegd gezag bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan zou worden vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. De in de zienswijzennota opgenomen wijzigingen in samenhang bezien met de wijzigingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de plantoelichting ten opzichte van het ontwerp acht de Afdeling naar hun aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat daardoor nu een wezenlijk ander bestemmingsplan voorligt. Het betoog van [appellant sub 4] en anderen faalt in zoverre.

13.3. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door Mob en [appellant sub 4I], zou slechts ontvankelijk zijn voor zover Mob en [appellant sub 4I] door de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" in een nadeliger positie zijn komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Niet is gebleken dat zij door de gewijzigde planvaststelling in een nadeliger positie zijn komen te verkeren.

Het betoog van [appellant sub 4] en anderen ter zitting dat Mob en [appellant sub 4I] wel in een nadeliger positie zijn komen te verkeren omdat de in artikelen 3 en 4 van de planregels voorziene bouwmogelijkheden ten nadele van hen zijn gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, aangezien het emissieplafond zoals opgenomen in onder meer artikel 3, lid 3.2.1, onder f en g, onderscheidenlijk artikel 4, lid 4.2.1, onder f en g, van de planregels rechtsonzeker is, volgt de Afdeling niet. Hiertoe overweegt de Afdeling dat in het ontwerpplan in de artikelen 3 en 4 geen emissieplafond was opgenomen. Het ontwerpplan voorzag daarmee in ruimere gebruiks- en bouwmogelijkheden bij recht. Het betoog faalt in zoverre.

Het betoog van [appellant sub 4] en anderen dat Mob en [appellant sub 4I] in een nadeliger positie zijn komen te verkeren omdat een toename van de ammoniakemissie op de gronden met een agrarische bestemming - anders dan in het ontwerpplan - thans wel is toegestaan buiten het bouwvlak mist feitelijke grondslag. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" voorziet in zoverre niet in een wijziging ten opzichte van het ontwerpplan. Het betoog faalt ook in zoverre.

13.4. Gelet op het voorgaande betoogt de raad terecht dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door Mob en [appellant sub 4I], niet-ontvankelijk is.

[appellant sub 4F]

14. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is voorts ingesteld door [appellant sub 4F]. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 4F], omdat [appellant sub 4F] alleen een pro forma zienswijze heeft ingediend.

15. Vaststaat dat [appellant sub 4F] bij brief van 28 februari 2012 een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied 2012" waarin hij de raad verzoekt om een nadere termijn te stellen waarbinnen de zienswijze door hem van gronden dient te worden voorzien. Bij brief van 8 maart 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant sub 4F] een nadere termijn van twee weken geboden om zijn zienswijzen van gronden te voorzien. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat [appellant sub 4F] geen gebruik heeft gemaakt van deze nadere termijn. Dit brengt met zich dat moet worden geoordeeld dat [appellant sub 4F] niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Gelet hierop zou het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 4F], slechts ontvankelijk zijn voor zover [appellant sub 4F] door de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Niet gebleken is dat hij door de gewijzigde planvaststelling in een nadeliger positie is komen te verkeren.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4F], is derhalve niet-ontvankelijk.

[appellant sub 4H]

16. Het verweer van de raad dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 4H], niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat Middelkamp niet vertegenwoordigingsbevoegd is omdat hij niet beschikt over een machtiging van [appellant sub 4H] om hem in deze procedure te mogen vertegenwoordigen, mist feitelijke grondslag. Het beroepschrift van 5 maart 2015 bevat een volmacht van [appellant sub 4H] van 16 december 2014 aan Middelkamp om ten aanzien van de inrichting aan de [locatie 4] alle mogelijk bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aan te wenden en daarmee verband houdende handelingen, niets uitgezonderd.

17. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4H], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpplan. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4H], zou slechts ontvankelijk zijn voor zover hij door de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Niet in geschil is dat het beroep van [appellant sub 4H] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" door de Afdeling in de uitspraak van 5 maart 2014, zaak nr. 201302029/1/R1 ontvankelijk is verklaard, vanwege de gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp waarbij was voorzien in een splitsing van het bouwvlak ten behoeve van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 4], met dien verstande dat aan de noordzijde van de weg anders dan in het ontwerp een bouwvlak was toegekend. De raad stelt echter terecht dat deze wijziging bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" is teruggedraaid, in die zin dat ten behoeve van de uitbreiding van het agrarische bedrijf aan de [locatie 4] niet langer een bouwvlak is toegekend aan de noordzijde van de weg. Bovendien is het bouwvlak ten zuiden van de weg in het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" verkleind ten opzichte van het ontwerp. Gezien het vorenstaande is niet gebleken dat [appellant sub 4H] door de gewijzigde planvaststelling "Buitengebied 2014" in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4H], niet-ontvankelijk.

[appellant sub 4G]

18. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 4G], omdat volgens de raad onduidelijk is of Middelkamp beschikt over een toereikende machtiging teneinde namens [appellant sub 4G] beroep te kunnen instellen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente".

18.1. Desgevraagd heeft Middelkamp aan de Afdeling een machtiging overgelegd waarin Middelkamp door [appellant sub 4G] wordt gemachtigd om met betrekking tot de inrichting aan de [locatie 5] en het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" namens [appellant sub 4G] onder meer beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (thans: de wet ruimtelijke ordening) en om in dat kader alle mogelijke bestuursrechtelijke middelen aan te wenden, niets uitgezonderd. De machtiging dateert van 2 mei 2013. Gelet hierop faalt het verweer van de raad.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] en anderen, ontvankelijk voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 4] en [appellant sub 4G].

Inhoudelijke aspecten

20. Middelkamp heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat [appellant sub 4] beroep heeft ingesteld vanwege het voorziene planologische regime voor de percelen [locatie 6] en [appellant sub 4G] vanwege het voorziene planologische regime voor het perceel [locatie 5]. Gelet hierop vat de Afdeling het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 4], aldus op dat [appellant sub 4] heeft beoogd alleen beroep in te stellen tegen het plandeel voor de percelen [locatie 6], en vat de Afdeling het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 4G], aldus op dat [appellant sub 4G] heeft beoogd alleen beroep in te stellen tegen het plandeel voor het perceel [locatie 5].

21. [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 7] onderscheidenlijk het perceel [locatie 8]. Hiertoe voeren zij aan dat het plan op de percelen [locatie 6] en [locatie 5] voorziet in de uitbreiding van de gebruiks- en bouwmogelijkheden en daarmee in een uitbreiding van de veestapel ter plaatse, met als enige beperking dat een toename van de ammoniakemissie niet is toegestaan. De milieugevolgen hiervan zijn volgens [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] onvoldoende in het plan-MER onderzocht. Evenmin is rekening gehouden met een worst-case scenario.

Voorts is volgens [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] onduidelijk wat in artikel 4.2.1, onder f en g, van de planregels wordt bedoeld met "geen toename van de ammoniakemissie" en zijn de voorwaarden waaronder in het verwevingsgebied uitgebreid mag worden volgens hen voor meerderlei uitleg vatbaar.

Verder betogen [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat op de percelen [locatie 6] en [locatie 5] zonder noodzaak daartoe is voorzien in aanzienlijke uitbreiding van de bouwmogelijkheden. In dit verband wijzen zij onder meer op de voorziene oprichting van mestvergistingsinstallaties, de voorziene afwijkingsbevoegdheid waarmee het college van burgemeester en wethouders kan voorzien in een overschrijding van de bouwvlakgrenzen met 25 m en een bouwhoogte groter dan 12 m.

21.1. Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" en gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan de percelen [locatie 6] is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en "intensieve veehouderij" en gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud van de aanwezige landschapswaarden zijnde: beeldbepalende landschapselementen, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, natuur en waterhuishouding. Daarnaast zijn ze bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat;

[…]

b. de uitoefening van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

1. voor intensieve veehouderijen geldt dat:

a. ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" intensieve veehouderijen zijn toegestaan;

b. buiten de gronden ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" uitsluitend de bestaande intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding '"intensieve veehouderij" zijn toegestaan, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij mfb" de bebouwde oppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij maximaal de in bijlage 1 "Intensieve veehouderij in het extensiveringsgebied en MFB" opgenomen oppervlakte bedraagt;

c. van de bedrijfsgebouwen uitsluitend één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren;

2. niet-grondgebonden agrarische bedrijven anders dan bedoeld onder 1 niet zijn toegestaan;

[…]

l. de bestaande en legale paardenbakken binnen het bouwvlak of direct aansluitend aan de bestemming "Wonen", […];

Ingevolge lid 4.2.1 voldoen bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak danwel ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - bedrijfswoning 2";

[…]

c. goothoogte van:

1. bedrijfsgebouwen maximaal 5 m;

2. bedrijfswoningen maximaal 4 m;

d. bouwhoogte van:

1. bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" maximaal 7 m;

2. teeltondersteunende voorzieningen maximaal 5 m;

3. overige bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;

4. bedrijfswoningen maximaal 10 m;

f. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren mag per agrarisch bedrijf ten hoogste de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande oppervlakte bedragen, met dien verstande dat een grotere oppervlakte is toegestaan indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie;

g. een wijziging van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren is uitsluitend toegestaan voor zover deze niet leidt tot een toename van de ammoniakemissie.

h. het bouwen van installaties voor het bewerken, verwerken of vergisten van mest of biomassa is niet toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.5 voldoen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen, aan de volgende kenmerken:

a. sleufsilo's en kuilvoerplaten worden in, of direct aansluitend aan het bouwvlak gerealiseerd, waarbij de bouwgrens per zijde met maximaal 50 m wordt overschreden, op een afstand van minimaal 50 m tot een bestemming waar (bedrijfs)woningen zijn toegestaan, dan wel op de bestaande, kleinere afstand;

b. bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak bedraagt maximaal:

1. mestsilo's, hooibergen, melksilo's, voedersilo's en windturbines 15 m;

[...]

3. sleufsilo's en kuilvoerplaten 3 m;

4. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m;

c. bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak bedraagt maximaal:

1. stapmolen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - stapmolen" 4 m;

2. sleufsilo's en kuilvoerplaten 3 m;

3. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 1 m;

[…]

Ingevolge lid 4.3.1 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel (lees; lid) 4.2.1 onder a voor het overschrijden van de bouwgrenzen aan maximaal twee zijden, waarbij lid 4.2.1, onder f, van deze planregels van overeenkomstige toepassing is met dien verstande dat onder bouwvlak als bedoeld in artikel 1, lid 1.121, van de planregels in dat geval wordt verstaan het bouwvlak inclusief overschrijding, en mits:

a. de bouwgrens per zijde met maximaal 25 m wordt overschreden;

b. de overschrijding noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het bedrijf;

c. de oppervlakte van het fictieve bouwvlak dat ontstaat niet groter is dan:

1. 2 ha ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven;

2. 1,5 ha ten behoeve van intensieve veehouderijen buiten de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied";

3. 3 ha ten behoeve van intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied";

d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Ingevolge lid 4.3.2 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.5, onder b, ten behoeve van het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot een bouwhoogte van maximaal 7 m, met inachtneming van tenminste de volgende voorwaarden:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

c. het vergroten van de bouwhoogte is voor de bedrijfsvoering noodzakelijk.

Ingevolge lid 4.4.3 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1, onder j, (lees: onder l) voor het toestaan van paardenbakken, mits:

[…]

d. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd.

Ingevolge lid 4.6.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van het bouwvlak en/of vergroten van de oppervlakte van het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij lid 4.2.1, onder f, van overeenkomstige toepassing is, en mits:

a. de wijziging en/of vergroting noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;

b. het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 2 ha;

c. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;

d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Ingevolge lid 4.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van het bouwvlak en/of vergroten van de oppervlakte van het bouwvlak van een intensieve veehouderij, waarbij lid 4.2.1, onder f, van overeenkomstige toepassing is, en mits:

a. de wijziging en/of vergroting noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;

b. deze bevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend ter plaatse van de aanduidingen "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied";

c. het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan:

1. 3 ha ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" dan wel ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - sterlocatie";

2. 2 ha ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" voor zover gelegen buiten de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - sterlocatie", met dien verstande dat maximaal 1,5 ha van het bouwvlak mag worden gebruikt ten behoeve van intensieve veehouderij;

d. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

21.2. Aan het plan ligt ten grondslag het rapport "Plan-MER Hof van Twente" van Oranjewoud van 17 mei 2011 en de bijbehorende bijlagen en aanvullingen (hierna tezamen: het plan-MER). Hiertoe behoort een passende beoordeling, waarin onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden. In aanvulling op het plan-MER is een aanvullend stikstofdepositieonderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "aanvullend stikstofdepositieonderzoek Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente" van 28 mei 2014 dat is opgesteld door Anteagroup (hierna: het aanvullend stikstofdepositieonderzoek). In het aanvullende stikstofdepositieonderzoek staat dat de feitelijke stikstofdepositie opnieuw is doorgerekend, omdat zich volgens het onderzoek in de periode mei 2011 tot en met mei 2014 wijzigingen hebben voorgedaan in de feitelijke situatie en dat daarnaast vier verschillende invullingen van de planologische mogelijkheden zijn doorgerekend, te weten "theoretisch maximum leghennen", "theoretisch maximum leghennen met maximale mitigatie", "theoretisch maximum vleesvarkens" en "theoretisch maximum vleesvarkens met maximale mitigatie". Deze scenario's zijn blijkens het onderzoek vervolgens afgezet tegen de huidige feitelijke situatie.

21.3. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat de gevolgen voor hun woon- en leefklimaat onvoldoende in het plan-MER zijn bezien, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het plan-MER en het aanvullende stikstofdepositieonderzoek dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertonen dat de raad zich daarop bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" niet mocht baseren. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in het plan-MER staat dat de gevolgen van de voorziene uitbreidingsmogelijkheden van de landbouw, met name de veehouderij, zijn bezien en dat daarbij onder meer de mogelijke gevolgen voor het landschap, de cultuurhistorie, de leefbaarheid en de gezondheid van omwonenden zijn onderzocht. In de enkele stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat daarbij niet is uitgegaan van een worst-case scenario, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bij recht en bij afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voorziene mogelijkheden voor uitbreiding van de veehouderijen onvoldoende bij het plan-MER zijn betrokken. Het betoog faalt in zoverre.

21.4. Voor zover het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] aldus moet worden begrepen dat onduidelijk is of de voorziene uitbreidingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven op de percelen [locatie 6] en [locatie 5] leiden tot een aantasting van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden en daarmee tot een aantasting van hun leefomgeving, overweegt de Afdeling het volgende. De bescherming van Natura 2000-gebieden wordt gewaarborgd in de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998). De bepalingen van de Nbw 1998 hebben met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1/M3 volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

21.4.1. Het perceel van [appellant sub 4] aan de [locatie 7] ligt op ongeveer 9 km afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Borkeld. Het perceel van [appellant sub 4G] aan de [locatie 8] ligt op ongeveer 7 km afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Borkeld. Gelet op deze afstanden bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen duidelijke verwevenheid van de individuele belangen van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe omgeving met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen. De ingeroepen normen van de Nbw 1998 strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] omdat er geen Natura 2000-gebieden zijn die deel uitmaken van hun leefomgeving. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling de naar voren gebrachte beroepsgronden die betrekking hebben op de bescherming van Natura 2000-gebieden buiten beschouwing laat, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die redenen wordt vernietigd.

21.5. Verder overweegt de Afdeling dat uit artikel 4, lid 4.2.1, onder f, van de planregels volgt dat het plan op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" uitbreiding van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren bij een agrarisch bedrijf toestaat onder de voorwaarde dat de uitbreiding niet gepaard gaat met een toename van de ammoniakemissie van het bedrijf. Artikel 4, lid 4.2.1, onder g, van de planregels bevat een gelijksoortige regeling in geval van een wijziging van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren. In artikel 1, lid 1.121, van de planregels staat beschreven wanneer sprake is van een toename van de ammoniakemissie. [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] hebben niet aangegeven waarom artikel 1, lid 1.121, van de planregels volgens hen onduidelijk is. Gelet hierop biedt de enkele stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat onduidelijk is wat "geen toename van de ammoniakemissie" inhoudt, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4, lid 4.2.1, onder f en g, van de planregels rechtsonzeker is. Het betoog faalt.

21.5.1. Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] ter zitting dat het emissieplafond zoals opgenomen in artikel 4 van de planregels niet in de weg staat aan een uitbreiding van de veestapel buiten het bouwvlak, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dit betoog voor het eerst ter zitting naar voren hebben gebracht. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Niet gebleken is dat [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dit betoog niet in een eerder stadium naar voren hebben kunnen brengen, terwijl doordat [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dit argument eerst ter zitting naar voren hebben gebracht de raad niet op passende wijze hierop heeft kunnen reageren. Gelet hierop is het eerst ter zitting aanvoeren van dit betoog in dit geval in strijd met de goede procesorde. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om dit betoog wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

21.6. Verder ziet de Afdeling in de niet gemotiveerde stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat de voorwaarden waaronder in het verwevingsgebied mag worden uitgebreid voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4 in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Het betoog faalt.

21.7. Ten aanzien van de mestvergistingsinstallaties overweegt de Afdeling dat, gelet op artikel 4, lid 4.2.1, onder h, van de planregels, op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" niet is voorzien in de oprichting van mestvergistingsinstallaties. De Afdeling begrijpt de nadere toelichting van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] ter zitting aldus dat deze planregeling volgens hen niet in de weg staat aan het ombouwen van bestaande bebouwing tot een mestvergistingsinstallatie. De raad heeft ter zitting echter toegelicht dat dit niet mogelijk is zonder de noodzakelijke bouwkundige ingrepen aan het gebouw en dat artikel 4, lid 4.2.1, onder h, van de planregels derhalve ook in dergelijke situaties van toepassing is. Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor en [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] hebben de onjuistheid van dit standpunt van de raad niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

21.8. Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat op de percelen [locatie 6] en [locatie 5] met de bestemming "Agrarisch met waarden" ten onrechte is voorzien in een bouwhoogte van meer dan 12 m, overweegt de Afdeling dat dit, gelet op artikel 4, lid 4.2.5, aanhef en onder b, onder 1, van de planregels op de percelen alleen geldt voor mestsilo's, melksilo's, voedersilo's en windturbines binnen het bouwvlak. In de niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 4] en anderen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hier niet in redelijkheid in heeft kunnen voorzien. Het betoog faalt.

21.9. In de enkele stelling dat er geen noodzaak bestaat tot een overschrijding van de bouwgrens per zijde met maximaal 25 m op de percelen [locatie 6] en [locatie 5], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3.1, gelet op lid 4.3.1, aanhef en onder e, van de planregels alleen kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Het betoog faalt.

21.10. In de niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] dat de bouwvlakken op de percelen op allerlei manieren kunnen worden ingericht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verbeelding wat betreft de percelen [locatie 6] en [locatie 5] tot rechtsonzekere situaties leidt. Het betoog faalt.

21.11. Evenmin ziet de Afdeling, mede gelet op artikel 4, lid 4.6.1, onder c, en lid 4.6.2, onder d, van de planregels in de enkele stelling van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goede landschappelijke inpassing van de voorziene uitbreidingen onvoldoende is gewaarborgd. Het betoog faalt.

21.12. Ook in hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de percelen van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] is gewaarborgd en dat het open landschap en de landschappelijke waarden voldoende zijn gewaarborgd.

22. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 4G] ziet de Afdeling verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.

Conclusie

23. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C], [appellant sub 4D], [appellant sub 4E], coöperatie Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., [appellant sub 4I], [appellant sub 4F] en [appellant sub 4H], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellante sub 3], en [appellant sub 4] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Koeman
voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2016

749.