Uitspraak 201405385/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 24 juni 2015
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Utrecht
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied: Natuurbescherming
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2015:1946

201405385/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob) en de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer (hierna: de vereniging), beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013, kenmerk BS130270, heeft het college [vergunninghouder] een vergunning op grond van de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het in werking hebben van een veehouderij aan [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 juni 2014, kenmerk 80FB12F2, heeft het college het door Mob en de vereniging hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 15 oktober 2013 in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben Mob en de vereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mob en de vereniging en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2015, waar Mob en de vereniging, beide vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch en drs. P.C. Meeuwissen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge het derde lid is het verbod bedoeld in het eerste lid niet van toepassing op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 1, onder m, wordt onder bestaand gebruik in de zin van deze wet verstaan, gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag.

2. Mob en de vereniging stellen dat de vergunning ten onrechte is verleend, omdat, anders dan waarvan het college uitgaat, de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden in de aangevraagde situatie toeneemt ten opzichte van de situatie ten tijde van de relevante referentiedata. Volgens Mob en de vereniging heeft het college een onjuist uitgangspunt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of ten gevolge van de aangevraagde situatie een toename van stikstofdepositie plaatsvindt op deze gebieden. In dat verband betogen zij dat voor de vaststelling van de stikstofdepositie ten tijde van de relevante referentiedata uit moet worden gegaan van de op 29 januari 1992 gedane melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijen Hinderwet (hierna: Bmh) voor een veebestand met een totale ammoniakemissie van 579,5 kg per jaar dan wel voor een veebestand met een totale ammoniakemissie van maximaal 868,7 kg per jaar.

Voorts betogen zij dat indien ervan wordt uitgegaan dat de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden in de aangevraagde situatie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie ten tijde van de relevante referentiedata, de vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 niet verleend had mogen worden. Hiertoe voeren zij aan dat in dat geval sprake is van een bestaand gebruik dat niet vergunningplichtig is.

3. Vaststaat dat de betogen van Mob en de vereniging zich richten op de gevolgen van de vergunningverlening voor de Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse Plassen/de Haeck en Oostelijke Vechtplassen. De referentiedata voor deze gebieden zijn 14 februari 1997 onderscheidenlijk 24 maart 2000.

Op 3 mei 1979 is, voor zover van belang, ten behoeve van de veehouderij een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 114 melkkoeien, inclusief pinken en vaarzen. Hiervan uitgaande bestaat het in 1979 vergunde aantal melkkoeien gezien de getalsmatige verhouding tussen melkkoeien en vrouwelijk jongvee van 1:0,7 uit 67 stuks melk- en kalfkoeien en 47 stuks vrouwelijk jongvee. Op de tekening behorende bij de aanvraag van deze vergunning is een stal voor 75 stuks melkkoeien en een stal voor 17 stuks kalveren ingetekend.

Op 29 januari 1992 is ten behoeve van de veehouderij een melding gedaan op grond van het Bmh. Op 17 juli 1992 heeft het gemeentebestuur van de gemeente Breukelen (thans: Stichtse Vecht) medegedeeld dat de melding is gecontroleerd en in orde is bevonden. In deze melding worden geen dieraantallen genoemd.

Op 13 maart 1995 heeft het gemeentebestuur aan de veehouder medegedeeld dat de veehouderij ook na het realiseren van een nieuw te bouwen jongveestal onder het Bmh valt. Niet in geschil is dat op een plattegrondtekening van 1 maart 1995 behorende bij de bouwaanvraag ten behoeve van de nieuw te realiseren jongveestal is vermeld dat deze stal ruimte biedt voor 50 stuks vrouwelijk jongvee.

4. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college bij de beoordeling van de uitgangssituatie ten tijde van de referentiedata aansluiting heeft gezocht bij hetgeen in de aanvraag ten behoeve van de Nbw-vergunning is vermeld, te weten 75 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar, 70 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar en 40 stuks schapen met een totale ammoniakemissie van 1.013,5 kg per jaar.

Vaststaat dat de toegestane situatie ten tijde van de referentiedata kan worden ontleend aan de melding van 29 januari 1992 op grond van het Bmh. In dit geval doet zich de bijzonderheid voor dat in deze melding geen dieraantallen worden genoemd. Om de uitgangssituatie ten tijde van de referentiedata te kunnen vaststellen, heeft het college aan de hand van de destijds op het perceel aanwezige stalruimte bezien welk soort en aantallen dieren binnen de veehouderij konden worden gehouden. Volgens het college is uit de tekening behorende bij de aanvraag van de Hinderwetvergunning en de plattegrondtekening behorende bij de bouwaanvraag te herleiden dat het aannemelijk is dat ten tijde van de referentiedata op het perceel stalruimte aanwezig was voor 75 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar, 70 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar en 40 stuks schapen. Mob en de vereniging hebben geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat deze aanname onjuist is. De enkele omstandigheid dat uit een controleverslag naar aanleiding van de melding van 29 januari 1992 blijkt dat op 10 april 1992 50 stuks melkvee, 25 stuks jongvee en 10 stuks schapen op het perceel aanwezig waren, maakt niet dat ten tijde van de referentiedata - bijna vijf jaar na de controle op 10 april 1992 - in de op het perceel aanwezige stalruimte minder dieren konden worden gehouden dan de 75 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar, 70 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar en 40 stuks schapen. Gelet op het voorgaande heeft het college in dit geval in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat ten tijde van de referentiedata toestemming bestond voor het houden van 75 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar, 70 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar en 40 stuks schapen met een totale ammoniakemissie van 1.013,5 kg per jaar.

Het betoog faalt.

5. Uitgaande van een veebestand met een totale ammoniakemissie van 1.013,5 kg per jaar, staat vast dat de veehouderij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd voortgezet op de wijze en in de omvang zoals die feitelijk bestond op 31 maart 2010. Het college heeft derhalve bij het nemen van het bestreden besluit niet onderkend dat de aangevraagde situatie betrekking heeft op bestaand gebruik als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 1, onder m, van de Nbw 1998, dat is uitgezonderd van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van deze wet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2014 in zaak nr. 201305070/1/R2 mag de uitzondering op de vergunningplicht vanwege bestaand gebruik worden toegepast als op 31 maart 2010 en nadien geen wijziging heeft plaatsgevonden van de rechtens toegestane situatie met betrekking tot de veehouderij ten opzichte van de relevante referentiedata. Nu de vergunningaanvraag krachtens de Nbw 1998 betrekking heeft op een wijze van bedrijfsvoering waarvoor ten tijde van de relevante referentiedata toestemming was verleend en de bedrijfsvoering sindsdien niet is gewijzigd, mag de uitzondering op de vergunningplicht vanwege bestaand gebruik in dit geval worden toegepast. Gelet op het voorgaande had het college ambtshalve moeten vaststellen dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen vergunningplicht op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 bestond. Voor het voortzetten van de bedrijfsvoering zoals in de vergunningaanvraag is vermeld, is derhalve geen Nbw-vergunning vereist.

Het betoog slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover het de krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleende vergunning betreft, is genomen in strijd met artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 1, onder m, van de Nbw 1998, en dient wegens strijd met genoemde wettelijke bepalingen in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van Mob en de vereniging gegrond te verklaren, omdat de vergunningaanvraag betrekking heeft op bestaand gebruik als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 1, onder m, van die wet, dat is uitgezonderd van het verbod als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en derhalve geen vergunningplicht bestaat.

Gelet hierop ziet de Afdeling verder aanleiding het besluit van 15 oktober 2013 te herroepen en de gevraagde vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 alsnog te weigeren. Naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, ingediend voordat het college op de bezwaren heeft beslist, zal de Afdeling de hoogte van het aan Mob en de vereniging te vergoeden bedrag ten behoeve van de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten vaststellen.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 4 juni 2014, kenmerk 80FB12F2, voor zover het de krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleende vergunning betreft;

III. verklaart het bezwaar gegrond;

IV. herroept het besluit van 15 oktober 2013, kenmerk BS130270, voor zover daarbij een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 is verleend en weigert de gevraagde vergunning;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 4 juni 2014 en 15 oktober 2013, voor zover deze zijn vernietigd;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Koeman w.g. Plambeck
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

159-772.