Uitspraak 201410280/1/V2

Datum van uitspraak: vrijdag 12 juni 2015
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2015:2005

201410280/1/V2.
Datum uitspraak: 12 juni 2015

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), van 11 december 2014 in zaken nrs. 14/25381 en 14/25383 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2015, samen met zaak nr. 201409630/1/V2 waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Roelofsen, advocaat te Groningen en mr. M.A. Vegter, werkzaam bij Defence for Children in Leiden, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.W.A. Croonen, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in het besluit 7 november 2014 deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochter bij terugkeer naar Guinee zal worden besneden en derhalve een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank daarbij onder meer ten onrechte van belang geacht dat zij niet wil dat haar dochter wordt besneden en dat uit het algemeen ambtsbericht inzake Guinee van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2014 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat de nadruk ligt op de wil van de ouders, zodat zij in staat moet worden geacht haar dochter aan besnijdenis te kunnen onttrekken. Daartoe betoogt de vreemdeling dat uit het ambtsbericht niet blijkt dat het in alle gevallen de ouders zijn die beslissen of hun dochter wordt besneden. Voorts betoogt zij dat uit het ambtsbericht blijkt dat nog altijd 96,9 procent van de vrouwen in Guinee is besneden zodat niet is gebleken dat de in samenwerking met de Guinese autoriteiten ontplooide initiatieven met het doel om het aantal besnijdenissen terug te dringen, effect hebben.

1.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de Guinese autoriteiten in samenwerking met internationale organisaties, waaronder UNICEF en verschillende non-gouvernementele organisaties, in heel Guinee intensief campagne voeren om het aantal besnijdenissen terug te dringen. De resultaten hiervan zijn nog niet zichtbaar in de officiële cijfers, omdat deze betrekking hebben op vrouwen in de leeftijd van 15 tot 49 jaar. Daarnaast heeft de staatssecretaris toegelicht dat de opvatting van de moeder aangaande besnijdenis veelal bepalend is, zodat, nu de vreemdeling niet wil dat haar dochter wordt besneden, niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt te worden besneden.

1.2. In het ambtsbericht is in paragraaf 3.4.4, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"De autoriteiten bestrijden besnijdenis met voorlichtingscampagnes en preventie in samenwerking met internationale organisaties (waaronder UNICEF en de WHO) (…) evenals de ministeries van Gezondheidszorg, Sociale Zaken en onderwijs. Dit gebeurt door middel van didactische modules in het onderwijs, workshops voor religieuze leiders, het organiseren van een dag van zero tolerance op 6 februari, campagnes van posters in de stad en in ziekenhuizen en radio- en televisiespots. De politie gebruikte het gezamenlijke UNFPA-UNICEF programma om de wet toe te passen. Officieel maakt de bestrijding van besnijdenis deel uit van het pakket van (prenatale) moeder- en kindzorg en in vaccinatiecampagnes.(…)

UNICEF werkt in de communautés (gemeenschappen) aan educatie, voorlichting over de rechten van het kind en afschaffing van de besnijdenis. UNICEF staat daarbij in contact met Ngo's, met religieuze autoriteiten en met alle ministeries. UNICEF is in 400 districten van Guinee actief. In 2013 is UNICEF met een intensieve campagne gestart die ertoe zou moeten leiden dat in 2015 in 1.500 dorpen de besnijdenis publiekelijk wordt afgezworen.(…)

Hoewel uit officiële cijfers blijkt dat de meeste vrouwen (96,9 procent) zijn besneden, vinden volgens bronnen in de steden - en in mindere mate op het platteland - steeds minder besnijdenissen plaats. Vroeger was vrouwenbesnijdenis voor alle vrouwen verplicht, maar sinds enige tijd is deze 'verplichting' op sommige plaatsen en in sommige gemeenschappen afgenomen door voorlichtingscampagnes.(…)

Besnijdenis is een aangelegenheid van de familie en de gemeenschap. Het is in de eerste plaats de moeder die de verantwoordelijkheid neemt voor de besnijdenis, maar het kan gebeuren dat, indien de moeder haar dochter niet wenst te laten besnijden, genitale verminking wordt uitgevoerd op instigatie van andere vrouwelijke familieleden, zoals tantes en grootmoeders. (…) In de praktijk zijn het veelal de ouders die bepalen of hun dochter wordt besneden."

1.3. In de tabel van het Institut National de la Statistique van het Guinese Ministère du Plan (hierna: de tabel) van 2012 (www.dhsprogram.com), die de vreemdeling als nader stuk heeft ingebracht, is vermeld dat het percentage besneden vrouwen onder de Peulh, de bevolkingsgroep waartoe haar dochter en zij behoren, 99,5 procent bedraagt. De door de vreemdeling als nadere stukken ingebrachte ontwerpnotitie 'Kindernotitie Guinee' van UNICEF Nederland van februari 2015 en de 'Kinderrechtenrapportage' van Defence for Children van 14 april 2015 (beide aangehecht) bevestigen voorts het in het ambtsbericht en de tabel geschetste beeld.

1.4. Uit het voorgaande blijkt dat er in Guinee met steun van de autoriteiten een groot aantal initiatieven is opgestart om het aantal besnijdenissen terug te dringen, dat uit officiële cijfers blijkt dat 96,9 procent van de vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 49 jaar is besneden, dat zowel in de stad als op het platteland het aantal besnijdenissen afneemt, dat het kan gebeuren dat de besnijdenis wordt uitgevoerd op instigatie van andere vrouwelijke familieleden maar dat het veelal de ouders zijn, en in de eerste plaats de moeder is, die beslist of haar dochter wordt besneden.

1.5. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet wil dat haar dochter wordt besneden. Uit het in 1.4. overwogene kan worden afgeleid dat meisjes wier moeder niet wil dat ze worden besneden, in het algemeen geen reëel risico lopen om toch te worden besneden. Voorts heeft de vreemdeling, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft toegelicht, niet aannemelijk gemaakt dat er een reële kans bestaat dat haar dochter tegen haar zin zal worden besneden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris in het besluit 7 november 2014 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochter bij terugkeer naar Guinee zal worden besneden en derhalve een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

De grieven falen in zoverre.

2. Gelet op het voorgaande kan hetgeen overigens is aangevoerd niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Ferment, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Ferment
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015

657.