Uitspraak 201310759/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 10 december 2014
Tegen: de raad van de gemeente Maasgouw
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Limburg
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2014:4430

201310759/1/R1.
Datum uitspraak: 10 december 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sleydal B.V, gevestigd te Roermond,
2. [appellante sub 2], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Heel, gemeente Maasgouw,
3. [appellante sub 3], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal,
4. [appellante sub 4], gevestigd te Heel, gemeente Maasgouw,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasgouw,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Heel Panheel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellante sub 4] en Sleydal B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2014, waar [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4], alle vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, alsmede [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.J.T.H.M. Savelkoul en N.J. Brouwers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan voorziet in een actuele juridisch planologische regeling voor het plangebied. Het plan is een conserverend plan. Het behoud van de bestaande situatie is het uitgangspunt.

Het beroep van Sleydal B.V.

4. Sleydal B.V. betoogt dat het in artikel 29, lid 29.2.2. onder a, van de planregels genoemde maximum aantal wooneenheden binnen de bestemming "Woongebied-Sleydal" ten onrechte is vastgesteld op 30. Onder verwijzing naar de tussen Sleydal B.V. en de voormalige gemeente Heel afgesloten exploitatieovereenkomst 2003 van 3 juni 2003 (hierna: de overeenkomst) stelt Sleydal B.V. dat dit maximum aantal 47 moet zijn.

Voorts voert Sleydal B.V. aan dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de uit de overeenkomst voortvloeiende inspanningsverplichting voor de gemeente voor de uitbreiding van het projectgebied Sleydal met een vierde en een vijfde fase van woningbouw.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het aantal van 30 wooneenheden is overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan "Kern Heel". Het verhogen van het aantal nog te realiseren woningen van 30 naar 47 stuit op planologische bezwaren, omdat de uitvoerbaarheid van de zeventien extra woningen niet kan worden aangetoond. Hierbij heeft de raad er op gewezen dat in de periode 2009-2013 in het projectgebied Sleydal slechts een viertal woningen is gerealiseerd. Indien dit bouwtempo zich doorzet gedurende de planperiode zullen de huidige bestemde woningbouwmogelijkheden ruim voldoende zijn, aldus de raad. Dit betekent volgens de raad niet dat de overeenkomst niet in stand blijft. Indien Sleydal B.V. de zeventien extra woningen wenst te realiseren, kan zij een verzoek indienen om herziening van het plan.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het realiseren van woningen binnen de vierde fase van het project Sleydal mogelijk is binnen het plan. Dat de vierde fase niet onder deze naam is opgenomen in het plan doet hier niet aan af.

Wat betreft de vijfde fase stelt de raad zich op het standpunt dat in het plan de grond ter plaatse van de vijfde fase bestemd is als "Natuur", zonder wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Wonen". Ten opzichte van het voorgaande plan "Kern-Heel" is deze wijzigingsbevoegdheid niet meer opgenomen, omdat de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid niet kan worden aangetoond.

4.2. Ingevolge artikel 29, lid 29.2.2. onder a, van de planregels mag op het plandeel met de bestemming "Woongebied-Sleydal" het aantal woningen niet meer bedragen dan 30 wooneenheden.

4.3. Niet in geschil is dat de overeenkomst aan Sleydal B.V. ruimte biedt om meer woningen te realiseren binnen de bestemming "Woongebied Sleydal" dan de planregels mogelijk maken.

Voor zover Sleydal B.V. een beroep doet op de door haar met de gemeente gesloten overeenkomst, overweegt de Afdeling dat een overeenkomst als de onderhavige niet kan leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. Dat tussen Sleydal B.V. en de gemeente een overeenkomst is gesloten, is wel een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het plan in zijn overwegingen dient te betrekken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2014 (in zaak nr. 201304817/1/R2). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dat in het onderhavige geval gedaan en is voldoende gemotiveerd waarom de raad met minder wooneenheden wenst te volstaan dan in de overeenkomst is neergelegd. In dit verband is van belang dat Sleydal B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen de planperiode meer dan 30 wooneenheden zal realiseren. Mocht dit wel het geval zijn, dan kan zij een verzoek indienen om herziening van het plan. Ook heeft de raad, in het verlengde hiervan, voldoende gemotiveerd waarom geen wijzigingsbevoegdheid meer is opgenomen.

Het betoog faalt.

5. Het beroep van Sleydal B.V. is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3]

6. [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat de bestemming "Agrarisch met waarden", voor zover toegekend aan hun percelen, ten onrechte het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen, waaronder begrepen in ieder geval hagelnetten, niet meer rechtstreeks zonder restricties mogelijk maakt maar slechts door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Zij voeren aan dat dit een beperking vormt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied". Dit plan had immers als doelstelling toekenning van prioriteit aan de instandhouding van de agrarische sector en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden. Voorts voeren [appellante sub 2] en [appellante sub 3] aan dat het niet opnemen van de mogelijkheid om teeltondersteunende voorzieningen op te richten in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL). Uit het POL volgt immers dat de landbouw zich in al zijn vormen verder moet ontwikkelen, aldus [appellante sub 2] en [appellante sub 3]. Ook is het in strijd met de provinciale Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen 2011 (hierna: de Beleidsregel), omdat hierin nadrukkelijk is bepaald dat hagelnetten overal mogen worden opgericht, ook binnen de bestemming "Agrarisch met waarden". Ten slotte voeren [appellante sub 2] en [appellante sub 3] aan dat door het niet mogelijk maken in het plan van het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen als agrarische bedrijven. Zij stellen dat teeltondersteunende voorzieningen voor het uitoefenen van hun bedrijf onontbeerlijk zijn. Ook betogen zij dat de voorwaarden opgenomen in artikel 5, lid 5.4.3. van de planregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen onredelijk zijn.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen beperking van het voorgaande bestemmingsplan inhoudt, omdat de bouwregels van dat plan het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen niet mogelijk maakten en het voorgaande plan ook binnenplans geen mogelijkheid bood om teeltondersteunende voorzieningen op te richten. Op basis van het voorgaande plan kon een vergunningsplichtige teeltondersteunende voorziening slechts gerealiseerd worden met toepassing van artikel 4, eerste lid, onder b, van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht.

Voorts is volgens de raad bij het afwegingskader van de binnenplanse afwijking aangesloten bij de voorwaarden uit de Beleidsregel. De raad heeft gekozen voor een binnenplanse afwijking om een toetsingsmogelijkheid te creëren voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud en ontwikkeling van de aanwezige waarden.

Ingevolge lid 5.2 gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen:

a. op de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

b. op de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

1. omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 m mag bedragen;

2. voederruiven en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 m mag bedragen;

3. bouwwerken, geen gebouw zijnde, die van geringe omvang zijn en welke noodzakelijk zijn voor de in 5.1 genoemde natuur- en landschapselementen.

Ingevolge lid 5.4.3. kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de omliggende waarden en functies, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 5.1 onder b. ten behoeve van het oprichten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en hagelnetten, met dien verstande dat:

a. aangetoond is dat redelijkerwijs niet mogelijk is deze voorzieningen ter plaatse van de bestemming "Agrarisch - Bouwperceel" op te richten zijn;

b. zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bestemming "Agrarisch - Bouwperceel" tenzij aangetoond wordt dat dit op grond van agrarische en/of landschappelijke motieven niet mogelijk is;

c. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond middels een bedrijfsontwikkelingsplan;

d. omliggende waarden en functies niet onevenredig worden aangetast

e. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen na afloop van een termijn van maximaal 6 maanden worden verwijderd;

f. in het geval de oppervlakte van tijdelijke boogkassen en tijdelijke regenkappen na ontheffing meer dan 10% van de totale teeltoppervlakte van een bedrijf uitmaakt, ook vooraf advies dient te worden ingewonnen bij de regionale kwaliteitscommissie;

g. de hoogte van de hagelnetten ten hoogste 4 meter bedraagt;

h. de hoogte van andere teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 2,5 meter bedraagt;

i. er advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu;

j. er voldaan is aan de eisen die gesteld zijn in het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) of ter uitwerking daarvan vastgesteld beleid;

k. deze niet gelegen mogen zijn binnen het kwaliteitsprofiel "Ruimte voor de rivier", zoals opgenomen in Bijlage 2.

6.3. De percelen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3] hadden in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden Aln". Op deze percelen mocht op grond van deze bestemming niet worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen, geen gebouwen zijnde en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers en zitbanken. De maximale hoogte van deze voorzieningen bedroeg twee meter.

De Afdeling stelt vast dat de planregels van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" niet in de mogelijkheid van het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen voorzagen. Anders dan [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen zijn de bouwmogelijkheden voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen in het plan dan ook niet beperkt ten opzichte van het vorige plan.

Het betoog faalt.

6.4. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan Rijks- en provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Voor zover [appellante sub 2] en Van Herten Vosdellen aanvoeren dat uit het POL volgt dat de landbouw zich in al zijn vormen verder moet kunnen ontwikkelen en dat hiermee in het plan onvoldoende rekening is gehouden, leidt dit niet tot de conclusie dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met het POL. Het POL bevat immers geen bepalingen over het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen.

Het betoog faalt.

6.5. De Beleidsregel biedt voor gemeenten ruimte om gebiedsgedifferentieerd in hun buitengebied door middel van maatwerk en verplichte landschappelijke inpassing teeltondersteunende voorzieningen toe te staan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het afwegingskader van artikel 5, lid 5.4.3. van de planregels is gebaseerd op de criteria opgenomen in de Beleidsregel. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in aanvulling op deze criteria in het plan extra voorwaarden voor de realisatie van teeltondersteunende voorzieningen zijn opgenomen. De raad heeft aangevoerd dat in de gemeente Maasgouw weinig agrarische grond ligt en dat de wel aanwezige agrarische grond daarom extra bescherming behoeft. Daarom zijn in het plan voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen extra voorwaarden opgenomen, aldus de raad.

Nu de raad bij de vaststelling van het plan niet gebonden is aan de Beleidsregel, is in de omstandigheid dat in het plan strengere eisen worden gesteld aan het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen dan in de Beleidsregel geen grond gelegen voor vernietiging van het plan. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met de Beleidsregel, voor zover het de mogelijkheden betreft voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen.

Het betoog faalt.

6.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het direct mogelijk maken van teeltondersteunende voorzieningen in het plan. Gelet op de schaarse agrarische gronden binnen de gemeente Maasgouw heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen door middel van een binnenplanse afwijking mogelijk te maken, zodat getoetst kan worden of een eventuele realisatie voldoet aan de gemeentelijke en provinciale criteria. Gelet op deze mogelijkheid, die op grond van het voorgaande bestemmingsplan niet bestond, en afgezet tegen het belang van de bescherming van de schaarse agrarische gronden binnen de gemeente Maasgouw, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3].

Het betoog faalt.

7. De beroepen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

8. [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met de enkelbestemming "Natuur" die in het plan aan haar percelen gelegen ten zuiden van het bedrijfskavel Daalzicht 33a te Heel zijn toegekend. [appellante sub 4] voert aan dat door deze bestemming de mogelijkheden van bebouwing en gebruik ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering zijn beperkt. [appellante sub 4] wijst er op dat de percelen zijn gelegen in agrarisch gebied, zodat niet valt in te zien waarom agrarisch gebruik van de gronden niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voorts wijst zij er op dat op grond van het POL haar percelen wel gebruikt mogen worden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Natuur" overeenkomt met de bestemming "Houtopstanden/oevervegetatie N(ho)" uit het voorgaande bestemmingsplan "Boschmolenplas", zodat van een beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden geen sprake is. Een vergroting van het agrarisch bouwkavel ter plaatse was op grond van het paraplubestemmingsplan "Herziening ARIBA" niet mogelijk, omdat de percelen daarin bestemd zijn als "Extensiveringsgebied". De percelen voorzien van een agrarische bouwbestemming, zonder bouwkavel, is in strijd met de "Structuurvisie Maasgouw 2030" (hierna: de structuurvisie). Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het wijzigen van de natuurbestemming in een agrarische bestemming afbreuk doet aan de doelstellingen van het POL.

8.2. Ingevolge artikel 17, lid 17.1 van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, herstel dan wel de ontwikkeling van de aanwezige, dan wel daaraan eigen natuurlijke en landschappelijke waarden;

b. de verbetering van het milieu voor de natuurlijke levensgemeenschappen; c. de opbouw van het landschap;

d. beperkt recreatief medegebruik, waaronder dient te worden verstaan wandelen, fietsen en paardrijden;

e. onverharde wegen ten behoeve van het landbouwverkeer;

f. ter plaatse van de aanduiding 'pad', één toegangsweg met een maximale lengte van 200 meter en een maximale breedte van 4 meter;

g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - paardenstal', een paardenstal;

h. ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden', de landschappelijke inpassing van het gehele wellnesscentrum in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie, zoals wallen, hagen, gebiedseigen bomen, opgaande/ afschermende beplanting, een en ander overeenkomstig het landschapsinrichtingsplan zoals weergegeven in Bijlage 4 bij de regels;

i. voet- en fietspaden;

j. groenvoorzieningen;

k. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', parkeervoorzieningen;

l. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, water, waterlopen en waterpartijen;

m. voorzieningen van algemeen nut.

Ingevolge lid 17.4, aanhef en onder c, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik van gronden en opstallen in elk geval verstaan het gebruik voor en/of als agrarische doeleinden, met uitzondering van agrarische doeleinden in het kader van natuurbeheer.

8.3. Vast staat dat ingevolge artikel 17, lid 17.1 en lid 17.4, aanhef en onder c, van de planregels op de percelen bebouwing noch agrarisch gebruik is toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het gewenste gebruik in strijd is met de structuurvisie, omdat daarin is bepaald dat op de dam gelegen tussen de Boschmolenplas en de Lange Vlieter de natuurwaarden verder versterkt moeten worden. Een agrarische bestemming is in strijd met deze doelstelling. Voorts sluit de bestemming "Natuur" aan bij de bestemming "Houtopstanden/oevervegetatie N(ho)" uit het voorgaande bestemmingsplan "Boschmolenplas".

Het betoog faalt.

8.4. Wat betreft het POL stelt de Afdeling voorop dat de raad bij de vaststelling van het plan niet aan het POL is gebonden. Wel dient de raad hiermee rekening te houden, hetgeen betekent dat het POL in de belangenafweging dient te worden betrokken.

De percelen van [appellante sub 4] zijn gelegen binnen de Provinciale ontwikkelingszone groen (POG). In het POL wordt weliswaar vermeld dat de POG voornamelijk landbouwgebieden bevat, maar ook dat het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschapswaarden richtinggevend zijn voor ontwikkelingen in de POG. Belangrijk zijn het behoud en het bewerkstelligen van de juiste basiscondities voor de beoogde verbetering van natuur en drinkwatersystemen, mede met het oog op het waarborgen van een gegarandeerde en veilige drinkwatervoorziening, aldus het POL. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gewenste gebruik afbreuk doet aan de doelstelling van het POL.

Het betoog faalt.

9. [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met de enkelbestemming "Agrarisch met waarden" die in het plan aan haar percelen gelegen aan de [locatie] te Heel is toegekend. Zij voert aan dat deze bestemming voor haar onvoldoende bouw- en gebruiksmogelijkheden met zich brengt, aangezien zij van plan is in de toekomst een loods voor agrarische doeleinden, met bijbehorende bedrijfswoning te realiseren. In dit verband wijst zij er op dat op de percelen gelegen direct ten noorden van haar perceel aan de Monseigneur Savelbergweg 97 een manege zal worden gerealiseerd, terwijl deze percelen dezelfde bestemming hadden. Dit levert volgens [appellante sub 4] strijd met het gelijkheidsbeginsel op.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" de percelen de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke- en natuurwaarden" hadden, dat op grond van deze bestemming de realisatie van een bouwkavel niet mogelijk was, en dat de bestemming "Agrarisch met waarden" een voortzetting is van de vorige bestemming. Uitbreiding van de bouwkavel is niet mogelijk, omdat het gebied rondom het perceel in het paraplubestemmingsplan "Herziening ARIBA" is bestemd als "Extensiveringsgebied".

De manege is niet gerealiseerd op basis van het voorgaande plan "Buitengebied". Voor de realisatie van de manege is op 20 juni 2013 het bestemmingsplan "Mgr. Savelbergweg 97" vastgesteld. Het mogelijke bouwplan van [appellante sub 4] is bij de gemeente niet bekend, zodat niet beoordeeld kan worden of de realisering van dit plan wenselijk, mogelijk en haalbaar is, aldus de raad. In dat geval zal voor de mogelijke realisatie van een agrarische bouwkavel een aparte bestemmingsplanprocedure doorlopen moeten worden. De raad stelt zich op het standpunt dat juist het opnemen van een bouwplan van [appellante sub 4] in het plan zou leiden tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit bij de manege ook niet is gebeurd.

9.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;

b. behoud en ontwikkeling van de aanwezige waarden;

c. het in stand houden van de openheid in het gebied;

d. onverharde wegen ten behoeve van het landbouwverkeer;

e. realiseren en in stand houden van natuur- en landschapselementen zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties,

f. perceelsontsluitingswegen;

g. recreatief medegebruik.

Ingevolge lid 5.2 van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen:

a. op de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd;

b. op de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

1. omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 m mag bedragen;

2. voederruiven en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 m mag bedragen;

3. bouwwerken, geen gebouw zijnde, die van geringe omvang zijn en welke noodzakelijk zijn voor de in 5.1 genoemde natuur- en landschapselementen.

9.3. Aan de percelen was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke- en natuurwaarden" toegekend. De realisatie van een bouwkavel was ingevolge deze bestemming niet mogelijk. De bestemming "Agrarisch met waarden" is een voortzetting van de vorige bestemming.

Door [appellante sub 4] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor een loods voor agrarische doeleinden met bijbehorende bedrijfswoning, noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet was dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden. Het beroep van [appellante sub 4] op het gelijkheidsbeginsel kan om deze reden ook tot niets leiden.

Het betoog faalt.

10. [appellante sub 4] betoogt dat de gebiedsaanduiding "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied (freatisch)", voor zover deze aanduiding aan haar percelen is toegekend, ten onrechte niet het aanleggen van een verharding ten behoeve van de bedrijfsvoering mogelijk maakt.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het aanleggen van een verharding ten behoeve van de bedrijfsvoering niet kan worden aangemerkt als het aanleggen van een weg in de zin van artikel 44, lid 44.2.1 van de planregels. Indien de verharding niet openstaat voor gemotoriseerd verkeer, is het geen openbare weg, en is het daarmee geen gewone weg als bedoeld in artikel 44, lid 44.2.1. van de planregels, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 44, lid 44.2.1, aanhef en onder d, van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied (freatisch)" niet toegestaan om wegen, parkeerplaatsen, terreinen die open staan voor gemotoriseerd verkeer, vaarwegen of spoorwegen aan te leggen, veranderen of daaraan wijzigingen aan te brengen die de risico's voor de grondwaterkwaliteit verhogen.

10.3. De Afdeling stelt vast dat het aanleggen van een verharding ten behoeve van de bedrijfsvoering niet kan worden aangemerkt als het aanleggen van een weg in de zin van artikel 44, lid 44.2.1 van de planregels, mits deze niet openstaat voor gemotoriseerd verkeer. Anders dan [appellante sub 4] aanvoert staat de aanduiding "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied (freatisch)" dan ook niet aan het aanleggen van een verharding ten behoeve van de bedrijfsvoering in de weg.

Het betoog faalt.

11. Het betoog van [appellante sub 4] dat zij door de aan haar percelen toegekende bestemming "Agrarisch met waarden" wordt beperkt in de mogelijkheden teeltondersteunende voorzieningen, waaronder hagelnetten, op te richten, is identiek aan het betoog van [appellante sub 2] en [appellante sub 3] zoals hiervoor is weergegeven onder 6. Nu dat betoog faalt, en de belangen van [appellante sub 4] vergelijkbaar zijn met die van [appellante sub 2] en [appellante sub 3], faalt ook het betoog van [appellante sub 4]

12. [appellante sub 4] betoogt dat aan haar perceel Daalzicht 33a en haar percelen gelegen parallel aan de Napoleonseweg Noord ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde-archeologie" is toegekend. Zij voert aan dat zij hierdoor wordt beperkt in haar bouwmogelijkheden, in het bijzonder de mogelijkheid om teeltondersteunende voorzieningen en hagelnetten op te richten. Volgens haar bestaat er geen noodzaak op de percelen archeologisch onderzoek te verrichten omdat daar voorheen water was.

12.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het opstellen van het plan rekening dient te worden gehouden met het belang van de archeologie. De dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is gebaseerd op het gemeentelijke "Beleidsplan Archeologie" en de daarbij behorende archeologische waardenkaart. In het Beleidsplan zijn de locaties aangewezen als een gebied met een hoge archeologische waarde. Op beide percelen is geen verkennend onderzoek uitgevoerd waarbij is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, zodat voor deze percelen nog steeds een onderzoeksplicht geldt voor werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 1000 m² en een diepte vanaf 50 cm.

12.2. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

12.3. De Afdeling stelt vast dat artikel 33 van de planregels voor [appellante sub 4] een beperking vormt voor haar mogelijkheden om op haar percelen te bouwen en teeltondersteunende voorzieningen op te richten, nu uit deze bepaling volgt dat voor bouwen of voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, archeologisch onderzoek dient te worden verricht.

De Afdeling overweegt dat op de raad de plicht rust zich voldoende te informeren over de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan bestemmingen kunnen worden aangewezen en regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Ter zitting heeft [appellante sub 4] toegelicht dat op de locaties van beide percelen zich voorheen plassen bevonden, deze plassen zijn drooggelegd waarna weer landbouwgrond is opgespoten. De raad heeft dit niet betwist. Gelet hierop voert [appellante sub 4] terecht aan dat bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende is nagegaan wat voor nut het verrichten van archeologisch onderzoek op beide locaties heeft. Dat, zoals de raad heeft aangevoerd, de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is gebaseerd op de archeologische waardenkaart kan hier niet aan afdoen, nu daarmee het belang van bedoeld onderzoek niet is aangetoond. Het besluit van 26 september 2013 is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

13. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. De raad dient met inachtneming van overweging 12.3 nader te bezien of hij de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie", voor zover toegekend aan het perceel Daalzicht 33a en de percelen gelegen parallel aan de Napoleonseweg Noord, wenst te handhaven. Indien de raad dit wenst dient hij dit met inachtneming van overweging 12.3 draagkrachtig te motiveren. Zo niet, dan dient hij het besluit te wijzigen.

Proceskosten

14. Ten aanzien van [appellante sub 4] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. Ten aanzien van Sleydal B.V., [appellante sub 2] en [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Maasgouw op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak:

1. met inachtneming van overweging 13 de daar omschreven gebreken te herstellen en

2. de Afdeling en [appellante sub 4] de uitkomst mede te delen en de eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellante sub 3] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sleydal B.V. ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, griffier.

w.g. Polak w.g. Idema
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014

512.