Uitspraak 201302545/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 27 augustus 2014
Tegen: de burgemeester van Den Haag
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2014:3174

201302545/1/A3.
Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] ), allen domicilie kiezend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2013 in zaken nrs. 12/9180 en 12/9208 in het geding tussen:

[appellanten], tevens aan te duiden als het samenwerkingsverband Occupy Den Haag,

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2011, uitgereikt aan [een van de appellanten], heeft de burgemeester beperkingen gesteld aan de betoging van Occupy Den Haag met een kampement op een gedeelte van het Malieveld te Den Haag.

Bij besluit van 22 februari 2012, uitgereikt aan [een van de appellanten], heeft de burgemeester Occupy Den Haag opdracht gegeven het kampement te beëindigen.

Bij afzonderlijke besluiten van 10 augustus 2012 heeft de burgemeester de door [appellanten] en het samenwerkingsverband Occupy Den Haag tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2013 heeft de rechtbank de door [appellanten] tegen de besluiten van 10 augustus 2012 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag, en J. Malotaux, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering.

Ingevolge het tweede lid mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Grondwet (hierna: de Gw) wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge het tweede lid kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Ingevolge artikel 2 van de Wet openbare manifestaties (hierna: de Wom) kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit paragraaf II (Bepalingen over openbare plaatsen) aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Ingevolge het tweede lid kan een verbod slechts worden gegeven indien:

a. de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;

b. de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Ingevolge het derde lid kan een voorschrift, beperking of verbod geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.

2. Op 10 oktober 2011 heeft [belanghebbende] de burgemeester kennis gegeven van een betoging, uitgaande van het samenwerkingsverband genaamd "Occupy Den Haag", die vanaf 15 oktober 2011 zal plaatsvinden. Deze kennisgeving is op 12 oktober 2011 aangevuld. Volgens de kennisgeving is het doel van de betoging de vrede in de breedste zin van het woord. Een belangrijk aspect van de betoging is het aanhoudende karakter ervan, dat er op is gericht een publiek gespreksplatform te creëren waar iedereen op elk tijdstip terecht kan om te discussiëren en geïnformeerd te worden. Het aanhoudende karakter is voorts belangrijk vanuit het oogpunt van solidariteit met andere, vergelijkbare betogingen in de rest van de wereld, die eveneens 24 uur per dag doorgaan. De kennisgeving bevat geen einddatum van de betoging. De burgemeester heeft vervolgens bij wijze van uitzondering en onder voorwaarden overnachten op het Malieveld vooralsnog toegestaan. Daarbij heeft hij beperkingen gesteld die er op neerkomen dat overnachten bijzaak dient te zijn en dat hiervoor uitsluitend minimale middelen mogen worden ingezet. Het gebruik van open vuur, verwarming, kooktoestellen en gasflessen heeft de burgemeester gelet op de brandveiligheid en gezondheid verboden.

Op 15 december 2011 heeft [een van de appellanten] onder meer kennis gegeven van een uitbreiding van het kampement op het Malieveld, behorend bij voormelde betoging, bestaande uit vijf tenten en diverse kleine tenten, een gasstel en gaskachels, windbrekers, een EHBO-kar, een composteertoilet en vier grote spandoeken.

Bij het besluit van 21 december 2011 heeft de burgemeester op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wom beperkingen gesteld aan de betoging op het Malieveld, inhoudende dat het niet is toegestaan om op het manifestatieterrein de in de kennisgeving van 15 december 2011 aangemelde bouwsels of voorwerpen - die kennelijk primair zijn gericht op het faciliteren van een bestendig verblijf voor onbepaalde tijd - te plaatsen. Ook wordt het niet toegestaan om buiten het manifestatieterrein spandoeken of reclamemateriaal te plaatsen of bevestigen.

Bij het besluit van 22 februari 2012 heeft de burgemeester de voortzetting van het tot permanent verblijf geworden kampement van Occupy Den Haag op grond van artikel 2 en artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wom met ingang van 29 februari 2012 verboden. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het verblijf op het Malieveld een meer permanente vorm heeft aangenomen en niet langer een manifestatie is als bedoeld in de Wom. Voorts heeft de burgemeester daaraan ten grondslag gelegd dat het kampement ter bestrijding en voorkoming van wanordelijkheden moet worden beëindigd. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat Occupy Den Haag tegen de afspraken in meer en grotere objecten bij het kampement heeft geplaatst en dat het aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden rondom het kampement aanzienlijk is. Bovendien maakt Occupy Den Haag gebruik van gesloten tenten, beschouwt het samenwerkingsverband het bezette deel van het Malieveld kennelijk als privéterrein en heeft het geen vast aanspreekpunt. Daarbij komt ten slotte dat het gebruik van de openbare ruimte door Occupy Den Haag meebrengt dat gebruik van die ruimte door anderen niet meer mogelijk is. Het Malieveld is evenwel een nationale plek voor grote demonstraties en ook anderen moeten daarvan in het kader van hun recht op betoging gebruik kunnen maken, aldus de burgemeester.

Bij de besluiten van 10 augustus 2012 heeft de burgemeester de besluiten van 21 december 2011 en 22 februari 2012 gehandhaafd. Met betrekking tot het besluit van 21 december 2011 heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat dit besluit proportioneel en evenredig is. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het besluit slechts inhield dat het kampement van Occupy Den Haag niet werd uitgebreid met de in de kennisgeving van 15 december 2011 vermelde attributen. Volgens de burgemeester maakten die attributen ook geen wezenlijk onderdeel uit van de manifestatie, maar betrof het uitsluitend uitbreidingen die het verblijf op het Malieveld aangenamer moesten maken. Voorts heeft de burgemeester daaraan ten grondslag gelegd dat de beperking diende te worden opgelegd ter voorkoming van brand- en explosiegevaar en ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden. Ook met betrekking tot het besluit van 22 februari 2012 heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat dit proportioneel is. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het kampement van Occupy Den Haag het karakter van een manifestatie had verloren, nu daarmee een deel van de openbare ruimte permanent in beslag werd genomen. Daarnaast was beëindiging van het kampement volgens de burgemeester nodig ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden. Het kampement was volgens de burgemeester bovendien in strijd met het geldende bestemmingsplan. In dit besluit heeft de burgemeester benadrukt dat voor een dagelijks terugkerende manifestatie nog steeds alle ruimte bestaat.

3. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte ter rechtvaardiging van de besluiten van de burgemeester van 21 december 2011 en 22 februari 2012 omstandigheden heeft betrokken die hebben plaatsgevonden na die besluiten. Zij voeren hiertoe aan dat hun beroep zich richtte tegen die besluiten en dat het verdere verloop van de manifestatie op het moment van het nemen van die besluiten onbekend was. Derhalve kunnen de na die data geconstateerde problemen, daargelaten of die problemen zich daadwerkelijk voordeden, geen rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van voormelde besluiten, aldus [appellanten] .

3.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) diende de burgemeester op grondslag van de bezwaren een volledige heroverweging te verrichten van de besluiten van 21 december 2011 en 22 februari 2012. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat bij het nemen van een besluit op bezwaar de feiten en omstandigheden moeten worden betrokken zoals die zich op dat moment voordoen. De burgemeester heeft bij de besluiten van 10 augustus 2012 de bezwaren van [appellanten] met inachtneming van die feiten en omstandigheden ongegrond verklaard. Gelet hierop diende de rechtbank te beoordelen of de burgemeester in redelijkheid beperkingen aan de manifestatie kon stellen en kon besluiten tot beëindiging van het kampement van Occupy Den Haag. De rechtbank heeft daarbij terecht alle feiten en omstandigheden betrokken die de burgemeester aan die besluiten ten grondslag heeft gelegd. Zoals de burgemeester terecht te kennen heeft gegeven betreft het in dit geval overigens met name omstandigheden die zich reeds ten tijde van de besluiten van 21 december 2011 en

22 februari 2012 voordeden.

Het betoog faalt.

4. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet in redelijkheid aan de manifestatie beperkingen heeft kunnen stellen. Zij voeren hiertoe aan dat de uitbreiding van het kampement, bestaande uit vijf tenten en diverse kleine tenten, een gasstel en gaskachels, windbrekers, een EHBO-kar, een composteertoilet en vier grote spandoeken niet zodanige risico’s met zich bracht dat de door de burgemeester gestelde beperkingen konden worden gerechtvaardigd. De voorgestelde uitbreiding van het kampement was bovendien essentieel voor het functioneren ervan en ter bescherming van het welzijn en de gezondheid van de deelnemers aan de manifestatie, aldus [appellanten] .

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester in redelijkheid ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden beperkingen aan de manifestatie heeft kunnen stellen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plaatsen van een gasstel en gaskachels brand- en explosiegevaar kon opleveren. De rechtbank heeft evenzeer met juistheid overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plaatsen van een tent met een omvang van 20x30 meter en van vier tenten met een omvang van 4x7 meter, alsmede het plaatsen van windbrekers en een EHBO-kar, risico’s met zich bracht in de zin dat dergelijke voorzieningen het kampement een besloten karakter gaven en daardoor onoverzichtelijk maakten. Daarnaast zagen de beperkingen, in overeenstemming met artikel 5, derde lid, van de Wom, niet op de inhoud van de te openbaren gedachten en maakten zij de manifestatie niet onmogelijk. Dat de voorgestelde uitbreiding essentieel zou zijn voor het functioneren van de manifestatie hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet in redelijkheid tot beëindiging van het kampement kon overgaan. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de vrees voor wanordelijkheden de beëindiging van het kampement rechtvaardigde en dat de betoging op het Malieveld niet langer het karakter van een manifestatie in de zin van de Wom had, omdat de gekozen demonstratievorm niet wezenlijk zou zijn voor de realisering van het recht op betoging en derhalve slechts onder de beperkte bescherming van een aan dat grondrecht connex recht zou vallen. De rechtbank heeft het grondrecht op betoging daarmee te beperkt opgevat. De hier aan de orde zijnde situatie is bovendien niet te vergelijken met de gevallen die in de jurisprudentie van de Afdeling over het aan de godsdienstvrijheid connexe recht op geluidsversterking aan de orde zijn. De door hen gekozen demonstratievorm moet volgens [appellanten] als een zelfstandige wijze van meningsuiting worden beschouwd. De constante aanwezigheid van de betoging op een in het oog springende openbare plaats, is volgens [appellanten] wezenlijk voor de mening die zij wensten uit te dragen en daarmee wezenlijk voor het doel van de manifestatie. De gekozen wijze van meningsuiting en het daarbij behorende kampement zijn met dat doel onlosmakelijk verbonden. Volgens [appellanten] kunnen de aan het kampement verbonden risico’s derhalve slechts beperkingen rechtvaardigen na afweging van alle betrokken belangen en indien een ‘pressing social need’ dat vereist, waarbij blijkbaar gedoeld is op toetsing aan artikel 11, tweede lid, van het EVRM.

5.1. Uit de tekst, considerans en totstandkomingsgeschiedenis van de Wom (Kamerstukken II 1987/88, 19 427, nr. 3, blz. 8) volgt, dat die wet onder meer strekt tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Gw. Voor de vraag wat moet worden verstaan onder een manifestatie als bedoeld in de Wom dient derhalve aansluiting te worden gezocht bij het begrip ‘betoging’. Bij een betoging gaat het volgens de grondwetgever en de wetgever om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten en wensen op politiek of maatschappelijk gebied. Het uitdragen van een gemeenschappelijke mening door de deelnemers is daarbij een bepalend element (Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, blz. 39 en Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, blz. 32-33; Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, blz. 15). Acties die niet, of niet primair, het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bijvoorbeeld feitelijke dwang, overheersen, zijn geen betogingen in de hier bedoelde zin. Dat kan volgens de (grond)wetgever bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen, samenscholingen en volksoplopen (Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, blz. 33; Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, blz. 8).

5.2. Hoewel een manifestatie in de vorm van een kampement gericht op het uiten van een visie op politiek of maatschappelijk gebied in beginsel kan worden aangemerkt als een betoging in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Gw en van de Wom, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het kampement ten tijde van het besluit van 22 februari 2012 het karakter van een betoging had verloren. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen, dat naarmate de tijd vorderde de nadruk van de manifestatie steeds sterker is komen te liggen op het opzetten en in stand houden van een voortdurend en permanent verblijf door middel van het plaatsen van bouwsels en tenten met allerlei al dan niet daaraan gerelateerde extra voorzieningen. Daarmee is het in het openbaar uiten van gedachten, gevoelens en overtuigingen steeds verder op de achtergrond geraakt. Ter zitting bij de rechtbank hebben [appellanten] bovendien erkend dat de energie en tijd die werd besteed aan andere zaken, zoals het voeren van procedures gericht op behoud en uitbreiding van het kampement, ten koste is gegaan van het publiekelijk presenteren van hun opvattingen. Voorts wordt in aanmerking genomen dat [appellanten] ruim vier maanden de tijd hebben gehad hun meningen en standpunten aan het publiek bij wege van een kampement kenbaar te maken en zij nooit een einddatum voor de manifestatie hebben willen stellen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het voor langere en potentieel onbeperkte duur bezetten van de publieke ruimte met een kampement als thans aan de orde, waarbij daarenboven de hoedanigheid van een gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt, niet langer het karakter van een betoging draagt in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Gw en van de Wom.

Voor zover [appellanten] daarnaast een beroep hebben gedaan op het recht op vreedzame vergadering (‘peaceful assembly’) als neergelegd in artikel 11, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Afdeling dat dit hen niet kan baten. Daargelaten of een meer dan vier maanden durend kampement nog kan worden aangemerkt als een vreedzame vergadering als bedoeld in dat artikel, kan in dit geval - mede in het licht van het tijdsverloop, dat voldoende ruimte heeft geboden om de visie van Occupy voor het voetlicht te brengen - gezien het hierna onder 8. overwogene in redelijkheid aangenomen worden dat beëindiging van deze vergadering ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen in de zin van artikel 11, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd is. In dit verband verwijst de Afdeling naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 april 2002, nr. 51346/99, § 52 inzake Cisse tegen Frankrijk en van 20 februari 2014, 9117/04 en 10331/04, §§ 58 en 60 inzake Nosov tegen Rusland.

5.3. De rechtbank heeft gelet op het vorenoverwogene echter ten onrechte niet onderkend dat de burgemeester, die zich ook op het standpunt stelde dat zich niet langer een manifestatie in de vorm van een betoging voordeed, ten onrechte de Wom niettemin nog van toepassing heeft geacht. Nu het kampement het karakter van een betoging als bedoeld in artikel 9 van de Gw en de Wom had verloren, was immers geen sprake meer van een manifestatie waarop de Wom van toepassing was. Het besluit van 10 augustus 2012, waarbij het besluit van 22 februari 2012 is gehandhaafd, komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep gericht tegen het besluit van 10 augustus 2012, waarbij het besluit van 22 februari 2012 is gehandhaafd, ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank dient voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre gegrond verklaren. Het besluit van 10 augustus 2012, waarbij het besluit van 22 februari 2012 is gehandhaafd, komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Afdeling onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

7. Ter zitting heeft de burgemeester te kennen gegeven dat indien de Wom niet van toepassing zou zijn, hij zijn in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid had kunnen gebruiken om het kampement te beëindigen. Ingevolge dat artikel is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde. Ter beoordeling staat derhalve of uit het besluit van 10 augustus 2012, waarbij het besluit van 22 februari 2012 is gehandhaafd, kan worden afgeleid dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een verstoring van de openbare orde voordeed, althans dat de ernstige vrees daarvoor bestond. Partijen hebben zich ter zitting, zoals blijkt uit het voorgaande, over alle aspecten die van belang zijn voor deze beoordeling uitgelaten.

8. Uit het besluit van 10 augustus 2012 volgt dat het kampement incidenten aantrok. Uit het bij het besluit van 22 februari 2012 gevoegde overzicht van incidenten is daarnaast af te leiden, dat de personen die op het kampement verbleven het door hen bezette deel van het Malieveld steeds meer als eigen terrein gingen beschouwen waartoe zij de politie geen toegang wilden verschaffen. Bovendien had het kampement geen duidelijke organisatie en was er geen vast aanspreekpunt. Verder volgt uit dit besluit dat er vanaf november 2011 - tegen de gemaakte afspraken in - steeds grotere objecten bij het kampement werden geplaatst, waardoor het kampement onoverzichtelijk werd. Daarnaast werd geprobeerd water- en elektravoorzieningen aan te leggen, open vuur en gasbranders in te zetten en een tractor met bouwkeet te plaatsen; de burgemeester heeft de tractor en bouwkeet door de politie laten verwijderen. Daarbij komt dat de permanente bezetting het gebruik van deze openbare plaats door anderen onmogelijk maakte. Gelet hierop heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich een verstoring van de openbare orde voordeed, zodat hij in het kader van de handhaving van de openbare orde als bedoeld in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet het bevel had mogen geven het kampement per 28 februari 2012 te beëindigen. Toepassing van die bevoegdheid en vermelding van de juiste wettelijke grondslag zou derhalve niet tot een inhoudelijk ander besluit hebben geleid dan het besluit van 10 augustus 2012, waarbij het besluit van 22 februari 2012 is gehandhaafd. Gelet hierop zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 augustus 2012 geheel in stand blijven.

9. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2013 in zaken nrs. 12/9180 en 12/9208, voor zover daarbij het beroep in zaak nr. 12/9180, gericht tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag van 10 augustus 2012, kenmerk: BENW/2012.1608, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.435,00 (zegge: vierentwintighonderdvijfendertig euro), toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de burgemeester aan [appellanten] het door hun voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 551,00 (zegge: vijfhonderdeenenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Slump w.g. Veenboer
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

730.